Chapter 5

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, omaan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van eenprostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en eenprostituéeis niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden1. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte2.Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson (“Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases”,British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden inzaadvloeistofvan jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevondenhebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in hetZeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman (“A Study in Precocity”,American JournalofPsychology, April, 1905).De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. “In werkelijkheid”, merkt Freud op, “brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit” (Freud, “Zur sexuellen Aufklärung der Kinder”,Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907;cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijverDrei Abhandlungen zur Sexualtheorie,1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud’s beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll,Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad—als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn—beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijnSpiele der Menschenpast Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn “Romeo und Julia auf dem Dorfe” een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträgeetc. Bd. II,pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea’s van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. “Vadertje en Moedertje spelen” is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen totcoïtusdoen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: “Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar”.Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueeleliefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, “A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes”,American JournalofPsychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen,jaloeziebetoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op.cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bijjonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137–139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. “Ik weet niet”, schrijft een Russisch correspondent, “of Zola inLa Terrehet leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje ’s nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongenFranschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen”. Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.Stanley Hall (“Contents of Children’s Minds on Entering School”,Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. “God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze ’s morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht”.In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, “Sexual-Mythen”,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.In IJsland vinden we, volgens Max Bartels (“Isländischer Brauch und Volksglaube”,etc.,Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, “Ueber InfantileSexualtheorien”,Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van dencoïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eeneof andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: “Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft”3.“Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven”, schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), “alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen’s “Es war so süsz”. Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken”. Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, “een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar”.De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van “De sexueele impuls bij vrouwen” in een van mijnandere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: “Ik hebnooitin mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden”. Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. “Het is weinig minder dan misdadig”, schrijft Dr. T. M. Goodchild4, “onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven”. In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. “Waarom”, schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, “worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt”. Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid5. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootstedeel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken6. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. “Maar”, zeide ze, “stel dat ik verdronk”. “In dat geval”, antwoordde hij, “moet ge wachten tot er een man komt, die u redt”. Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde—in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd—dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl “wat jonge meisjes betreft—neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken”. We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over “Ancient and Modern Ideas of Purity” in zijn mooi boek,Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die “ziekte der onreinheid”, die voortkomt uit “our modern undivine silences”, waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat “onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad”. (Essais Optimistes, pag. 420).De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijnL’Homme en Amourde kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beideevenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnikLytteltonopmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: “De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn”. Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love’s Coming of Age, pag. 9): “Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van watseksebeteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel—dat gevoel dat zoo’n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd”.Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk (“The Tree of Knowledge”,New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden MmeAdam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den “Bund für Mutterschutz” te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in deBritish Medical Journaleenige jaren geleden (June 9, 1894): “De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid.”Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van deAmerican Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June—Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreideHistory of Matrimonial Institutions(vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. “In het toekomstige opvoedingsprogramma”, merkt hij op “nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in”.Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als dezeaanwijzingenopgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kindkunstmatiggescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis vanhaarkind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll,op. cit., pag. 264).Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. “Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt”, zeide Frau Krukenberg (“Die Aufgabe der Mutter”,Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide (“Die Sexuelle Frage in die Volksschule”,id., pag. 35): “Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen”. In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden vanPublic Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester (“The Sex Difficulty”,Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (inChild-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is,niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: “Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding”. (T. Beddoes,Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken vanpsychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. “Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand’s eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen.Waarom”, voegt zij er aan toe, “is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?” Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: “Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het degeheimzinnigheidis, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over “dat deeltje van je waar je niet over spreekt”, of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een “rare” opmerking in het publiek maakt: “Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg danwatvoor dingen) tegen andere menschen spreken”. Maar laat uw kind de opmerking in het publiek makeneergij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen”(Ennis Richmond,Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, “de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft”.De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over “The Evolution of Modesty”) hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende enplebejischeplatheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen.Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijkefeiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om “sprookjes” te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat “de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit”. Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd—hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen—is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem “Ellis Ethelmer” heeft twee boekjes gepubliceerdBaby BudsenThe Human Flower(uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijnLove’s Coming of Age. How We Are Borndoor Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ookThe Wonder of Life, door Mary Tudor Pole.Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderenverklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan.The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby’sHealthy Boyhoodis een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie.A Talk with Boys About ThemselvesenA Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit danAlmost Fourteenvan M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als “obsceen”. Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, “obsceen voor dien geest”, want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is “de bijdrage van den lezenden geest”, maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een “Public School” op te geven.Geschlechtliche Belehrung der Kinderdoor Maria Lischnewska (herdrukt uitMutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevatWo kommen die Kinder her?van Hugo Salus,Eine Mutterpflichtvan E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aanDer Verkehr mit meinen Kindernvan Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijnSexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver vanAlmost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kanen moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden7. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei—in den ruimsten zin als het zaad—is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheidmet de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, hetElementarwerk(1770–1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche,La Réforme de l’Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boekHygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat “verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen”, en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in depost-mortemkamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras,door te zeggen: “Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam”.Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa’s van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, omaan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van eenprostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en eenprostituéeis niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden1. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte2.Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson (“Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases”,British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden inzaadvloeistofvan jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevondenhebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in hetZeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman (“A Study in Precocity”,American JournalofPsychology, April, 1905).De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. “In werkelijkheid”, merkt Freud op, “brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit” (Freud, “Zur sexuellen Aufklärung der Kinder”,Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907;cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijverDrei Abhandlungen zur Sexualtheorie,1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud’s beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll,Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad—als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn—beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijnSpiele der Menschenpast Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn “Romeo und Julia auf dem Dorfe” een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträgeetc. Bd. II,pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea’s van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. “Vadertje en Moedertje spelen” is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen totcoïtusdoen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: “Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar”.Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueeleliefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, “A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes”,American JournalofPsychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen,jaloeziebetoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op.cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bijjonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137–139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. “Ik weet niet”, schrijft een Russisch correspondent, “of Zola inLa Terrehet leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje ’s nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongenFranschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen”. Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.Stanley Hall (“Contents of Children’s Minds on Entering School”,Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. “God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze ’s morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht”.In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, “Sexual-Mythen”,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.In IJsland vinden we, volgens Max Bartels (“Isländischer Brauch und Volksglaube”,etc.,Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, “Ueber InfantileSexualtheorien”,Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van dencoïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eeneof andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: “Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft”3.“Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven”, schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), “alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen’s “Es war so süsz”. Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken”. Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, “een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar”.De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van “De sexueele impuls bij vrouwen” in een van mijnandere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: “Ik hebnooitin mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden”. Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. “Het is weinig minder dan misdadig”, schrijft Dr. T. M. Goodchild4, “onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven”. In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. “Waarom”, schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, “worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt”. Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid5. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootstedeel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken6. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. “Maar”, zeide ze, “stel dat ik verdronk”. “In dat geval”, antwoordde hij, “moet ge wachten tot er een man komt, die u redt”. Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde—in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd—dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl “wat jonge meisjes betreft—neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken”. We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over “Ancient and Modern Ideas of Purity” in zijn mooi boek,Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die “ziekte der onreinheid”, die voortkomt uit “our modern undivine silences”, waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat “onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad”. (Essais Optimistes, pag. 420).De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijnL’Homme en Amourde kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beideevenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnikLytteltonopmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: “De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn”. Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love’s Coming of Age, pag. 9): “Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van watseksebeteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel—dat gevoel dat zoo’n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd”.Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk (“The Tree of Knowledge”,New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden MmeAdam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den “Bund für Mutterschutz” te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in deBritish Medical Journaleenige jaren geleden (June 9, 1894): “De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid.”Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van deAmerican Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June—Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreideHistory of Matrimonial Institutions(vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. “In het toekomstige opvoedingsprogramma”, merkt hij op “nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in”.Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als dezeaanwijzingenopgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kindkunstmatiggescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis vanhaarkind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll,op. cit., pag. 264).Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. “Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt”, zeide Frau Krukenberg (“Die Aufgabe der Mutter”,Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide (“Die Sexuelle Frage in die Volksschule”,id., pag. 35): “Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen”. In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden vanPublic Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester (“The Sex Difficulty”,Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (inChild-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is,niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: “Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding”. (T. Beddoes,Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken vanpsychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. “Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand’s eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen.Waarom”, voegt zij er aan toe, “is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?” Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: “Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het degeheimzinnigheidis, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over “dat deeltje van je waar je niet over spreekt”, of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een “rare” opmerking in het publiek maakt: “Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg danwatvoor dingen) tegen andere menschen spreken”. Maar laat uw kind de opmerking in het publiek makeneergij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen”(Ennis Richmond,Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, “de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft”.De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over “The Evolution of Modesty”) hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende enplebejischeplatheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen.Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijkefeiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om “sprookjes” te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat “de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit”. Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd—hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen—is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem “Ellis Ethelmer” heeft twee boekjes gepubliceerdBaby BudsenThe Human Flower(uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijnLove’s Coming of Age. How We Are Borndoor Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ookThe Wonder of Life, door Mary Tudor Pole.Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderenverklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan.The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby’sHealthy Boyhoodis een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie.A Talk with Boys About ThemselvesenA Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit danAlmost Fourteenvan M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als “obsceen”. Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, “obsceen voor dien geest”, want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is “de bijdrage van den lezenden geest”, maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een “Public School” op te geven.Geschlechtliche Belehrung der Kinderdoor Maria Lischnewska (herdrukt uitMutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevatWo kommen die Kinder her?van Hugo Salus,Eine Mutterpflichtvan E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aanDer Verkehr mit meinen Kindernvan Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijnSexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver vanAlmost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kanen moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden7. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei—in den ruimsten zin als het zaad—is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheidmet de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, hetElementarwerk(1770–1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche,La Réforme de l’Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boekHygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat “verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen”, en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in depost-mortemkamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras,door te zeggen: “Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam”.Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa’s van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, omaan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van eenprostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en eenprostituéeis niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden1. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte2.Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson (“Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases”,British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden inzaadvloeistofvan jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevondenhebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in hetZeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman (“A Study in Precocity”,American JournalofPsychology, April, 1905).De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. “In werkelijkheid”, merkt Freud op, “brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit” (Freud, “Zur sexuellen Aufklärung der Kinder”,Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907;cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijverDrei Abhandlungen zur Sexualtheorie,1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud’s beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll,Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad—als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn—beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijnSpiele der Menschenpast Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn “Romeo und Julia auf dem Dorfe” een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträgeetc. Bd. II,pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea’s van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. “Vadertje en Moedertje spelen” is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen totcoïtusdoen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: “Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar”.Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueeleliefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, “A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes”,American JournalofPsychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen,jaloeziebetoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op.cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bijjonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137–139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. “Ik weet niet”, schrijft een Russisch correspondent, “of Zola inLa Terrehet leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje ’s nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongenFranschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen”. Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.Stanley Hall (“Contents of Children’s Minds on Entering School”,Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. “God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze ’s morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht”.In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, “Sexual-Mythen”,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.In IJsland vinden we, volgens Max Bartels (“Isländischer Brauch und Volksglaube”,etc.,Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, “Ueber InfantileSexualtheorien”,Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van dencoïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eeneof andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: “Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft”3.“Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven”, schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), “alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen’s “Es war so süsz”. Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken”. Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, “een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar”.De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van “De sexueele impuls bij vrouwen” in een van mijnandere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: “Ik hebnooitin mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden”. Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. “Het is weinig minder dan misdadig”, schrijft Dr. T. M. Goodchild4, “onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven”. In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. “Waarom”, schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, “worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt”. Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid5. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootstedeel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken6. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. “Maar”, zeide ze, “stel dat ik verdronk”. “In dat geval”, antwoordde hij, “moet ge wachten tot er een man komt, die u redt”. Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde—in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd—dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl “wat jonge meisjes betreft—neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken”. We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over “Ancient and Modern Ideas of Purity” in zijn mooi boek,Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die “ziekte der onreinheid”, die voortkomt uit “our modern undivine silences”, waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat “onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad”. (Essais Optimistes, pag. 420).De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijnL’Homme en Amourde kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beideevenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnikLytteltonopmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: “De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn”. Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love’s Coming of Age, pag. 9): “Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van watseksebeteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel—dat gevoel dat zoo’n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd”.Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk (“The Tree of Knowledge”,New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden MmeAdam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den “Bund für Mutterschutz” te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in deBritish Medical Journaleenige jaren geleden (June 9, 1894): “De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid.”Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van deAmerican Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June—Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreideHistory of Matrimonial Institutions(vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. “In het toekomstige opvoedingsprogramma”, merkt hij op “nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in”.Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als dezeaanwijzingenopgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kindkunstmatiggescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis vanhaarkind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll,op. cit., pag. 264).Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. “Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt”, zeide Frau Krukenberg (“Die Aufgabe der Mutter”,Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide (“Die Sexuelle Frage in die Volksschule”,id., pag. 35): “Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen”. In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden vanPublic Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester (“The Sex Difficulty”,Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (inChild-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is,niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: “Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding”. (T. Beddoes,Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken vanpsychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. “Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand’s eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen.Waarom”, voegt zij er aan toe, “is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?” Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: “Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het degeheimzinnigheidis, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over “dat deeltje van je waar je niet over spreekt”, of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een “rare” opmerking in het publiek maakt: “Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg danwatvoor dingen) tegen andere menschen spreken”. Maar laat uw kind de opmerking in het publiek makeneergij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen”(Ennis Richmond,Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, “de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft”.De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over “The Evolution of Modesty”) hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende enplebejischeplatheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen.Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijkefeiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om “sprookjes” te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat “de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit”. Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd—hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen—is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem “Ellis Ethelmer” heeft twee boekjes gepubliceerdBaby BudsenThe Human Flower(uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijnLove’s Coming of Age. How We Are Borndoor Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ookThe Wonder of Life, door Mary Tudor Pole.Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderenverklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan.The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby’sHealthy Boyhoodis een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie.A Talk with Boys About ThemselvesenA Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit danAlmost Fourteenvan M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als “obsceen”. Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, “obsceen voor dien geest”, want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is “de bijdrage van den lezenden geest”, maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een “Public School” op te geven.Geschlechtliche Belehrung der Kinderdoor Maria Lischnewska (herdrukt uitMutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevatWo kommen die Kinder her?van Hugo Salus,Eine Mutterpflichtvan E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aanDer Verkehr mit meinen Kindernvan Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijnSexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver vanAlmost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kanen moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden7. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei—in den ruimsten zin als het zaad—is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheidmet de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, hetElementarwerk(1770–1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche,La Réforme de l’Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boekHygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat “verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen”, en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in depost-mortemkamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras,door te zeggen: “Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam”.Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa’s van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, omaan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.

Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van eenprostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en eenprostituéeis niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.

Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van eenprostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en eenprostituéeis niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.

Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden1. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte2.Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.

Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.

Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson (“Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases”,British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden inzaadvloeistofvan jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevondenhebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in hetZeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman (“A Study in Precocity”,American JournalofPsychology, April, 1905).De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. “In werkelijkheid”, merkt Freud op, “brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit” (Freud, “Zur sexuellen Aufklärung der Kinder”,Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907;cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijverDrei Abhandlungen zur Sexualtheorie,1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud’s beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll,Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad—als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn—beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijnSpiele der Menschenpast Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn “Romeo und Julia auf dem Dorfe” een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträgeetc. Bd. II,pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea’s van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. “Vadertje en Moedertje spelen” is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen totcoïtusdoen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: “Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar”.Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueeleliefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, “A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes”,American JournalofPsychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen,jaloeziebetoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op.cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bijjonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137–139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. “Ik weet niet”, schrijft een Russisch correspondent, “of Zola inLa Terrehet leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje ’s nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongenFranschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen”. Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.

Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson (“Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases”,British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden inzaadvloeistofvan jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevondenhebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in hetZeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).

Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman (“A Study in Precocity”,American JournalofPsychology, April, 1905).

De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. “In werkelijkheid”, merkt Freud op, “brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit” (Freud, “Zur sexuellen Aufklärung der Kinder”,Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907;cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijverDrei Abhandlungen zur Sexualtheorie,1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud’s beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll,Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.

Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad—als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn—beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijnSpiele der Menschenpast Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn “Romeo und Julia auf dem Dorfe” een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.

Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträgeetc. Bd. II,pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea’s van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. “Vadertje en Moedertje spelen” is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen totcoïtusdoen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: “Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar”.

Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueeleliefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, “A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes”,American JournalofPsychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen,jaloeziebetoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op.cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.

Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bijjonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.

De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Diegeschlechtlich-sittlichenVerhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137–139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. “Ik weet niet”, schrijft een Russisch correspondent, “of Zola inLa Terrehet leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje ’s nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongenFranschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen”. Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.

De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.

Stanley Hall (“Contents of Children’s Minds on Entering School”,Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. “God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze ’s morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht”.In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, “Sexual-Mythen”,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.In IJsland vinden we, volgens Max Bartels (“Isländischer Brauch und Volksglaube”,etc.,Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, “Ueber InfantileSexualtheorien”,Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van dencoïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eeneof andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.

Stanley Hall (“Contents of Children’s Minds on Entering School”,Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. “God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze ’s morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht”.

In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, “Sexual-Mythen”,Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.

In IJsland vinden we, volgens Max Bartels (“Isländischer Brauch und Volksglaube”,etc.,Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.

Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.

Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, “Ueber InfantileSexualtheorien”,Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van dencoïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eeneof andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.

Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: “Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft”3.

“Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven”, schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), “alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen’s “Es war so süsz”. Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken”. Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, “een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar”.De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van “De sexueele impuls bij vrouwen” in een van mijnandere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: “Ik hebnooitin mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden”. Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.

“Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven”, schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), “alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen’s “Es war so süsz”. Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken”. Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, “een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar”.

De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van “De sexueele impuls bij vrouwen” in een van mijnandere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: “Ik hebnooitin mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden”. Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.

Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. “Het is weinig minder dan misdadig”, schrijft Dr. T. M. Goodchild4, “onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven”. In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. “Waarom”, schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, “worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt”. Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid5. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootstedeel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken6. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. “Maar”, zeide ze, “stel dat ik verdronk”. “In dat geval”, antwoordde hij, “moet ge wachten tot er een man komt, die u redt”. Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.

Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde—in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd—dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl “wat jonge meisjes betreft—neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken”. We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over “Ancient and Modern Ideas of Purity” in zijn mooi boek,Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die “ziekte der onreinheid”, die voortkomt uit “our modern undivine silences”, waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat “onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad”. (Essais Optimistes, pag. 420).De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijnL’Homme en Amourde kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beideevenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnikLytteltonopmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: “De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn”. Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love’s Coming of Age, pag. 9): “Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van watseksebeteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel—dat gevoel dat zoo’n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd”.Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk (“The Tree of Knowledge”,New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden MmeAdam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den “Bund für Mutterschutz” te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in deBritish Medical Journaleenige jaren geleden (June 9, 1894): “De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid.”Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van deAmerican Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June—Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreideHistory of Matrimonial Institutions(vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. “In het toekomstige opvoedingsprogramma”, merkt hij op “nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in”.

Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde—in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd—dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl “wat jonge meisjes betreft—neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken”. We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over “Ancient and Modern Ideas of Purity” in zijn mooi boek,Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die “ziekte der onreinheid”, die voortkomt uit “our modern undivine silences”, waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat “onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad”. (Essais Optimistes, pag. 420).

De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijnL’Homme en Amourde kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.

De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beideevenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnikLytteltonopmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: “De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn”. Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love’s Coming of Age, pag. 9): “Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van watseksebeteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel—dat gevoel dat zoo’n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd”.

Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk (“The Tree of Knowledge”,New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden MmeAdam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den “Bund für Mutterschutz” te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in deBritish Medical Journaleenige jaren geleden (June 9, 1894): “De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid.”Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van deAmerican Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June—Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreideHistory of Matrimonial Institutions(vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. “In het toekomstige opvoedingsprogramma”, merkt hij op “nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in”.

Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als dezeaanwijzingenopgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.

Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kindkunstmatiggescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis vanhaarkind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.

Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll,op. cit., pag. 264).Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. “Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt”, zeide Frau Krukenberg (“Die Aufgabe der Mutter”,Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide (“Die Sexuelle Frage in die Volksschule”,id., pag. 35): “Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen”. In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden vanPublic Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester (“The Sex Difficulty”,Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (inChild-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.

Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll,op. cit., pag. 264).

Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. “Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt”, zeide Frau Krukenberg (“Die Aufgabe der Mutter”,Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide (“Die Sexuelle Frage in die Volksschule”,id., pag. 35): “Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen”. In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden vanPublic Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester (“The Sex Difficulty”,Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (inChild-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.

Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.

Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is,niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: “Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding”. (T. Beddoes,Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken vanpsychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. “Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand’s eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen.Waarom”, voegt zij er aan toe, “is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?” Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: “Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het degeheimzinnigheidis, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over “dat deeltje van je waar je niet over spreekt”, of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een “rare” opmerking in het publiek maakt: “Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg danwatvoor dingen) tegen andere menschen spreken”. Maar laat uw kind de opmerking in het publiek makeneergij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen”(Ennis Richmond,Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, “de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft”.De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over “The Evolution of Modesty”) hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende enplebejischeplatheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen.Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.

Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is,niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: “Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding”. (T. Beddoes,Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken vanpsychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. “Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand’s eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen.Waarom”, voegt zij er aan toe, “is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?” Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: “Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het degeheimzinnigheidis, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over “dat deeltje van je waar je niet over spreekt”, of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een “rare” opmerking in het publiek maakt: “Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg danwatvoor dingen) tegen andere menschen spreken”. Maar laat uw kind de opmerking in het publiek makeneergij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen”(Ennis Richmond,Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, “de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft”.

De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over “The Evolution of Modesty”) hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende enplebejischeplatheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen.Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.

Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.

Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijkefeiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om “sprookjes” te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat “de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit”. Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.

Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd—hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen—is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem “Ellis Ethelmer” heeft twee boekjes gepubliceerdBaby BudsenThe Human Flower(uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijnLove’s Coming of Age. How We Are Borndoor Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ookThe Wonder of Life, door Mary Tudor Pole.Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderenverklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan.The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby’sHealthy Boyhoodis een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie.A Talk with Boys About ThemselvesenA Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit danAlmost Fourteenvan M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als “obsceen”. Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, “obsceen voor dien geest”, want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is “de bijdrage van den lezenden geest”, maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een “Public School” op te geven.Geschlechtliche Belehrung der Kinderdoor Maria Lischnewska (herdrukt uitMutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevatWo kommen die Kinder her?van Hugo Salus,Eine Mutterpflichtvan E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aanDer Verkehr mit meinen Kindernvan Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijnSexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver vanAlmost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.

Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd—hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen—is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem “Ellis Ethelmer” heeft twee boekjes gepubliceerdBaby BudsenThe Human Flower(uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijnLove’s Coming of Age. How We Are Borndoor Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ookThe Wonder of Life, door Mary Tudor Pole.Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderenverklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.

De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan.The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby’sHealthy Boyhoodis een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie.A Talk with Boys About ThemselvesenA Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit danAlmost Fourteenvan M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als “obsceen”. Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, “obsceen voor dien geest”, want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is “de bijdrage van den lezenden geest”, maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een “Public School” op te geven.Geschlechtliche Belehrung der Kinderdoor Maria Lischnewska (herdrukt uitMutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevatWo kommen die Kinder her?van Hugo Salus,Eine Mutterpflichtvan E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aanDer Verkehr mit meinen Kindernvan Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijnSexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.

Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver vanAlmost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.

Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.

De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kanen moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden7. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei—in den ruimsten zin als het zaad—is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.

Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.

De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheidmet de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.

De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, hetElementarwerk(1770–1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche,La Réforme de l’Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boekHygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat “verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen”, en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in depost-mortemkamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras,door te zeggen: “Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam”.Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa’s van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.

De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, hetElementarwerk(1770–1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche,La Réforme de l’Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.

Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boekHygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat “verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen”, en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in depost-mortemkamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.

De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras,door te zeggen: “Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam”.

Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa’s van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.


Back to IndexNext