Chapter 32

Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordighuwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen.Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, “alleen een verschil in prijs en in duur van het contract”. Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is “een fatsoenlijker vorm van prostitutie”, dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen1, die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minderoverblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. “Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen”, schreef Hinton. “Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk—of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht—dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe”.Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijnDie Schicksale der Frauen und die Prostitution—een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft—met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijnFable of the Bee(1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: “De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones”.Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk—of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij—is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd “wettig” en “heilig”. Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van “gewettigde prostitutie” het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat “de phrase buitensporig en paradox is”.Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden—diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is—zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven,maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord “moreel” te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord “moreel” gewoonlijk gebruikt wordt.De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, istheoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen—of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen “moeten” zoeken? De groote massa der ethische literatuur—tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur—handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als “moreel”. Deze twee soorten van moraal zijn detraditioneele moraalen deideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging “goed” was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het “geweten” hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, enmisschienzelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie watde menschen “moesten” doen, blijft depraktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnschemoresen het Grieksche êthos hebben beide betrekking op degewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of “en masse” doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard2. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel3. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder denpatriottischennaam van “oorlog”, en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleenomdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.“De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord”, zegt Westermarck terecht, “sluit een moreelen regel in zich … De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte”4. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. “Gewoonte is wet”5. Het veld der theoretische moraal is zoo’n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal6. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden—d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn—dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. “Als het woord “ethica” gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap”, zegt Westermarck, “dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit”7.DeHistory of European Moralsvan Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck,The Origin and Development of the Moral Ideasis een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat “behoorde” te zijn.Morals in Evolutionvan Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt,d.z.regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn “de geschiedenis van het levensgedrag”, zich toch beperkt tot die regels, die “inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch” (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijnLa Dépendance de la Morale et l’Indépendance des Moeurs(1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed.“Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt”. Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal inLa Morale et la Science des Moeursvan Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt8, zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is detheoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord “moraal” gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie—van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt—dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnenbegrijpen. In een vergeefsch streven naar eenonbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op denideëeleninvloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met “moraal” in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel9was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal10bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aanieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan “sexueele moraal”. En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo’n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde “sexueele moraal”, wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis11.Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in ’t oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezitvan den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt (“Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes”,Zeitschriftfür Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver vanThe Question of English Divorce, p. 56).Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgangper se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de “ontucht” als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche “misdaad”. Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces inPérigordontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, “Archéologie Criminelle en Périgord”,Archives del’AnthropologieCriminelle, Nov. 15, 1898).De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell,Acts and Ordinances, p. 121)De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zeide de wijzeSenancour, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?”12. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt,“erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is”.In de richting, waarinSenancoureen eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten hethuwelijk13. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen14. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijnPhilosophy of Marriage, 1837, blz. 58–72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. “Vele goede menschen”, zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van deHoward Associationen zendeling bij de politiehoven (in een interview,Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), “raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen “schande”. Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden”.Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij totechtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. “Zij, die het wildst geleefd hebben”, schreef hij, “blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan”.Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen—tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben—kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg—die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk—kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid endat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, alsProbenächte,fensterln,Kiltgang,hand-fasting,bundling,sitting-up,courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens deTravelsvan Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend alstarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar hetnacht-loopengenoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582–4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck,Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146–154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (SohrabundRustem, blz. 129–137).De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze “het beter had kunnen treffen”. Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze “corruptie”, naar wij vernemen (Burton,City of the Saints, Appendix IV),“zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders”.“De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren”, merkt Dr. Ehrhard op (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), “weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toontnatuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde”. Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter,op.cit., blz. 164et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aanpaedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde “eiland-gewoonte” van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bijSexual Life of Our Timevan Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in ParijsDesprésmeer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en “huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is”. In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Feb. 15, 1909).In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen,Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minstwordt eenprobe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand “een kat in den zak” wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. “Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren”, vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze ’s avonds en ’s nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer,Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): “Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van “den goeden ouden tijd”, toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden”.Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen—hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben—van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijnReallexicon(art. “Keuschheit”) wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe,het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip “Duitsche deugd” dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld vanSalvianusover de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar15.De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, “het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, deElements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk “verloren” en “onteerd” is”(vergelijkSexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland—afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte—in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bijGeschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannenrevolutionairepogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van “vrije liefde” zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, “Die Sexuelle Bewegung in Russland”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook “Les Associations Erotiques en Russe”,Journal du Droit International Privé, Jan., 1909,waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in deRevue des Idées, Febr., 1909).De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. “Na zorgvuldig onderzoek”, zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), “vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is”. Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijnChildbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: “Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad—een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen—is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zoudengeworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw” (vergelijk Powys,Biometrika, deel I, 1901–’02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, “aan de partijen opgedrongen” zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd “de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs”. De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. “De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien”, wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: “In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten” (op.cit., deel I, p. 218).Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, “veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering”. Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over dehandelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): “Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen”, voegt zij er aan toe, “zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw”.Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth,Life and Labour of the People. “Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders”, lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), “dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven”. Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: “Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid”.We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica,waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,Black Jamaica(1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat “trouw samenleven huwelijk beteekent”, zij zeggen, dat zij “getrouwd zijn, maar niet door den dominee”. Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden,Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. “De vrouwen van de boerenklasse”, merkt Livingstone op (p. 212), “zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk.”Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. “De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid” (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om “fatsoenlijke denkbeelden” aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan “ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader” te geven (blz. 258).

Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordighuwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen.Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, “alleen een verschil in prijs en in duur van het contract”. Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is “een fatsoenlijker vorm van prostitutie”, dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen1, die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minderoverblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. “Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen”, schreef Hinton. “Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk—of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht—dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe”.Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijnDie Schicksale der Frauen und die Prostitution—een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft—met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijnFable of the Bee(1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: “De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones”.Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk—of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij—is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd “wettig” en “heilig”. Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van “gewettigde prostitutie” het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat “de phrase buitensporig en paradox is”.Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden—diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is—zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven,maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord “moreel” te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord “moreel” gewoonlijk gebruikt wordt.De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, istheoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen—of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen “moeten” zoeken? De groote massa der ethische literatuur—tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur—handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als “moreel”. Deze twee soorten van moraal zijn detraditioneele moraalen deideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging “goed” was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het “geweten” hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, enmisschienzelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie watde menschen “moesten” doen, blijft depraktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnschemoresen het Grieksche êthos hebben beide betrekking op degewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of “en masse” doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard2. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel3. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder denpatriottischennaam van “oorlog”, en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleenomdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.“De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord”, zegt Westermarck terecht, “sluit een moreelen regel in zich … De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte”4. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. “Gewoonte is wet”5. Het veld der theoretische moraal is zoo’n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal6. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden—d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn—dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. “Als het woord “ethica” gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap”, zegt Westermarck, “dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit”7.DeHistory of European Moralsvan Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck,The Origin and Development of the Moral Ideasis een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat “behoorde” te zijn.Morals in Evolutionvan Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt,d.z.regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn “de geschiedenis van het levensgedrag”, zich toch beperkt tot die regels, die “inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch” (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijnLa Dépendance de la Morale et l’Indépendance des Moeurs(1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed.“Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt”. Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal inLa Morale et la Science des Moeursvan Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt8, zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is detheoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord “moraal” gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie—van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt—dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnenbegrijpen. In een vergeefsch streven naar eenonbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op denideëeleninvloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met “moraal” in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel9was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal10bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aanieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan “sexueele moraal”. En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo’n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde “sexueele moraal”, wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis11.Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in ’t oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezitvan den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt (“Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes”,Zeitschriftfür Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver vanThe Question of English Divorce, p. 56).Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgangper se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de “ontucht” als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche “misdaad”. Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces inPérigordontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, “Archéologie Criminelle en Périgord”,Archives del’AnthropologieCriminelle, Nov. 15, 1898).De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell,Acts and Ordinances, p. 121)De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zeide de wijzeSenancour, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?”12. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt,“erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is”.In de richting, waarinSenancoureen eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten hethuwelijk13. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen14. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijnPhilosophy of Marriage, 1837, blz. 58–72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. “Vele goede menschen”, zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van deHoward Associationen zendeling bij de politiehoven (in een interview,Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), “raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen “schande”. Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden”.Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij totechtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. “Zij, die het wildst geleefd hebben”, schreef hij, “blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan”.Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen—tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben—kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg—die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk—kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid endat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, alsProbenächte,fensterln,Kiltgang,hand-fasting,bundling,sitting-up,courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens deTravelsvan Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend alstarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar hetnacht-loopengenoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582–4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck,Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146–154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (SohrabundRustem, blz. 129–137).De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze “het beter had kunnen treffen”. Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze “corruptie”, naar wij vernemen (Burton,City of the Saints, Appendix IV),“zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders”.“De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren”, merkt Dr. Ehrhard op (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), “weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toontnatuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde”. Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter,op.cit., blz. 164et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aanpaedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde “eiland-gewoonte” van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bijSexual Life of Our Timevan Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in ParijsDesprésmeer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en “huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is”. In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Feb. 15, 1909).In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen,Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minstwordt eenprobe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand “een kat in den zak” wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. “Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren”, vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze ’s avonds en ’s nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer,Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): “Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van “den goeden ouden tijd”, toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden”.Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen—hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben—van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijnReallexicon(art. “Keuschheit”) wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe,het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip “Duitsche deugd” dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld vanSalvianusover de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar15.De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, “het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, deElements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk “verloren” en “onteerd” is”(vergelijkSexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland—afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte—in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bijGeschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannenrevolutionairepogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van “vrije liefde” zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, “Die Sexuelle Bewegung in Russland”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook “Les Associations Erotiques en Russe”,Journal du Droit International Privé, Jan., 1909,waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in deRevue des Idées, Febr., 1909).De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. “Na zorgvuldig onderzoek”, zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), “vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is”. Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijnChildbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: “Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad—een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen—is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zoudengeworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw” (vergelijk Powys,Biometrika, deel I, 1901–’02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, “aan de partijen opgedrongen” zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd “de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs”. De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. “De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien”, wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: “In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten” (op.cit., deel I, p. 218).Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, “veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering”. Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over dehandelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): “Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen”, voegt zij er aan toe, “zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw”.Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth,Life and Labour of the People. “Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders”, lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), “dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven”. Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: “Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid”.We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica,waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,Black Jamaica(1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat “trouw samenleven huwelijk beteekent”, zij zeggen, dat zij “getrouwd zijn, maar niet door den dominee”. Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden,Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. “De vrouwen van de boerenklasse”, merkt Livingstone op (p. 212), “zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk.”Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. “De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid” (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om “fatsoenlijke denkbeelden” aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan “ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader” te geven (blz. 258).

Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordighuwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen.Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, “alleen een verschil in prijs en in duur van het contract”. Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is “een fatsoenlijker vorm van prostitutie”, dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen1, die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minderoverblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. “Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen”, schreef Hinton. “Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk—of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht—dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe”.Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijnDie Schicksale der Frauen und die Prostitution—een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft—met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijnFable of the Bee(1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: “De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones”.Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk—of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij—is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd “wettig” en “heilig”. Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van “gewettigde prostitutie” het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat “de phrase buitensporig en paradox is”.Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden—diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is—zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven,maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord “moreel” te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord “moreel” gewoonlijk gebruikt wordt.De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, istheoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen—of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen “moeten” zoeken? De groote massa der ethische literatuur—tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur—handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als “moreel”. Deze twee soorten van moraal zijn detraditioneele moraalen deideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging “goed” was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het “geweten” hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, enmisschienzelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie watde menschen “moesten” doen, blijft depraktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnschemoresen het Grieksche êthos hebben beide betrekking op degewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of “en masse” doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard2. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel3. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder denpatriottischennaam van “oorlog”, en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleenomdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.“De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord”, zegt Westermarck terecht, “sluit een moreelen regel in zich … De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte”4. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. “Gewoonte is wet”5. Het veld der theoretische moraal is zoo’n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal6. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden—d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn—dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. “Als het woord “ethica” gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap”, zegt Westermarck, “dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit”7.DeHistory of European Moralsvan Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck,The Origin and Development of the Moral Ideasis een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat “behoorde” te zijn.Morals in Evolutionvan Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt,d.z.regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn “de geschiedenis van het levensgedrag”, zich toch beperkt tot die regels, die “inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch” (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijnLa Dépendance de la Morale et l’Indépendance des Moeurs(1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed.“Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt”. Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal inLa Morale et la Science des Moeursvan Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt8, zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is detheoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord “moraal” gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie—van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt—dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnenbegrijpen. In een vergeefsch streven naar eenonbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op denideëeleninvloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met “moraal” in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel9was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal10bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aanieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan “sexueele moraal”. En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo’n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde “sexueele moraal”, wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis11.Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in ’t oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezitvan den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt (“Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes”,Zeitschriftfür Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver vanThe Question of English Divorce, p. 56).Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgangper se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de “ontucht” als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche “misdaad”. Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces inPérigordontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, “Archéologie Criminelle en Périgord”,Archives del’AnthropologieCriminelle, Nov. 15, 1898).De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell,Acts and Ordinances, p. 121)De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zeide de wijzeSenancour, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?”12. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt,“erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is”.In de richting, waarinSenancoureen eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten hethuwelijk13. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen14. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijnPhilosophy of Marriage, 1837, blz. 58–72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. “Vele goede menschen”, zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van deHoward Associationen zendeling bij de politiehoven (in een interview,Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), “raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen “schande”. Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden”.Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij totechtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. “Zij, die het wildst geleefd hebben”, schreef hij, “blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan”.Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen—tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben—kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg—die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk—kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid endat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, alsProbenächte,fensterln,Kiltgang,hand-fasting,bundling,sitting-up,courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens deTravelsvan Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend alstarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar hetnacht-loopengenoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582–4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck,Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146–154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (SohrabundRustem, blz. 129–137).De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze “het beter had kunnen treffen”. Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze “corruptie”, naar wij vernemen (Burton,City of the Saints, Appendix IV),“zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders”.“De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren”, merkt Dr. Ehrhard op (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), “weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toontnatuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde”. Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter,op.cit., blz. 164et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aanpaedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde “eiland-gewoonte” van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bijSexual Life of Our Timevan Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in ParijsDesprésmeer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en “huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is”. In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Feb. 15, 1909).In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen,Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minstwordt eenprobe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand “een kat in den zak” wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. “Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren”, vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze ’s avonds en ’s nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer,Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): “Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van “den goeden ouden tijd”, toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden”.Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen—hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben—van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijnReallexicon(art. “Keuschheit”) wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe,het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip “Duitsche deugd” dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld vanSalvianusover de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar15.De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, “het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, deElements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk “verloren” en “onteerd” is”(vergelijkSexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland—afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte—in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bijGeschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannenrevolutionairepogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van “vrije liefde” zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, “Die Sexuelle Bewegung in Russland”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook “Les Associations Erotiques en Russe”,Journal du Droit International Privé, Jan., 1909,waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in deRevue des Idées, Febr., 1909).De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. “Na zorgvuldig onderzoek”, zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), “vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is”. Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijnChildbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: “Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad—een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen—is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zoudengeworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw” (vergelijk Powys,Biometrika, deel I, 1901–’02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, “aan de partijen opgedrongen” zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd “de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs”. De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. “De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien”, wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: “In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten” (op.cit., deel I, p. 218).Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, “veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering”. Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over dehandelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): “Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen”, voegt zij er aan toe, “zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw”.Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth,Life and Labour of the People. “Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders”, lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), “dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven”. Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: “Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid”.We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica,waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,Black Jamaica(1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat “trouw samenleven huwelijk beteekent”, zij zeggen, dat zij “getrouwd zijn, maar niet door den dominee”. Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden,Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. “De vrouwen van de boerenklasse”, merkt Livingstone op (p. 212), “zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk.”Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. “De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid” (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om “fatsoenlijke denkbeelden” aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan “ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader” te geven (blz. 258).

Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordighuwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen.Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, “alleen een verschil in prijs en in duur van het contract”. Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is “een fatsoenlijker vorm van prostitutie”, dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen1, die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minderoverblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.

Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. “Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen”, schreef Hinton. “Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk—of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht—dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe”.Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijnDie Schicksale der Frauen und die Prostitution—een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft—met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijnFable of the Bee(1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: “De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones”.Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.

Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. “Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen”, schreef Hinton. “Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk—of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht—dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe”.

Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijnDie Schicksale der Frauen und die Prostitution—een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft—met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.

Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijnFable of the Bee(1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: “De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones”.

Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.

Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk—of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij—is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.

Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd “wettig” en “heilig”. Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van “gewettigde prostitutie” het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat “de phrase buitensporig en paradox is”.

Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd “wettig” en “heilig”. Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van “gewettigde prostitutie” het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat “de phrase buitensporig en paradox is”.

Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden—diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is—zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven,maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.

Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord “moreel” te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord “moreel” gewoonlijk gebruikt wordt.

De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, istheoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen—of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen “moeten” zoeken? De groote massa der ethische literatuur—tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur—handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.

Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als “moreel”. Deze twee soorten van moraal zijn detraditioneele moraalen deideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging “goed” was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het “geweten” hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.

Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, enmisschienzelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.

Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie watde menschen “moesten” doen, blijft depraktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnschemoresen het Grieksche êthos hebben beide betrekking op degewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of “en masse” doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard2. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.

De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel3. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder denpatriottischennaam van “oorlog”, en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleenomdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.

“De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord”, zegt Westermarck terecht, “sluit een moreelen regel in zich … De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte”4. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. “Gewoonte is wet”5. Het veld der theoretische moraal is zoo’n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal6. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden—d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn—dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. “Als het woord “ethica” gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap”, zegt Westermarck, “dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit”7.

DeHistory of European Moralsvan Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck,The Origin and Development of the Moral Ideasis een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat “behoorde” te zijn.Morals in Evolutionvan Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt,d.z.regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn “de geschiedenis van het levensgedrag”, zich toch beperkt tot die regels, die “inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch” (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijnLa Dépendance de la Morale et l’Indépendance des Moeurs(1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed.“Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt”. Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal inLa Morale et la Science des Moeursvan Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).

DeHistory of European Moralsvan Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck,The Origin and Development of the Moral Ideasis een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat “behoorde” te zijn.Morals in Evolutionvan Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt,d.z.regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn “de geschiedenis van het levensgedrag”, zich toch beperkt tot die regels, die “inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch” (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijnLa Dépendance de la Morale et l’Indépendance des Moeurs(1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed.“Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt”. Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal inLa Morale et la Science des Moeursvan Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).

Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt8, zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.

Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is detheoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.

Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord “moraal” gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.

Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie—van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt—dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnenbegrijpen. In een vergeefsch streven naar eenonbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op denideëeleninvloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.

Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met “moraal” in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel9was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.

De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal10bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aanieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan “sexueele moraal”. En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo’n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde “sexueele moraal”, wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis11.

Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in ’t oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezitvan den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt (“Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes”,Zeitschriftfür Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver vanThe Question of English Divorce, p. 56).Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgangper se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de “ontucht” als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche “misdaad”. Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces inPérigordontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, “Archéologie Criminelle en Périgord”,Archives del’AnthropologieCriminelle, Nov. 15, 1898).De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell,Acts and Ordinances, p. 121)

Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in ’t oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.

Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezitvan den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt (“Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes”,Zeitschriftfür Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver vanThe Question of English Divorce, p. 56).

Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgangper se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.

De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de “ontucht” als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche “misdaad”. Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces inPérigordontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, “Archéologie Criminelle en Périgord”,Archives del’AnthropologieCriminelle, Nov. 15, 1898).

De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell,Acts and Ordinances, p. 121)

De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zeide de wijzeSenancour, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?”12. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt,“erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is”.

In de richting, waarinSenancoureen eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.

Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.

Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten hethuwelijk13. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.

De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen14. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.

Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijnPhilosophy of Marriage, 1837, blz. 58–72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. “Vele goede menschen”, zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van deHoward Associationen zendeling bij de politiehoven (in een interview,Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), “raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen “schande”. Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden”.Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij totechtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. “Zij, die het wildst geleefd hebben”, schreef hij, “blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan”.Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen—tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben—kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.

Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.

Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijnPhilosophy of Marriage, 1837, blz. 58–72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. “Vele goede menschen”, zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van deHoward Associationen zendeling bij de politiehoven (in een interview,Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), “raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen “schande”. Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden”.

Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij totechtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. “Zij, die het wildst geleefd hebben”, schreef hij, “blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan”.

Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen—tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben—kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.

De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg—die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk—kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.

Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid endat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.

Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, alsProbenächte,fensterln,Kiltgang,hand-fasting,bundling,sitting-up,courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens deTravelsvan Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend alstarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar hetnacht-loopengenoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582–4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck,Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146–154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (SohrabundRustem, blz. 129–137).De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze “het beter had kunnen treffen”. Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze “corruptie”, naar wij vernemen (Burton,City of the Saints, Appendix IV),“zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders”.“De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren”, merkt Dr. Ehrhard op (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), “weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toontnatuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde”. Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter,op.cit., blz. 164et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aanpaedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde “eiland-gewoonte” van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bijSexual Life of Our Timevan Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in ParijsDesprésmeer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en “huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is”. In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Feb. 15, 1909).In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen,Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minstwordt eenprobe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand “een kat in den zak” wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. “Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren”, vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze ’s avonds en ’s nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer,Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): “Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van “den goeden ouden tijd”, toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden”.Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen—hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben—van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijnReallexicon(art. “Keuschheit”) wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe,het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip “Duitsche deugd” dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld vanSalvianusover de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar15.De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, “het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, deElements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk “verloren” en “onteerd” is”(vergelijkSexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland—afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte—in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bijGeschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannenrevolutionairepogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van “vrije liefde” zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, “Die Sexuelle Bewegung in Russland”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook “Les Associations Erotiques en Russe”,Journal du Droit International Privé, Jan., 1909,waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in deRevue des Idées, Febr., 1909).De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. “Na zorgvuldig onderzoek”, zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), “vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is”. Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijnChildbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: “Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad—een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen—is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zoudengeworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw” (vergelijk Powys,Biometrika, deel I, 1901–’02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, “aan de partijen opgedrongen” zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.

Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, alsProbenächte,fensterln,Kiltgang,hand-fasting,bundling,sitting-up,courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens deTravelsvan Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend alstarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar hetnacht-loopengenoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.

Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582–4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck,Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146–154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (SohrabundRustem, blz. 129–137).

De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze “het beter had kunnen treffen”. Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze “corruptie”, naar wij vernemen (Burton,City of the Saints, Appendix IV),“zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders”.

“De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren”, merkt Dr. Ehrhard op (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), “weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toontnatuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde”. Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter,op.cit., blz. 164et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aanpaedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.

In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde “eiland-gewoonte” van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bijSexual Life of Our Timevan Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).

Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in ParijsDesprésmeer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.

In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en “huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is”. In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Feb. 15, 1909).

In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen,Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minstwordt eenprobe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand “een kat in den zak” wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. “Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren”, vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze ’s avonds en ’s nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer,Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.

Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): “Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van “den goeden ouden tijd”, toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden”.

Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen—hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben—van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijnReallexicon(art. “Keuschheit”) wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe,het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.

Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip “Duitsche deugd” dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld vanSalvianusover de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar15.

De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, “het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, deElements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk “verloren” en “onteerd” is”(vergelijkSexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).

Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland—afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte—in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bijGeschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).

In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannenrevolutionairepogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van “vrije liefde” zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, “Die Sexuelle Bewegung in Russland”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook “Les Associations Erotiques en Russe”,Journal du Droit International Privé, Jan., 1909,waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in deRevue des Idées, Febr., 1909).

De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.

Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. “Na zorgvuldig onderzoek”, zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), “vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is”. Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijnChildbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: “Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad—een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen—is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zoudengeworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw” (vergelijk Powys,Biometrika, deel I, 1901–’02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, “aan de partijen opgedrongen” zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.

Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.

Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.

Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd “de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs”. De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. “De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien”, wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: “In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten” (op.cit., deel I, p. 218).Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, “veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering”. Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over dehandelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): “Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen”, voegt zij er aan toe, “zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw”.

Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd “de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs”. De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. “De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien”, wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: “In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten” (op.cit., deel I, p. 218).

Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, “veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering”. Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over dehandelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): “Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen”, voegt zij er aan toe, “zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw”.

Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.

Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth,Life and Labour of the People. “Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders”, lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), “dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven”. Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: “Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid”.We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica,waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,Black Jamaica(1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat “trouw samenleven huwelijk beteekent”, zij zeggen, dat zij “getrouwd zijn, maar niet door den dominee”. Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden,Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. “De vrouwen van de boerenklasse”, merkt Livingstone op (p. 212), “zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk.”Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. “De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid” (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om “fatsoenlijke denkbeelden” aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan “ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader” te geven (blz. 258).

Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth,Life and Labour of the People. “Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders”, lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), “dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven”. Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: “Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid”.

We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica,waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,Black Jamaica(1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat “trouw samenleven huwelijk beteekent”, zij zeggen, dat zij “getrouwd zijn, maar niet door den dominee”. Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden,Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. “De vrouwen van de boerenklasse”, merkt Livingstone op (p. 212), “zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk.”Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. “De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid” (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om “fatsoenlijke denkbeelden” aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan “ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader” te geven (blz. 258).


Back to IndexNext