Chapter 17

Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weetde dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtigexplosiefkan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over dezekwestiebesproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leiderin zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. “Maar”, zooals Flesch voortgaat, “in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie”6. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming—een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland—vol belofte is voor de toekomst.De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbondenmet de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueelehygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verbodenis op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, “wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten”7? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijnAnatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueelehygiëne8zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. “Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd”, schrijft een dame, “zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren”. “Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde”, schrijft een geestelijke, “met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van eenoudevriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ikaanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)”. Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te vermijden dan ze doorhygiënischemaatregelen tot zwijgen te brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden, om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen verwachten datzesexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan het andere uiterste is een andere groep kinderen zooneurotischen vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen, waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van sexueelehygiënemet voordeel besteed worden9.Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft, hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen, mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest is, dan is de strijd minder hevig en spoedigervoorbij, tenzij het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft, veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden, nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven, op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen, als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls, zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in gevoels-conflicten en haar zielelevenverarmd10.De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zesouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. “Een vrouw is al van tevoren in het nadeel”, schrijft zij. “Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last”. Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. “Ik mag zeggen”, schrijft zij, “dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is”.Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd, en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij overdeze emotie te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de sexueele natuur geheel te vernietigen. “Als ik maar drie weken geluk gehad had”, zeide een vrouw, “dan zou ik niet met het lot twisten, maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is verschrikkelijk”. Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke sexueele ontwikkeling, hebben (zooalsGyurkovechky, Fürbringer en Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben)een deugd gemaakt van hun zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen, bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert11.De opvatting van “sexueele abstinentie” is, zooals we zien, een volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan te behooren. “Van Zelfopoffering”, schrijft de auteur van een boek, handelende over het sexueele leven, “wordt erkend dat het de basis is van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde, meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de mate vanzijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen”12.In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken, dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het geheele leven doordringen.Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden met de voortplanting—zooals sommige stammen in Midden-Australië meenen—dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus totTolstoy—zelfs de verdienstelijke Franciscus van Assisi—hadden in hun verleden al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze te minder heiligen geweest zijn.Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waarhet beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele, maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven en nemen13.De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het “probleem van sexueele abstinentie” zal meer en meer aan waarde verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling van de andere in zich.We hebben dit probleem van “sexueele abstinentie” ernstig moeten behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief; kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang onder den naam van “huwelijk” is weldadig; precies dezelfde daad, onder den naam van “gebrek aan zelfbeheersching” is verderfelijk. Geen physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het gebruikt wordt.Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijnwezen onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen, waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt, was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden, omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie—zelfs al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er krachtig toe gedrongen ze aan te nemen—is ook slecht. Zij zijn beide even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien, dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon, maar van twee.

Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weetde dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtigexplosiefkan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over dezekwestiebesproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leiderin zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. “Maar”, zooals Flesch voortgaat, “in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie”6. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming—een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland—vol belofte is voor de toekomst.De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbondenmet de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueelehygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verbodenis op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, “wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten”7? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijnAnatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueelehygiëne8zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. “Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd”, schrijft een dame, “zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren”. “Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde”, schrijft een geestelijke, “met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van eenoudevriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ikaanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)”. Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te vermijden dan ze doorhygiënischemaatregelen tot zwijgen te brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden, om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen verwachten datzesexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan het andere uiterste is een andere groep kinderen zooneurotischen vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen, waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van sexueelehygiënemet voordeel besteed worden9.Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft, hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen, mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest is, dan is de strijd minder hevig en spoedigervoorbij, tenzij het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft, veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden, nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven, op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen, als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls, zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in gevoels-conflicten en haar zielelevenverarmd10.De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zesouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. “Een vrouw is al van tevoren in het nadeel”, schrijft zij. “Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last”. Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. “Ik mag zeggen”, schrijft zij, “dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is”.Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd, en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij overdeze emotie te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de sexueele natuur geheel te vernietigen. “Als ik maar drie weken geluk gehad had”, zeide een vrouw, “dan zou ik niet met het lot twisten, maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is verschrikkelijk”. Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke sexueele ontwikkeling, hebben (zooalsGyurkovechky, Fürbringer en Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben)een deugd gemaakt van hun zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen, bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert11.De opvatting van “sexueele abstinentie” is, zooals we zien, een volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan te behooren. “Van Zelfopoffering”, schrijft de auteur van een boek, handelende over het sexueele leven, “wordt erkend dat het de basis is van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde, meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de mate vanzijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen”12.In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken, dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het geheele leven doordringen.Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden met de voortplanting—zooals sommige stammen in Midden-Australië meenen—dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus totTolstoy—zelfs de verdienstelijke Franciscus van Assisi—hadden in hun verleden al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze te minder heiligen geweest zijn.Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waarhet beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele, maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven en nemen13.De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het “probleem van sexueele abstinentie” zal meer en meer aan waarde verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling van de andere in zich.We hebben dit probleem van “sexueele abstinentie” ernstig moeten behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief; kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang onder den naam van “huwelijk” is weldadig; precies dezelfde daad, onder den naam van “gebrek aan zelfbeheersching” is verderfelijk. Geen physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het gebruikt wordt.Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijnwezen onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen, waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt, was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden, omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie—zelfs al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er krachtig toe gedrongen ze aan te nemen—is ook slecht. Zij zijn beide even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien, dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon, maar van twee.

Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weetde dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtigexplosiefkan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over dezekwestiebesproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leiderin zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. “Maar”, zooals Flesch voortgaat, “in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie”6. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming—een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland—vol belofte is voor de toekomst.De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbondenmet de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueelehygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verbodenis op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, “wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten”7? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijnAnatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueelehygiëne8zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. “Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd”, schrijft een dame, “zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren”. “Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde”, schrijft een geestelijke, “met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van eenoudevriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ikaanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)”. Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te vermijden dan ze doorhygiënischemaatregelen tot zwijgen te brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden, om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen verwachten datzesexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan het andere uiterste is een andere groep kinderen zooneurotischen vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen, waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van sexueelehygiënemet voordeel besteed worden9.Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft, hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen, mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest is, dan is de strijd minder hevig en spoedigervoorbij, tenzij het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft, veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden, nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven, op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen, als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls, zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in gevoels-conflicten en haar zielelevenverarmd10.De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zesouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. “Een vrouw is al van tevoren in het nadeel”, schrijft zij. “Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last”. Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. “Ik mag zeggen”, schrijft zij, “dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is”.Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd, en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij overdeze emotie te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de sexueele natuur geheel te vernietigen. “Als ik maar drie weken geluk gehad had”, zeide een vrouw, “dan zou ik niet met het lot twisten, maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is verschrikkelijk”. Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke sexueele ontwikkeling, hebben (zooalsGyurkovechky, Fürbringer en Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben)een deugd gemaakt van hun zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen, bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert11.De opvatting van “sexueele abstinentie” is, zooals we zien, een volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan te behooren. “Van Zelfopoffering”, schrijft de auteur van een boek, handelende over het sexueele leven, “wordt erkend dat het de basis is van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde, meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de mate vanzijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen”12.In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken, dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het geheele leven doordringen.Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden met de voortplanting—zooals sommige stammen in Midden-Australië meenen—dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus totTolstoy—zelfs de verdienstelijke Franciscus van Assisi—hadden in hun verleden al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze te minder heiligen geweest zijn.Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waarhet beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele, maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven en nemen13.De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het “probleem van sexueele abstinentie” zal meer en meer aan waarde verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling van de andere in zich.We hebben dit probleem van “sexueele abstinentie” ernstig moeten behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief; kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang onder den naam van “huwelijk” is weldadig; precies dezelfde daad, onder den naam van “gebrek aan zelfbeheersching” is verderfelijk. Geen physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het gebruikt wordt.Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijnwezen onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen, waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt, was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden, omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie—zelfs al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er krachtig toe gedrongen ze aan te nemen—is ook slecht. Zij zijn beide even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien, dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon, maar van twee.

Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weetde dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtigexplosiefkan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.

Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over dezekwestiebesproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.

Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over dezekwestiebesproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.

Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leiderin zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. “Maar”, zooals Flesch voortgaat, “in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie”6. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming—een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland—vol belofte is voor de toekomst.

De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbondenmet de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.

Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueelehygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verbodenis op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, “wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten”7? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijnAnatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.

Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueelehygiëne8zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. “Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd”, schrijft een dame, “zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren”. “Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde”, schrijft een geestelijke, “met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van eenoudevriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ikaanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)”. Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.

Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te vermijden dan ze doorhygiënischemaatregelen tot zwijgen te brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden, om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen verwachten datzesexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan het andere uiterste is een andere groep kinderen zooneurotischen vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen, waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van sexueelehygiënemet voordeel besteed worden9.

Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft, hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen, mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest is, dan is de strijd minder hevig en spoedigervoorbij, tenzij het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft, veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.

In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden, nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven, op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen, als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls, zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in gevoels-conflicten en haar zielelevenverarmd10.

De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zesouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. “Een vrouw is al van tevoren in het nadeel”, schrijft zij. “Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last”. Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. “Ik mag zeggen”, schrijft zij, “dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is”.

De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zesouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. “Een vrouw is al van tevoren in het nadeel”, schrijft zij. “Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last”. Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie,Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. “Ik mag zeggen”, schrijft zij, “dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is”.

Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd, en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij overdeze emotie te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de sexueele natuur geheel te vernietigen. “Als ik maar drie weken geluk gehad had”, zeide een vrouw, “dan zou ik niet met het lot twisten, maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is verschrikkelijk”. Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke sexueele ontwikkeling, hebben (zooalsGyurkovechky, Fürbringer en Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben)een deugd gemaakt van hun zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen, bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert11.

De opvatting van “sexueele abstinentie” is, zooals we zien, een volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan te behooren. “Van Zelfopoffering”, schrijft de auteur van een boek, handelende over het sexueele leven, “wordt erkend dat het de basis is van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde, meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de mate vanzijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen”12.

In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken, dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het geheele leven doordringen.

Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden met de voortplanting—zooals sommige stammen in Midden-Australië meenen—dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus totTolstoy—zelfs de verdienstelijke Franciscus van Assisi—hadden in hun verleden al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze te minder heiligen geweest zijn.

Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waarhet beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele, maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven en nemen13.

De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het “probleem van sexueele abstinentie” zal meer en meer aan waarde verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling van de andere in zich.

We hebben dit probleem van “sexueele abstinentie” ernstig moeten behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.

Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief; kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang onder den naam van “huwelijk” is weldadig; precies dezelfde daad, onder den naam van “gebrek aan zelfbeheersching” is verderfelijk. Geen physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het gebruikt wordt.

Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijnwezen onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen, waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt, was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden, omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.

We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie—zelfs al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er krachtig toe gedrongen ze aan te nemen—is ook slecht. Zij zijn beide even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien, dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon, maar van twee.


Back to IndexNext