Chapter 37

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden “huwelijk” en “familie” meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en datdoor de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht1. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is ’t niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij deanthropoideapen; zoo bestaan onder de gorilla’s en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, “Mating Among Birds”,American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, “Säugethierchen”,Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, “Animal Marriage”,Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV–VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijkepromiscuïteitschijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueelegewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijnDe Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boekDes Sociétés Animales): “Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding”. Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. “In den stam der Urabunna bijvoorbeeld”, zeggen Spencer en Gillen, “hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander’s welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras” (Spencer en Gillen,Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt,The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besprokenjus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek overKinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarckin zijnOrigin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegereHistory of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als “het legaat van de oude theorie derpromiscuïteit”. Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,“Organisation Matrimoniale Australienne”,L’Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog deHistory of Human Marriagedoor Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen deMystic Rosevan Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in deHistory of Matrimonial Institutions(3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland,History of English Law, deel II.We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat—zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt—in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige “wetten” afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, “kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft”. Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, “een kunst is, die de natuur maakt”. De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate2. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is nietde schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk3. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) “er is maar één natuurlijke wijze om de sexueelenisusen het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk”, dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder “huwelijk” moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; “het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij”.Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.Als de monogamie zoo’n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, dieals regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: “Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen”. Het kan niet gezegd worden, dat Fielding’s satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber (“Heiratsbeschränkungen”,Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken,The Idylls of the King. In “Lancelot and Elaine” en “Guinevere” (zooals Julia Magruder aanduidt,North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het “huwelijk” slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, “The Weird of Sir Lancelot”,North American Review, Dec. 1908).Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaanals maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo’n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen4naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk doorususwas in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen wasmet de heilige rite van deconfarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging5. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,—want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,—maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding6. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloedenbotsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft7. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen,met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,—evenals ook de Christenen hun maagden vereerden8,—maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort9. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. Debeweddungwas een werkelijk koopcontract10. Het “koophuwelijk” was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, ofarrha, dat is tezeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan11. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen12. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee13.De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueelin zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld14.Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf—zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen—van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,—en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,—was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad15.Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo’n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschattingvan het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, “analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank”16. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L’AnnéeSociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. “De enkele daad van de vereeniging,”merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, “is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort … Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde”. “Het wezen van een huwelijksceremonie”, gaat dezelfde schrijver voort, “is het“zich vereenigen”van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, “daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden”. Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: “Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd”. Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook.Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu”. Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, inprincipe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term “éen vleesch” voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in deSentencesvan Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard,op cit., dl. I, p. 533).De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten.Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De “canones”, die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijnuitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om decanoniekewet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich—voornamelijk in het begin en later onduidelijker—een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. Decopula carnalis, het maken van twee tot “een vleesch”, volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou17.Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door deProtestantenen dePuriteinenin hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, inThe Gentleman Usher(1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:—“May not we nowOur contract make and marry before Heaven?Are not the laws of God and Nature moreThan formal laws of men? Are outward ritesMore virtuous than the very substance isOf holy nuptials solemnized within?.… The eternal acts of our pure soulsKnit us with God, the soul of all the world,He shall be priest to us; and with such ritesAs we can here devise we will expressAnd strongly ratify our hearts’ true vows,Which no external violence shall dissolve”.En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haarLiefde en huwelijkdat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: “Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw”.Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woordmatrimoniumaf te leiden vanmatris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was18.De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten wasper verba de praesentidan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij vande kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken19. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodatde canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die—in de oogen van een groot deel van het Christendom—de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed20.In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary,Marriage andFamilyRelations, p. 3; Pollock and Maitland,loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldigwaren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, “Merton Priory”,English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: “Nolumus leges Angliae mutare”, een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is “een wereldlijk iets”, en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk “een sacrament” te noemen, soms “een zaak van tijdelijken aard”, die aan den staat overgelaten moet worden21.Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en—het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving—lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land22.Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,—een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd—en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op eenkoop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften23. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield “dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap”. De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door “een wettigen bedienaar van het Woord”. De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell’sActs and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaakvoornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijnDoctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, “de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan”, hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton’s geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson,Life of Milton, deel III; Howard,op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, “Milton’s Doctrine and Discipline of Divorce”,Nineteenth Century, Jan. 1907).Het huwelijk, zegt Milton, “is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn” (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is “een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede” (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is “een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld”. Het zwakke punt in Milton’s voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben “door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk”, hoezeer het hun ook onmogelijk is “te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen”, toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, “ongetwijfeld door toedoen van den duivel”, want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.De juiste grond voor echtscheiding is “ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen”. Zonder de “diepe en ernstige waarheid” van wederzijdsche liefde, is het huwelijk“niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven”, uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de “zelfscheiding”; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar “dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien”. Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om “een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw”.In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. “Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat “de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath”. Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?” (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). “Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?”Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijnParadise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgestelddoor de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, “Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig”24, (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen25.In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen26. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden27. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkendwerd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,—Nolumus leges Angliae mutare,—die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling overThe Question of the English Divorcekomt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over “Modern Divorce” in deUniversal Reviewvoor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat “het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen”, en dat “iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is”. “Niemand”, voegt hij er bij, “zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn”.Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende “wreedheid” physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen “physiek” element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, “The Changing Status of a Married Woman”,Law Quarterly Review, April 1897), “men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857”. (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in deCommentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard,op. cit., deel II, p. 111).Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend alsop zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het “wreede en onmenschelijke gedrag” van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw “den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure”, of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat “ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking”. In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw—want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is—van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen—zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. “Wij hebben vele redenen”, zegt hij, “die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt”. Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver vanThe Question of English Divorce(p. 49) opmerkt, “dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk”.In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887–1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens “verlating”, hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallenechtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden “huwelijk” en “familie” meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en datdoor de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht1. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is ’t niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij deanthropoideapen; zoo bestaan onder de gorilla’s en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, “Mating Among Birds”,American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, “Säugethierchen”,Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, “Animal Marriage”,Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV–VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijkepromiscuïteitschijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueelegewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijnDe Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boekDes Sociétés Animales): “Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding”. Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. “In den stam der Urabunna bijvoorbeeld”, zeggen Spencer en Gillen, “hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander’s welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras” (Spencer en Gillen,Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt,The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besprokenjus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek overKinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarckin zijnOrigin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegereHistory of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als “het legaat van de oude theorie derpromiscuïteit”. Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,“Organisation Matrimoniale Australienne”,L’Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog deHistory of Human Marriagedoor Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen deMystic Rosevan Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in deHistory of Matrimonial Institutions(3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland,History of English Law, deel II.We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat—zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt—in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige “wetten” afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, “kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft”. Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, “een kunst is, die de natuur maakt”. De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate2. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is nietde schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk3. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) “er is maar één natuurlijke wijze om de sexueelenisusen het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk”, dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder “huwelijk” moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; “het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij”.Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.Als de monogamie zoo’n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, dieals regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: “Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen”. Het kan niet gezegd worden, dat Fielding’s satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber (“Heiratsbeschränkungen”,Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken,The Idylls of the King. In “Lancelot and Elaine” en “Guinevere” (zooals Julia Magruder aanduidt,North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het “huwelijk” slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, “The Weird of Sir Lancelot”,North American Review, Dec. 1908).Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaanals maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo’n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen4naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk doorususwas in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen wasmet de heilige rite van deconfarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging5. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,—want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,—maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding6. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloedenbotsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft7. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen,met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,—evenals ook de Christenen hun maagden vereerden8,—maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort9. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. Debeweddungwas een werkelijk koopcontract10. Het “koophuwelijk” was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, ofarrha, dat is tezeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan11. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen12. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee13.De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueelin zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld14.Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf—zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen—van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,—en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,—was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad15.Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo’n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschattingvan het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, “analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank”16. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L’AnnéeSociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. “De enkele daad van de vereeniging,”merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, “is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort … Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde”. “Het wezen van een huwelijksceremonie”, gaat dezelfde schrijver voort, “is het“zich vereenigen”van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, “daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden”. Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: “Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd”. Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook.Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu”. Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, inprincipe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term “éen vleesch” voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in deSentencesvan Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard,op cit., dl. I, p. 533).De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten.Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De “canones”, die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijnuitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om decanoniekewet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich—voornamelijk in het begin en later onduidelijker—een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. Decopula carnalis, het maken van twee tot “een vleesch”, volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou17.Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door deProtestantenen dePuriteinenin hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, inThe Gentleman Usher(1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:—“May not we nowOur contract make and marry before Heaven?Are not the laws of God and Nature moreThan formal laws of men? Are outward ritesMore virtuous than the very substance isOf holy nuptials solemnized within?.… The eternal acts of our pure soulsKnit us with God, the soul of all the world,He shall be priest to us; and with such ritesAs we can here devise we will expressAnd strongly ratify our hearts’ true vows,Which no external violence shall dissolve”.En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haarLiefde en huwelijkdat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: “Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw”.Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woordmatrimoniumaf te leiden vanmatris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was18.De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten wasper verba de praesentidan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij vande kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken19. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodatde canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die—in de oogen van een groot deel van het Christendom—de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed20.In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary,Marriage andFamilyRelations, p. 3; Pollock and Maitland,loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldigwaren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, “Merton Priory”,English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: “Nolumus leges Angliae mutare”, een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is “een wereldlijk iets”, en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk “een sacrament” te noemen, soms “een zaak van tijdelijken aard”, die aan den staat overgelaten moet worden21.Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en—het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving—lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land22.Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,—een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd—en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op eenkoop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften23. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield “dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap”. De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door “een wettigen bedienaar van het Woord”. De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell’sActs and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaakvoornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijnDoctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, “de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan”, hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton’s geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson,Life of Milton, deel III; Howard,op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, “Milton’s Doctrine and Discipline of Divorce”,Nineteenth Century, Jan. 1907).Het huwelijk, zegt Milton, “is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn” (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is “een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede” (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is “een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld”. Het zwakke punt in Milton’s voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben “door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk”, hoezeer het hun ook onmogelijk is “te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen”, toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, “ongetwijfeld door toedoen van den duivel”, want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.De juiste grond voor echtscheiding is “ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen”. Zonder de “diepe en ernstige waarheid” van wederzijdsche liefde, is het huwelijk“niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven”, uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de “zelfscheiding”; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar “dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien”. Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om “een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw”.In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. “Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat “de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath”. Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?” (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). “Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?”Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijnParadise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgestelddoor de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, “Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig”24, (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen25.In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen26. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden27. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkendwerd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,—Nolumus leges Angliae mutare,—die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling overThe Question of the English Divorcekomt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over “Modern Divorce” in deUniversal Reviewvoor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat “het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen”, en dat “iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is”. “Niemand”, voegt hij er bij, “zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn”.Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende “wreedheid” physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen “physiek” element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, “The Changing Status of a Married Woman”,Law Quarterly Review, April 1897), “men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857”. (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in deCommentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard,op. cit., deel II, p. 111).Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend alsop zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het “wreede en onmenschelijke gedrag” van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw “den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure”, of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat “ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking”. In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw—want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is—van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen—zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. “Wij hebben vele redenen”, zegt hij, “die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt”. Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver vanThe Question of English Divorce(p. 49) opmerkt, “dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk”.In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887–1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens “verlating”, hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallenechtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden “huwelijk” en “familie” meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en datdoor de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht1. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is ’t niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij deanthropoideapen; zoo bestaan onder de gorilla’s en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, “Mating Among Birds”,American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, “Säugethierchen”,Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, “Animal Marriage”,Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV–VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijkepromiscuïteitschijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueelegewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijnDe Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boekDes Sociétés Animales): “Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding”. Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. “In den stam der Urabunna bijvoorbeeld”, zeggen Spencer en Gillen, “hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander’s welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras” (Spencer en Gillen,Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt,The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besprokenjus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek overKinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarckin zijnOrigin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegereHistory of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als “het legaat van de oude theorie derpromiscuïteit”. Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,“Organisation Matrimoniale Australienne”,L’Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog deHistory of Human Marriagedoor Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen deMystic Rosevan Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in deHistory of Matrimonial Institutions(3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland,History of English Law, deel II.We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat—zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt—in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige “wetten” afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, “kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft”. Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, “een kunst is, die de natuur maakt”. De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate2. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is nietde schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk3. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) “er is maar één natuurlijke wijze om de sexueelenisusen het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk”, dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder “huwelijk” moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; “het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij”.Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.Als de monogamie zoo’n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, dieals regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: “Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen”. Het kan niet gezegd worden, dat Fielding’s satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber (“Heiratsbeschränkungen”,Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken,The Idylls of the King. In “Lancelot and Elaine” en “Guinevere” (zooals Julia Magruder aanduidt,North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het “huwelijk” slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, “The Weird of Sir Lancelot”,North American Review, Dec. 1908).Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaanals maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo’n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen4naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk doorususwas in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen wasmet de heilige rite van deconfarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging5. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,—want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,—maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding6. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloedenbotsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft7. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen,met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,—evenals ook de Christenen hun maagden vereerden8,—maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort9. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. Debeweddungwas een werkelijk koopcontract10. Het “koophuwelijk” was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, ofarrha, dat is tezeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan11. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen12. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee13.De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueelin zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld14.Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf—zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen—van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,—en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,—was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad15.Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo’n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschattingvan het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, “analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank”16. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L’AnnéeSociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. “De enkele daad van de vereeniging,”merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, “is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort … Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde”. “Het wezen van een huwelijksceremonie”, gaat dezelfde schrijver voort, “is het“zich vereenigen”van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, “daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden”. Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: “Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd”. Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook.Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu”. Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, inprincipe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term “éen vleesch” voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in deSentencesvan Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard,op cit., dl. I, p. 533).De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten.Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De “canones”, die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijnuitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om decanoniekewet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich—voornamelijk in het begin en later onduidelijker—een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. Decopula carnalis, het maken van twee tot “een vleesch”, volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou17.Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door deProtestantenen dePuriteinenin hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, inThe Gentleman Usher(1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:—“May not we nowOur contract make and marry before Heaven?Are not the laws of God and Nature moreThan formal laws of men? Are outward ritesMore virtuous than the very substance isOf holy nuptials solemnized within?.… The eternal acts of our pure soulsKnit us with God, the soul of all the world,He shall be priest to us; and with such ritesAs we can here devise we will expressAnd strongly ratify our hearts’ true vows,Which no external violence shall dissolve”.En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haarLiefde en huwelijkdat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: “Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw”.Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woordmatrimoniumaf te leiden vanmatris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was18.De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten wasper verba de praesentidan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij vande kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken19. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodatde canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die—in de oogen van een groot deel van het Christendom—de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed20.In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary,Marriage andFamilyRelations, p. 3; Pollock and Maitland,loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldigwaren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, “Merton Priory”,English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: “Nolumus leges Angliae mutare”, een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is “een wereldlijk iets”, en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk “een sacrament” te noemen, soms “een zaak van tijdelijken aard”, die aan den staat overgelaten moet worden21.Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en—het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving—lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land22.Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,—een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd—en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op eenkoop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften23. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield “dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap”. De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door “een wettigen bedienaar van het Woord”. De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell’sActs and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaakvoornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijnDoctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, “de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan”, hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton’s geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson,Life of Milton, deel III; Howard,op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, “Milton’s Doctrine and Discipline of Divorce”,Nineteenth Century, Jan. 1907).Het huwelijk, zegt Milton, “is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn” (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is “een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede” (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is “een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld”. Het zwakke punt in Milton’s voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben “door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk”, hoezeer het hun ook onmogelijk is “te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen”, toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, “ongetwijfeld door toedoen van den duivel”, want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.De juiste grond voor echtscheiding is “ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen”. Zonder de “diepe en ernstige waarheid” van wederzijdsche liefde, is het huwelijk“niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven”, uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de “zelfscheiding”; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar “dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien”. Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om “een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw”.In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. “Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat “de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath”. Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?” (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). “Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?”Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijnParadise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgestelddoor de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, “Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig”24, (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen25.In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen26. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden27. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkendwerd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,—Nolumus leges Angliae mutare,—die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling overThe Question of the English Divorcekomt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over “Modern Divorce” in deUniversal Reviewvoor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat “het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen”, en dat “iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is”. “Niemand”, voegt hij er bij, “zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn”.Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende “wreedheid” physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen “physiek” element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, “The Changing Status of a Married Woman”,Law Quarterly Review, April 1897), “men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857”. (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in deCommentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard,op. cit., deel II, p. 111).Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend alsop zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het “wreede en onmenschelijke gedrag” van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw “den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure”, of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat “ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking”. In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw—want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is—van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen—zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. “Wij hebben vele redenen”, zegt hij, “die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt”. Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver vanThe Question of English Divorce(p. 49) opmerkt, “dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk”.In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887–1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens “verlating”, hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallenechtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.

Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden “huwelijk” en “familie” meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.

We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en datdoor de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht1. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.

Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is ’t niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij deanthropoideapen; zoo bestaan onder de gorilla’s en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, “Mating Among Birds”,American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, “Säugethierchen”,Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, “Animal Marriage”,Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV–VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijkepromiscuïteitschijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueelegewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijnDe Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boekDes Sociétés Animales): “Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding”. Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. “In den stam der Urabunna bijvoorbeeld”, zeggen Spencer en Gillen, “hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander’s welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras” (Spencer en Gillen,Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt,The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besprokenjus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek overKinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarckin zijnOrigin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegereHistory of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als “het legaat van de oude theorie derpromiscuïteit”. Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,“Organisation Matrimoniale Australienne”,L’Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog deHistory of Human Marriagedoor Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen deMystic Rosevan Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in deHistory of Matrimonial Institutions(3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland,History of English Law, deel II.

Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is ’t niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij deanthropoideapen; zoo bestaan onder de gorilla’s en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, “Mating Among Birds”,American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, “Säugethierchen”,Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, “Animal Marriage”,Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.

Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV–VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijkepromiscuïteitschijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueelegewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijnDe Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boekDes Sociétés Animales): “Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding”. Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.

De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. “In den stam der Urabunna bijvoorbeeld”, zeggen Spencer en Gillen, “hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander’s welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras” (Spencer en Gillen,Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt,The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besprokenjus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek overKinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarckin zijnOrigin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegereHistory of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als “het legaat van de oude theorie derpromiscuïteit”. Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,“Organisation Matrimoniale Australienne”,L’Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.

De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog deHistory of Human Marriagedoor Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen deMystic Rosevan Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in deHistory of Matrimonial Institutions(3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland,History of English Law, deel II.

We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat—zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt—in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige “wetten” afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, “kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft”. Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, “een kunst is, die de natuur maakt”. De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate2. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is nietde schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk3. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.

Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) “er is maar één natuurlijke wijze om de sexueelenisusen het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk”, dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder “huwelijk” moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; “het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij”.Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.

Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) “er is maar één natuurlijke wijze om de sexueelenisusen het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk”, dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder “huwelijk” moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; “het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij”.

Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.

Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.

Als de monogamie zoo’n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, dieals regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.

Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: “Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen”. Het kan niet gezegd worden, dat Fielding’s satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber (“Heiratsbeschränkungen”,Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken,The Idylls of the King. In “Lancelot and Elaine” en “Guinevere” (zooals Julia Magruder aanduidt,North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het “huwelijk” slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, “The Weird of Sir Lancelot”,North American Review, Dec. 1908).

Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: “Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen”. Het kan niet gezegd worden, dat Fielding’s satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber (“Heiratsbeschränkungen”,Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.

De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken,The Idylls of the King. In “Lancelot and Elaine” en “Guinevere” (zooals Julia Magruder aanduidt,North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het “huwelijk” slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, “The Weird of Sir Lancelot”,North American Review, Dec. 1908).

Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaanals maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.

Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.

De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.

De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo’n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen4naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk doorususwas in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen wasmet de heilige rite van deconfarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging5. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,—want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,—maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding6. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloedenbotsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.

In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft7. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.

Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen,met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,—evenals ook de Christenen hun maagden vereerden8,—maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.

In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort9. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. Debeweddungwas een werkelijk koopcontract10. Het “koophuwelijk” was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, ofarrha, dat is tezeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan11. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen12. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee13.

De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueelin zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld14.

Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf—zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen—van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,—en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,—was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad15.

Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo’n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschattingvan het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, “analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank”16. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.

Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L’AnnéeSociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. “De enkele daad van de vereeniging,”merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, “is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort … Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde”. “Het wezen van een huwelijksceremonie”, gaat dezelfde schrijver voort, “is het“zich vereenigen”van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, “daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden”. Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: “Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd”. Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook.Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu”. Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, inprincipe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term “éen vleesch” voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in deSentencesvan Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard,op cit., dl. I, p. 533).

Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L’AnnéeSociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. “De enkele daad van de vereeniging,”merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, “is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort … Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde”. “Het wezen van een huwelijksceremonie”, gaat dezelfde schrijver voort, “is het“zich vereenigen”van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, “daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden”. Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: “Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd”. Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook.Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu”. Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.

De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, inprincipe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term “éen vleesch” voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in deSentencesvan Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard,op cit., dl. I, p. 533).

De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten.Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.

Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De “canones”, die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijnuitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.

Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om decanoniekewet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich—voornamelijk in het begin en later onduidelijker—een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. Decopula carnalis, het maken van twee tot “een vleesch”, volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou17.

Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door deProtestantenen dePuriteinenin hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, inThe Gentleman Usher(1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:—“May not we nowOur contract make and marry before Heaven?Are not the laws of God and Nature moreThan formal laws of men? Are outward ritesMore virtuous than the very substance isOf holy nuptials solemnized within?.… The eternal acts of our pure soulsKnit us with God, the soul of all the world,He shall be priest to us; and with such ritesAs we can here devise we will expressAnd strongly ratify our hearts’ true vows,Which no external violence shall dissolve”.En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haarLiefde en huwelijkdat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: “Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw”.

Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door deProtestantenen dePuriteinenin hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, inThe Gentleman Usher(1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:—

“May not we nowOur contract make and marry before Heaven?Are not the laws of God and Nature moreThan formal laws of men? Are outward ritesMore virtuous than the very substance isOf holy nuptials solemnized within?.… The eternal acts of our pure soulsKnit us with God, the soul of all the world,He shall be priest to us; and with such ritesAs we can here devise we will expressAnd strongly ratify our hearts’ true vows,Which no external violence shall dissolve”.

“May not we now

Our contract make and marry before Heaven?

Are not the laws of God and Nature more

Than formal laws of men? Are outward rites

More virtuous than the very substance is

Of holy nuptials solemnized within?

.… The eternal acts of our pure souls

Knit us with God, the soul of all the world,

He shall be priest to us; and with such rites

As we can here devise we will express

And strongly ratify our hearts’ true vows,

Which no external violence shall dissolve”.

En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haarLiefde en huwelijkdat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: “Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw”.

Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woordmatrimoniumaf te leiden vanmatris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was18.

De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten wasper verba de praesentidan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij vande kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken19. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodatde canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die—in de oogen van een groot deel van het Christendom—de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed20.

In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary,Marriage andFamilyRelations, p. 3; Pollock and Maitland,loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldigwaren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, “Merton Priory”,English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: “Nolumus leges Angliae mutare”, een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.

In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary,Marriage andFamilyRelations, p. 3; Pollock and Maitland,loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldigwaren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, “Merton Priory”,English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: “Nolumus leges Angliae mutare”, een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.

In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.

Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is “een wereldlijk iets”, en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk “een sacrament” te noemen, soms “een zaak van tijdelijken aard”, die aan den staat overgelaten moet worden21.Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en—het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving—lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land22.

Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,—een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd—en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op eenkoop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften23. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.

De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield “dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap”. De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door “een wettigen bedienaar van het Woord”. De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell’sActs and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.

De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.

De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield “dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap”. De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door “een wettigen bedienaar van het Woord”. De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell’sActs and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.

Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaakvoornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijnDoctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.

Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, “de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan”, hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton’s geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson,Life of Milton, deel III; Howard,op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, “Milton’s Doctrine and Discipline of Divorce”,Nineteenth Century, Jan. 1907).Het huwelijk, zegt Milton, “is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn” (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is “een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede” (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is “een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld”. Het zwakke punt in Milton’s voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben “door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk”, hoezeer het hun ook onmogelijk is “te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen”, toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, “ongetwijfeld door toedoen van den duivel”, want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.De juiste grond voor echtscheiding is “ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen”. Zonder de “diepe en ernstige waarheid” van wederzijdsche liefde, is het huwelijk“niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven”, uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de “zelfscheiding”; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar “dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien”. Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om “een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw”.In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. “Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat “de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath”. Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?” (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). “Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?”

Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, “de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan”, hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton’s geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson,Life of Milton, deel III; Howard,op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, “Milton’s Doctrine and Discipline of Divorce”,Nineteenth Century, Jan. 1907).

Het huwelijk, zegt Milton, “is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn” (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is “een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede” (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is “een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld”. Het zwakke punt in Milton’s voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).

Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben “door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk”, hoezeer het hun ook onmogelijk is “te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen”, toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, “ongetwijfeld door toedoen van den duivel”, want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.

De juiste grond voor echtscheiding is “ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen”. Zonder de “diepe en ernstige waarheid” van wederzijdsche liefde, is het huwelijk“niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven”, uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).

Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de “zelfscheiding”; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar “dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien”. Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om “een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw”.

In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. “Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat “de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath”. Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?” (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). “Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?”

Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijnParadise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgestelddoor de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, “Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig”24, (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen25.

In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen26. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden27. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkendwerd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,—Nolumus leges Angliae mutare,—die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.

De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling overThe Question of the English Divorcekomt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over “Modern Divorce” in deUniversal Reviewvoor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat “het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen”, en dat “iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is”. “Niemand”, voegt hij er bij, “zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn”.Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende “wreedheid” physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen “physiek” element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, “The Changing Status of a Married Woman”,Law Quarterly Review, April 1897), “men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857”. (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in deCommentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard,op. cit., deel II, p. 111).Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend alsop zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het “wreede en onmenschelijke gedrag” van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw “den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure”, of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat “ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking”. In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw—want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is—van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen—zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. “Wij hebben vele redenen”, zegt hij, “die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt”. Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver vanThe Question of English Divorce(p. 49) opmerkt, “dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk”.In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887–1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens “verlating”, hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallenechtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling overThe Question of the English Divorcekomt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over “Modern Divorce” in deUniversal Reviewvoor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat “het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen”, en dat “iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is”. “Niemand”, voegt hij er bij, “zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn”.

Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende “wreedheid” physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen “physiek” element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, “The Changing Status of a Married Woman”,Law Quarterly Review, April 1897), “men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857”. (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in deCommentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard,op. cit., deel II, p. 111).

Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend alsop zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het “wreede en onmenschelijke gedrag” van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw “den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure”, of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat “ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking”. In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw—want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is—van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen—zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.

In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. “Wij hebben vele redenen”, zegt hij, “die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt”. Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver vanThe Question of English Divorce(p. 49) opmerkt, “dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk”.

In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.

In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887–1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens “verlating”, hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.

In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallenechtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.


Back to IndexNext