In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week17. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig18. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar19. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn20. Mantegazza zegt in zijnHygiene of Loveook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen21.Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van dencoïtus. Individueelebegeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn22. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn23.Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid incoïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond,Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bijcoïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, datpostdikwijls in de plaats gesteld werd voorpropter.Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid vancoïtuszijngemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man24, en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aancoïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van dencoïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallenvan jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 “een meisje zevenmaal in een uur naderde”(J. Burchardi,Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz,Das Höfische Leben, deel I, p. 581).Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, “aan den gang te komen”, en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd “sexueele athleten”, en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van“huwelijksplichten”, van “rechten van den man”25. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw26, en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. “De kunst van liefhebben”, zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, “is de kunst aan vrouwen te behagen”. “Eenman moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariage, “waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen”. Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm,d.i.in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkigde meer passieve rol27. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten ’s mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,Bréviaire de l’Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: “Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen … Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging totcoïtus(zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd … In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt” (Guyot,Bréviaire, blz. 99, 115, 138).Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet “en mâle” maar “en artiste” (Liefde en Huwelijk, p. 92). “Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: “Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil”, dan is die man geoordeeld”. Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en denechtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van dezeStudies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat—hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord “ruw”—tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele “ruwheid” over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. “De weg tot mijn zinnen is door mijn hart”, schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, “maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg”. Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, ’t welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervondenhebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). “Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt—dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt”. Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken—en misschien zelfs het geheele hofmaken—is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordtzonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden—mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht—dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.“Liefde moetzich openbarendoor daden en nietzich verradendoor woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!” Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling “Essai sur l’Amour” (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz,Scribner’s Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter,Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheidin woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. “Vrouwen”, zegt hij, “zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt”. (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat metcoïtusbewegingenvoort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, “L’Hygiène conjugale chez les Hindous”,Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, “Indische Medizin”, Puschmann’sHandbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, “Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in hetZeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2.Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnschedichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: “Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem”. Zie ook van Margaret NobleWeb of Indian Life, vooral hoofdstuk III, “On the Hindu Woman as Wife”, en hoofdstuk IV, “Love Strong as Death”.De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. “In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden”.Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars AmatoriaBk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,Sed sensim tarda prolicienda mora”.“Echtgenooten”, heeft een vrouw eens geschreven, “missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten”.Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden—bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): “Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo’n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen”.Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt28. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. “De bekroning van liefdesverlangen”, zegt Senancour29, “die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit”. “De ziel en het lichaam van een vrouw”, zegt een andere schrijver30, “worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken”. De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is vanhet mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,“Whose speech Truth knows not from her thought,Nor Love her body from her soul”.Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring—dit stralen in afgeworpen schaamte, “dat”, zooals Pyke zegt, “het mooiste in de volmaakte liefde is”—nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was vande “moderne vrouw”. Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijkerkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen “sexueel koele” vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen “beschaving”, dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallenwaarschijnlijkook de voorwaarde voor de bevruchting.Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er “inseminatio” zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, “want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door dencoïtushet eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken”. Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij dencoïtusneiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus,lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologenirrumatio(zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologischetachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen metuterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomencoïtus.Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt voncoïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs,Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, “Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis”Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook,Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).Het is ontwijfelbaar waar, datcoïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat “onderbrokencoïtusnadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen”. Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalencoïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.“Deze verschijnselen”, zegt hij, “zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig”. Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk overThe Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen vancoïtusinterruptusbij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,Health and Disease in Relation to Marriagedl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.coïtusreservatus,—waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,—wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm vancoïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledigecoïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland (“Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van decoïtusdaadin zijn uitwerkingnadeeligis voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaadnoodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengdecoïtusreservatuswas een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had.Coïtusreservatuswerd in deOneidagemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonderejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteldMale Continence(de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aancoïtusreservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik “een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig”. Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van deOneidagemeenschap “behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen”. Wat de “male continence” aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als “het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken”. Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de “male continence”. Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed,Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).Noyes meende, dat “male continence” nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als decoïtusreservatusis in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengdecoïtusechter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed.van1688,lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad vancoïtuseen uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van dencoïtusin hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode vancoïtusis het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van dencoïtuszijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. “Om volkomen de waarheid te zeggen”, zegt Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213),“kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten”. Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijnBeiträge zur Neurosenlehre, “Bruchstück” etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld vanfellatiospontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naarcunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique del’Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij dencoïtus, behalve die welkegewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologenirrumatiowilden toestaan als een voorbereiding totcoïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode vancoïtusin speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, alscoïtusplaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze “a posteriori” gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijnSexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bijcoïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie vancoïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond,op. cit.blz. 257et seq.).Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren vancoïtus(boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van deArs Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers alsdok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de ArabischePerfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als deMohammedaanschetheologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die “a posteriori”, terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarigekerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman “Venus Aversa”,Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij dencoïtusveranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117–119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is doorcoïtusvan achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boekDer Mensch ein Vierfüssler(1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze vancoïtusvan de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori vancoïtusniet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.Fellatioencunnilinctus, die wel geen variaties zijn van dencoïtus, omdat daarbij geen vereeniging van degenitaliënder beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van dencoïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indiëfellatiobijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens denpater familias. Watcunnilinctusaangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeerper anummoet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm vancoïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij dencoïtusuiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De MohammedaanschePerfumed Gardenbeschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij dencoïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen vancoïtusbeschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.Aretino—die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotischezaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald—beschreef in zijnSonnetti Lussoriosizes en twintig verschillende soorten vancoïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael’s leerlingen. Veniero beschreef in zijnPuttana Errantetwee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwencoïtussoms beschouwen.Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea’s aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus,Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn ’s nachts te moe voorcoïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebbencoïtusin de bosschen (Ploss and Bartels,Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L’Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijnAcharniërshooren, zonsopgang als de gepaste tijd voorcoïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voorcoïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste vancoïtusin den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l’Impuissance, blz. 15 1–3) is de tijd voorcoïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raaddecoïtusaan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt “op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen” (La Génération de l’Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het ’t beste is zijn neiging te volgen, “dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht”. Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte vancoïtusbij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de “natuurlijkste” tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen “nu en dan” de beste tijd is.Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit eenmededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: “Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. “De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren”, schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich “Enamelled pansies used at nuptials still” van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken”. Dezerhapsodie(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als decoïtusdaadaan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór dencoïtusmoest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: “O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch”. In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels,Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning vancoïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madamed’Aulnayde gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: “Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden” (Madame d’Aulnay,Relation du Voyaged’Espagne, 1692, deel III, p. 221).
In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week17. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig18. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar19. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn20. Mantegazza zegt in zijnHygiene of Loveook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen21.Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van dencoïtus. Individueelebegeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn22. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn23.Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid incoïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond,Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bijcoïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, datpostdikwijls in de plaats gesteld werd voorpropter.Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid vancoïtuszijngemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man24, en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aancoïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van dencoïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallenvan jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 “een meisje zevenmaal in een uur naderde”(J. Burchardi,Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz,Das Höfische Leben, deel I, p. 581).Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, “aan den gang te komen”, en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd “sexueele athleten”, en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van“huwelijksplichten”, van “rechten van den man”25. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw26, en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. “De kunst van liefhebben”, zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, “is de kunst aan vrouwen te behagen”. “Eenman moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariage, “waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen”. Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm,d.i.in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkigde meer passieve rol27. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten ’s mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,Bréviaire de l’Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: “Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen … Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging totcoïtus(zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd … In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt” (Guyot,Bréviaire, blz. 99, 115, 138).Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet “en mâle” maar “en artiste” (Liefde en Huwelijk, p. 92). “Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: “Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil”, dan is die man geoordeeld”. Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en denechtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van dezeStudies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat—hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord “ruw”—tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele “ruwheid” over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. “De weg tot mijn zinnen is door mijn hart”, schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, “maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg”. Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, ’t welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervondenhebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). “Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt—dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt”. Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken—en misschien zelfs het geheele hofmaken—is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordtzonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden—mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht—dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.“Liefde moetzich openbarendoor daden en nietzich verradendoor woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!” Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling “Essai sur l’Amour” (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz,Scribner’s Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter,Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheidin woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. “Vrouwen”, zegt hij, “zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt”. (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat metcoïtusbewegingenvoort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, “L’Hygiène conjugale chez les Hindous”,Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, “Indische Medizin”, Puschmann’sHandbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, “Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in hetZeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2.Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnschedichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: “Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem”. Zie ook van Margaret NobleWeb of Indian Life, vooral hoofdstuk III, “On the Hindu Woman as Wife”, en hoofdstuk IV, “Love Strong as Death”.De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. “In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden”.Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars AmatoriaBk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,Sed sensim tarda prolicienda mora”.“Echtgenooten”, heeft een vrouw eens geschreven, “missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten”.Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden—bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): “Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo’n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen”.Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt28. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. “De bekroning van liefdesverlangen”, zegt Senancour29, “die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit”. “De ziel en het lichaam van een vrouw”, zegt een andere schrijver30, “worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken”. De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is vanhet mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,“Whose speech Truth knows not from her thought,Nor Love her body from her soul”.Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring—dit stralen in afgeworpen schaamte, “dat”, zooals Pyke zegt, “het mooiste in de volmaakte liefde is”—nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was vande “moderne vrouw”. Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijkerkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen “sexueel koele” vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen “beschaving”, dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallenwaarschijnlijkook de voorwaarde voor de bevruchting.Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er “inseminatio” zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, “want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door dencoïtushet eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken”. Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij dencoïtusneiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus,lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologenirrumatio(zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologischetachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen metuterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomencoïtus.Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt voncoïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs,Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, “Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis”Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook,Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).Het is ontwijfelbaar waar, datcoïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat “onderbrokencoïtusnadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen”. Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalencoïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.“Deze verschijnselen”, zegt hij, “zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig”. Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk overThe Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen vancoïtusinterruptusbij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,Health and Disease in Relation to Marriagedl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.coïtusreservatus,—waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,—wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm vancoïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledigecoïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland (“Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van decoïtusdaadin zijn uitwerkingnadeeligis voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaadnoodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengdecoïtusreservatuswas een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had.Coïtusreservatuswerd in deOneidagemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonderejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteldMale Continence(de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aancoïtusreservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik “een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig”. Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van deOneidagemeenschap “behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen”. Wat de “male continence” aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als “het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken”. Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de “male continence”. Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed,Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).Noyes meende, dat “male continence” nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als decoïtusreservatusis in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengdecoïtusechter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed.van1688,lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad vancoïtuseen uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van dencoïtusin hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode vancoïtusis het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van dencoïtuszijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. “Om volkomen de waarheid te zeggen”, zegt Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213),“kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten”. Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijnBeiträge zur Neurosenlehre, “Bruchstück” etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld vanfellatiospontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naarcunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique del’Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij dencoïtus, behalve die welkegewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologenirrumatiowilden toestaan als een voorbereiding totcoïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode vancoïtusin speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, alscoïtusplaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze “a posteriori” gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijnSexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bijcoïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie vancoïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond,op. cit.blz. 257et seq.).Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren vancoïtus(boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van deArs Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers alsdok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de ArabischePerfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als deMohammedaanschetheologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die “a posteriori”, terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarigekerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman “Venus Aversa”,Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij dencoïtusveranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117–119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is doorcoïtusvan achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boekDer Mensch ein Vierfüssler(1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze vancoïtusvan de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori vancoïtusniet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.Fellatioencunnilinctus, die wel geen variaties zijn van dencoïtus, omdat daarbij geen vereeniging van degenitaliënder beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van dencoïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indiëfellatiobijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens denpater familias. Watcunnilinctusaangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeerper anummoet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm vancoïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij dencoïtusuiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De MohammedaanschePerfumed Gardenbeschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij dencoïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen vancoïtusbeschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.Aretino—die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotischezaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald—beschreef in zijnSonnetti Lussoriosizes en twintig verschillende soorten vancoïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael’s leerlingen. Veniero beschreef in zijnPuttana Errantetwee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwencoïtussoms beschouwen.Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea’s aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus,Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn ’s nachts te moe voorcoïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebbencoïtusin de bosschen (Ploss and Bartels,Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L’Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijnAcharniërshooren, zonsopgang als de gepaste tijd voorcoïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voorcoïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste vancoïtusin den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l’Impuissance, blz. 15 1–3) is de tijd voorcoïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raaddecoïtusaan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt “op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen” (La Génération de l’Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het ’t beste is zijn neiging te volgen, “dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht”. Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte vancoïtusbij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de “natuurlijkste” tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen “nu en dan” de beste tijd is.Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit eenmededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: “Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. “De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren”, schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich “Enamelled pansies used at nuptials still” van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken”. Dezerhapsodie(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als decoïtusdaadaan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór dencoïtusmoest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: “O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch”. In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels,Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning vancoïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madamed’Aulnayde gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: “Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden” (Madame d’Aulnay,Relation du Voyaged’Espagne, 1692, deel III, p. 221).
In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week17. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig18. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar19. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn20. Mantegazza zegt in zijnHygiene of Loveook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen21.Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van dencoïtus. Individueelebegeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn22. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn23.Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid incoïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond,Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bijcoïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, datpostdikwijls in de plaats gesteld werd voorpropter.Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid vancoïtuszijngemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man24, en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aancoïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van dencoïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallenvan jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 “een meisje zevenmaal in een uur naderde”(J. Burchardi,Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz,Das Höfische Leben, deel I, p. 581).Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, “aan den gang te komen”, en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd “sexueele athleten”, en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van“huwelijksplichten”, van “rechten van den man”25. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw26, en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. “De kunst van liefhebben”, zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, “is de kunst aan vrouwen te behagen”. “Eenman moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariage, “waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen”. Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm,d.i.in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkigde meer passieve rol27. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten ’s mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,Bréviaire de l’Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: “Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen … Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging totcoïtus(zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd … In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt” (Guyot,Bréviaire, blz. 99, 115, 138).Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet “en mâle” maar “en artiste” (Liefde en Huwelijk, p. 92). “Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: “Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil”, dan is die man geoordeeld”. Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en denechtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van dezeStudies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat—hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord “ruw”—tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele “ruwheid” over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. “De weg tot mijn zinnen is door mijn hart”, schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, “maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg”. Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, ’t welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervondenhebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). “Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt—dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt”. Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken—en misschien zelfs het geheele hofmaken—is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordtzonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden—mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht—dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.“Liefde moetzich openbarendoor daden en nietzich verradendoor woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!” Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling “Essai sur l’Amour” (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz,Scribner’s Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter,Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheidin woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. “Vrouwen”, zegt hij, “zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt”. (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat metcoïtusbewegingenvoort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, “L’Hygiène conjugale chez les Hindous”,Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, “Indische Medizin”, Puschmann’sHandbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, “Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in hetZeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2.Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnschedichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: “Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem”. Zie ook van Margaret NobleWeb of Indian Life, vooral hoofdstuk III, “On the Hindu Woman as Wife”, en hoofdstuk IV, “Love Strong as Death”.De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. “In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden”.Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars AmatoriaBk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,Sed sensim tarda prolicienda mora”.“Echtgenooten”, heeft een vrouw eens geschreven, “missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten”.Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden—bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): “Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo’n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen”.Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt28. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. “De bekroning van liefdesverlangen”, zegt Senancour29, “die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit”. “De ziel en het lichaam van een vrouw”, zegt een andere schrijver30, “worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken”. De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is vanhet mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,“Whose speech Truth knows not from her thought,Nor Love her body from her soul”.Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring—dit stralen in afgeworpen schaamte, “dat”, zooals Pyke zegt, “het mooiste in de volmaakte liefde is”—nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was vande “moderne vrouw”. Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijkerkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen “sexueel koele” vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen “beschaving”, dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallenwaarschijnlijkook de voorwaarde voor de bevruchting.Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er “inseminatio” zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, “want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door dencoïtushet eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken”. Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij dencoïtusneiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus,lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologenirrumatio(zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologischetachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen metuterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomencoïtus.Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt voncoïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs,Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, “Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis”Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook,Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).Het is ontwijfelbaar waar, datcoïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat “onderbrokencoïtusnadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen”. Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalencoïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.“Deze verschijnselen”, zegt hij, “zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig”. Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk overThe Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen vancoïtusinterruptusbij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,Health and Disease in Relation to Marriagedl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.coïtusreservatus,—waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,—wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm vancoïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledigecoïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland (“Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van decoïtusdaadin zijn uitwerkingnadeeligis voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaadnoodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengdecoïtusreservatuswas een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had.Coïtusreservatuswerd in deOneidagemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonderejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteldMale Continence(de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aancoïtusreservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik “een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig”. Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van deOneidagemeenschap “behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen”. Wat de “male continence” aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als “het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken”. Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de “male continence”. Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed,Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).Noyes meende, dat “male continence” nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als decoïtusreservatusis in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengdecoïtusechter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed.van1688,lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad vancoïtuseen uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van dencoïtusin hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode vancoïtusis het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van dencoïtuszijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. “Om volkomen de waarheid te zeggen”, zegt Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213),“kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten”. Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijnBeiträge zur Neurosenlehre, “Bruchstück” etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld vanfellatiospontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naarcunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique del’Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij dencoïtus, behalve die welkegewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologenirrumatiowilden toestaan als een voorbereiding totcoïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode vancoïtusin speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, alscoïtusplaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze “a posteriori” gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijnSexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bijcoïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie vancoïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond,op. cit.blz. 257et seq.).Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren vancoïtus(boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van deArs Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers alsdok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de ArabischePerfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als deMohammedaanschetheologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die “a posteriori”, terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarigekerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman “Venus Aversa”,Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij dencoïtusveranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117–119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is doorcoïtusvan achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boekDer Mensch ein Vierfüssler(1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze vancoïtusvan de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori vancoïtusniet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.Fellatioencunnilinctus, die wel geen variaties zijn van dencoïtus, omdat daarbij geen vereeniging van degenitaliënder beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van dencoïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indiëfellatiobijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens denpater familias. Watcunnilinctusaangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeerper anummoet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm vancoïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij dencoïtusuiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De MohammedaanschePerfumed Gardenbeschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij dencoïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen vancoïtusbeschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.Aretino—die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotischezaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald—beschreef in zijnSonnetti Lussoriosizes en twintig verschillende soorten vancoïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael’s leerlingen. Veniero beschreef in zijnPuttana Errantetwee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwencoïtussoms beschouwen.Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea’s aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus,Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn ’s nachts te moe voorcoïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebbencoïtusin de bosschen (Ploss and Bartels,Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L’Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijnAcharniërshooren, zonsopgang als de gepaste tijd voorcoïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voorcoïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste vancoïtusin den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l’Impuissance, blz. 15 1–3) is de tijd voorcoïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raaddecoïtusaan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt “op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen” (La Génération de l’Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het ’t beste is zijn neiging te volgen, “dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht”. Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte vancoïtusbij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de “natuurlijkste” tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen “nu en dan” de beste tijd is.Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit eenmededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: “Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. “De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren”, schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich “Enamelled pansies used at nuptials still” van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken”. Dezerhapsodie(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als decoïtusdaadaan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór dencoïtusmoest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: “O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch”. In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels,Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning vancoïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madamed’Aulnayde gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: “Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden” (Madame d’Aulnay,Relation du Voyaged’Espagne, 1692, deel III, p. 221).
In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week17. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig18. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar19. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn20. Mantegazza zegt in zijnHygiene of Loveook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen21.
Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van dencoïtus. Individueelebegeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn22. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn23.
Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid incoïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond,Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bijcoïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, datpostdikwijls in de plaats gesteld werd voorpropter.
Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid incoïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond,Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bijcoïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, datpostdikwijls in de plaats gesteld werd voorpropter.
Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid vancoïtuszijngemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man24, en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.
Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aancoïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van dencoïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallenvan jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 “een meisje zevenmaal in een uur naderde”(J. Burchardi,Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz,Das Höfische Leben, deel I, p. 581).Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, “aan den gang te komen”, en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd “sexueele athleten”, en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.
Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aancoïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.
Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van dencoïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallenvan jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 “een meisje zevenmaal in een uur naderde”(J. Burchardi,Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz,Das Höfische Leben, deel I, p. 581).
Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, “aan den gang te komen”, en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.
Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd “sexueele athleten”, en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.
In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van“huwelijksplichten”, van “rechten van den man”25. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw26, en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.
De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. “De kunst van liefhebben”, zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, “is de kunst aan vrouwen te behagen”. “Eenman moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariage, “waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen”. Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm,d.i.in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkigde meer passieve rol27. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten ’s mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.
Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.
Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,Bréviaire de l’Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: “Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen … Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging totcoïtus(zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd … In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt” (Guyot,Bréviaire, blz. 99, 115, 138).Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet “en mâle” maar “en artiste” (Liefde en Huwelijk, p. 92). “Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: “Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil”, dan is die man geoordeeld”. Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.
Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,Bréviaire de l’Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: “Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen … Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging totcoïtus(zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd … In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt” (Guyot,Bréviaire, blz. 99, 115, 138).
Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet “en mâle” maar “en artiste” (Liefde en Huwelijk, p. 92). “Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: “Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil”, dan is die man geoordeeld”. Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.
Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en denechtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van dezeStudies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat—hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord “ruw”—tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele “ruwheid” over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.
Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. “De weg tot mijn zinnen is door mijn hart”, schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, “maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg”. Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, ’t welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.
Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervondenhebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). “Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt—dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt”. Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.
Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervondenhebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). “Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt—dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt”. Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.
We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.
Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken—en misschien zelfs het geheele hofmaken—is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordtzonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden—mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht—dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.
“Liefde moetzich openbarendoor daden en nietzich verradendoor woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!” Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling “Essai sur l’Amour” (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz,Scribner’s Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter,Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.
“Liefde moetzich openbarendoor daden en nietzich verradendoor woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!” Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling “Essai sur l’Amour” (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.
Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz,Scribner’s Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter,Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.
Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheidin woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.
Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. “Vrouwen”, zegt hij, “zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt”. (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat metcoïtusbewegingenvoort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, “L’Hygiène conjugale chez les Hindous”,Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, “Indische Medizin”, Puschmann’sHandbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, “Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in hetZeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2.Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnschedichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: “Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem”. Zie ook van Margaret NobleWeb of Indian Life, vooral hoofdstuk III, “On the Hindu Woman as Wife”, en hoofdstuk IV, “Love Strong as Death”.De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. “In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden”.Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars AmatoriaBk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,Sed sensim tarda prolicienda mora”.“Echtgenooten”, heeft een vrouw eens geschreven, “missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten”.Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden—bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): “Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo’n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen”.
Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. “Vrouwen”, zegt hij, “zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt”. (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).
De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat metcoïtusbewegingenvoort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.
Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, “L’Hygiène conjugale chez les Hindous”,Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, “Indische Medizin”, Puschmann’sHandbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, “Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram”,Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in hetZeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2.Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnschedichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: “Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem”. Zie ook van Margaret NobleWeb of Indian Life, vooral hoofdstuk III, “On the Hindu Woman as Wife”, en hoofdstuk IV, “Love Strong as Death”.
De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. “In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden”.
Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars AmatoriaBk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:
“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,Sed sensim tarda prolicienda mora”.
“Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora”.
“Echtgenooten”, heeft een vrouw eens geschreven, “missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten”.
Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden—bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): “Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo’n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen”.
Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt28. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.
Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. “De bekroning van liefdesverlangen”, zegt Senancour29, “die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit”. “De ziel en het lichaam van een vrouw”, zegt een andere schrijver30, “worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken”. De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.
Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is vanhet mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,
“Whose speech Truth knows not from her thought,Nor Love her body from her soul”.
“Whose speech Truth knows not from her thought,
Nor Love her body from her soul”.
Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring—dit stralen in afgeworpen schaamte, “dat”, zooals Pyke zegt, “het mooiste in de volmaakte liefde is”—nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.
De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was vande “moderne vrouw”. Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.
Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.
Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijkerkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen “sexueel koele” vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen “beschaving”, dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.
De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallenwaarschijnlijkook de voorwaarde voor de bevruchting.
Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er “inseminatio” zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, “want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door dencoïtushet eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken”. Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij dencoïtusneiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus,lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologenirrumatio(zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologischetachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen metuterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomencoïtus.Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt voncoïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs,Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, “Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis”Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook,Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).Het is ontwijfelbaar waar, datcoïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat “onderbrokencoïtusnadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen”. Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalencoïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.“Deze verschijnselen”, zegt hij, “zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig”. Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk overThe Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen vancoïtusinterruptusbij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,Health and Disease in Relation to Marriagedl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.coïtusreservatus,—waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,—wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm vancoïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledigecoïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland (“Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van decoïtusdaadin zijn uitwerkingnadeeligis voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaadnoodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengdecoïtusreservatuswas een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had.Coïtusreservatuswerd in deOneidagemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonderejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteldMale Continence(de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aancoïtusreservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik “een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig”. Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van deOneidagemeenschap “behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen”. Wat de “male continence” aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als “het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken”. Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de “male continence”. Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed,Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).Noyes meende, dat “male continence” nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als decoïtusreservatusis in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengdecoïtusechter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed.van1688,lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad vancoïtuseen uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van dencoïtusin hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode vancoïtusis het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van dencoïtuszijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. “Om volkomen de waarheid te zeggen”, zegt Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213),“kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten”. Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijnBeiträge zur Neurosenlehre, “Bruchstück” etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld vanfellatiospontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naarcunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique del’Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij dencoïtus, behalve die welkegewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologenirrumatiowilden toestaan als een voorbereiding totcoïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode vancoïtusin speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, alscoïtusplaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze “a posteriori” gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijnSexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bijcoïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie vancoïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond,op. cit.blz. 257et seq.).Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren vancoïtus(boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van deArs Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers alsdok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de ArabischePerfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als deMohammedaanschetheologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die “a posteriori”, terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarigekerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman “Venus Aversa”,Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij dencoïtusveranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117–119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is doorcoïtusvan achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boekDer Mensch ein Vierfüssler(1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze vancoïtusvan de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori vancoïtusniet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.Fellatioencunnilinctus, die wel geen variaties zijn van dencoïtus, omdat daarbij geen vereeniging van degenitaliënder beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van dencoïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indiëfellatiobijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens denpater familias. Watcunnilinctusaangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeerper anummoet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm vancoïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij dencoïtusuiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De MohammedaanschePerfumed Gardenbeschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij dencoïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen vancoïtusbeschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.Aretino—die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotischezaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald—beschreef in zijnSonnetti Lussoriosizes en twintig verschillende soorten vancoïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael’s leerlingen. Veniero beschreef in zijnPuttana Errantetwee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwencoïtussoms beschouwen.Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea’s aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus,Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn ’s nachts te moe voorcoïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebbencoïtusin de bosschen (Ploss and Bartels,Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L’Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijnAcharniërshooren, zonsopgang als de gepaste tijd voorcoïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voorcoïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste vancoïtusin den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l’Impuissance, blz. 15 1–3) is de tijd voorcoïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raaddecoïtusaan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt “op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen” (La Génération de l’Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het ’t beste is zijn neiging te volgen, “dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht”. Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte vancoïtusbij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de “natuurlijkste” tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen “nu en dan” de beste tijd is.Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit eenmededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: “Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. “De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren”, schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich “Enamelled pansies used at nuptials still” van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken”. Dezerhapsodie(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als decoïtusdaadaan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór dencoïtusmoest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: “O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch”. In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels,Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning vancoïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madamed’Aulnayde gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: “Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden” (Madame d’Aulnay,Relation du Voyaged’Espagne, 1692, deel III, p. 221).
Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er “inseminatio” zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, “want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door dencoïtushet eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken”. Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij dencoïtusneiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus,lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologenirrumatio(zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.
Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologischetachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen metuterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomencoïtus.
Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt voncoïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs,Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, “Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis”Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook,Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).
Het is ontwijfelbaar waar, datcoïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat “onderbrokencoïtusnadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen”. Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalencoïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.
“Deze verschijnselen”, zegt hij, “zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig”. Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk overThe Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen vancoïtusinterruptusbij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,Health and Disease in Relation to Marriagedl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.
coïtusreservatus,—waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,—wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm vancoïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledigecoïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland (“Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van decoïtusdaadin zijn uitwerkingnadeeligis voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaadnoodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengdecoïtusreservatuswas een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had.Coïtusreservatuswerd in deOneidagemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonderejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteldMale Continence(de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aancoïtusreservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik “een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig”. Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van deOneidagemeenschap “behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen”. Wat de “male continence” aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als “het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken”. Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de “male continence”. Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed,Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).
Noyes meende, dat “male continence” nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als decoïtusreservatusis in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengdecoïtusechter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed.van1688,lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad vancoïtuseen uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.
Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van dencoïtusin hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.
Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode vancoïtusis het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.
De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van dencoïtuszijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. “Om volkomen de waarheid te zeggen”, zegt Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213),“kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten”. Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijnBeiträge zur Neurosenlehre, “Bruchstück” etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld vanfellatiospontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naarcunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.
Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique del’Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij dencoïtus, behalve die welkegewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologenirrumatiowilden toestaan als een voorbereiding totcoïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.
Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode vancoïtusin speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, alscoïtusplaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze “a posteriori” gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijnSexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bijcoïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie vancoïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond,op. cit.blz. 257et seq.).
Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren vancoïtus(boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van deArs Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers alsdok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de ArabischePerfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.
De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als deMohammedaanschetheologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.
De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die “a posteriori”, terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarigekerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman “Venus Aversa”,Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij dencoïtusveranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117–119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is doorcoïtusvan achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boekDer Mensch ein Vierfüssler(1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze vancoïtusvan de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori vancoïtusniet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.
Fellatioencunnilinctus, die wel geen variaties zijn van dencoïtus, omdat daarbij geen vereeniging van degenitaliënder beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van dencoïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indiëfellatiobijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens denpater familias. Watcunnilinctusaangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeerper anummoet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm vancoïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.
In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij dencoïtusuiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De MohammedaanschePerfumed Gardenbeschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij dencoïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.
De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen vancoïtusbeschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.
Aretino—die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotischezaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald—beschreef in zijnSonnetti Lussoriosizes en twintig verschillende soorten vancoïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael’s leerlingen. Veniero beschreef in zijnPuttana Errantetwee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.
De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwencoïtussoms beschouwen.
Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea’s aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus,Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn ’s nachts te moe voorcoïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebbencoïtusin de bosschen (Ploss and Bartels,Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).
Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L’Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.
Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijnAcharniërshooren, zonsopgang als de gepaste tijd voorcoïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voorcoïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste vancoïtusin den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l’Impuissance, blz. 15 1–3) is de tijd voorcoïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raaddecoïtusaan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt “op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen” (La Génération de l’Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het ’t beste is zijn neiging te volgen, “dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht”. Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte vancoïtusbij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de “natuurlijkste” tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen “nu en dan” de beste tijd is.
Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit eenmededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: “Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. “De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren”, schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich “Enamelled pansies used at nuptials still” van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken”. Dezerhapsodie(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.
In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als decoïtusdaadaan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór dencoïtusmoest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: “O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch”. In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels,Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning vancoïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madamed’Aulnayde gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: “Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden” (Madame d’Aulnay,Relation du Voyaged’Espagne, 1692, deel III, p. 221).