Chapter 48

Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden—zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven1—dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen—en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken—erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling overSterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen,Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het “hoogst waarschijnlijk” is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan dencoïtuseen belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordatsexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bijcoïtusaan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.“Van alle menschelijke instincten”, heeft Pinard gezegd2, “is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner”. En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. “Volgende geslachten”, schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden3,“zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu”.Men zegt ons, dat de groote Luther in zijntafelredengewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was (“sehr närrisch”), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, “uit klei”. En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaardzijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.Het gebod “Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u”, dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt4een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van “zuivere moraliteit”. Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haarmoreshebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend5. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijndiepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haarEeuw van het Kind(in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. “Het is alleen maar een kwestie van tijd”, schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), “wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel”.Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over “Beperkingen in het huwelijk” schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over “Eugeniek als een factor in den godsdienst” (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: “Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd … Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo’n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur”.Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden “een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht”, die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, “Die Crisis der Sexuellen Moral”,Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme tenopzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.“Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?” heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft6. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in ’t begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem vanhygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als “de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten”.In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch “de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben”.In het laatste hoofdstuk van zijnMemories of My Life(1908), over “Verbeteringen van het ras”, zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord “eugeniek” gebruikte hij het eerst in 1884, in zijnHuman Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over “Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek” (1907) en elders. Galton’s talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door deEugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerdThe Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson’s biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, “Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek” (1907).Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. InDuitschlandis hetArchiv für Rassen und Gesellschafts-biologieen dePolitisch-Anthropologische Revuein ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceertThe Popular Science Monthlyvan tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, “de eugeniek is de oudste van de wetenschappen”. De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onderoudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling overAntenatal Pathologymet de bewering, dat “Eugeniek” of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van deJournal of Mental Pathologyheeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: “De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken”. “Er zijn omstandigheden”, zegt C. H. Hughes (“Restricted Procreation”,Alienist and Neurologist, Mei 1908), “waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen”.Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: “Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen”. Professor J. Arthur Thomsonpleit in zijn boek overHeredity(1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel’s Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op:“Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is”. Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigendeNeue Sittenlehre(1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermeldenPopulation and Progress(1907), door Montague Crackanthorpe, President van deEugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, “Eugenics and St. Valentine”,Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haarScientific Meliorism(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, “een nieuwe sleutel is tot de sociale positie”, en een noodzakelijke voorwaarde voor “nationale hervorming”. HetGroundwork of Eugenics(1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermeldenParenthood and Race Culture(1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw overhaar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van deArabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de “deugd en den moed” van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, “niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is”7. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. “De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen”, zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, “en zij zullen het doen als moeders”. Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. “Het schijnt mij toe”, schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden (“The Welcome Child”,Arena, April, 1895), “dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.… Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevollewensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt.”Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen “het gepleisterde graf van het huwelijk” nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel “als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen”. Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. “Als tegenwoordig”, zegt zij, (In de voorrede vanLiefde en de Vrouwen, 1906), “alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen—verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie—en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn”.De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar “brood verdienen” door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam,Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen—en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden—van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken,want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. “Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie”, zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, “dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid”8.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): “Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klassevoorbehoedmiddelengebruiken”. Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat “de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg”, en deze achteruitgang is “voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen”, en dat“een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking”, worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door deFabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeldwaar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in deJournal RoyalStatisticalSociety, April 1906.Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk—die altijd let op sexueele kwesties—het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang eendoodzondeis, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van dencoïtusinterruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, “den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken”, dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als dedebitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier,Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz.179–182; aangehaald door Hans Ferdy,Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent “zelfmoord van het ras”. Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste typesvan burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 115–120). De krankzinnigen, de idioten, deimbecielenen zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis,op. cit., p. 110; Toulouse,Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, “Malthusianism and Degeneracy”,Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt inSexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo’n neiging.Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. “Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft”, zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); “ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen”. Hij kreeg er vier,—een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was—en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieperte gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, “het Protestantsche Rome”, getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten9. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden—tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici—een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen vaneen hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven10. Als die menschen, die den kreet aanheffen van “zelfmoord van het ras” ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemdenEssay on Populationvan Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,—hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,—daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel “Colony” in het supplement van deEncyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: “Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden”. Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: “Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma’s te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten”11.Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijnMoral Physiologyuit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broedersGeorge en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijnElements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; deLord Chief Justiceverklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen “de werktuigen van de Voorzienigheid” inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit,The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, “Dr. C. R. Drysdale,Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre”, verscheen in hetZeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt “facultatieve steriliteit”, die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity,British Medical Journal, April 20, 1895) “hundeelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt”. Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. “Wat kan bedroevender zijn”, vraagt Blandford (loc. cit.),“dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?” Bovendien heeft Tredgold(Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 enSexual Life of Woman; Vinay,Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, “Heart Disease in Relation to Pregnancy”,British Medical Journal, Mei 25, 1907).In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft—hoewel dan eerst in de laatste jaren—naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk12. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geledenmogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van “verschillende afschuwelijke middelen” om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is “op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper”13.De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling14. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan—soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben—om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort15. Dit is de opinie vanKraft-Ebing,van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen16.Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de “capote anglaise”, of de “redingote anglaise”, en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova,Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze “redingotes” echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, “zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend” was. Deze capotes—toen uit goudvlies gemaakt—waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als “cuirasses contre la volupté et toiles d’arraignée contre le mal”. De naam “condom” dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan “condom” wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd “condon”. Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:—“Ducondoncependant, vous connaissez l’usageLecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naamCondon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan wordengebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van hetCollege of Physicians, en wat de boeken van hetCollege of Surgeonsbetreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van “condus”—dat, wat bewaart—en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès,Indiscretions de l’Histoire, p. 121, etc.De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide17dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoonis in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.Brouardel (op.cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken “zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is”, terwijl “een onnoemelijk aantal van gevallen” nooit aan het licht komen. “Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie”, zegt Scott, “dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt”. (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen “conscientieuse personen” zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. HetMichigan Special Committee on Criminal Abortionberichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek,dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in hetBritish Medical Journal(April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven “gezond en systematisch”, en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van “Vrouwenpillen”, die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft (“The Increasing Use of Lead as an Abortifacient”,British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman,Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in deSociété de Médecine Légalein Parijs,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Sociétéd’Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon,La France en 1891, blz. 629–631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (EugèneBausset,L’Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; enSexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden—zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven1—dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen—en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken—erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling overSterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen,Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het “hoogst waarschijnlijk” is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan dencoïtuseen belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordatsexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bijcoïtusaan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.“Van alle menschelijke instincten”, heeft Pinard gezegd2, “is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner”. En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. “Volgende geslachten”, schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden3,“zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu”.Men zegt ons, dat de groote Luther in zijntafelredengewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was (“sehr närrisch”), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, “uit klei”. En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaardzijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.Het gebod “Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u”, dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt4een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van “zuivere moraliteit”. Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haarmoreshebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend5. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijndiepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haarEeuw van het Kind(in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. “Het is alleen maar een kwestie van tijd”, schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), “wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel”.Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over “Beperkingen in het huwelijk” schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over “Eugeniek als een factor in den godsdienst” (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: “Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd … Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo’n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur”.Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden “een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht”, die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, “Die Crisis der Sexuellen Moral”,Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme tenopzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.“Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?” heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft6. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in ’t begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem vanhygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als “de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten”.In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch “de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben”.In het laatste hoofdstuk van zijnMemories of My Life(1908), over “Verbeteringen van het ras”, zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord “eugeniek” gebruikte hij het eerst in 1884, in zijnHuman Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over “Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek” (1907) en elders. Galton’s talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door deEugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerdThe Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson’s biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, “Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek” (1907).Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. InDuitschlandis hetArchiv für Rassen und Gesellschafts-biologieen dePolitisch-Anthropologische Revuein ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceertThe Popular Science Monthlyvan tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, “de eugeniek is de oudste van de wetenschappen”. De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onderoudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling overAntenatal Pathologymet de bewering, dat “Eugeniek” of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van deJournal of Mental Pathologyheeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: “De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken”. “Er zijn omstandigheden”, zegt C. H. Hughes (“Restricted Procreation”,Alienist and Neurologist, Mei 1908), “waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen”.Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: “Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen”. Professor J. Arthur Thomsonpleit in zijn boek overHeredity(1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel’s Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op:“Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is”. Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigendeNeue Sittenlehre(1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermeldenPopulation and Progress(1907), door Montague Crackanthorpe, President van deEugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, “Eugenics and St. Valentine”,Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haarScientific Meliorism(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, “een nieuwe sleutel is tot de sociale positie”, en een noodzakelijke voorwaarde voor “nationale hervorming”. HetGroundwork of Eugenics(1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermeldenParenthood and Race Culture(1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw overhaar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van deArabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de “deugd en den moed” van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, “niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is”7. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. “De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen”, zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, “en zij zullen het doen als moeders”. Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. “Het schijnt mij toe”, schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden (“The Welcome Child”,Arena, April, 1895), “dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.… Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevollewensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt.”Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen “het gepleisterde graf van het huwelijk” nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel “als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen”. Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. “Als tegenwoordig”, zegt zij, (In de voorrede vanLiefde en de Vrouwen, 1906), “alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen—verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie—en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn”.De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar “brood verdienen” door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam,Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen—en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden—van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken,want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. “Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie”, zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, “dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid”8.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): “Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klassevoorbehoedmiddelengebruiken”. Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat “de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg”, en deze achteruitgang is “voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen”, en dat“een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking”, worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door deFabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeldwaar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in deJournal RoyalStatisticalSociety, April 1906.Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk—die altijd let op sexueele kwesties—het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang eendoodzondeis, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van dencoïtusinterruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, “den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken”, dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als dedebitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier,Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz.179–182; aangehaald door Hans Ferdy,Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent “zelfmoord van het ras”. Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste typesvan burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 115–120). De krankzinnigen, de idioten, deimbecielenen zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis,op. cit., p. 110; Toulouse,Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, “Malthusianism and Degeneracy”,Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt inSexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo’n neiging.Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. “Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft”, zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); “ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen”. Hij kreeg er vier,—een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was—en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieperte gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, “het Protestantsche Rome”, getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten9. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden—tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici—een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen vaneen hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven10. Als die menschen, die den kreet aanheffen van “zelfmoord van het ras” ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemdenEssay on Populationvan Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,—hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,—daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel “Colony” in het supplement van deEncyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: “Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden”. Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: “Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma’s te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten”11.Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijnMoral Physiologyuit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broedersGeorge en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijnElements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; deLord Chief Justiceverklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen “de werktuigen van de Voorzienigheid” inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit,The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, “Dr. C. R. Drysdale,Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre”, verscheen in hetZeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt “facultatieve steriliteit”, die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity,British Medical Journal, April 20, 1895) “hundeelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt”. Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. “Wat kan bedroevender zijn”, vraagt Blandford (loc. cit.),“dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?” Bovendien heeft Tredgold(Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 enSexual Life of Woman; Vinay,Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, “Heart Disease in Relation to Pregnancy”,British Medical Journal, Mei 25, 1907).In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft—hoewel dan eerst in de laatste jaren—naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk12. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geledenmogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van “verschillende afschuwelijke middelen” om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is “op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper”13.De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling14. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan—soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben—om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort15. Dit is de opinie vanKraft-Ebing,van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen16.Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de “capote anglaise”, of de “redingote anglaise”, en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova,Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze “redingotes” echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, “zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend” was. Deze capotes—toen uit goudvlies gemaakt—waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als “cuirasses contre la volupté et toiles d’arraignée contre le mal”. De naam “condom” dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan “condom” wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd “condon”. Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:—“Ducondoncependant, vous connaissez l’usageLecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naamCondon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan wordengebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van hetCollege of Physicians, en wat de boeken van hetCollege of Surgeonsbetreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van “condus”—dat, wat bewaart—en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès,Indiscretions de l’Histoire, p. 121, etc.De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide17dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoonis in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.Brouardel (op.cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken “zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is”, terwijl “een onnoemelijk aantal van gevallen” nooit aan het licht komen. “Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie”, zegt Scott, “dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt”. (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen “conscientieuse personen” zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. HetMichigan Special Committee on Criminal Abortionberichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek,dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in hetBritish Medical Journal(April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven “gezond en systematisch”, en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van “Vrouwenpillen”, die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft (“The Increasing Use of Lead as an Abortifacient”,British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman,Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in deSociété de Médecine Légalein Parijs,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Sociétéd’Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon,La France en 1891, blz. 629–631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (EugèneBausset,L’Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; enSexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden—zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven1—dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen—en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken—erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling overSterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen,Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het “hoogst waarschijnlijk” is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan dencoïtuseen belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordatsexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bijcoïtusaan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.“Van alle menschelijke instincten”, heeft Pinard gezegd2, “is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner”. En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. “Volgende geslachten”, schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden3,“zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu”.Men zegt ons, dat de groote Luther in zijntafelredengewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was (“sehr närrisch”), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, “uit klei”. En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaardzijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.Het gebod “Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u”, dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt4een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van “zuivere moraliteit”. Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haarmoreshebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend5. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijndiepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haarEeuw van het Kind(in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. “Het is alleen maar een kwestie van tijd”, schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), “wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel”.Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over “Beperkingen in het huwelijk” schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over “Eugeniek als een factor in den godsdienst” (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: “Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd … Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo’n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur”.Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden “een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht”, die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, “Die Crisis der Sexuellen Moral”,Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme tenopzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.“Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?” heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft6. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in ’t begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem vanhygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als “de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten”.In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch “de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben”.In het laatste hoofdstuk van zijnMemories of My Life(1908), over “Verbeteringen van het ras”, zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord “eugeniek” gebruikte hij het eerst in 1884, in zijnHuman Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over “Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek” (1907) en elders. Galton’s talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door deEugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerdThe Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson’s biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, “Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek” (1907).Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. InDuitschlandis hetArchiv für Rassen und Gesellschafts-biologieen dePolitisch-Anthropologische Revuein ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceertThe Popular Science Monthlyvan tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, “de eugeniek is de oudste van de wetenschappen”. De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onderoudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling overAntenatal Pathologymet de bewering, dat “Eugeniek” of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van deJournal of Mental Pathologyheeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: “De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken”. “Er zijn omstandigheden”, zegt C. H. Hughes (“Restricted Procreation”,Alienist and Neurologist, Mei 1908), “waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen”.Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: “Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen”. Professor J. Arthur Thomsonpleit in zijn boek overHeredity(1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel’s Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op:“Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is”. Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigendeNeue Sittenlehre(1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermeldenPopulation and Progress(1907), door Montague Crackanthorpe, President van deEugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, “Eugenics and St. Valentine”,Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haarScientific Meliorism(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, “een nieuwe sleutel is tot de sociale positie”, en een noodzakelijke voorwaarde voor “nationale hervorming”. HetGroundwork of Eugenics(1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermeldenParenthood and Race Culture(1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw overhaar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van deArabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de “deugd en den moed” van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, “niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is”7. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. “De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen”, zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, “en zij zullen het doen als moeders”. Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. “Het schijnt mij toe”, schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden (“The Welcome Child”,Arena, April, 1895), “dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.… Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevollewensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt.”Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen “het gepleisterde graf van het huwelijk” nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel “als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen”. Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. “Als tegenwoordig”, zegt zij, (In de voorrede vanLiefde en de Vrouwen, 1906), “alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen—verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie—en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn”.De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar “brood verdienen” door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam,Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen—en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden—van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken,want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. “Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie”, zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, “dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid”8.Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): “Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klassevoorbehoedmiddelengebruiken”. Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat “de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg”, en deze achteruitgang is “voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen”, en dat“een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking”, worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door deFabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeldwaar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in deJournal RoyalStatisticalSociety, April 1906.Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk—die altijd let op sexueele kwesties—het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang eendoodzondeis, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van dencoïtusinterruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, “den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken”, dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als dedebitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier,Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz.179–182; aangehaald door Hans Ferdy,Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent “zelfmoord van het ras”. Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste typesvan burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 115–120). De krankzinnigen, de idioten, deimbecielenen zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis,op. cit., p. 110; Toulouse,Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, “Malthusianism and Degeneracy”,Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt inSexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo’n neiging.Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. “Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft”, zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); “ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen”. Hij kreeg er vier,—een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was—en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieperte gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, “het Protestantsche Rome”, getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten9. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden—tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici—een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen vaneen hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven10. Als die menschen, die den kreet aanheffen van “zelfmoord van het ras” ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemdenEssay on Populationvan Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,—hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,—daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel “Colony” in het supplement van deEncyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: “Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden”. Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: “Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma’s te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten”11.Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijnMoral Physiologyuit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broedersGeorge en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijnElements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; deLord Chief Justiceverklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen “de werktuigen van de Voorzienigheid” inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit,The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, “Dr. C. R. Drysdale,Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre”, verscheen in hetZeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt “facultatieve steriliteit”, die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity,British Medical Journal, April 20, 1895) “hundeelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt”. Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. “Wat kan bedroevender zijn”, vraagt Blandford (loc. cit.),“dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?” Bovendien heeft Tredgold(Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 enSexual Life of Woman; Vinay,Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, “Heart Disease in Relation to Pregnancy”,British Medical Journal, Mei 25, 1907).In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft—hoewel dan eerst in de laatste jaren—naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk12. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geledenmogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van “verschillende afschuwelijke middelen” om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is “op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper”13.De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling14. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan—soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben—om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort15. Dit is de opinie vanKraft-Ebing,van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen16.Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de “capote anglaise”, of de “redingote anglaise”, en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova,Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze “redingotes” echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, “zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend” was. Deze capotes—toen uit goudvlies gemaakt—waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als “cuirasses contre la volupté et toiles d’arraignée contre le mal”. De naam “condom” dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan “condom” wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd “condon”. Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:—“Ducondoncependant, vous connaissez l’usageLecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naamCondon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan wordengebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van hetCollege of Physicians, en wat de boeken van hetCollege of Surgeonsbetreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van “condus”—dat, wat bewaart—en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès,Indiscretions de l’Histoire, p. 121, etc.De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide17dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoonis in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.Brouardel (op.cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken “zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is”, terwijl “een onnoemelijk aantal van gevallen” nooit aan het licht komen. “Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie”, zegt Scott, “dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt”. (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen “conscientieuse personen” zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. HetMichigan Special Committee on Criminal Abortionberichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek,dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in hetBritish Medical Journal(April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven “gezond en systematisch”, en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van “Vrouwenpillen”, die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft (“The Increasing Use of Lead as an Abortifacient”,British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman,Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in deSociété de Médecine Légalein Parijs,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Sociétéd’Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon,La France en 1891, blz. 629–631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (EugèneBausset,L’Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; enSexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden—zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven1—dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.

Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen—en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken—erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.

Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling overSterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen,Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het “hoogst waarschijnlijk” is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan dencoïtuseen belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordatsexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bijcoïtusaan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.

Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling overSterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.

Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen,Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het “hoogst waarschijnlijk” is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan dencoïtuseen belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.

Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordatsexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bijcoïtusaan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.

“Van alle menschelijke instincten”, heeft Pinard gezegd2, “is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner”. En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. “Volgende geslachten”, schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden3,“zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu”.

Men zegt ons, dat de groote Luther in zijntafelredengewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was (“sehr närrisch”), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, “uit klei”. En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaardzijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.

Het gebod “Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u”, dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt4een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.

Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van “zuivere moraliteit”. Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haarmoreshebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend5. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijndiepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.

De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haarEeuw van het Kind(in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. “Het is alleen maar een kwestie van tijd”, schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), “wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel”.Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over “Beperkingen in het huwelijk” schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over “Eugeniek als een factor in den godsdienst” (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: “Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd … Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo’n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur”.Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden “een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht”, die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, “Die Crisis der Sexuellen Moral”,Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme tenopzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.

De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haarEeuw van het Kind(in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. “Het is alleen maar een kwestie van tijd”, schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), “wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel”.

Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over “Beperkingen in het huwelijk” schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over “Eugeniek als een factor in den godsdienst” (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: “Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd … Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo’n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur”.

Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden “een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht”, die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, “Die Crisis der Sexuellen Moral”,Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme tenopzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.

“Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?” heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft6. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.

Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in ’t begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem vanhygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als “de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten”.In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch “de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben”.

In het laatste hoofdstuk van zijnMemories of My Life(1908), over “Verbeteringen van het ras”, zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord “eugeniek” gebruikte hij het eerst in 1884, in zijnHuman Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over “Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek” (1907) en elders. Galton’s talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door deEugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerdThe Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson’s biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, “Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek” (1907).Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. InDuitschlandis hetArchiv für Rassen und Gesellschafts-biologieen dePolitisch-Anthropologische Revuein ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceertThe Popular Science Monthlyvan tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.

In het laatste hoofdstuk van zijnMemories of My Life(1908), over “Verbeteringen van het ras”, zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord “eugeniek” gebruikte hij het eerst in 1884, in zijnHuman Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over “Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek” (1907) en elders. Galton’s talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door deEugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerdThe Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson’s biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, “Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek” (1907).Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. InDuitschlandis hetArchiv für Rassen und Gesellschafts-biologieen dePolitisch-Anthropologische Revuein ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceertThe Popular Science Monthlyvan tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.

Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, “de eugeniek is de oudste van de wetenschappen”. De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onderoudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.

Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.

Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling overAntenatal Pathologymet de bewering, dat “Eugeniek” of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van deJournal of Mental Pathologyheeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: “De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken”. “Er zijn omstandigheden”, zegt C. H. Hughes (“Restricted Procreation”,Alienist and Neurologist, Mei 1908), “waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen”.Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: “Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen”. Professor J. Arthur Thomsonpleit in zijn boek overHeredity(1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel’s Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op:“Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is”. Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigendeNeue Sittenlehre(1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermeldenPopulation and Progress(1907), door Montague Crackanthorpe, President van deEugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, “Eugenics and St. Valentine”,Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haarScientific Meliorism(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, “een nieuwe sleutel is tot de sociale positie”, en een noodzakelijke voorwaarde voor “nationale hervorming”. HetGroundwork of Eugenics(1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermeldenParenthood and Race Culture(1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).

Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling overAntenatal Pathologymet de bewering, dat “Eugeniek” of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van deJournal of Mental Pathologyheeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: “De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken”. “Er zijn omstandigheden”, zegt C. H. Hughes (“Restricted Procreation”,Alienist and Neurologist, Mei 1908), “waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen”.

Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.

Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: “Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen”. Professor J. Arthur Thomsonpleit in zijn boek overHeredity(1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel’s Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op:“Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is”. Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigendeNeue Sittenlehre(1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.

In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermeldenPopulation and Progress(1907), door Montague Crackanthorpe, President van deEugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, “Eugenics and St. Valentine”,Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haarScientific Meliorism(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, “een nieuwe sleutel is tot de sociale positie”, en een noodzakelijke voorwaarde voor “nationale hervorming”. HetGroundwork of Eugenics(1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermeldenParenthood and Race Culture(1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.

In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).

Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.

Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw overhaar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van deArabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de “deugd en den moed” van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, “niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is”7. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. “De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen”, zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, “en zij zullen het doen als moeders”. Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.

Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. “Het schijnt mij toe”, schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden (“The Welcome Child”,Arena, April, 1895), “dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.… Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevollewensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt.”Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen “het gepleisterde graf van het huwelijk” nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel “als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen”. Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. “Als tegenwoordig”, zegt zij, (In de voorrede vanLiefde en de Vrouwen, 1906), “alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen—verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie—en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn”.De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar “brood verdienen” door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam,Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.

Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. “Het schijnt mij toe”, schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden (“The Welcome Child”,Arena, April, 1895), “dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.… Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevollewensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt.”Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen “het gepleisterde graf van het huwelijk” nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel “als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen”. Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. “Als tegenwoordig”, zegt zij, (In de voorrede vanLiefde en de Vrouwen, 1906), “alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen—verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie—en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn”.

De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar “brood verdienen” door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam,Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.

Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen—en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden—van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken,want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. “Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie”, zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, “dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid”8.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): “Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klassevoorbehoedmiddelengebruiken”. Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat “de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg”, en deze achteruitgang is “voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen”, en dat“een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking”, worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door deFabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeldwaar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in deJournal RoyalStatisticalSociety, April 1906.Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk—die altijd let op sexueele kwesties—het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang eendoodzondeis, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van dencoïtusinterruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, “den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken”, dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als dedebitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier,Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz.179–182; aangehaald door Hans Ferdy,Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): “Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klassevoorbehoedmiddelengebruiken”. Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat “de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg”, en deze achteruitgang is “voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen”, en dat“een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking”, worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door deFabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.

Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.

Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeldwaar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in deJournal RoyalStatisticalSociety, April 1906.

Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk—die altijd let op sexueele kwesties—het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang eendoodzondeis, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van dencoïtusinterruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, “den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken”, dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als dedebitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier,Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz.179–182; aangehaald door Hans Ferdy,Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.

Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent “zelfmoord van het ras”. Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste typesvan burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.

Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 115–120). De krankzinnigen, de idioten, deimbecielenen zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis,op. cit., p. 110; Toulouse,Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, “Malthusianism and Degeneracy”,Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt inSexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo’n neiging.Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. “Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft”, zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); “ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen”. Hij kreeg er vier,—een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was—en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.

Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 115–120). De krankzinnigen, de idioten, deimbecielenen zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis,op. cit., p. 110; Toulouse,Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, “Malthusianism and Degeneracy”,Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt inSexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo’n neiging.

Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. “Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft”, zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); “ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen”. Hij kreeg er vier,—een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was—en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.

De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieperte gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.

Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, “het Protestantsche Rome”, getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten9. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden—tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici—een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen vaneen hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven10. Als die menschen, die den kreet aanheffen van “zelfmoord van het ras” ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.

In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemdenEssay on Populationvan Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,—hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,—daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.

Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.

James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel “Colony” in het supplement van deEncyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: “Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden”. Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: “Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma’s te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten”11.

Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijnMoral Physiologyuit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broedersGeorge en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijnElements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; deLord Chief Justiceverklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen “de werktuigen van de Voorzienigheid” inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.

In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit,The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, “Dr. C. R. Drysdale,Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre”, verscheen in hetZeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt “facultatieve steriliteit”, die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity,British Medical Journal, April 20, 1895) “hundeelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt”. Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. “Wat kan bedroevender zijn”, vraagt Blandford (loc. cit.),“dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?” Bovendien heeft Tredgold(Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 enSexual Life of Woman; Vinay,Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, “Heart Disease in Relation to Pregnancy”,British Medical Journal, Mei 25, 1907).In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.

In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit,The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, “Dr. C. R. Drysdale,Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre”, verscheen in hetZeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt “facultatieve steriliteit”, die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.

Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity,British Medical Journal, April 20, 1895) “hundeelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt”. Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. “Wat kan bedroevender zijn”, vraagt Blandford (loc. cit.),“dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?” Bovendien heeft Tredgold(Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 enSexual Life of Woman; Vinay,Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, “Heart Disease in Relation to Pregnancy”,British Medical Journal, Mei 25, 1907).

In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.

Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft—hoewel dan eerst in de laatste jaren—naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk12. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geledenmogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van “verschillende afschuwelijke middelen” om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is “op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper”13.

De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling14. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan—soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben—om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.

Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort15. Dit is de opinie vanKraft-Ebing,van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen16.

Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de “capote anglaise”, of de “redingote anglaise”, en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova,Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze “redingotes” echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, “zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend” was. Deze capotes—toen uit goudvlies gemaakt—waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als “cuirasses contre la volupté et toiles d’arraignée contre le mal”. De naam “condom” dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan “condom” wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd “condon”. Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:—“Ducondoncependant, vous connaissez l’usageLecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naamCondon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan wordengebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van hetCollege of Physicians, en wat de boeken van hetCollege of Surgeonsbetreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van “condus”—dat, wat bewaart—en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès,Indiscretions de l’Histoire, p. 121, etc.

Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de “capote anglaise”, of de “redingote anglaise”, en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova,Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze “redingotes” echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, “zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend” was. Deze capotes—toen uit goudvlies gemaakt—waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als “cuirasses contre la volupté et toiles d’arraignée contre le mal”. De naam “condom” dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan “condom” wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd “condon”. Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:—

“Ducondoncependant, vous connaissez l’usageLecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”

“Ducondoncependant, vous connaissez l’usage

“Ducondoncependant, vous connaissez l’usage

Lecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”

Lecondon, c’est la loi, ma fille, et les prophètes!”

De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naamCondon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan wordengebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van hetCollege of Physicians, en wat de boeken van hetCollege of Surgeonsbetreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van “condus”—dat, wat bewaart—en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.

De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès,Indiscretions de l’Histoire, p. 121, etc.

De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.

Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide17dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.

Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoonis in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.

Brouardel (op.cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken “zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is”, terwijl “een onnoemelijk aantal van gevallen” nooit aan het licht komen. “Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie”, zegt Scott, “dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt”. (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen “conscientieuse personen” zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. HetMichigan Special Committee on Criminal Abortionberichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek,dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in hetBritish Medical Journal(April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven “gezond en systematisch”, en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van “Vrouwenpillen”, die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft (“The Increasing Use of Lead as an Abortifacient”,British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman,Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in deSociété de Médecine Légalein Parijs,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Sociétéd’Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon,La France en 1891, blz. 629–631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (EugèneBausset,L’Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; enSexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Brouardel (op.cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken “zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is”, terwijl “een onnoemelijk aantal van gevallen” nooit aan het licht komen. “Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie”, zegt Scott, “dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt”. (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen “conscientieuse personen” zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. HetMichigan Special Committee on Criminal Abortionberichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek,dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.

Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in hetBritish Medical Journal(April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven “gezond en systematisch”, en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van “Vrouwenpillen”, die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft (“The Increasing Use of Lead as an Abortifacient”,British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman,Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.

Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in deSociété de Médecine Légalein Parijs,Archivesd’AnthropologieCriminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Sociétéd’Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon,La France en 1891, blz. 629–631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (EugèneBausset,L’Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.

In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; enSexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).


Back to IndexNext