Chapter 43

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefdeontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat “zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen”. Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: “Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, ofmeer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.… Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken” (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. “Omgang te hebben behalve voor de voortplanting”, zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)“is de natuur onrecht aandoen”. Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de “huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde”.Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij hetsacramentum solationiserkende, naast deproles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat “wederkeerige hulp en steun”, zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,EcclesiologicalEssays, p. 204; Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. “De sexueele daad”, zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), “is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging”. In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijnBrieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.Edward Carpenter merkt naar waarheid op, inLove’s Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat “liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf”.Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verdervan de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over “Sexual Hypochondriasis”), dat “Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven”. Gaillard merkt dan eveneens op (in zijnCliniquedes Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt1, met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueelehygiënezeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.“Het schijnt zeer waarschijnlijk”, schreef Prof. E. D. Cope2, “dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt”. Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuiveredomheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. “Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk”, merkte eens Dr. Howard A. Kelly3op. Zulk een gezegde beteekent—als het ten minste iets beteekent—dat de huwelijksband geen “speciale betrekking” heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemdgynaecoloogvan de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruimemate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. “Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis”, dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma4.De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (DerGriechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in ’t begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit,De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam.The Perfumed Gardenvan den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw dooreen schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: “Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw”. Het Arabische boek,El Ktab, of “The Secret Laws of Love”; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst5. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo’n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie—die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt6—gaf aan zijn kunst van liefhebbende plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius’Ars Amatoriageplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; “arte regendus amor”. Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren deArs Amatoriavan Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. “Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag “huis te houden” en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat “verdanst” zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet,terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden”. (H. Crawford Angus, “The Chensamwali”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels,Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij dencoïtusdoen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij dencoïtusin praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady “bibi” beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot dencoïtus, is beschreven door Zache (“Sitten und Gebräuche der Suaheli”,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2–3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. “Neen”, zeide de baron, “ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden”. En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooitmogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijnLogique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.“Hoe komt het”, vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, “dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijnContemporainesbelasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden … Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren” (Rétif de la Bretonne,Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160–3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als “een meester in deArs Amandi”, en hem van dit standpunt bespreekt in zijnRétif de la Bretonne(pp. 362–371).Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van “Gij zult niet”. Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is—“een kunst, die de natuur maakt”,—en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden,hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant7. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt “flirtage” genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de “demi-vierge”, die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97–101). Hij zegt, dat ze “alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, dencoïtusaltijd uitgesloten”. Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt “spooning”. In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zijdikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van.Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze “als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is”.Van het Fransche standpunt zijn “flirtage” en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon (“Family Life in America”,Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet “Gij zult niet met de liefde spelen”, want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm—niet in de geperverteerden vorm van “flirtage”—een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld, dat ze trouwen zullen,—volkomen terecht, want de meerderheid van haar trouwt ook,—maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld, dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden, met de kennisvan feiten, die niemand belang kunnen inboezemen, maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen, met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben, alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid, dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man, en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter soort zijn dan die van haar echtgenoot8. Zoodat, zelfs met de beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding9.Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheidvan vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. “Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer,The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het “lust” was. Sedert dien tijd heeft zijSister Teresagelezen van George Moore, en de wetenschap “dat een vrouw even slecht kan zijn als een man” heeft haar treurig gestemd.”De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van dezeStudies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie,Wege zur Liebe, p. 571.)De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis, de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées, en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament, wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is, met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn,door de mengeling van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding, die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen gehad heeft10. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge, die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende, dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft, overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen, welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam nooit een werkelijk huwelijk wordt11.Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de anderegroep van mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde mannen soms in sexueele zaken zijn.“Volkomen abstinentie in de jeugd”, zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), “is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen”. Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, “die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze”. “Als de minnaar in Laura Holm’sWas war es?tot de heldin zegt, “Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt”, dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling”. Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel,Die Sexuelle Frage, p. 217et seq.).Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzamemodus vivendigevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.“Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad”, schrijft een correspondent. “Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk”. Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoendenbron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt “Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teeretoetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!.…. Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde” (Balzac,Physiologie du Mariage,Meditation VII).Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor,Practical TreatiseonSexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770–779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): “Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen”. Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.Breuer en Freud wezen er in hunStudien über Hysterie(p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en devrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. ZieMoral Theologyvan Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, “Marriage Law in the Church of England”,Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. “Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin … Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw”(O. Adler,DiemangelhafteGeschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159et seq., 181et seq.). “Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man”, schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling “Sur les Femmes”; “ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht”. Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over “huwelijksplichten” en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een kunst, die de Natuur maakt. Zij wetenaltijd meer van de liefde, zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen leeren, want “c’est une discipline née dans leur sang”12.De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:“J’ai calculé mon age,J’ai quatorze à quinze ans.Ne suis-je pas dans l’âgeD’y avoir un amant?”Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den “leeftijd tot toestemming” of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de “age of consent” gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in hetHouse of Commonsaangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195–203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot “verkrachting”, en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheidtot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet inSexual Life of Womanvan Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste.Sexual-Probleme, April 1909).Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): “Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk”. Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van hetherkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch,The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de “leeftijd van toestemmen” moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den “leeftijd van toestemming” op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft13. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnigetaboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten envoorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft14. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, “zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren”.De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden15. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moestzijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon’s voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk16.We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote matehet resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302et seq.), waaruit blijkt, datcoïtushet gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249)coïtusaan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoontegeëischteonderdrukken van een natuurlijke begeerte. “Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen”.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefdeontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat “zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen”. Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: “Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, ofmeer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.… Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken” (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. “Omgang te hebben behalve voor de voortplanting”, zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)“is de natuur onrecht aandoen”. Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de “huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde”.Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij hetsacramentum solationiserkende, naast deproles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat “wederkeerige hulp en steun”, zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,EcclesiologicalEssays, p. 204; Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. “De sexueele daad”, zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), “is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging”. In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijnBrieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.Edward Carpenter merkt naar waarheid op, inLove’s Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat “liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf”.Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verdervan de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over “Sexual Hypochondriasis”), dat “Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven”. Gaillard merkt dan eveneens op (in zijnCliniquedes Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt1, met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueelehygiënezeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.“Het schijnt zeer waarschijnlijk”, schreef Prof. E. D. Cope2, “dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt”. Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuiveredomheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. “Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk”, merkte eens Dr. Howard A. Kelly3op. Zulk een gezegde beteekent—als het ten minste iets beteekent—dat de huwelijksband geen “speciale betrekking” heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemdgynaecoloogvan de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruimemate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. “Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis”, dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma4.De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (DerGriechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in ’t begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit,De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam.The Perfumed Gardenvan den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw dooreen schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: “Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw”. Het Arabische boek,El Ktab, of “The Secret Laws of Love”; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst5. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo’n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie—die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt6—gaf aan zijn kunst van liefhebbende plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius’Ars Amatoriageplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; “arte regendus amor”. Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren deArs Amatoriavan Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. “Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag “huis te houden” en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat “verdanst” zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet,terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden”. (H. Crawford Angus, “The Chensamwali”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels,Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij dencoïtusdoen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij dencoïtusin praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady “bibi” beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot dencoïtus, is beschreven door Zache (“Sitten und Gebräuche der Suaheli”,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2–3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. “Neen”, zeide de baron, “ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden”. En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooitmogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijnLogique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.“Hoe komt het”, vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, “dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijnContemporainesbelasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden … Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren” (Rétif de la Bretonne,Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160–3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als “een meester in deArs Amandi”, en hem van dit standpunt bespreekt in zijnRétif de la Bretonne(pp. 362–371).Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van “Gij zult niet”. Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is—“een kunst, die de natuur maakt”,—en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden,hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant7. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt “flirtage” genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de “demi-vierge”, die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97–101). Hij zegt, dat ze “alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, dencoïtusaltijd uitgesloten”. Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt “spooning”. In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zijdikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van.Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze “als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is”.Van het Fransche standpunt zijn “flirtage” en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon (“Family Life in America”,Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet “Gij zult niet met de liefde spelen”, want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm—niet in de geperverteerden vorm van “flirtage”—een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld, dat ze trouwen zullen,—volkomen terecht, want de meerderheid van haar trouwt ook,—maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld, dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden, met de kennisvan feiten, die niemand belang kunnen inboezemen, maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen, met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben, alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid, dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man, en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter soort zijn dan die van haar echtgenoot8. Zoodat, zelfs met de beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding9.Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheidvan vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. “Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer,The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het “lust” was. Sedert dien tijd heeft zijSister Teresagelezen van George Moore, en de wetenschap “dat een vrouw even slecht kan zijn als een man” heeft haar treurig gestemd.”De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van dezeStudies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie,Wege zur Liebe, p. 571.)De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis, de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées, en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament, wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is, met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn,door de mengeling van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding, die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen gehad heeft10. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge, die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende, dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft, overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen, welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam nooit een werkelijk huwelijk wordt11.Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de anderegroep van mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde mannen soms in sexueele zaken zijn.“Volkomen abstinentie in de jeugd”, zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), “is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen”. Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, “die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze”. “Als de minnaar in Laura Holm’sWas war es?tot de heldin zegt, “Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt”, dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling”. Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel,Die Sexuelle Frage, p. 217et seq.).Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzamemodus vivendigevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.“Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad”, schrijft een correspondent. “Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk”. Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoendenbron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt “Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teeretoetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!.…. Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde” (Balzac,Physiologie du Mariage,Meditation VII).Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor,Practical TreatiseonSexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770–779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): “Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen”. Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.Breuer en Freud wezen er in hunStudien über Hysterie(p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en devrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. ZieMoral Theologyvan Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, “Marriage Law in the Church of England”,Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. “Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin … Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw”(O. Adler,DiemangelhafteGeschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159et seq., 181et seq.). “Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man”, schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling “Sur les Femmes”; “ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht”. Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over “huwelijksplichten” en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een kunst, die de Natuur maakt. Zij wetenaltijd meer van de liefde, zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen leeren, want “c’est une discipline née dans leur sang”12.De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:“J’ai calculé mon age,J’ai quatorze à quinze ans.Ne suis-je pas dans l’âgeD’y avoir un amant?”Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den “leeftijd tot toestemming” of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de “age of consent” gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in hetHouse of Commonsaangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195–203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot “verkrachting”, en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheidtot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet inSexual Life of Womanvan Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste.Sexual-Probleme, April 1909).Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): “Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk”. Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van hetherkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch,The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de “leeftijd van toestemmen” moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den “leeftijd van toestemming” op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft13. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnigetaboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten envoorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft14. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, “zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren”.De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden15. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moestzijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon’s voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk16.We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote matehet resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302et seq.), waaruit blijkt, datcoïtushet gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249)coïtusaan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoontegeëischteonderdrukken van een natuurlijke begeerte. “Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen”.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefdeontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat “zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen”. Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: “Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, ofmeer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.… Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken” (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. “Omgang te hebben behalve voor de voortplanting”, zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)“is de natuur onrecht aandoen”. Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de “huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde”.Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij hetsacramentum solationiserkende, naast deproles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat “wederkeerige hulp en steun”, zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,EcclesiologicalEssays, p. 204; Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. “De sexueele daad”, zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), “is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging”. In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijnBrieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.Edward Carpenter merkt naar waarheid op, inLove’s Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat “liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf”.Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verdervan de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over “Sexual Hypochondriasis”), dat “Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven”. Gaillard merkt dan eveneens op (in zijnCliniquedes Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt1, met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueelehygiënezeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.“Het schijnt zeer waarschijnlijk”, schreef Prof. E. D. Cope2, “dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt”. Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuiveredomheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. “Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk”, merkte eens Dr. Howard A. Kelly3op. Zulk een gezegde beteekent—als het ten minste iets beteekent—dat de huwelijksband geen “speciale betrekking” heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemdgynaecoloogvan de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruimemate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. “Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis”, dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma4.De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (DerGriechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in ’t begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit,De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam.The Perfumed Gardenvan den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw dooreen schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: “Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw”. Het Arabische boek,El Ktab, of “The Secret Laws of Love”; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst5. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo’n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie—die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt6—gaf aan zijn kunst van liefhebbende plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius’Ars Amatoriageplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; “arte regendus amor”. Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren deArs Amatoriavan Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. “Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag “huis te houden” en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat “verdanst” zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet,terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden”. (H. Crawford Angus, “The Chensamwali”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels,Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij dencoïtusdoen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij dencoïtusin praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady “bibi” beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot dencoïtus, is beschreven door Zache (“Sitten und Gebräuche der Suaheli”,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2–3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. “Neen”, zeide de baron, “ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden”. En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooitmogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijnLogique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.“Hoe komt het”, vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, “dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijnContemporainesbelasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden … Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren” (Rétif de la Bretonne,Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160–3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als “een meester in deArs Amandi”, en hem van dit standpunt bespreekt in zijnRétif de la Bretonne(pp. 362–371).Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van “Gij zult niet”. Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is—“een kunst, die de natuur maakt”,—en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden,hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant7. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt “flirtage” genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de “demi-vierge”, die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97–101). Hij zegt, dat ze “alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, dencoïtusaltijd uitgesloten”. Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt “spooning”. In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zijdikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van.Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze “als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is”.Van het Fransche standpunt zijn “flirtage” en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon (“Family Life in America”,Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet “Gij zult niet met de liefde spelen”, want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm—niet in de geperverteerden vorm van “flirtage”—een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld, dat ze trouwen zullen,—volkomen terecht, want de meerderheid van haar trouwt ook,—maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld, dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden, met de kennisvan feiten, die niemand belang kunnen inboezemen, maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen, met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben, alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid, dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man, en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter soort zijn dan die van haar echtgenoot8. Zoodat, zelfs met de beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding9.Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheidvan vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. “Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer,The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het “lust” was. Sedert dien tijd heeft zijSister Teresagelezen van George Moore, en de wetenschap “dat een vrouw even slecht kan zijn als een man” heeft haar treurig gestemd.”De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van dezeStudies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie,Wege zur Liebe, p. 571.)De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis, de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées, en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament, wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is, met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn,door de mengeling van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding, die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen gehad heeft10. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge, die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende, dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft, overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen, welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam nooit een werkelijk huwelijk wordt11.Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de anderegroep van mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde mannen soms in sexueele zaken zijn.“Volkomen abstinentie in de jeugd”, zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), “is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen”. Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, “die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze”. “Als de minnaar in Laura Holm’sWas war es?tot de heldin zegt, “Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt”, dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling”. Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel,Die Sexuelle Frage, p. 217et seq.).Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzamemodus vivendigevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.“Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad”, schrijft een correspondent. “Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk”. Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoendenbron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt “Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teeretoetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!.…. Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde” (Balzac,Physiologie du Mariage,Meditation VII).Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor,Practical TreatiseonSexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770–779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): “Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen”. Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.Breuer en Freud wezen er in hunStudien über Hysterie(p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en devrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. ZieMoral Theologyvan Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, “Marriage Law in the Church of England”,Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. “Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin … Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw”(O. Adler,DiemangelhafteGeschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159et seq., 181et seq.). “Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man”, schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling “Sur les Femmes”; “ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht”. Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over “huwelijksplichten” en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een kunst, die de Natuur maakt. Zij wetenaltijd meer van de liefde, zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen leeren, want “c’est une discipline née dans leur sang”12.De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:“J’ai calculé mon age,J’ai quatorze à quinze ans.Ne suis-je pas dans l’âgeD’y avoir un amant?”Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den “leeftijd tot toestemming” of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de “age of consent” gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in hetHouse of Commonsaangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195–203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot “verkrachting”, en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheidtot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet inSexual Life of Womanvan Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste.Sexual-Probleme, April 1909).Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): “Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk”. Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van hetherkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch,The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de “leeftijd van toestemmen” moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den “leeftijd van toestemming” op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft13. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnigetaboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten envoorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft14. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, “zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren”.De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden15. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moestzijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon’s voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk16.We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote matehet resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302et seq.), waaruit blijkt, datcoïtushet gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249)coïtusaan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoontegeëischteonderdrukken van een natuurlijke begeerte. “Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen”.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefdeontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat “zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen”. Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: “Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, ofmeer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.… Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken” (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. “Omgang te hebben behalve voor de voortplanting”, zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)“is de natuur onrecht aandoen”. Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de “huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde”.Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij hetsacramentum solationiserkende, naast deproles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat “wederkeerige hulp en steun”, zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,EcclesiologicalEssays, p. 204; Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. “De sexueele daad”, zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), “is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging”. In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijnBrieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.Edward Carpenter merkt naar waarheid op, inLove’s Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat “liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf”.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).

De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.

Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: “Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, ofmeer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.… Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken” (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. “Omgang te hebben behalve voor de voortplanting”, zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)“is de natuur onrecht aandoen”. Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de “huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde”.

Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij hetsacramentum solationiserkende, naast deproles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat “wederkeerige hulp en steun”, zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,EcclesiologicalEssays, p. 204; Howard,Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. “De sexueele daad”, zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), “is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging”. In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijnBrieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.

Edward Carpenter merkt naar waarheid op, inLove’s Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat “liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf”.

Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verdervan de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over “Sexual Hypochondriasis”), dat “Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven”. Gaillard merkt dan eveneens op (in zijnCliniquedes Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt1, met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.

Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueelehygiënezeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.

“Het schijnt zeer waarschijnlijk”, schreef Prof. E. D. Cope2, “dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt”. Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuiveredomheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.

Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.

Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. “Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk”, merkte eens Dr. Howard A. Kelly3op. Zulk een gezegde beteekent—als het ten minste iets beteekent—dat de huwelijksband geen “speciale betrekking” heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemdgynaecoloogvan de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruimemate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. “Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis”, dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma4.

De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.

De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (DerGriechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in ’t begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit,De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam.The Perfumed Gardenvan den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw dooreen schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: “Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw”. Het Arabische boek,El Ktab, of “The Secret Laws of Love”; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.

De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (DerGriechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in ’t begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit,De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.

De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam.The Perfumed Gardenvan den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw dooreen schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: “Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw”. Het Arabische boek,El Ktab, of “The Secret Laws of Love”; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.

Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst5. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo’n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie—die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt6—gaf aan zijn kunst van liefhebbende plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius’Ars Amatoriageplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; “arte regendus amor”. Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren deArs Amatoriavan Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.

Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.

Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. “Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag “huis te houden” en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat “verdanst” zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet,terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden”. (H. Crawford Angus, “The Chensamwali”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels,Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij dencoïtusdoen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij dencoïtusin praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady “bibi” beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot dencoïtus, is beschreven door Zache (“Sitten und Gebräuche der Suaheli”,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2–3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. “Neen”, zeide de baron, “ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden”. En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooitmogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijnLogique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.“Hoe komt het”, vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, “dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijnContemporainesbelasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden … Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren” (Rétif de la Bretonne,Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160–3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als “een meester in deArs Amandi”, en hem van dit standpunt bespreekt in zijnRétif de la Bretonne(pp. 362–371).

Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. “Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag “huis te houden” en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat “verdanst” zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet,terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden”. (H. Crawford Angus, “The Chensamwali”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).

In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels,Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij dencoïtusdoen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij dencoïtusin praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady “bibi” beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot dencoïtus, is beschreven door Zache (“Sitten und Gebräuche der Suaheli”,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2–3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.

De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.

In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. “Neen”, zeide de baron, “ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden”. En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière,Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooitmogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijnLogique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.

“Hoe komt het”, vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, “dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijnContemporainesbelasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden … Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren” (Rétif de la Bretonne,Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160–3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als “een meester in deArs Amandi”, en hem van dit standpunt bespreekt in zijnRétif de la Bretonne(pp. 362–371).

Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van “Gij zult niet”. Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.

Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is—“een kunst, die de natuur maakt”,—en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden,hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant7. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.

Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt “flirtage” genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de “demi-vierge”, die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.

Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97–101). Hij zegt, dat ze “alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, dencoïtusaltijd uitgesloten”. Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt “spooning”. In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zijdikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van.Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze “als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is”.Van het Fransche standpunt zijn “flirtage” en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon (“Family Life in America”,Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet “Gij zult niet met de liefde spelen”, want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.

Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97–101). Hij zegt, dat ze “alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, dencoïtusaltijd uitgesloten”. Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt “spooning”. In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zijdikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van.Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze “als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is”.

Van het Fransche standpunt zijn “flirtage” en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon (“Family Life in America”,Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet “Gij zult niet met de liefde spelen”, want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.

Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm—niet in de geperverteerden vorm van “flirtage”—een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.

Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.

Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld, dat ze trouwen zullen,—volkomen terecht, want de meerderheid van haar trouwt ook,—maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld, dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden, met de kennisvan feiten, die niemand belang kunnen inboezemen, maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!

Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen, met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben, alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid, dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man, en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter soort zijn dan die van haar echtgenoot8. Zoodat, zelfs met de beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding9.

Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheidvan vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. “Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer,The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het “lust” was. Sedert dien tijd heeft zijSister Teresagelezen van George Moore, en de wetenschap “dat een vrouw even slecht kan zijn als een man” heeft haar treurig gestemd.”De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van dezeStudies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie,Wege zur Liebe, p. 571.)

Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheidvan vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. “Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer,The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het “lust” was. Sedert dien tijd heeft zijSister Teresagelezen van George Moore, en de wetenschap “dat een vrouw even slecht kan zijn als een man” heeft haar treurig gestemd.”De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van dezeStudies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.

Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie,Wege zur Liebe, p. 571.)

De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis, de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées, en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament, wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is, met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn,door de mengeling van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding, die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen gehad heeft10. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge, die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende, dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft, overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen, welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam nooit een werkelijk huwelijk wordt11.

Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de anderegroep van mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde mannen soms in sexueele zaken zijn.

“Volkomen abstinentie in de jeugd”, zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), “is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen”. Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, “die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze”. “Als de minnaar in Laura Holm’sWas war es?tot de heldin zegt, “Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt”, dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling”. Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel,Die Sexuelle Frage, p. 217et seq.).Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzamemodus vivendigevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.“Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad”, schrijft een correspondent. “Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk”. Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoendenbron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt “Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teeretoetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!.…. Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde” (Balzac,Physiologie du Mariage,Meditation VII).Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor,Practical TreatiseonSexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770–779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): “Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen”. Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.Breuer en Freud wezen er in hunStudien über Hysterie(p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en devrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. ZieMoral Theologyvan Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, “Marriage Law in the Church of England”,Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. “Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin … Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw”(O. Adler,DiemangelhafteGeschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159et seq., 181et seq.). “Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man”, schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling “Sur les Femmes”; “ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht”. Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over “huwelijksplichten” en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.

“Volkomen abstinentie in de jeugd”, zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), “is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen”. Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, “die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze”. “Als de minnaar in Laura Holm’sWas war es?tot de heldin zegt, “Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt”, dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling”. Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel,Die Sexuelle Frage, p. 217et seq.).

Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzamemodus vivendigevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.

“Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad”, schrijft een correspondent. “Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk”. Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoendenbron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.

Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt “Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teeretoetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!.…. Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde” (Balzac,Physiologie du Mariage,Meditation VII).

Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor,Practical TreatiseonSexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770–779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.

Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.

De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): “Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen”. Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.

Breuer en Freud wezen er in hunStudien über Hysterie(p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en devrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. ZieMoral Theologyvan Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, “Marriage Law in the Church of England”,Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.

Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. “Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin … Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw”(O. Adler,DiemangelhafteGeschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159et seq., 181et seq.). “Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man”, schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling “Sur les Femmes”; “ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht”. Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over “huwelijksplichten” en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.

Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een kunst, die de Natuur maakt. Zij wetenaltijd meer van de liefde, zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen leeren, want “c’est une discipline née dans leur sang”12.

De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:“J’ai calculé mon age,J’ai quatorze à quinze ans.Ne suis-je pas dans l’âgeD’y avoir un amant?”Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den “leeftijd tot toestemming” of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de “age of consent” gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in hetHouse of Commonsaangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195–203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot “verkrachting”, en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheidtot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet inSexual Life of Womanvan Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste.Sexual-Probleme, April 1909).Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): “Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk”. Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van hetherkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch,The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de “leeftijd van toestemmen” moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den “leeftijd van toestemming” op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.

De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:

“J’ai calculé mon age,J’ai quatorze à quinze ans.Ne suis-je pas dans l’âgeD’y avoir un amant?”

“J’ai calculé mon age,

J’ai quatorze à quinze ans.

Ne suis-je pas dans l’âge

D’y avoir un amant?”

Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den “leeftijd tot toestemming” of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de “age of consent” gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in hetHouse of Commonsaangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195–203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot “verkrachting”, en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.

Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheidtot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.

Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis,Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet inSexual Life of Womanvan Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste.Sexual-Probleme, April 1909).

Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): “Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk”. Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van hetherkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch,The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de “leeftijd van toestemmen” moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).

Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den “leeftijd van toestemming” op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.

De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft13. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnigetaboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten envoorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft14. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, “zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren”.

De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden15. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moestzijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon’s voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.

We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk16.

We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote matehet resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302et seq.), waaruit blijkt, datcoïtushet gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249)coïtusaan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoontegeëischteonderdrukken van een natuurlijke begeerte. “Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen”.

We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote matehet resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.

Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302et seq.), waaruit blijkt, datcoïtushet gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249)coïtusaan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoontegeëischteonderdrukken van een natuurlijke begeerte. “Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen”.


Back to IndexNext