Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen—en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie—de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in eencirculus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakthebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (LaPubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey—Menos (“La Question du Sexe dans l’Education”,Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?” (Geschlecht und Gesellschaft, JahrgangI, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; “er zijn eindeloos veel aanleidingen”, zegt hij “over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels.”De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder “er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder”; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin (“Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?”Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslachtkomt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld8. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): “Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten”. Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster (“Psychology and Pedagogy of Adolescence”,PedagogicalSeminary, July, 1897, pp. 123–5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. “Dit is geen geringe zaak”, zegt Lancaster. “Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudigephysiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak”. Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. “Week aan week”, schrijft hetBritish Medical Journalin een hoofdartikel (“Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide”, Oct.1, 1892), “krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter”. Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van deBritish Medical Associationwaren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben desKindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen “haar reinheid te bezoedelen” door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, “de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over”. “Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes”, schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) “geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoorzij is ingesloten en omringd”. Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel (“Why Girls Go Wrong”,Ladies’ Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het “Juvenile Court” te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; “ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn”. De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die “den verkeerden weg opgaan” hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; “ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd”. Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueelehygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide9.“Ik ken niet één groote meisjesschool”, schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair (“Education and Training of Girls at Puberty”,British Medical Journal, Dec. 7, 1895), “waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?”Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat “25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren … was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld”.Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede (“The Health of the American Girl”,Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): “Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond—wat zij meent dat het is—te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren—de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw.”In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de “kuischheid”, die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. “Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogstbelangrijke zaak!” (Helen Kennedy, “Effects of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June, 1896).Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt inChérie(pp. 137–139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: “Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben”.Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een “onbekende ziekte”, die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden, bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn, toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen, dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in een zeer knap boek,The Question of Rest for Women, tot het besluit gekomen dat “gewoonlijk gezonde” vrouwen de periode der menstruatie kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der vrouwen niet “gewoonlijk gezond” zijn en een minderheid, die zoo dicht bij een meerderheid komt, kan maar niet als “quantité négligeable” buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig, uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressenhebben nu neiging overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,—hoewel het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,—en het is bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk overAdolescenceschrijft hij: “In plaats van schaamte over deze functie behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand: het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor dezen toestand aannemen”10.Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde in den toestand is geweest—in ieder geval in het verleden, want nu is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien—dat de leidsters van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben vrouwen gedwongen tweede-hands-mannente worden, zij hebben verklaard, dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid van haarmenstrueelefuncties. Dit is juist het tegendeel van de waarheid. “Zij eischen”, merkt Engelmann op, “dat de vrouw in haar natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan, werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest aan vastgehouden werd”. Het is alleen onder de blanke rassen, dat de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was, die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater11.In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van deBritish Association of Registered Medical Womenop den 7denJuli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, ledenaan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd (“Effect of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald inBoston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor deCalifornia State Medical Societyin 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over “Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation” (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,Mutterschaft und Geistige Arbeit(p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moetenrusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van deAssociation of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook (“Some Disorders of Menstruation”,American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: “Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden”. In een artikel over “Alumna’s kinderen”, door “Een Alumna” (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. “Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning”. In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift (“The Health of American Girls”, Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. “Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar langten tijde van de puberteit”. Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes—en dit schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische landen—minder goeddan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik; zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas, uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke reinheid12. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand, tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn, alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College, waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de aandacht vestigt, maakt de opmerking: “Als het dragen van een enkel kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen, hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als ze een leven lang worden voortgezet?13“Het schijnt gebleken te zijn”, besluit A. E. Giles (“Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women”,The Hospital, April 10, 1897) “dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht—tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit—niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later”. Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan deTechnical Education Boardvan deLondon County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors’ Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore (“Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women”,American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bijiedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zieo.a.British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. “De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa’s van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren”.We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom, haar te dwingen de speciale wetten en beperkingenvoor mannen aan te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate, haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk of inspanning—van hersenen, zenuwen of spieren—heeft meer kans ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig aanpassen aan haar speciale behoeften.Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen—die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening—is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. “Ik geloof niet”, schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22),“dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en”, voegt zij er verstandig bij, “ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten”. Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede “The Health of the American Girl”,Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. “Ik ben”, schreef hij,“precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft].Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouwvan het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken”. Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis, nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt, hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen; men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was, die een vrouw wilde zijn14. Met dezelfde neiging kan in verband staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk, door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen15. Binnen de sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een neigingtot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent, een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. “Ieder meisje en iedere vrouw”, schreef Hellmann, in een baanbrekend boek, dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, “leert haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats, die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd, deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar een pijnlijke blos moet veroorzaken”16. De gewone vrouw, die niet nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen, bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de psychische persoonlijkheid.Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. “Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt”. Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu “heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen”. (Boris Sidis, “Studies in Psychopathology”Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse, dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities, waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het huwelijk, haar geheele volgende loopbaan,wordt in gevaar gebracht. De onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen, terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden, dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter; zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt, zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen, dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen, mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had, daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging was17, en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke sekse van den“echtgenoot” ontdekte. “Het beschaafde meisje wordt”, zooals Edward Carpenter opmerkt, “naar het altaar gevoerd, dikwijls in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt staan voltrokken te worden geheel misverstaande”. Zeker zijn meer verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten18. Het meisje is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde, dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. “Al de oprechtheid van geloof is daar”, zooals Senancour het uitdrukt in zijn boekDel’Amour, “de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven, de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,—welke jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar niet zal spelen?” Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de “opwindende rol” die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd, dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot, haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval van een onschuldig jong meisje van zeventien—in dit geval, bleek het toevallig een geïnverteerde te zijn—die er toe overgehaald was om te trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der “huwelijksplichten van devrouw zou uitleggen”. Maar de jonge vrouw antwoordde op de vermaningen van haar moeder: “Als dat mijn vrouwenplicht is, dan was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want, als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn”.De echtgenoot, die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding plaats19. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk, dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele inwijding van het kind—afgezien van die wetenschappelijke inlichting, die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie—het uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der sexueelehygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder reeds gedaan heeft,wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later, tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland,n.l.lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon, die voor dit speciale doel komt.Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: “Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen”. (Stanley Hall,Adolescence, deel I, pag. 469). “Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark”, merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), “heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueelehygiënete spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueelehygiënein de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. InGeschlecht und Gesellschaft(deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die vanChotzen.Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueelehygiënete verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisenechter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueelehygiënevoor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat “zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor”. Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor SocialeHygiënein Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat dehygiënevan de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.
Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen—en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie—de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in eencirculus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakthebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (LaPubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey—Menos (“La Question du Sexe dans l’Education”,Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?” (Geschlecht und Gesellschaft, JahrgangI, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; “er zijn eindeloos veel aanleidingen”, zegt hij “over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels.”De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder “er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder”; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin (“Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?”Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslachtkomt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld8. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): “Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten”. Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster (“Psychology and Pedagogy of Adolescence”,PedagogicalSeminary, July, 1897, pp. 123–5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. “Dit is geen geringe zaak”, zegt Lancaster. “Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudigephysiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak”. Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. “Week aan week”, schrijft hetBritish Medical Journalin een hoofdartikel (“Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide”, Oct.1, 1892), “krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter”. Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van deBritish Medical Associationwaren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben desKindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen “haar reinheid te bezoedelen” door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, “de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over”. “Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes”, schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) “geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoorzij is ingesloten en omringd”. Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel (“Why Girls Go Wrong”,Ladies’ Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het “Juvenile Court” te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; “ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn”. De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die “den verkeerden weg opgaan” hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; “ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd”. Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueelehygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide9.“Ik ken niet één groote meisjesschool”, schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair (“Education and Training of Girls at Puberty”,British Medical Journal, Dec. 7, 1895), “waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?”Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat “25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren … was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld”.Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede (“The Health of the American Girl”,Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): “Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond—wat zij meent dat het is—te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren—de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw.”In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de “kuischheid”, die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. “Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogstbelangrijke zaak!” (Helen Kennedy, “Effects of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June, 1896).Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt inChérie(pp. 137–139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: “Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben”.Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een “onbekende ziekte”, die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden, bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn, toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen, dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in een zeer knap boek,The Question of Rest for Women, tot het besluit gekomen dat “gewoonlijk gezonde” vrouwen de periode der menstruatie kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der vrouwen niet “gewoonlijk gezond” zijn en een minderheid, die zoo dicht bij een meerderheid komt, kan maar niet als “quantité négligeable” buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig, uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressenhebben nu neiging overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,—hoewel het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,—en het is bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk overAdolescenceschrijft hij: “In plaats van schaamte over deze functie behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand: het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor dezen toestand aannemen”10.Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde in den toestand is geweest—in ieder geval in het verleden, want nu is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien—dat de leidsters van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben vrouwen gedwongen tweede-hands-mannente worden, zij hebben verklaard, dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid van haarmenstrueelefuncties. Dit is juist het tegendeel van de waarheid. “Zij eischen”, merkt Engelmann op, “dat de vrouw in haar natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan, werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest aan vastgehouden werd”. Het is alleen onder de blanke rassen, dat de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was, die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater11.In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van deBritish Association of Registered Medical Womenop den 7denJuli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, ledenaan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd (“Effect of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald inBoston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor deCalifornia State Medical Societyin 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over “Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation” (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,Mutterschaft und Geistige Arbeit(p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moetenrusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van deAssociation of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook (“Some Disorders of Menstruation”,American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: “Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden”. In een artikel over “Alumna’s kinderen”, door “Een Alumna” (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. “Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning”. In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift (“The Health of American Girls”, Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. “Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar langten tijde van de puberteit”. Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes—en dit schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische landen—minder goeddan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik; zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas, uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke reinheid12. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand, tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn, alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College, waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de aandacht vestigt, maakt de opmerking: “Als het dragen van een enkel kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen, hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als ze een leven lang worden voortgezet?13“Het schijnt gebleken te zijn”, besluit A. E. Giles (“Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women”,The Hospital, April 10, 1897) “dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht—tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit—niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later”. Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan deTechnical Education Boardvan deLondon County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors’ Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore (“Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women”,American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bijiedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zieo.a.British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. “De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa’s van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren”.We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom, haar te dwingen de speciale wetten en beperkingenvoor mannen aan te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate, haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk of inspanning—van hersenen, zenuwen of spieren—heeft meer kans ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig aanpassen aan haar speciale behoeften.Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen—die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening—is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. “Ik geloof niet”, schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22),“dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en”, voegt zij er verstandig bij, “ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten”. Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede “The Health of the American Girl”,Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. “Ik ben”, schreef hij,“precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft].Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouwvan het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken”. Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis, nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt, hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen; men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was, die een vrouw wilde zijn14. Met dezelfde neiging kan in verband staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk, door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen15. Binnen de sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een neigingtot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent, een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. “Ieder meisje en iedere vrouw”, schreef Hellmann, in een baanbrekend boek, dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, “leert haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats, die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd, deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar een pijnlijke blos moet veroorzaken”16. De gewone vrouw, die niet nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen, bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de psychische persoonlijkheid.Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. “Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt”. Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu “heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen”. (Boris Sidis, “Studies in Psychopathology”Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse, dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities, waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het huwelijk, haar geheele volgende loopbaan,wordt in gevaar gebracht. De onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen, terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden, dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter; zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt, zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen, dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen, mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had, daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging was17, en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke sekse van den“echtgenoot” ontdekte. “Het beschaafde meisje wordt”, zooals Edward Carpenter opmerkt, “naar het altaar gevoerd, dikwijls in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt staan voltrokken te worden geheel misverstaande”. Zeker zijn meer verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten18. Het meisje is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde, dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. “Al de oprechtheid van geloof is daar”, zooals Senancour het uitdrukt in zijn boekDel’Amour, “de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven, de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,—welke jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar niet zal spelen?” Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de “opwindende rol” die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd, dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot, haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval van een onschuldig jong meisje van zeventien—in dit geval, bleek het toevallig een geïnverteerde te zijn—die er toe overgehaald was om te trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der “huwelijksplichten van devrouw zou uitleggen”. Maar de jonge vrouw antwoordde op de vermaningen van haar moeder: “Als dat mijn vrouwenplicht is, dan was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want, als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn”.De echtgenoot, die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding plaats19. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk, dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele inwijding van het kind—afgezien van die wetenschappelijke inlichting, die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie—het uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der sexueelehygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder reeds gedaan heeft,wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later, tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland,n.l.lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon, die voor dit speciale doel komt.Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: “Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen”. (Stanley Hall,Adolescence, deel I, pag. 469). “Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark”, merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), “heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueelehygiënete spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueelehygiënein de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. InGeschlecht und Gesellschaft(deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die vanChotzen.Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueelehygiënete verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisenechter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueelehygiënevoor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat “zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor”. Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor SocialeHygiënein Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat dehygiënevan de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.
Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen—en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie—de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in eencirculus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakthebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (LaPubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey—Menos (“La Question du Sexe dans l’Education”,Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?” (Geschlecht und Gesellschaft, JahrgangI, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; “er zijn eindeloos veel aanleidingen”, zegt hij “over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels.”De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder “er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder”; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin (“Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?”Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslachtkomt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld8. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): “Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten”. Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster (“Psychology and Pedagogy of Adolescence”,PedagogicalSeminary, July, 1897, pp. 123–5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. “Dit is geen geringe zaak”, zegt Lancaster. “Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudigephysiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak”. Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. “Week aan week”, schrijft hetBritish Medical Journalin een hoofdartikel (“Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide”, Oct.1, 1892), “krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter”. Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van deBritish Medical Associationwaren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben desKindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen “haar reinheid te bezoedelen” door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, “de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over”. “Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes”, schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) “geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoorzij is ingesloten en omringd”. Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel (“Why Girls Go Wrong”,Ladies’ Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het “Juvenile Court” te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; “ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn”. De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die “den verkeerden weg opgaan” hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; “ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd”. Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueelehygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide9.“Ik ken niet één groote meisjesschool”, schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair (“Education and Training of Girls at Puberty”,British Medical Journal, Dec. 7, 1895), “waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?”Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat “25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren … was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld”.Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede (“The Health of the American Girl”,Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): “Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond—wat zij meent dat het is—te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren—de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw.”In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de “kuischheid”, die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. “Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogstbelangrijke zaak!” (Helen Kennedy, “Effects of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June, 1896).Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt inChérie(pp. 137–139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: “Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben”.Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een “onbekende ziekte”, die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden, bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn, toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen, dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in een zeer knap boek,The Question of Rest for Women, tot het besluit gekomen dat “gewoonlijk gezonde” vrouwen de periode der menstruatie kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der vrouwen niet “gewoonlijk gezond” zijn en een minderheid, die zoo dicht bij een meerderheid komt, kan maar niet als “quantité négligeable” buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig, uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressenhebben nu neiging overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,—hoewel het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,—en het is bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk overAdolescenceschrijft hij: “In plaats van schaamte over deze functie behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand: het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor dezen toestand aannemen”10.Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde in den toestand is geweest—in ieder geval in het verleden, want nu is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien—dat de leidsters van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben vrouwen gedwongen tweede-hands-mannente worden, zij hebben verklaard, dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid van haarmenstrueelefuncties. Dit is juist het tegendeel van de waarheid. “Zij eischen”, merkt Engelmann op, “dat de vrouw in haar natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan, werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest aan vastgehouden werd”. Het is alleen onder de blanke rassen, dat de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was, die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater11.In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van deBritish Association of Registered Medical Womenop den 7denJuli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, ledenaan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd (“Effect of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald inBoston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor deCalifornia State Medical Societyin 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over “Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation” (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,Mutterschaft und Geistige Arbeit(p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moetenrusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van deAssociation of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook (“Some Disorders of Menstruation”,American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: “Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden”. In een artikel over “Alumna’s kinderen”, door “Een Alumna” (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. “Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning”. In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift (“The Health of American Girls”, Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. “Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar langten tijde van de puberteit”. Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes—en dit schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische landen—minder goeddan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik; zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas, uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke reinheid12. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand, tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn, alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College, waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de aandacht vestigt, maakt de opmerking: “Als het dragen van een enkel kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen, hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als ze een leven lang worden voortgezet?13“Het schijnt gebleken te zijn”, besluit A. E. Giles (“Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women”,The Hospital, April 10, 1897) “dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht—tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit—niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later”. Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan deTechnical Education Boardvan deLondon County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors’ Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore (“Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women”,American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bijiedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zieo.a.British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. “De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa’s van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren”.We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom, haar te dwingen de speciale wetten en beperkingenvoor mannen aan te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate, haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk of inspanning—van hersenen, zenuwen of spieren—heeft meer kans ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig aanpassen aan haar speciale behoeften.Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen—die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening—is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. “Ik geloof niet”, schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22),“dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en”, voegt zij er verstandig bij, “ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten”. Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede “The Health of the American Girl”,Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. “Ik ben”, schreef hij,“precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft].Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouwvan het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken”. Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis, nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt, hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen; men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was, die een vrouw wilde zijn14. Met dezelfde neiging kan in verband staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk, door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen15. Binnen de sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een neigingtot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent, een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. “Ieder meisje en iedere vrouw”, schreef Hellmann, in een baanbrekend boek, dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, “leert haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats, die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd, deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar een pijnlijke blos moet veroorzaken”16. De gewone vrouw, die niet nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen, bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de psychische persoonlijkheid.Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. “Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt”. Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu “heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen”. (Boris Sidis, “Studies in Psychopathology”Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse, dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities, waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het huwelijk, haar geheele volgende loopbaan,wordt in gevaar gebracht. De onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen, terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden, dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter; zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt, zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen, dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen, mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had, daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging was17, en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke sekse van den“echtgenoot” ontdekte. “Het beschaafde meisje wordt”, zooals Edward Carpenter opmerkt, “naar het altaar gevoerd, dikwijls in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt staan voltrokken te worden geheel misverstaande”. Zeker zijn meer verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten18. Het meisje is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde, dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. “Al de oprechtheid van geloof is daar”, zooals Senancour het uitdrukt in zijn boekDel’Amour, “de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven, de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,—welke jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar niet zal spelen?” Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de “opwindende rol” die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd, dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot, haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval van een onschuldig jong meisje van zeventien—in dit geval, bleek het toevallig een geïnverteerde te zijn—die er toe overgehaald was om te trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der “huwelijksplichten van devrouw zou uitleggen”. Maar de jonge vrouw antwoordde op de vermaningen van haar moeder: “Als dat mijn vrouwenplicht is, dan was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want, als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn”.De echtgenoot, die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding plaats19. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk, dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele inwijding van het kind—afgezien van die wetenschappelijke inlichting, die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie—het uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der sexueelehygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder reeds gedaan heeft,wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later, tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland,n.l.lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon, die voor dit speciale doel komt.Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: “Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen”. (Stanley Hall,Adolescence, deel I, pag. 469). “Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark”, merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), “heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueelehygiënete spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueelehygiënein de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. InGeschlecht und Gesellschaft(deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die vanChotzen.Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueelehygiënete verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisenechter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueelehygiënevoor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat “zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor”. Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor SocialeHygiënein Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat dehygiënevan de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.
Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen—en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie—de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in eencirculus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.
Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakthebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.
Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (LaPubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey—Menos (“La Question du Sexe dans l’Education”,Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?” (Geschlecht und Gesellschaft, JahrgangI, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; “er zijn eindeloos veel aanleidingen”, zegt hij “over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels.”De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder “er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder”; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin (“Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?”Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).
Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (LaPubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey—Menos (“La Question du Sexe dans l’Education”,Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?” (Geschlecht und Gesellschaft, JahrgangI, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; “er zijn eindeloos veel aanleidingen”, zegt hij “over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels.”De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder “er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder”; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin (“Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?”Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).
De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslachtkomt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.
Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld8. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.
Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): “Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten”. Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster (“Psychology and Pedagogy of Adolescence”,PedagogicalSeminary, July, 1897, pp. 123–5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. “Dit is geen geringe zaak”, zegt Lancaster. “Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudigephysiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak”. Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. “Week aan week”, schrijft hetBritish Medical Journalin een hoofdartikel (“Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide”, Oct.1, 1892), “krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter”. Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van deBritish Medical Associationwaren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben desKindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.
Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): “Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten”. Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster (“Psychology and Pedagogy of Adolescence”,PedagogicalSeminary, July, 1897, pp. 123–5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. “Dit is geen geringe zaak”, zegt Lancaster. “Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudigephysiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak”. Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. “Week aan week”, schrijft hetBritish Medical Journalin een hoofdartikel (“Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide”, Oct.1, 1892), “krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter”. Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.
Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van deBritish Medical Associationwaren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.
Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben desKindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.
Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen “haar reinheid te bezoedelen” door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.
Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, “de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over”. “Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes”, schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) “geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoorzij is ingesloten en omringd”. Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel (“Why Girls Go Wrong”,Ladies’ Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het “Juvenile Court” te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; “ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn”. De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die “den verkeerden weg opgaan” hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; “ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd”. Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.
Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, “de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over”. “Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes”, schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) “geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoorzij is ingesloten en omringd”. Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel (“Why Girls Go Wrong”,Ladies’ Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het “Juvenile Court” te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; “ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn”. De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die “den verkeerden weg opgaan” hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; “ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd”. Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.
Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueelehygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide9.
“Ik ken niet één groote meisjesschool”, schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair (“Education and Training of Girls at Puberty”,British Medical Journal, Dec. 7, 1895), “waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?”Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat “25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren … was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld”.Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede (“The Health of the American Girl”,Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): “Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond—wat zij meent dat het is—te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren—de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw.”In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de “kuischheid”, die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. “Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogstbelangrijke zaak!” (Helen Kennedy, “Effects of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June, 1896).Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt inChérie(pp. 137–139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: “Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben”.Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een “onbekende ziekte”, die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.
“Ik ken niet één groote meisjesschool”, schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair (“Education and Training of Girls at Puberty”,British Medical Journal, Dec. 7, 1895), “waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?”
Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat “25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren … was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld”.
Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede (“The Health of the American Girl”,Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): “Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond—wat zij meent dat het is—te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren—de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw.”
In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de “kuischheid”, die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. “Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogstbelangrijke zaak!” (Helen Kennedy, “Effects of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June, 1896).
Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt inChérie(pp. 137–139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: “Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben”.
Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een “onbekende ziekte”, die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.
Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden, bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn, toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen, dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in een zeer knap boek,The Question of Rest for Women, tot het besluit gekomen dat “gewoonlijk gezonde” vrouwen de periode der menstruatie kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der vrouwen niet “gewoonlijk gezond” zijn en een minderheid, die zoo dicht bij een meerderheid komt, kan maar niet als “quantité négligeable” buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig, uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressenhebben nu neiging overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,—hoewel het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,—en het is bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk overAdolescenceschrijft hij: “In plaats van schaamte over deze functie behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand: het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor dezen toestand aannemen”10.
Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde in den toestand is geweest—in ieder geval in het verleden, want nu is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien—dat de leidsters van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben vrouwen gedwongen tweede-hands-mannente worden, zij hebben verklaard, dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid van haarmenstrueelefuncties. Dit is juist het tegendeel van de waarheid. “Zij eischen”, merkt Engelmann op, “dat de vrouw in haar natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan, werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest aan vastgehouden werd”. Het is alleen onder de blanke rassen, dat de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was, die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater11.
In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van deBritish Association of Registered Medical Womenop den 7denJuli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, ledenaan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd (“Effect of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald inBoston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor deCalifornia State Medical Societyin 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over “Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation” (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,Mutterschaft und Geistige Arbeit(p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moetenrusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van deAssociation of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook (“Some Disorders of Menstruation”,American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: “Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden”. In een artikel over “Alumna’s kinderen”, door “Een Alumna” (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. “Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning”. In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift (“The Health of American Girls”, Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. “Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar langten tijde van de puberteit”. Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.
In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.
Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van deBritish Association of Registered Medical Womenop den 7denJuli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, ledenaan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.
In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd (“Effect of High School Work upon Girls During Adolescence”,Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald inBoston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor deCalifornia State Medical Societyin 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over “Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation” (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.
Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,Mutterschaft und Geistige Arbeit(p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.
In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moetenrusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van deAssociation of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook (“Some Disorders of Menstruation”,American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: “Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden”. In een artikel over “Alumna’s kinderen”, door “Een Alumna” (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. “Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning”. In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift (“The Health of American Girls”, Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. “Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar langten tijde van de puberteit”. Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.
Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.
Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes—en dit schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische landen—minder goeddan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik; zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas, uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke reinheid12. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand, tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn, alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College, waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de aandacht vestigt, maakt de opmerking: “Als het dragen van een enkel kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen, hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als ze een leven lang worden voortgezet?13
“Het schijnt gebleken te zijn”, besluit A. E. Giles (“Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women”,The Hospital, April 10, 1897) “dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht—tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit—niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later”. Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan deTechnical Education Boardvan deLondon County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors’ Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore (“Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women”,American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bijiedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zieo.a.British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. “De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa’s van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren”.
“Het schijnt gebleken te zijn”, besluit A. E. Giles (“Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women”,The Hospital, April 10, 1897) “dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht—tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit—niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later”. Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan deTechnical Education Boardvan deLondon County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors’ Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore (“Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women”,American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bijiedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis,Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zieo.a.British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. “De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa’s van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren”.
We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom, haar te dwingen de speciale wetten en beperkingenvoor mannen aan te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate, haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk of inspanning—van hersenen, zenuwen of spieren—heeft meer kans ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig aanpassen aan haar speciale behoeften.
Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen—die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening—is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. “Ik geloof niet”, schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22),“dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en”, voegt zij er verstandig bij, “ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten”. Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede “The Health of the American Girl”,Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. “Ik ben”, schreef hij,“precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft].Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouwvan het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken”. Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.
Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen—die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening—is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. “Ik geloof niet”, schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22),“dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en”, voegt zij er verstandig bij, “ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten”. Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede “The Health of the American Girl”,Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. “Ik ben”, schreef hij,“precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft].Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouwvan het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken”. Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.
Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis, nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt, hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen; men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was, die een vrouw wilde zijn14. Met dezelfde neiging kan in verband staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk, door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen15. Binnen de sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een neigingtot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent, een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. “Ieder meisje en iedere vrouw”, schreef Hellmann, in een baanbrekend boek, dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, “leert haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats, die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd, deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar een pijnlijke blos moet veroorzaken”16. De gewone vrouw, die niet nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen, bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de psychische persoonlijkheid.
Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. “Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt”. Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu “heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen”. (Boris Sidis, “Studies in Psychopathology”Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.
Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. “Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt”. Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu “heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen”. (Boris Sidis, “Studies in Psychopathology”Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.
Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse, dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities, waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het huwelijk, haar geheele volgende loopbaan,wordt in gevaar gebracht. De onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen, terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden, dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter; zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt, zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.
Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen, dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen, mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had, daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging was17, en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke sekse van den“echtgenoot” ontdekte. “Het beschaafde meisje wordt”, zooals Edward Carpenter opmerkt, “naar het altaar gevoerd, dikwijls in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt staan voltrokken te worden geheel misverstaande”. Zeker zijn meer verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten18. Het meisje is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde, dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. “Al de oprechtheid van geloof is daar”, zooals Senancour het uitdrukt in zijn boekDel’Amour, “de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven, de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,—welke jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar niet zal spelen?” Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de “opwindende rol” die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd, dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot, haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval van een onschuldig jong meisje van zeventien—in dit geval, bleek het toevallig een geïnverteerde te zijn—die er toe overgehaald was om te trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der “huwelijksplichten van devrouw zou uitleggen”. Maar de jonge vrouw antwoordde op de vermaningen van haar moeder: “Als dat mijn vrouwenplicht is, dan was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want, als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn”.De echtgenoot, die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding plaats19. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk, dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?
Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele inwijding van het kind—afgezien van die wetenschappelijke inlichting, die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie—het uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der sexueelehygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder reeds gedaan heeft,wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later, tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland,n.l.lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon, die voor dit speciale doel komt.
Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: “Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen”. (Stanley Hall,Adolescence, deel I, pag. 469). “Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark”, merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), “heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueelehygiënete spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueelehygiënein de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. InGeschlecht und Gesellschaft(deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die vanChotzen.Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueelehygiënete verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisenechter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueelehygiënevoor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat “zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor”. Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor SocialeHygiënein Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat dehygiënevan de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.
Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: “Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen”. (Stanley Hall,Adolescence, deel I, pag. 469). “Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark”, merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), “heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis”.
Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueelehygiënete spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueelehygiënein de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. InGeschlecht und Gesellschaft(deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die vanChotzen.
Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueelehygiënete verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisenechter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueelehygiënevoor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat “zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor”. Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor SocialeHygiënein Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.
Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat dehygiënevan de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.