Chapter 45

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodigeen eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van dencoïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn “Children of Adam” schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. “Deze organen”, zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, “maken den vrede in huis”. Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek vanPepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving31.De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden—die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving—de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen teverslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,“Past reason hunted, and no sooner had,Past reason hated”,hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt32.De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. “Er zijn getrouwde menschen”, zooals Ellen Key opmerkt, “die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten”.Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft,maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. “Afwezigheid”, zegt Landor, “is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid”. Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden33.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als “een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren”. Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kantoeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie34.Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt35.Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken36, bij kinderen37, bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten38. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijnKreutzer Sonatetot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergesteldenzin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat39.Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren—zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf—is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129–137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot “het inprenten van de vrouwelijke deugd”, maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. “Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten”.Ribot(La Logique des Sentiments, blz. 75et seq.;Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. “Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme”.Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. “Jaloezie is”, verklaart hij, “de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de “uitstralingen”, of liever, de “contrastreacties”, van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, “Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft”, zegt geenszins te veel … Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam “beleedigde eer”, trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot … Wij hooren dikwijls van “gerechtvaardigde jaloezie”. Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan”.Eric Gillard verklaart, in een artikel over “Jaloezie” (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie “het tehuis vormt”, dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. “Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die “het tehuis vormt””.Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp—een omarming van de kamenier van zijn vrouw—was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord’s Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. “Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde … Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos … Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij … Zoo eindigt de maand”, schrijft hij een paar dagen later, “met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, endat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God’s vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend”. Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: “De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen”. Hij was echter “zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen”. Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. “Ik moet hier opmerken”, zegt hij, “dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren”. De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan “voor haar eer te zorgen en God te vreezen”, en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543–552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. “Tegenwoordig”, verklaart Hirth naar waarheid, “kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk … Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die alsvriendhet edelst denkt en het diepst ziet.”Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek derjaloezieheeft alleenmaar succes—als ze ooit succes heeft—in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen40.De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor eenman en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebbenbuiten de erotische sfeer41. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder specialeomstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de “vriendschap” van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.“Op den langen duur”, schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is inGeschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) “worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: “Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?” En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord “kus” gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?” Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen “Platonische vriendschappen” die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige “Platonische vriendschappen” kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwenzooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden—heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten42.De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat “liefde” in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.“Zoogenaamd gelukkige huwelijken”, zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), “zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen—terwijl ze hem koestert als een kind—of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels”.“Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon”, schrijft een vrouw, “gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten”. “De bron van de liefde van elke ware vrouw”, schrijft een andere vrouw, “is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben”.Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. “De taak is uiterstmoeilijk”, zegt Kisch in zijnSexual Life of Woman, “maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijkeaantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia”. En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman vanLa Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat “een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed”. De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. “Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben”, zegt Helene Stöcker, “zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden”. We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo’n groote openbaring kan zijn en zoo’n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben—van hoeveel belang die ook mogen zijn—die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar43.Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren—goede ofslechte, al naar het geval is—voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d’Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: “De maatschappij”, zegt hij, “is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de “kwestie van de nakomelingschap”, dan met de “kwestie van de liefde”. Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?” Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. “De toekomst”, gaat hij voort, “behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is”.

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodigeen eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van dencoïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn “Children of Adam” schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. “Deze organen”, zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, “maken den vrede in huis”. Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek vanPepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving31.De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden—die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving—de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen teverslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,“Past reason hunted, and no sooner had,Past reason hated”,hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt32.De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. “Er zijn getrouwde menschen”, zooals Ellen Key opmerkt, “die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten”.Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft,maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. “Afwezigheid”, zegt Landor, “is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid”. Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden33.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als “een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren”. Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kantoeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie34.Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt35.Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken36, bij kinderen37, bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten38. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijnKreutzer Sonatetot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergesteldenzin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat39.Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren—zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf—is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129–137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot “het inprenten van de vrouwelijke deugd”, maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. “Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten”.Ribot(La Logique des Sentiments, blz. 75et seq.;Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. “Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme”.Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. “Jaloezie is”, verklaart hij, “de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de “uitstralingen”, of liever, de “contrastreacties”, van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, “Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft”, zegt geenszins te veel … Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam “beleedigde eer”, trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot … Wij hooren dikwijls van “gerechtvaardigde jaloezie”. Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan”.Eric Gillard verklaart, in een artikel over “Jaloezie” (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie “het tehuis vormt”, dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. “Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die “het tehuis vormt””.Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp—een omarming van de kamenier van zijn vrouw—was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord’s Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. “Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde … Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos … Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij … Zoo eindigt de maand”, schrijft hij een paar dagen later, “met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, endat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God’s vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend”. Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: “De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen”. Hij was echter “zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen”. Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. “Ik moet hier opmerken”, zegt hij, “dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren”. De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan “voor haar eer te zorgen en God te vreezen”, en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543–552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. “Tegenwoordig”, verklaart Hirth naar waarheid, “kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk … Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die alsvriendhet edelst denkt en het diepst ziet.”Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek derjaloezieheeft alleenmaar succes—als ze ooit succes heeft—in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen40.De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor eenman en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebbenbuiten de erotische sfeer41. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder specialeomstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de “vriendschap” van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.“Op den langen duur”, schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is inGeschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) “worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: “Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?” En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord “kus” gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?” Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen “Platonische vriendschappen” die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige “Platonische vriendschappen” kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwenzooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden—heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten42.De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat “liefde” in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.“Zoogenaamd gelukkige huwelijken”, zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), “zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen—terwijl ze hem koestert als een kind—of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels”.“Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon”, schrijft een vrouw, “gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten”. “De bron van de liefde van elke ware vrouw”, schrijft een andere vrouw, “is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben”.Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. “De taak is uiterstmoeilijk”, zegt Kisch in zijnSexual Life of Woman, “maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijkeaantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia”. En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman vanLa Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat “een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed”. De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. “Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben”, zegt Helene Stöcker, “zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden”. We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo’n groote openbaring kan zijn en zoo’n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben—van hoeveel belang die ook mogen zijn—die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar43.Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren—goede ofslechte, al naar het geval is—voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d’Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: “De maatschappij”, zegt hij, “is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de “kwestie van de nakomelingschap”, dan met de “kwestie van de liefde”. Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?” Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. “De toekomst”, gaat hij voort, “behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is”.

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodigeen eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van dencoïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn “Children of Adam” schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. “Deze organen”, zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, “maken den vrede in huis”. Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek vanPepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving31.De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden—die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving—de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen teverslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,“Past reason hunted, and no sooner had,Past reason hated”,hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt32.De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. “Er zijn getrouwde menschen”, zooals Ellen Key opmerkt, “die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten”.Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft,maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. “Afwezigheid”, zegt Landor, “is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid”. Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden33.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als “een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren”. Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kantoeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie34.Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt35.Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken36, bij kinderen37, bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten38. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijnKreutzer Sonatetot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergesteldenzin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat39.Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren—zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf—is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129–137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot “het inprenten van de vrouwelijke deugd”, maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. “Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten”.Ribot(La Logique des Sentiments, blz. 75et seq.;Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. “Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme”.Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. “Jaloezie is”, verklaart hij, “de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de “uitstralingen”, of liever, de “contrastreacties”, van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, “Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft”, zegt geenszins te veel … Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam “beleedigde eer”, trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot … Wij hooren dikwijls van “gerechtvaardigde jaloezie”. Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan”.Eric Gillard verklaart, in een artikel over “Jaloezie” (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie “het tehuis vormt”, dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. “Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die “het tehuis vormt””.Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp—een omarming van de kamenier van zijn vrouw—was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord’s Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. “Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde … Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos … Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij … Zoo eindigt de maand”, schrijft hij een paar dagen later, “met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, endat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God’s vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend”. Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: “De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen”. Hij was echter “zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen”. Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. “Ik moet hier opmerken”, zegt hij, “dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren”. De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan “voor haar eer te zorgen en God te vreezen”, en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543–552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. “Tegenwoordig”, verklaart Hirth naar waarheid, “kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk … Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die alsvriendhet edelst denkt en het diepst ziet.”Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek derjaloezieheeft alleenmaar succes—als ze ooit succes heeft—in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen40.De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor eenman en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebbenbuiten de erotische sfeer41. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder specialeomstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de “vriendschap” van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.“Op den langen duur”, schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is inGeschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) “worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: “Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?” En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord “kus” gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?” Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen “Platonische vriendschappen” die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige “Platonische vriendschappen” kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwenzooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden—heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten42.De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat “liefde” in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.“Zoogenaamd gelukkige huwelijken”, zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), “zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen—terwijl ze hem koestert als een kind—of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels”.“Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon”, schrijft een vrouw, “gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten”. “De bron van de liefde van elke ware vrouw”, schrijft een andere vrouw, “is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben”.Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. “De taak is uiterstmoeilijk”, zegt Kisch in zijnSexual Life of Woman, “maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijkeaantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia”. En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman vanLa Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat “een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed”. De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. “Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben”, zegt Helene Stöcker, “zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden”. We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo’n groote openbaring kan zijn en zoo’n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben—van hoeveel belang die ook mogen zijn—die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar43.Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren—goede ofslechte, al naar het geval is—voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d’Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: “De maatschappij”, zegt hij, “is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de “kwestie van de nakomelingschap”, dan met de “kwestie van de liefde”. Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?” Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. “De toekomst”, gaat hij voort, “behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is”.

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodigeen eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van dencoïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn “Children of Adam” schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.

De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. “Deze organen”, zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, “maken den vrede in huis”. Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek vanPepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving31.

De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden—die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving—de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen teverslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,

“Past reason hunted, and no sooner had,Past reason hated”,

“Past reason hunted, and no sooner had,

Past reason hated”,

hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt32.

De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. “Er zijn getrouwde menschen”, zooals Ellen Key opmerkt, “die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten”.

Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft,maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. “Afwezigheid”, zegt Landor, “is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid”. Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden33.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.

IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als “een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren”. Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kantoeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie34.

Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt35.

Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken36, bij kinderen37, bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten38. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijnKreutzer Sonatetot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergesteldenzin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat39.

Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren—zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf—is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.

Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129–137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot “het inprenten van de vrouwelijke deugd”, maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. “Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten”.Ribot(La Logique des Sentiments, blz. 75et seq.;Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. “Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme”.Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. “Jaloezie is”, verklaart hij, “de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de “uitstralingen”, of liever, de “contrastreacties”, van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, “Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft”, zegt geenszins te veel … Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam “beleedigde eer”, trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot … Wij hooren dikwijls van “gerechtvaardigde jaloezie”. Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan”.Eric Gillard verklaart, in een artikel over “Jaloezie” (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie “het tehuis vormt”, dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. “Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die “het tehuis vormt””.

Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129–137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot “het inprenten van de vrouwelijke deugd”, maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. “Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten”.

Ribot(La Logique des Sentiments, blz. 75et seq.;Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. “Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme”.

Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. “Jaloezie is”, verklaart hij, “de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de “uitstralingen”, of liever, de “contrastreacties”, van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, “Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft”, zegt geenszins te veel … Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam “beleedigde eer”, trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot … Wij hooren dikwijls van “gerechtvaardigde jaloezie”. Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan”.

Eric Gillard verklaart, in een artikel over “Jaloezie” (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie “het tehuis vormt”, dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. “Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die “het tehuis vormt””.

Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.

Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp—een omarming van de kamenier van zijn vrouw—was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord’s Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. “Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde … Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos … Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij … Zoo eindigt de maand”, schrijft hij een paar dagen later, “met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, endat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God’s vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend”. Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: “De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen”. Hij was echter “zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen”. Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. “Ik moet hier opmerken”, zegt hij, “dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren”. De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan “voor haar eer te zorgen en God te vreezen”, en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.

Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp—een omarming van de kamenier van zijn vrouw—was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord’s Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. “Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde … Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos … Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij … Zoo eindigt de maand”, schrijft hij een paar dagen later, “met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, endat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God’s vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend”. Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: “De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen”. Hij was echter “zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen”. Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. “Ik moet hier opmerken”, zegt hij, “dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren”. De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan “voor haar eer te zorgen en God te vreezen”, en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.

Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.

Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543–552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. “Tegenwoordig”, verklaart Hirth naar waarheid, “kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk … Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die alsvriendhet edelst denkt en het diepst ziet.”Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek derjaloezieheeft alleenmaar succes—als ze ooit succes heeft—in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.

Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.

Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543–552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. “Tegenwoordig”, verklaart Hirth naar waarheid, “kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk … Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die alsvriendhet edelst denkt en het diepst ziet.”Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek derjaloezieheeft alleenmaar succes—als ze ooit succes heeft—in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.

Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen40.

De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor eenman en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebbenbuiten de erotische sfeer41. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder specialeomstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de “vriendschap” van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.

“Op den langen duur”, schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is inGeschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) “worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: “Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?” En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord “kus” gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?” Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.

“Op den langen duur”, schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is inGeschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) “worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: “Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?” En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord “kus” gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?” Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.

Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen “Platonische vriendschappen” die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige “Platonische vriendschappen” kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwenzooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden—heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten42.

De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.

Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat “liefde” in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.“Zoogenaamd gelukkige huwelijken”, zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), “zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen—terwijl ze hem koestert als een kind—of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels”.“Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon”, schrijft een vrouw, “gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten”. “De bron van de liefde van elke ware vrouw”, schrijft een andere vrouw, “is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben”.Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. “De taak is uiterstmoeilijk”, zegt Kisch in zijnSexual Life of Woman, “maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijkeaantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia”. En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman vanLa Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat “een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed”. De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. “Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben”, zegt Helene Stöcker, “zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden”. We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.

Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat “liefde” in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.

“Zoogenaamd gelukkige huwelijken”, zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), “zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen—terwijl ze hem koestert als een kind—of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels”.

“Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon”, schrijft een vrouw, “gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten”. “De bron van de liefde van elke ware vrouw”, schrijft een andere vrouw, “is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben”.

Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. “De taak is uiterstmoeilijk”, zegt Kisch in zijnSexual Life of Woman, “maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijkeaantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia”. En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman vanLa Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat “een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed”. De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. “Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben”, zegt Helene Stöcker, “zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden”. We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.

Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo’n groote openbaring kan zijn en zoo’n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben—van hoeveel belang die ook mogen zijn—die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar43.

Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren—goede ofslechte, al naar het geval is—voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.

In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d’Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: “De maatschappij”, zegt hij, “is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de “kwestie van de nakomelingschap”, dan met de “kwestie van de liefde”. Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?” Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. “De toekomst”, gaat hij voort, “behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is”.

In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d’Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: “De maatschappij”, zegt hij, “is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de “kwestie van de nakomelingschap”, dan met de “kwestie van de liefde”. Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?” Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. “De toekomst”, gaat hij voort, “behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is”.


Back to IndexNext