Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin—gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt—vrouwen meer danvroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. “Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had”, schreef Curr van de Australische zwarten16. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit17.Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten18. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dienvan den vader19. Die volken waren, naar Bachofen meent,gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo’n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem20. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op hetambil anakhuwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door hetbeenahuwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden21.Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën22. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden23. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. “Iedere vrouw”, zeide men, “is vrij te gaan waar zij wil”, en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet24. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren25.Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over ’t algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaireorganisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot26.In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin27. “Het is de glorie van de Egyptische moraal”, zegt Amélineau, “dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft”28. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw.Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi’s niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).Er mag wel op gewezen worden—want het is niet altijd erkend—dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden29. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol)die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen30. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht31niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: “Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft”32. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. “De Romeinsche matrone van het Keizerrijk”, zegt Hobhouse, “was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe”33.Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving.Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundigRoman Society(p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. “In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen”. Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets,Woman(p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; “de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus”. De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, “Sophia, a Lady of Quality”, Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft inA Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill inThe Subjection of Women34.De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonteals de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven35. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw wasjanua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm:Femina fax est Satanae36.Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes alsarrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, demorgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière,Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities, art. “Sexes, Separation of”).Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijkde positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): “Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen … Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het “mannelijk” uit de definitie van man, en het “menschelijke wezen” uit de definitie van vrouw”. De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst “waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man”.Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord “mensch” ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. “Wij moeten”, schrijft Merrick (art. “Marriage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities), “zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als eenremediumom erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan”.Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: “Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen”, waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. “Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasmeaannamenals een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld”.Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. “Adultery”, Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning vanhaar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1)simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2)duplex, van de getrouwden met de getrouwden.Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359–361): “Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in demores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man”. We zullen later echter meer over dit punt zeggen.Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. “Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers”, lezen we inRenaus de Montauban, “zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!” En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling vanCoutumeswordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maarresnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse,Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. InGirbers de Metzrijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. “Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!” “O”, antwoordt Girbert, “wat een mooi dier is mijn paard!” “Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen”, zegt Garin. “Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne”, antwoordtGirbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. “In allechansons de geste”, merkt Gautier op, “zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding”, hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier,La Chevalerie, p. 236–50).In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. “Van den tijd van Willem den Veroveraar af”, zegt Hobhouse (op.cit., deel I, p. 224), “wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is”. Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het “hoogverraad”, de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. “Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouwis geschorst tijdens het huwelijk”, zeide Blackstone, “of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo’n groote gunsteling”, voegde hij er aan toe, “is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland”. “De sterkte van de vrouwen was haar zwakte”, zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet.“Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker”.In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van “het vrouwelijke en zwakke schepsel”, die hem “volkomen liefde en gehoorzaamheid” verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich “uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin”, als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijnFemmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo’n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamstefactor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijnCharacteristicsvan minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.Schrader wijst er op, in zijnReallexicon(art. “Brautkauf”), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike,History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in hetAnnual Registervoor 1767 (p. 99): “Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag.”De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, “Die Jungferschaft im Recht und Sitte”,Sexual-ProblemeFeb., 1908). De vrouw is “onteerd” door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk “tweede-hands” wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid “de afschaffing van de physieke maagdelijkheid” aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfstervanUna Poeninentium(1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke “eer”, en de vrouwelijke reinheid.Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De “edele wilde”, die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging37. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den “edelen wilde” aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe,zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. “Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet”; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal38. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt,de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen—zeer tegen hun eigen wensch—dat behoeven we niet te zeggen—door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boekIn the South Seas(hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore—die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was—het streven van de zendelingen “wonderbaarlijk wel geslaagd” geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft dekuischheidzeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (AustralasianReview of Reviews, Oct., 1897) merkt op: “Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag”.We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. “Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw,” heeft Hinton terecht gezegd, “geen kracht van wil, geen wensch en besluit om “goed” te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben”.Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheidin zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme39. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte devrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid40. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven41. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man42.In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid43.In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst hetkapitalistischsysteem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders44, waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd,die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën—de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën—vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen45. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment46.Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. “Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld,” zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als “een invloed, die strijdig is met de beschaving”. De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, “over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toenamevan materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat”. (J. A. Hobson,Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om “de onderwerping van de vrouw” te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der “vrouwenbeweging” zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. “Gallanterie voor de dames”, wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, “behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, enhij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten”; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt47. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden48, kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van “eer” invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen49. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien50. Tochmogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo’n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog—dat altijd de toevlucht is van de zwakken—zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedragnog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander “het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon”51. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen debrutaleattenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw “bijna physiologisch”, en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak52. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. “Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven”, zegt Vader Gury, “want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen”53. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter “bijna physiologisch” is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. “Alles te zamen genomen”,besloot Senancour (De l’Amour, deel II, p. 85), “hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos”.Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.Het is ongetwijfeld waar, dat—gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen—vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke “sexueele onderwerping” is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke “sexueele onderwerping” van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger “opoffert”. Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar “eer” opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zijmeer op prijs stelt. “Wat een triomf is het voor een vrouw”, heeft een vrouw gezegd, “vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!” En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen “opoffering” geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,iedervrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.
Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin—gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt—vrouwen meer danvroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. “Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had”, schreef Curr van de Australische zwarten16. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit17.Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten18. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dienvan den vader19. Die volken waren, naar Bachofen meent,gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo’n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem20. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op hetambil anakhuwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door hetbeenahuwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden21.Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën22. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden23. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. “Iedere vrouw”, zeide men, “is vrij te gaan waar zij wil”, en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet24. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren25.Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over ’t algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaireorganisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot26.In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin27. “Het is de glorie van de Egyptische moraal”, zegt Amélineau, “dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft”28. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw.Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi’s niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).Er mag wel op gewezen worden—want het is niet altijd erkend—dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden29. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol)die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen30. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht31niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: “Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft”32. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. “De Romeinsche matrone van het Keizerrijk”, zegt Hobhouse, “was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe”33.Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving.Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundigRoman Society(p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. “In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen”. Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets,Woman(p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; “de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus”. De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, “Sophia, a Lady of Quality”, Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft inA Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill inThe Subjection of Women34.De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonteals de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven35. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw wasjanua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm:Femina fax est Satanae36.Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes alsarrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, demorgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière,Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities, art. “Sexes, Separation of”).Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijkde positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): “Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen … Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het “mannelijk” uit de definitie van man, en het “menschelijke wezen” uit de definitie van vrouw”. De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst “waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man”.Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord “mensch” ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. “Wij moeten”, schrijft Merrick (art. “Marriage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities), “zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als eenremediumom erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan”.Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: “Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen”, waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. “Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasmeaannamenals een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld”.Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. “Adultery”, Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning vanhaar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1)simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2)duplex, van de getrouwden met de getrouwden.Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359–361): “Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in demores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man”. We zullen later echter meer over dit punt zeggen.Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. “Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers”, lezen we inRenaus de Montauban, “zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!” En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling vanCoutumeswordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maarresnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse,Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. InGirbers de Metzrijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. “Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!” “O”, antwoordt Girbert, “wat een mooi dier is mijn paard!” “Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen”, zegt Garin. “Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne”, antwoordtGirbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. “In allechansons de geste”, merkt Gautier op, “zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding”, hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier,La Chevalerie, p. 236–50).In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. “Van den tijd van Willem den Veroveraar af”, zegt Hobhouse (op.cit., deel I, p. 224), “wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is”. Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het “hoogverraad”, de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. “Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouwis geschorst tijdens het huwelijk”, zeide Blackstone, “of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo’n groote gunsteling”, voegde hij er aan toe, “is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland”. “De sterkte van de vrouwen was haar zwakte”, zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet.“Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker”.In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van “het vrouwelijke en zwakke schepsel”, die hem “volkomen liefde en gehoorzaamheid” verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich “uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin”, als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijnFemmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo’n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamstefactor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijnCharacteristicsvan minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.Schrader wijst er op, in zijnReallexicon(art. “Brautkauf”), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike,History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in hetAnnual Registervoor 1767 (p. 99): “Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag.”De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, “Die Jungferschaft im Recht und Sitte”,Sexual-ProblemeFeb., 1908). De vrouw is “onteerd” door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk “tweede-hands” wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid “de afschaffing van de physieke maagdelijkheid” aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfstervanUna Poeninentium(1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke “eer”, en de vrouwelijke reinheid.Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De “edele wilde”, die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging37. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den “edelen wilde” aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe,zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. “Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet”; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal38. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt,de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen—zeer tegen hun eigen wensch—dat behoeven we niet te zeggen—door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boekIn the South Seas(hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore—die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was—het streven van de zendelingen “wonderbaarlijk wel geslaagd” geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft dekuischheidzeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (AustralasianReview of Reviews, Oct., 1897) merkt op: “Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag”.We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. “Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw,” heeft Hinton terecht gezegd, “geen kracht van wil, geen wensch en besluit om “goed” te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben”.Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheidin zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme39. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte devrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid40. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven41. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man42.In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid43.In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst hetkapitalistischsysteem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders44, waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd,die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën—de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën—vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen45. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment46.Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. “Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld,” zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als “een invloed, die strijdig is met de beschaving”. De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, “over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toenamevan materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat”. (J. A. Hobson,Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om “de onderwerping van de vrouw” te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der “vrouwenbeweging” zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. “Gallanterie voor de dames”, wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, “behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, enhij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten”; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt47. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden48, kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van “eer” invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen49. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien50. Tochmogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo’n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog—dat altijd de toevlucht is van de zwakken—zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedragnog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander “het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon”51. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen debrutaleattenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw “bijna physiologisch”, en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak52. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. “Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven”, zegt Vader Gury, “want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen”53. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter “bijna physiologisch” is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. “Alles te zamen genomen”,besloot Senancour (De l’Amour, deel II, p. 85), “hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos”.Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.Het is ongetwijfeld waar, dat—gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen—vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke “sexueele onderwerping” is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke “sexueele onderwerping” van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger “opoffert”. Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar “eer” opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zijmeer op prijs stelt. “Wat een triomf is het voor een vrouw”, heeft een vrouw gezegd, “vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!” En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen “opoffering” geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,iedervrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.
Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin—gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt—vrouwen meer danvroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. “Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had”, schreef Curr van de Australische zwarten16. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit17.Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten18. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dienvan den vader19. Die volken waren, naar Bachofen meent,gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo’n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem20. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op hetambil anakhuwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door hetbeenahuwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden21.Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën22. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden23. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. “Iedere vrouw”, zeide men, “is vrij te gaan waar zij wil”, en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet24. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren25.Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over ’t algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaireorganisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot26.In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin27. “Het is de glorie van de Egyptische moraal”, zegt Amélineau, “dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft”28. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw.Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi’s niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).Er mag wel op gewezen worden—want het is niet altijd erkend—dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden29. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol)die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen30. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht31niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: “Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft”32. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. “De Romeinsche matrone van het Keizerrijk”, zegt Hobhouse, “was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe”33.Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving.Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundigRoman Society(p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. “In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen”. Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets,Woman(p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; “de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus”. De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, “Sophia, a Lady of Quality”, Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft inA Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill inThe Subjection of Women34.De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonteals de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven35. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw wasjanua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm:Femina fax est Satanae36.Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes alsarrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, demorgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière,Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities, art. “Sexes, Separation of”).Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijkde positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): “Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen … Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het “mannelijk” uit de definitie van man, en het “menschelijke wezen” uit de definitie van vrouw”. De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst “waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man”.Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord “mensch” ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. “Wij moeten”, schrijft Merrick (art. “Marriage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities), “zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als eenremediumom erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan”.Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: “Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen”, waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. “Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasmeaannamenals een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld”.Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. “Adultery”, Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning vanhaar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1)simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2)duplex, van de getrouwden met de getrouwden.Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359–361): “Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in demores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man”. We zullen later echter meer over dit punt zeggen.Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. “Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers”, lezen we inRenaus de Montauban, “zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!” En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling vanCoutumeswordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maarresnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse,Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. InGirbers de Metzrijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. “Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!” “O”, antwoordt Girbert, “wat een mooi dier is mijn paard!” “Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen”, zegt Garin. “Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne”, antwoordtGirbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. “In allechansons de geste”, merkt Gautier op, “zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding”, hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier,La Chevalerie, p. 236–50).In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. “Van den tijd van Willem den Veroveraar af”, zegt Hobhouse (op.cit., deel I, p. 224), “wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is”. Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het “hoogverraad”, de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. “Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouwis geschorst tijdens het huwelijk”, zeide Blackstone, “of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo’n groote gunsteling”, voegde hij er aan toe, “is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland”. “De sterkte van de vrouwen was haar zwakte”, zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet.“Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker”.In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van “het vrouwelijke en zwakke schepsel”, die hem “volkomen liefde en gehoorzaamheid” verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich “uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin”, als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijnFemmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo’n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamstefactor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijnCharacteristicsvan minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.Schrader wijst er op, in zijnReallexicon(art. “Brautkauf”), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike,History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in hetAnnual Registervoor 1767 (p. 99): “Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag.”De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, “Die Jungferschaft im Recht und Sitte”,Sexual-ProblemeFeb., 1908). De vrouw is “onteerd” door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk “tweede-hands” wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid “de afschaffing van de physieke maagdelijkheid” aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfstervanUna Poeninentium(1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke “eer”, en de vrouwelijke reinheid.Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De “edele wilde”, die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging37. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den “edelen wilde” aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe,zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. “Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet”; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal38. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt,de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen—zeer tegen hun eigen wensch—dat behoeven we niet te zeggen—door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boekIn the South Seas(hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore—die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was—het streven van de zendelingen “wonderbaarlijk wel geslaagd” geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft dekuischheidzeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (AustralasianReview of Reviews, Oct., 1897) merkt op: “Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag”.We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. “Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw,” heeft Hinton terecht gezegd, “geen kracht van wil, geen wensch en besluit om “goed” te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben”.Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheidin zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme39. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte devrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid40. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven41. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man42.In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid43.In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst hetkapitalistischsysteem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders44, waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd,die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën—de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën—vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen45. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment46.Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. “Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld,” zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als “een invloed, die strijdig is met de beschaving”. De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, “over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toenamevan materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat”. (J. A. Hobson,Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om “de onderwerping van de vrouw” te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der “vrouwenbeweging” zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. “Gallanterie voor de dames”, wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, “behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, enhij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten”; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt47. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden48, kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van “eer” invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen49. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien50. Tochmogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo’n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog—dat altijd de toevlucht is van de zwakken—zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedragnog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander “het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon”51. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen debrutaleattenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw “bijna physiologisch”, en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak52. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. “Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven”, zegt Vader Gury, “want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen”53. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter “bijna physiologisch” is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. “Alles te zamen genomen”,besloot Senancour (De l’Amour, deel II, p. 85), “hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos”.Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.Het is ongetwijfeld waar, dat—gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen—vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke “sexueele onderwerping” is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke “sexueele onderwerping” van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger “opoffert”. Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar “eer” opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zijmeer op prijs stelt. “Wat een triomf is het voor een vrouw”, heeft een vrouw gezegd, “vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!” En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen “opoffering” geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,iedervrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.
Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin—gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt—vrouwen meer danvroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. “Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had”, schreef Curr van de Australische zwarten16. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit17.
Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.
Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten18. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dienvan den vader19. Die volken waren, naar Bachofen meent,gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo’n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem20. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op hetambil anakhuwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door hetbeenahuwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden21.
Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën22. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden23. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. “Iedere vrouw”, zeide men, “is vrij te gaan waar zij wil”, en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet24. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren25.
Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over ’t algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaireorganisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot26.
In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin27. “Het is de glorie van de Egyptische moraal”, zegt Amélineau, “dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft”28. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.
Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw.Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi’s niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).Er mag wel op gewezen worden—want het is niet altijd erkend—dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.
Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw.Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi’s niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.
Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).
Er mag wel op gewezen worden—want het is niet altijd erkend—dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.
Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden29. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol)die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen30. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.
Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht31niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: “Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft”32. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. “De Romeinsche matrone van het Keizerrijk”, zegt Hobhouse, “was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe”33.
Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving.Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundigRoman Society(p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. “In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen”. Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets,Woman(p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; “de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus”. De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.
Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving.Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundigRoman Society(p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. “In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen”. Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets,Woman(p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; “de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus”. De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.
Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, “Sophia, a Lady of Quality”, Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft inA Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill inThe Subjection of Women34.
De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonteals de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven35. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw wasjanua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm:Femina fax est Satanae36.
Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes alsarrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, demorgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière,Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities, art. “Sexes, Separation of”).Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijkde positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): “Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen … Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het “mannelijk” uit de definitie van man, en het “menschelijke wezen” uit de definitie van vrouw”. De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst “waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man”.Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord “mensch” ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. “Wij moeten”, schrijft Merrick (art. “Marriage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities), “zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als eenremediumom erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan”.Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: “Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen”, waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. “Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasmeaannamenals een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld”.Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. “Adultery”, Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning vanhaar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1)simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2)duplex, van de getrouwden met de getrouwden.Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359–361): “Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in demores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man”. We zullen later echter meer over dit punt zeggen.
Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes alsarrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, demorgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière,Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.
De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities, art. “Sexes, Separation of”).
Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijkde positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): “Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen … Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het “mannelijk” uit de definitie van man, en het “menschelijke wezen” uit de definitie van vrouw”. De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst “waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man”.
Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord “mensch” ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.
De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. “Wij moeten”, schrijft Merrick (art. “Marriage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities), “zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als eenremediumom erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan”.
Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: “Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen”, waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. “Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasmeaannamenals een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld”.
Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. “Adultery”, Smith en Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning vanhaar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1)simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2)duplex, van de getrouwden met de getrouwden.
Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359–361): “Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in demores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man”. We zullen later echter meer over dit punt zeggen.
Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.
In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. “Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers”, lezen we inRenaus de Montauban, “zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!” En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling vanCoutumeswordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maarresnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse,Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. InGirbers de Metzrijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. “Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!” “O”, antwoordt Girbert, “wat een mooi dier is mijn paard!” “Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen”, zegt Garin. “Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne”, antwoordtGirbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. “In allechansons de geste”, merkt Gautier op, “zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding”, hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier,La Chevalerie, p. 236–50).In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. “Van den tijd van Willem den Veroveraar af”, zegt Hobhouse (op.cit., deel I, p. 224), “wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is”. Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het “hoogverraad”, de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. “Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouwis geschorst tijdens het huwelijk”, zeide Blackstone, “of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo’n groote gunsteling”, voegde hij er aan toe, “is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland”. “De sterkte van de vrouwen was haar zwakte”, zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet.“Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker”.In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van “het vrouwelijke en zwakke schepsel”, die hem “volkomen liefde en gehoorzaamheid” verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich “uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin”, als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijnFemmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo’n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.
In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. “Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers”, lezen we inRenaus de Montauban, “zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!” En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling vanCoutumeswordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maarresnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse,Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).
In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. InGirbers de Metzrijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. “Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!” “O”, antwoordt Girbert, “wat een mooi dier is mijn paard!” “Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen”, zegt Garin. “Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne”, antwoordtGirbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. “In allechansons de geste”, merkt Gautier op, “zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding”, hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier,La Chevalerie, p. 236–50).
In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. “Van den tijd van Willem den Veroveraar af”, zegt Hobhouse (op.cit., deel I, p. 224), “wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is”. Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het “hoogverraad”, de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. “Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouwis geschorst tijdens het huwelijk”, zeide Blackstone, “of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo’n groote gunsteling”, voegde hij er aan toe, “is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland”. “De sterkte van de vrouwen was haar zwakte”, zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet.“Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker”.
In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van “het vrouwelijke en zwakke schepsel”, die hem “volkomen liefde en gehoorzaamheid” verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich “uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin”, als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijnFemmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo’n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.
Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamstefactor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijnCharacteristicsvan minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.
Schrader wijst er op, in zijnReallexicon(art. “Brautkauf”), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike,History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in hetAnnual Registervoor 1767 (p. 99): “Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag.”De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, “Die Jungferschaft im Recht und Sitte”,Sexual-ProblemeFeb., 1908). De vrouw is “onteerd” door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk “tweede-hands” wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid “de afschaffing van de physieke maagdelijkheid” aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfstervanUna Poeninentium(1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke “eer”, en de vrouwelijke reinheid.
Schrader wijst er op, in zijnReallexicon(art. “Brautkauf”), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike,History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.
Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in hetAnnual Registervoor 1767 (p. 99): “Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag.”
De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.
Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, “Die Jungferschaft im Recht und Sitte”,Sexual-ProblemeFeb., 1908). De vrouw is “onteerd” door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk “tweede-hands” wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.
Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid “de afschaffing van de physieke maagdelijkheid” aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfstervanUna Poeninentium(1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke “eer”, en de vrouwelijke reinheid.
Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De “edele wilde”, die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging37. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den “edelen wilde” aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe,zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.
Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. “Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet”; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal38. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt,de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.
Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen—zeer tegen hun eigen wensch—dat behoeven we niet te zeggen—door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boekIn the South Seas(hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore—die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was—het streven van de zendelingen “wonderbaarlijk wel geslaagd” geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft dekuischheidzeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (AustralasianReview of Reviews, Oct., 1897) merkt op: “Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag”.We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. “Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw,” heeft Hinton terecht gezegd, “geen kracht van wil, geen wensch en besluit om “goed” te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben”.
Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen—zeer tegen hun eigen wensch—dat behoeven we niet te zeggen—door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).
Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boekIn the South Seas(hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.
Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore—die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was—het streven van de zendelingen “wonderbaarlijk wel geslaagd” geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft dekuischheidzeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (AustralasianReview of Reviews, Oct., 1897) merkt op: “Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag”.
We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. “Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw,” heeft Hinton terecht gezegd, “geen kracht van wil, geen wensch en besluit om “goed” te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben”.
Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheidin zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.
Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme39. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte devrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid40. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven41. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man42.
In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid43.
In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst hetkapitalistischsysteem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders44, waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd,die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën—de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën—vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen45. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment46.
Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. “Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld,” zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als “een invloed, die strijdig is met de beschaving”. De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, “over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toenamevan materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat”. (J. A. Hobson,Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om “de onderwerping van de vrouw” te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der “vrouwenbeweging” zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.
Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. “Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld,” zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als “een invloed, die strijdig is met de beschaving”. De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, “over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toenamevan materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat”. (J. A. Hobson,Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om “de onderwerping van de vrouw” te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der “vrouwenbeweging” zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.
De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.
De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. “Gallanterie voor de dames”, wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, “behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, enhij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten”; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt47. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden48, kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van “eer” invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.
Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen49. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien50. Tochmogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo’n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.
Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog—dat altijd de toevlucht is van de zwakken—zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedragnog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander “het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon”51. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen debrutaleattenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.
Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw “bijna physiologisch”, en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak52. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. “Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven”, zegt Vader Gury, “want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen”53. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter “bijna physiologisch” is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.
Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. “Alles te zamen genomen”,besloot Senancour (De l’Amour, deel II, p. 85), “hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos”.Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.
Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. “Alles te zamen genomen”,besloot Senancour (De l’Amour, deel II, p. 85), “hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos”.
Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.
Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.
Het is ongetwijfeld waar, dat—gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen—vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke “sexueele onderwerping” is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.
Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke “sexueele onderwerping” van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger “opoffert”. Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar “eer” opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zijmeer op prijs stelt. “Wat een triomf is het voor een vrouw”, heeft een vrouw gezegd, “vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!” En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen “opoffering” geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,iedervrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.
Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke “sexueele onderwerping” van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger “opoffert”. Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar “eer” opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zijmeer op prijs stelt. “Wat een triomf is het voor een vrouw”, heeft een vrouw gezegd, “vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!” En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen “opoffering” geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,iedervrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.