Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat optheoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd18. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo’s, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: “Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden”19. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft20.De tegenwoordige medische wetenschap en practijk—hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken—nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinieder medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.Dr. S. Macvie (“MotherversusChild”,Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is “een parasiet, die geen enkele functie uitoefent”, en dat, “tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk”. Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat “het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal”.Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder (“Der Künstliche Abort”,Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm (“Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht”,Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deelliienliii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; “het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen”. Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig “onvervreemdbaar recht op leven” zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuringen algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het “onvervreemdbaar recht” van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het “onvervreemdbaar recht” der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk “onvervreemdbaar”.In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boekDas Recht zur Beseitigung Keimenden Lebensde pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, CamillaJellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf21. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.Elisabeth Zanzinger (“Verbrechen gegen die Leibesfrucht”,GeschlechtundGesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. “Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid … Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen”. Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleverenvoor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift (“Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens”,Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. “Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur”. Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijkehygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is—en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming—dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijnAborto, Infanticidio edEsposizioned’Infanteuit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als VonLisztzegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als “van zeer twijfelbaar recht”, hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden.Radbruchen Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schredegedaan heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos leven. “Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!” riep Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.“De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede”, merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze “gevaarlijk kleine schrede” door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven,Le Droitd’Avortement(1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier tamelijk verstandig gedraagt22. Ik ben bepaald van meening, dat een onbeperktepermissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving, die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap, die schuldig is aan zoo’n roekelooze verspilling van levens, kan niet veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden, een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal, die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het afschaffen van die vernielende invloeden—oorlog, ziekte, slechte arbeidsvoorwaarden—die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke macht als beschaafde naties liggen23.Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt, dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden kunnen voorkomen, waarinhet opwekken van miskraam wenschelijk zou kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie24, en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de moeder op de maatschappij25. Er kan maar weinig twijfel aan zijn, dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, diealleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid, zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici afleggen, schijnt castratie te beletten: “Ik wil niet snijden”26. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen, door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid, en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie; in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van nuttelooze en verkeerde leden.Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: “De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het “vas deferens”, en het tusschentwee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.“De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).“Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.“Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn”.Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het speciale “doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van het ras en de bescherming van de maatschappij”, is Dr. F. E. Daniel, uit Texas, in het jaar 189327. Daniel verwarde echter castratie als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting, sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf, maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke voordeelenopgesomd van dezen maatregel28. Het vermeerderen van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke, brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben, er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici, de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden moeten onderzoeken29. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905, bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen, waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907) van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,—gedaan met de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten—uit maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken, en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend voor allen, die er bij betrokken waren30.Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt doorZuccarelli.Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (ZieBritish Medical Journal, Aug. 13, 1904;ib., Maartl.l., 1905;ib., Juli 6, 1907).Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms voorstelt ze bij de wet toe te passen—waarschijnlijk ten gevolge van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als het minder radicale proces van de afdrijving—ons zeer voorzichtig maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie, zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat, voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering van het ras31.De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverrezij de kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt, of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek, die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen, maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van deOneida Communitybij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in eenEssay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar eenhaarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn—en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben—met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. “Het begint duidelijk te worden”, zegt Noyes aan het begin, “dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens”. Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd (“de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan “milieu”, terwijl “erfelijkheid” in de eerste plaats komt”, zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,“hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt”. (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton’s werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. “Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen—wij willen het doen—maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt”. Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting “Stirpicultuur” te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. “Dehoeveelheidvan de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen”, zooals Noyes de kwestie zag, “en dewaarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen”. In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren “Teel van de besten”, en “Teel in denzelfden kring”, met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomenEntwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). “Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren”. Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, “beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is”. Bovendien beslist het, gaat hij voort, “in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft”. “Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen”. Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, “door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen”. Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar “het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is”; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want “als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan”.De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, “zelfbeheersching der mannen” (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. “De gemeenschap”, zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), “was eenfamilie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen”. Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in hetalgemeen zichvormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), “hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn”, en dat “het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse”, waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,—en zelfs den onzen,—vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemmingmet de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten—het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie—zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver vanThe Strike of a Sex, enZugassant’s Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat “ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was”.Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan deoverweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen—zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is—dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheiden bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken32.Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,—een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven33te beschouwen,—dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn—degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu—die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemenpari passutoe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer—misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft—plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid,die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode—als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden34en zonder toestemming van het individu—is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk35.In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd36, is een schrede vooruit op den weg van het menschdom.Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. “Demographie”,Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphiliset Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). InOostenrijkbetoogt Haskovec uit Praag (“Contrat Matrimonial et l’Hygiène Publique”,Comptes-rendus Congrès International de Médecine,Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. “Het schijnt mij juist even noodig toe”, merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), “een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste”.Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, diehun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht—“de openlijke erkenning van een natuurlijken adel”—maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid37.Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijlieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand38. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. “Ieder kind moest”, zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, “als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was”. Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder’sdossiermocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van “navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat”, is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. “Ik heb in de laatste jarenzeer den indruk gekregen”, schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), “dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad”.Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis,The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus—die, zooals Duclaux(L’Hygiène Sociale, p. 263),het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit“als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil”—zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele—erfelijke, anthropometrische en pathologische—feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeftveel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der “moederschapspremie”, waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: “Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd”39. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken40. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.
Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat optheoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd18. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo’s, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: “Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden”19. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft20.De tegenwoordige medische wetenschap en practijk—hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken—nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinieder medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.Dr. S. Macvie (“MotherversusChild”,Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is “een parasiet, die geen enkele functie uitoefent”, en dat, “tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk”. Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat “het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal”.Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder (“Der Künstliche Abort”,Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm (“Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht”,Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deelliienliii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; “het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen”. Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig “onvervreemdbaar recht op leven” zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuringen algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het “onvervreemdbaar recht” van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het “onvervreemdbaar recht” der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk “onvervreemdbaar”.In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boekDas Recht zur Beseitigung Keimenden Lebensde pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, CamillaJellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf21. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.Elisabeth Zanzinger (“Verbrechen gegen die Leibesfrucht”,GeschlechtundGesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. “Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid … Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen”. Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleverenvoor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift (“Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens”,Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. “Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur”. Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijkehygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is—en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming—dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijnAborto, Infanticidio edEsposizioned’Infanteuit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als VonLisztzegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als “van zeer twijfelbaar recht”, hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden.Radbruchen Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schredegedaan heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos leven. “Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!” riep Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.“De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede”, merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze “gevaarlijk kleine schrede” door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven,Le Droitd’Avortement(1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier tamelijk verstandig gedraagt22. Ik ben bepaald van meening, dat een onbeperktepermissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving, die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap, die schuldig is aan zoo’n roekelooze verspilling van levens, kan niet veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden, een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal, die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het afschaffen van die vernielende invloeden—oorlog, ziekte, slechte arbeidsvoorwaarden—die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke macht als beschaafde naties liggen23.Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt, dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden kunnen voorkomen, waarinhet opwekken van miskraam wenschelijk zou kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie24, en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de moeder op de maatschappij25. Er kan maar weinig twijfel aan zijn, dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, diealleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid, zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici afleggen, schijnt castratie te beletten: “Ik wil niet snijden”26. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen, door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid, en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie; in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van nuttelooze en verkeerde leden.Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: “De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het “vas deferens”, en het tusschentwee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.“De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).“Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.“Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn”.Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het speciale “doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van het ras en de bescherming van de maatschappij”, is Dr. F. E. Daniel, uit Texas, in het jaar 189327. Daniel verwarde echter castratie als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting, sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf, maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke voordeelenopgesomd van dezen maatregel28. Het vermeerderen van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke, brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben, er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici, de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden moeten onderzoeken29. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905, bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen, waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907) van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,—gedaan met de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten—uit maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken, en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend voor allen, die er bij betrokken waren30.Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt doorZuccarelli.Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (ZieBritish Medical Journal, Aug. 13, 1904;ib., Maartl.l., 1905;ib., Juli 6, 1907).Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms voorstelt ze bij de wet toe te passen—waarschijnlijk ten gevolge van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als het minder radicale proces van de afdrijving—ons zeer voorzichtig maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie, zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat, voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering van het ras31.De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverrezij de kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt, of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek, die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen, maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van deOneida Communitybij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in eenEssay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar eenhaarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn—en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben—met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. “Het begint duidelijk te worden”, zegt Noyes aan het begin, “dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens”. Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd (“de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan “milieu”, terwijl “erfelijkheid” in de eerste plaats komt”, zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,“hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt”. (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton’s werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. “Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen—wij willen het doen—maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt”. Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting “Stirpicultuur” te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. “Dehoeveelheidvan de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen”, zooals Noyes de kwestie zag, “en dewaarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen”. In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren “Teel van de besten”, en “Teel in denzelfden kring”, met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomenEntwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). “Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren”. Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, “beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is”. Bovendien beslist het, gaat hij voort, “in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft”. “Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen”. Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, “door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen”. Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar “het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is”; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want “als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan”.De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, “zelfbeheersching der mannen” (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. “De gemeenschap”, zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), “was eenfamilie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen”. Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in hetalgemeen zichvormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), “hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn”, en dat “het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse”, waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,—en zelfs den onzen,—vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemmingmet de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten—het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie—zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver vanThe Strike of a Sex, enZugassant’s Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat “ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was”.Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan deoverweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen—zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is—dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheiden bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken32.Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,—een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven33te beschouwen,—dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn—degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu—die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemenpari passutoe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer—misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft—plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid,die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode—als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden34en zonder toestemming van het individu—is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk35.In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd36, is een schrede vooruit op den weg van het menschdom.Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. “Demographie”,Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphiliset Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). InOostenrijkbetoogt Haskovec uit Praag (“Contrat Matrimonial et l’Hygiène Publique”,Comptes-rendus Congrès International de Médecine,Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. “Het schijnt mij juist even noodig toe”, merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), “een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste”.Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, diehun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht—“de openlijke erkenning van een natuurlijken adel”—maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid37.Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijlieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand38. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. “Ieder kind moest”, zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, “als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was”. Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder’sdossiermocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van “navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat”, is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. “Ik heb in de laatste jarenzeer den indruk gekregen”, schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), “dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad”.Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis,The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus—die, zooals Duclaux(L’Hygiène Sociale, p. 263),het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit“als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil”—zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele—erfelijke, anthropometrische en pathologische—feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeftveel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der “moederschapspremie”, waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: “Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd”39. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken40. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.
Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat optheoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd18. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo’s, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: “Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden”19. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft20.De tegenwoordige medische wetenschap en practijk—hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken—nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinieder medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.Dr. S. Macvie (“MotherversusChild”,Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is “een parasiet, die geen enkele functie uitoefent”, en dat, “tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk”. Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat “het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal”.Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder (“Der Künstliche Abort”,Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm (“Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht”,Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deelliienliii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; “het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen”. Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig “onvervreemdbaar recht op leven” zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuringen algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het “onvervreemdbaar recht” van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het “onvervreemdbaar recht” der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk “onvervreemdbaar”.In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boekDas Recht zur Beseitigung Keimenden Lebensde pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, CamillaJellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf21. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.Elisabeth Zanzinger (“Verbrechen gegen die Leibesfrucht”,GeschlechtundGesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. “Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid … Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen”. Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleverenvoor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift (“Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens”,Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. “Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur”. Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijkehygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is—en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming—dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijnAborto, Infanticidio edEsposizioned’Infanteuit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als VonLisztzegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als “van zeer twijfelbaar recht”, hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden.Radbruchen Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schredegedaan heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos leven. “Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!” riep Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.“De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede”, merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze “gevaarlijk kleine schrede” door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven,Le Droitd’Avortement(1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier tamelijk verstandig gedraagt22. Ik ben bepaald van meening, dat een onbeperktepermissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving, die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap, die schuldig is aan zoo’n roekelooze verspilling van levens, kan niet veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden, een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal, die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het afschaffen van die vernielende invloeden—oorlog, ziekte, slechte arbeidsvoorwaarden—die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke macht als beschaafde naties liggen23.Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt, dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden kunnen voorkomen, waarinhet opwekken van miskraam wenschelijk zou kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie24, en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de moeder op de maatschappij25. Er kan maar weinig twijfel aan zijn, dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, diealleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid, zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici afleggen, schijnt castratie te beletten: “Ik wil niet snijden”26. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen, door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid, en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie; in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van nuttelooze en verkeerde leden.Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: “De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het “vas deferens”, en het tusschentwee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.“De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).“Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.“Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn”.Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het speciale “doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van het ras en de bescherming van de maatschappij”, is Dr. F. E. Daniel, uit Texas, in het jaar 189327. Daniel verwarde echter castratie als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting, sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf, maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke voordeelenopgesomd van dezen maatregel28. Het vermeerderen van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke, brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben, er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici, de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden moeten onderzoeken29. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905, bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen, waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907) van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,—gedaan met de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten—uit maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken, en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend voor allen, die er bij betrokken waren30.Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt doorZuccarelli.Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (ZieBritish Medical Journal, Aug. 13, 1904;ib., Maartl.l., 1905;ib., Juli 6, 1907).Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms voorstelt ze bij de wet toe te passen—waarschijnlijk ten gevolge van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als het minder radicale proces van de afdrijving—ons zeer voorzichtig maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie, zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat, voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering van het ras31.De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverrezij de kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt, of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek, die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen, maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van deOneida Communitybij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in eenEssay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar eenhaarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn—en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben—met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. “Het begint duidelijk te worden”, zegt Noyes aan het begin, “dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens”. Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd (“de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan “milieu”, terwijl “erfelijkheid” in de eerste plaats komt”, zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,“hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt”. (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton’s werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. “Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen—wij willen het doen—maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt”. Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting “Stirpicultuur” te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. “Dehoeveelheidvan de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen”, zooals Noyes de kwestie zag, “en dewaarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen”. In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren “Teel van de besten”, en “Teel in denzelfden kring”, met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomenEntwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). “Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren”. Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, “beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is”. Bovendien beslist het, gaat hij voort, “in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft”. “Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen”. Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, “door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen”. Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar “het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is”; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want “als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan”.De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, “zelfbeheersching der mannen” (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. “De gemeenschap”, zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), “was eenfamilie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen”. Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in hetalgemeen zichvormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), “hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn”, en dat “het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse”, waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,—en zelfs den onzen,—vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemmingmet de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten—het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie—zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver vanThe Strike of a Sex, enZugassant’s Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat “ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was”.Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan deoverweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen—zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is—dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheiden bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken32.Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,—een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven33te beschouwen,—dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn—degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu—die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemenpari passutoe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer—misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft—plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid,die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode—als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden34en zonder toestemming van het individu—is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk35.In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd36, is een schrede vooruit op den weg van het menschdom.Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. “Demographie”,Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphiliset Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). InOostenrijkbetoogt Haskovec uit Praag (“Contrat Matrimonial et l’Hygiène Publique”,Comptes-rendus Congrès International de Médecine,Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. “Het schijnt mij juist even noodig toe”, merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), “een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste”.Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, diehun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht—“de openlijke erkenning van een natuurlijken adel”—maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid37.Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijlieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand38. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. “Ieder kind moest”, zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, “als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was”. Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder’sdossiermocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van “navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat”, is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. “Ik heb in de laatste jarenzeer den indruk gekregen”, schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), “dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad”.Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis,The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus—die, zooals Duclaux(L’Hygiène Sociale, p. 263),het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit“als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil”—zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele—erfelijke, anthropometrische en pathologische—feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeftveel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der “moederschapspremie”, waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: “Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd”39. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken40. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.
Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat optheoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd18. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo’s, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: “Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden”19. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft20.
De tegenwoordige medische wetenschap en practijk—hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken—nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinieder medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.
Dr. S. Macvie (“MotherversusChild”,Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is “een parasiet, die geen enkele functie uitoefent”, en dat, “tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk”. Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat “het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal”.Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder (“Der Künstliche Abort”,Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm (“Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht”,Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deelliienliii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; “het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen”. Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig “onvervreemdbaar recht op leven” zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuringen algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het “onvervreemdbaar recht” van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het “onvervreemdbaar recht” der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk “onvervreemdbaar”.
Dr. S. Macvie (“MotherversusChild”,Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is “een parasiet, die geen enkele functie uitoefent”, en dat, “tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk”. Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat “het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal”.
Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder (“Der Künstliche Abort”,Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm (“Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht”,Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.
Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deelliienliii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; “het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen”. Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig “onvervreemdbaar recht op leven” zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuringen algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het “onvervreemdbaar recht” van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het “onvervreemdbaar recht” der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk “onvervreemdbaar”.
In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boekDas Recht zur Beseitigung Keimenden Lebensde pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, CamillaJellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf21. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.
Elisabeth Zanzinger (“Verbrechen gegen die Leibesfrucht”,GeschlechtundGesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. “Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid … Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen”. Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleverenvoor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift (“Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens”,Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. “Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur”. Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijkehygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is—en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming—dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijnAborto, Infanticidio edEsposizioned’Infanteuit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als VonLisztzegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als “van zeer twijfelbaar recht”, hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden.Radbruchen Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.
Elisabeth Zanzinger (“Verbrechen gegen die Leibesfrucht”,GeschlechtundGesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. “Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid … Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen”. Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleverenvoor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift (“Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens”,Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. “Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur”. Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijkehygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.
De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is—en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming—dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijnAborto, Infanticidio edEsposizioned’Infanteuit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.
Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als VonLisztzegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als “van zeer twijfelbaar recht”, hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden.Radbruchen Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.
De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schredegedaan heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos leven. “Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!” riep Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.
“De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede”, merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze “gevaarlijk kleine schrede” door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven,Le Droitd’Avortement(1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.
“De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede”, merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze “gevaarlijk kleine schrede” door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.
Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.
In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven,Le Droitd’Avortement(1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.
Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier tamelijk verstandig gedraagt22. Ik ben bepaald van meening, dat een onbeperktepermissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving, die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap, die schuldig is aan zoo’n roekelooze verspilling van levens, kan niet veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden, een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal, die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het afschaffen van die vernielende invloeden—oorlog, ziekte, slechte arbeidsvoorwaarden—die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke macht als beschaafde naties liggen23.
Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt, dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden kunnen voorkomen, waarinhet opwekken van miskraam wenschelijk zou kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie24, en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de moeder op de maatschappij25. Er kan maar weinig twijfel aan zijn, dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.
Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.
Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, diealleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid, zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici afleggen, schijnt castratie te beletten: “Ik wil niet snijden”26. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.
De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen, door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid, en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie; in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van nuttelooze en verkeerde leden.
Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: “De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het “vas deferens”, en het tusschentwee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.“De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).“Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.“Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn”.Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.
Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: “De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het “vas deferens”, en het tusschentwee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.
“De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).
“Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.
“Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn”.
Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.
De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het speciale “doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van het ras en de bescherming van de maatschappij”, is Dr. F. E. Daniel, uit Texas, in het jaar 189327. Daniel verwarde echter castratie als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting, sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf, maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke voordeelenopgesomd van dezen maatregel28. Het vermeerderen van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke, brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben, er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici, de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden moeten onderzoeken29. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905, bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen, waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907) van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,—gedaan met de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten—uit maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken, en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend voor allen, die er bij betrokken waren30.
Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt doorZuccarelli.Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (ZieBritish Medical Journal, Aug. 13, 1904;ib., Maartl.l., 1905;ib., Juli 6, 1907).
Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt doorZuccarelli.
Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (ZieBritish Medical Journal, Aug. 13, 1904;ib., Maartl.l., 1905;ib., Juli 6, 1907).
Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms voorstelt ze bij de wet toe te passen—waarschijnlijk ten gevolge van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als het minder radicale proces van de afdrijving—ons zeer voorzichtig maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie, zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat, voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering van het ras31.
De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverrezij de kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt, of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek, die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.
Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen, maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.
Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van deOneida Communitybij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in eenEssay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar eenhaarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn—en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben—met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. “Het begint duidelijk te worden”, zegt Noyes aan het begin, “dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens”. Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd (“de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan “milieu”, terwijl “erfelijkheid” in de eerste plaats komt”, zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,“hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt”. (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton’s werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. “Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen—wij willen het doen—maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt”. Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting “Stirpicultuur” te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. “Dehoeveelheidvan de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen”, zooals Noyes de kwestie zag, “en dewaarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen”. In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren “Teel van de besten”, en “Teel in denzelfden kring”, met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomenEntwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). “Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren”. Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, “beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is”. Bovendien beslist het, gaat hij voort, “in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft”. “Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen”. Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, “door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen”. Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar “het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is”; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want “als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan”.De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, “zelfbeheersching der mannen” (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. “De gemeenschap”, zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), “was eenfamilie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen”. Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in hetalgemeen zichvormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), “hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn”, en dat “het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse”, waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,—en zelfs den onzen,—vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemmingmet de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten—het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie—zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver vanThe Strike of a Sex, enZugassant’s Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat “ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was”.
Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van deOneida Communitybij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in eenEssay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar eenhaarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn—en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben—met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. “Het begint duidelijk te worden”, zegt Noyes aan het begin, “dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens”. Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd (“de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan “milieu”, terwijl “erfelijkheid” in de eerste plaats komt”, zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,“hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt”. (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton’s werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. “Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen—wij willen het doen—maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt”. Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.
Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting “Stirpicultuur” te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. “Dehoeveelheidvan de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen”, zooals Noyes de kwestie zag, “en dewaarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen”. In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren “Teel van de besten”, en “Teel in denzelfden kring”, met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomenEntwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). “Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren”. Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.
Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, “beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is”. Bovendien beslist het, gaat hij voort, “in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft”. “Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen”. Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, “door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen”. Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar “het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is”; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want “als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan”.
De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, “zelfbeheersching der mannen” (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. “De gemeenschap”, zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), “was eenfamilie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen”. Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in hetalgemeen zichvormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), “hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn”, en dat “het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse”, waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.
In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,—en zelfs den onzen,—vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemmingmet de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten—het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie—zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.
De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver vanThe Strike of a Sex, enZugassant’s Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat “ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was”.
Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.
Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.
Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan deoverweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.
Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.
Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen—zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is—dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.
Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheiden bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken32.
Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,—een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven33te beschouwen,—dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.
De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn—degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu—die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemenpari passutoe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer—misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft—plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid,die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode—als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden34en zonder toestemming van het individu—is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.
Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.
De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk35.
In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd36, is een schrede vooruit op den weg van het menschdom.Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.
De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. “Demographie”,Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphiliset Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). InOostenrijkbetoogt Haskovec uit Praag (“Contrat Matrimonial et l’Hygiène Publique”,Comptes-rendus Congrès International de Médecine,Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. “Het schijnt mij juist even noodig toe”, merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), “een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste”.Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, diehun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.
De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. “Demographie”,Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphiliset Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). InOostenrijkbetoogt Haskovec uit Praag (“Contrat Matrimonial et l’Hygiène Publique”,Comptes-rendus Congrès International de Médecine,Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. “Het schijnt mij juist even noodig toe”, merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), “een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste”.
Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, diehun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.
De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht—“de openlijke erkenning van een natuurlijken adel”—maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid37.
Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijlieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand38. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. “Ieder kind moest”, zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, “als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was”. Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder’sdossiermocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.
Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van “navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat”, is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. “Ik heb in de laatste jarenzeer den indruk gekregen”, schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), “dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad”.Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis,The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus—die, zooals Duclaux(L’Hygiène Sociale, p. 263),het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit“als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil”—zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.
Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van “navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat”, is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. “Ik heb in de laatste jarenzeer den indruk gekregen”, schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), “dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad”.
Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis,The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus—die, zooals Duclaux(L’Hygiène Sociale, p. 263),het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit“als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil”—zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.
Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele—erfelijke, anthropometrische en pathologische—feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.
Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeftveel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.
Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der “moederschapspremie”, waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: “Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd”39. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken40. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.