Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester28. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoedingschuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen29. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging30.Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de “geheime verstandhouding”, die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheidingmogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). “Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn”, merkt Bishop op, “als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer”.Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze danvriendschappelijkuit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden!31Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdatook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een “beklaagde” zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een “klager” zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder “onderlinge verstandhouding”. Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijketradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger—dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de “publieke moraal”. Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke “moraal” ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door deDivorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en “vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen”. De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingsweta mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen—en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit—jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat eensysteem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan—en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden—door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudigeinjures graves(daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleenincompatibilité d’humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die—terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid—over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaalaan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. “Maar”, merkt Hirschfeld op, “hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van “oneerbaar en immoreel gedrag”, terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort”32. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt33, zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was34. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamdDie Fesselof “de keten”. “De een was geketend aan den ander”, vertelt het ons. “In zekere omstandighedenmoet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee”. Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden devinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn “omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband”. Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd,en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond35. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten—niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet—het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. “Het zijn voornamelijk de vrouwen” zegt hij, “en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is”36.De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder henvindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt “bloed-chaos”. Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan37. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende—zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton—overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten38. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, eenbeweging, die leidt tot immoraliteit39. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is40. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden—zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is—daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is “zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt” (Ernest W. Clement, “The New Woman in Japan”,American JournalofSociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor “incompatibilité d’humeur”, of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere.(De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Pauld’Enjoy,La Revue, Sept. 1908).Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. “In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten” (Rhys en Brynmor-Jones,The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), “was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf”.Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: “Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan”. Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelschewet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk41. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord—de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen—geneigd zal zijn aan te nemen.De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijnIdeeen zueinemVersuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. “Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komenmet neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo’n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen”.Een lange reeks van beroemde denkers—moralisten, sociologen, politieke hervormers—hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton’s opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van deSupplément au Voyage de Bougainville(1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw “een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht”. Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging “maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is”. En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijnOrigin and Development of the Moral Ideas(deel II, p. 398) met het gezegde, dat “als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn”.In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen warenvoor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idéesblz. 3et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld (“Psychopathia Sexualis and Divorce”) stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet—een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom—dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. “De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk”, merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd,dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: “Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen”. De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen—al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het iseen persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven—de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek—zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen42. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk,zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk—dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen—dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. “O, neen, geen bescherming!” heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. “We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar tebeschermen”43. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is44. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werddoor de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond45. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces46.Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging—want het was alleen maar een poging—om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld (“The Morality of Marriage”,Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, “een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek”. De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt (“Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce”,Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijkgeheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en “gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt”. Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat “muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout”. Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijnWahlverwandtschaften(deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope (“The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan “een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden”. Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld.Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man—een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval—begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat—zooals naar waarheid gezegd is—van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool47.Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man “niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw”. Stephen, die in de eerste uitgave van zijnDigest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten.Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over “Sex Bias”,Westminster Review, Maart 1886).De plicht van een vrouw om aan haar man “huwelijksrechten” toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om “huwelijksrechten” te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof inIowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan,Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van “petit treason” en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; “hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet”). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin48, maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen deslavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen49. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef50: “Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben”. Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk—de verhouding van sexueele gemeenschap—is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk—een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door—dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden—en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkteproeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar51.Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk doorusus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zieb.v.Zacchia,Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw vanonbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary,The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary,op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary,loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, “Limits of Divorce”,Contemporary Review,Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn “weduwe”, op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar “een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven” bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar“een naam is voor een bestaand feit”.In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk “door gewoonte en gerucht” en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop,Commentaries, deel I, hoofdst. XV).“Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd”, zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), “als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.… Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven”. (Howard,op. cit., deel III, pp. 177et seq.Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.
Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester28. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoedingschuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen29. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging30.Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de “geheime verstandhouding”, die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheidingmogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). “Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn”, merkt Bishop op, “als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer”.Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze danvriendschappelijkuit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden!31Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdatook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een “beklaagde” zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een “klager” zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder “onderlinge verstandhouding”. Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijketradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger—dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de “publieke moraal”. Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke “moraal” ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door deDivorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en “vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen”. De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingsweta mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen—en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit—jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat eensysteem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan—en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden—door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudigeinjures graves(daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleenincompatibilité d’humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die—terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid—over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaalaan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. “Maar”, merkt Hirschfeld op, “hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van “oneerbaar en immoreel gedrag”, terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort”32. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt33, zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was34. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamdDie Fesselof “de keten”. “De een was geketend aan den ander”, vertelt het ons. “In zekere omstandighedenmoet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee”. Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden devinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn “omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband”. Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd,en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond35. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten—niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet—het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. “Het zijn voornamelijk de vrouwen” zegt hij, “en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is”36.De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder henvindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt “bloed-chaos”. Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan37. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende—zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton—overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten38. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, eenbeweging, die leidt tot immoraliteit39. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is40. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden—zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is—daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is “zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt” (Ernest W. Clement, “The New Woman in Japan”,American JournalofSociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor “incompatibilité d’humeur”, of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere.(De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Pauld’Enjoy,La Revue, Sept. 1908).Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. “In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten” (Rhys en Brynmor-Jones,The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), “was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf”.Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: “Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan”. Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelschewet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk41. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord—de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen—geneigd zal zijn aan te nemen.De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijnIdeeen zueinemVersuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. “Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komenmet neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo’n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen”.Een lange reeks van beroemde denkers—moralisten, sociologen, politieke hervormers—hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton’s opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van deSupplément au Voyage de Bougainville(1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw “een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht”. Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging “maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is”. En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijnOrigin and Development of the Moral Ideas(deel II, p. 398) met het gezegde, dat “als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn”.In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen warenvoor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idéesblz. 3et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld (“Psychopathia Sexualis and Divorce”) stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet—een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom—dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. “De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk”, merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd,dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: “Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen”. De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen—al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het iseen persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven—de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek—zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen42. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk,zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk—dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen—dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. “O, neen, geen bescherming!” heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. “We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar tebeschermen”43. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is44. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werddoor de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond45. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces46.Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging—want het was alleen maar een poging—om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld (“The Morality of Marriage”,Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, “een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek”. De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt (“Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce”,Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijkgeheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en “gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt”. Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat “muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout”. Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijnWahlverwandtschaften(deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope (“The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan “een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden”. Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld.Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man—een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval—begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat—zooals naar waarheid gezegd is—van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool47.Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man “niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw”. Stephen, die in de eerste uitgave van zijnDigest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten.Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over “Sex Bias”,Westminster Review, Maart 1886).De plicht van een vrouw om aan haar man “huwelijksrechten” toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om “huwelijksrechten” te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof inIowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan,Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van “petit treason” en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; “hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet”). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin48, maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen deslavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen49. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef50: “Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben”. Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk—de verhouding van sexueele gemeenschap—is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk—een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door—dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden—en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkteproeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar51.Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk doorusus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zieb.v.Zacchia,Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw vanonbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary,The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary,op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary,loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, “Limits of Divorce”,Contemporary Review,Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn “weduwe”, op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar “een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven” bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar“een naam is voor een bestaand feit”.In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk “door gewoonte en gerucht” en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop,Commentaries, deel I, hoofdst. XV).“Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd”, zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), “als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.… Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven”. (Howard,op. cit., deel III, pp. 177et seq.Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.
Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester28. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoedingschuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen29. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging30.Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de “geheime verstandhouding”, die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheidingmogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). “Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn”, merkt Bishop op, “als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer”.Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze danvriendschappelijkuit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden!31Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdatook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een “beklaagde” zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een “klager” zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder “onderlinge verstandhouding”. Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijketradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger—dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de “publieke moraal”. Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke “moraal” ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door deDivorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en “vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen”. De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingsweta mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen—en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit—jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat eensysteem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan—en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden—door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudigeinjures graves(daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleenincompatibilité d’humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die—terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid—over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaalaan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. “Maar”, merkt Hirschfeld op, “hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van “oneerbaar en immoreel gedrag”, terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort”32. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt33, zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was34. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamdDie Fesselof “de keten”. “De een was geketend aan den ander”, vertelt het ons. “In zekere omstandighedenmoet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee”. Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden devinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn “omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband”. Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd,en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond35. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten—niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet—het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. “Het zijn voornamelijk de vrouwen” zegt hij, “en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is”36.De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder henvindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt “bloed-chaos”. Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan37. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende—zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton—overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten38. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, eenbeweging, die leidt tot immoraliteit39. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is40. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden—zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is—daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is “zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt” (Ernest W. Clement, “The New Woman in Japan”,American JournalofSociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor “incompatibilité d’humeur”, of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere.(De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Pauld’Enjoy,La Revue, Sept. 1908).Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. “In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten” (Rhys en Brynmor-Jones,The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), “was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf”.Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: “Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan”. Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelschewet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk41. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord—de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen—geneigd zal zijn aan te nemen.De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijnIdeeen zueinemVersuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. “Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komenmet neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo’n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen”.Een lange reeks van beroemde denkers—moralisten, sociologen, politieke hervormers—hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton’s opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van deSupplément au Voyage de Bougainville(1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw “een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht”. Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging “maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is”. En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijnOrigin and Development of the Moral Ideas(deel II, p. 398) met het gezegde, dat “als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn”.In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen warenvoor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idéesblz. 3et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld (“Psychopathia Sexualis and Divorce”) stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet—een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom—dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. “De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk”, merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd,dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: “Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen”. De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen—al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het iseen persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven—de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek—zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen42. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk,zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk—dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen—dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. “O, neen, geen bescherming!” heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. “We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar tebeschermen”43. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is44. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werddoor de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond45. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces46.Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging—want het was alleen maar een poging—om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld (“The Morality of Marriage”,Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, “een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek”. De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt (“Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce”,Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijkgeheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en “gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt”. Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat “muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout”. Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijnWahlverwandtschaften(deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope (“The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan “een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden”. Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld.Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man—een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval—begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat—zooals naar waarheid gezegd is—van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool47.Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man “niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw”. Stephen, die in de eerste uitgave van zijnDigest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten.Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over “Sex Bias”,Westminster Review, Maart 1886).De plicht van een vrouw om aan haar man “huwelijksrechten” toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om “huwelijksrechten” te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof inIowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan,Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van “petit treason” en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; “hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet”). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin48, maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen deslavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen49. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef50: “Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben”. Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk—de verhouding van sexueele gemeenschap—is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk—een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door—dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden—en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkteproeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar51.Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk doorusus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zieb.v.Zacchia,Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw vanonbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary,The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary,op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary,loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, “Limits of Divorce”,Contemporary Review,Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn “weduwe”, op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar “een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven” bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar“een naam is voor een bestaand feit”.In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk “door gewoonte en gerucht” en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop,Commentaries, deel I, hoofdst. XV).“Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd”, zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), “als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.… Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven”. (Howard,op. cit., deel III, pp. 177et seq.Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.
Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.
De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.
De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester28. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoedingschuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen29. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging30.
Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de “geheime verstandhouding”, die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheidingmogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.
De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). “Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn”, merkt Bishop op, “als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer”.
De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). “Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn”, merkt Bishop op, “als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer”.
Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze danvriendschappelijkuit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden!31Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdatook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.
Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.
Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een “beklaagde” zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een “klager” zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder “onderlinge verstandhouding”. Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijketradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger—dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de “publieke moraal”. Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke “moraal” ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.
Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door deDivorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en “vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen”. De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingsweta mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen—en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit—jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.
Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door deDivorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en “vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen”. De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingsweta mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen—en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit—jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.
Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.
Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat eensysteem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan—en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden—door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.
Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudigeinjures graves(daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleenincompatibilité d’humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.
In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die—terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid—over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaalaan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. “Maar”, merkt Hirschfeld op, “hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van “oneerbaar en immoreel gedrag”, terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort”32. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt33, zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.
In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was34. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamdDie Fesselof “de keten”. “De een was geketend aan den ander”, vertelt het ons. “In zekere omstandighedenmoet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee”. Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden devinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.
Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.
Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn “omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband”. Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd,en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.
Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond35. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.
Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten—niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet—het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. “Het zijn voornamelijk de vrouwen” zegt hij, “en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is”36.
De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder henvindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt “bloed-chaos”. Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan37. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende—zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton—overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.
De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten38. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, eenbeweging, die leidt tot immoraliteit39. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.
Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is40. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden—zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is—daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.
In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is “zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt” (Ernest W. Clement, “The New Woman in Japan”,American JournalofSociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor “incompatibilité d’humeur”, of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere.(De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Pauld’Enjoy,La Revue, Sept. 1908).Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. “In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten” (Rhys en Brynmor-Jones,The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), “was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf”.Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: “Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan”. Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.
In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is “zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt” (Ernest W. Clement, “The New Woman in Japan”,American JournalofSociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.
In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor “incompatibilité d’humeur”, of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere.(De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Pauld’Enjoy,La Revue, Sept. 1908).
Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. “In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten” (Rhys en Brynmor-Jones,The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), “was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf”.
Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: “Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan”. Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.
Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelschewet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.
Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk41. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord—de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen—geneigd zal zijn aan te nemen.
De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijnIdeeen zueinemVersuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. “Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komenmet neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo’n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen”.Een lange reeks van beroemde denkers—moralisten, sociologen, politieke hervormers—hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton’s opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van deSupplément au Voyage de Bougainville(1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw “een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht”. Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging “maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is”. En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijnOrigin and Development of the Moral Ideas(deel II, p. 398) met het gezegde, dat “als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn”.In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen warenvoor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idéesblz. 3et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld (“Psychopathia Sexualis and Divorce”) stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.
De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijnIdeeen zueinemVersuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. “Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komenmet neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo’n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen”.
Een lange reeks van beroemde denkers—moralisten, sociologen, politieke hervormers—hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton’s opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van deSupplément au Voyage de Bougainville(1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw “een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht”. Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging “maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is”. En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijnOrigin and Development of the Moral Ideas(deel II, p. 398) met het gezegde, dat “als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn”.
In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen warenvoor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.
Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idéesblz. 3et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld (“Psychopathia Sexualis and Divorce”) stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.
Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet—een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom—dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. “De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk”, merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.
Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd,dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: “Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen”. De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen—al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.
Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het iseen persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.
Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.
Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven—de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek—zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen42. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.
Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk,zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk—dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen—dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. “O, neen, geen bescherming!” heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. “We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar tebeschermen”43. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.
Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.
Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is44. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.
We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werddoor de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.
Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond45. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces46.
Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging—want het was alleen maar een poging—om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.
Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld (“The Morality of Marriage”,Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, “een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek”. De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt (“Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce”,Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijkgeheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en “gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt”. Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat “muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout”. Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijnWahlverwandtschaften(deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope (“The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan “een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden”. Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld.Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man—een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval—begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.
Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld (“The Morality of Marriage”,Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, “een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek”. De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt (“Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce”,Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijkgeheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en “gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt”. Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.
In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat “muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout”. Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.
Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijnWahlverwandtschaften(deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope (“The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan “een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden”. Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.
Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld.Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man—een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval—begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.
Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat—zooals naar waarheid gezegd is—van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool47.
Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man “niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw”. Stephen, die in de eerste uitgave van zijnDigest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten.Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over “Sex Bias”,Westminster Review, Maart 1886).De plicht van een vrouw om aan haar man “huwelijksrechten” toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om “huwelijksrechten” te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof inIowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan,Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van “petit treason” en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; “hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet”). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.
Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man “niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw”. Stephen, die in de eerste uitgave van zijnDigest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten.Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over “Sex Bias”,Westminster Review, Maart 1886).
De plicht van een vrouw om aan haar man “huwelijksrechten” toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om “huwelijksrechten” te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof inIowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan,Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).
Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van “petit treason” en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).
Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; “hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet”). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.
Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin48, maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen deslavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen49. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef50: “Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben”. Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.
Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk—de verhouding van sexueele gemeenschap—is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk—een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door—dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden—en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.
Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkteproeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.
Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar51.
Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk doorusus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zieb.v.Zacchia,Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw vanonbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary,The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary,op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary,loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, “Limits of Divorce”,Contemporary Review,Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn “weduwe”, op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar “een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven” bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar“een naam is voor een bestaand feit”.In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk “door gewoonte en gerucht” en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop,Commentaries, deel I, hoofdst. XV).“Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd”, zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), “als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.… Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven”. (Howard,op. cit., deel III, pp. 177et seq.Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.
Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk doorusus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zieb.v.Zacchia,Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw vanonbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary,The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary,op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).
In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary,loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, “Limits of Divorce”,Contemporary Review,Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn “weduwe”, op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar “een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven” bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar“een naam is voor een bestaand feit”.
In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk “door gewoonte en gerucht” en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop,Commentaries, deel I, hoofdst. XV).“Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd”, zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), “als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.… Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven”. (Howard,op. cit., deel III, pp. 177et seq.Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).
Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.