Chapter 7

Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode, er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter, om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek over de hoofdpunten van sexueelehygiëne. De huisdokter zou het best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de familie20. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden, en bovendienkan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen,hygiënischenen physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken, zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen, en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel, dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar te haspelen.Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting, dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme beteekenis voor de sexueelehygiënevan de moreele, godsdienstige, ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht gegeven worden—en niet de plicht of de taak—om ingewijd te worden in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft, tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen stellen, dat zij tijdens de puberteitde groote ideale aspiraties moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje21.Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit, hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt, zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau zegt “een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft”. Bij het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens, hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs liefderijke moederlijke raad—de invloeden waarmee we tot dusver te doen gehad hebben—machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel voor kunst enpoëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen en aandoeningen—al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg “onbedorven” want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit, wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben—zooals ongelukkig veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën aangaat—dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar het geval is—want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich gelijkelijk aan deze taak aanpassen—om den jongen of het meisje onder handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerigeverwijzing naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen, dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen, het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel, evenzeer als van die van het lichaam.Ceremonies van inwijding in mannelijkheid—die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen—zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het “een zeer goede tucht” was, en voegt er bij, “het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening”.Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews (“Some Initiation Ceremonies”,Zeitschrift für Ethnologie1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dattijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, “Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa”,British Medical Journal, April 29, 1905).De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen ’s avonds te zamen; het tooneel, “laat zich” naar de meening van den zendeling “niet beschrijven”; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, “The Bawenda”,Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann,The Bawenda, pp. 60et seq.).De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus (“The ‘Chensamwali’ or Initiation Ceremony of Girls”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. “Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt”.Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust (“A Puberty Ceremony of the Mission Indians”,American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.De vrouwen van de Tlinkit Eskimo’s zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, “meent Langsdorf”, volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, “dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt”.Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid en extase. De “Divina Comedia” van Dante is hierin het onsterfelijke type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg het uitdrukt, “de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de verbeelding gaat”. Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een deel van de sexueele opvoeding22. Het hangt eenigszins, hoewel gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. “Zoo vele mannen en vrouwen”, schrijft een correspondent, een letterkundig man, “krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten ’s Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde”. Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie vanVenus en Adoniste lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron’s standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, “ontkende” Lord Brougham “dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron’s werken te vinden was”. De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoendereductio ad absurdumvan zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueeleopvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de “psychische infectie” van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. “Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen” (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat “de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden”. Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haarEeuw van het Kindjuist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die “geschikt” voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin inSesame and Lilieswelsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele inlichting en sexueelehygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen van het naakt, die zich beroepen opde lagere instincten. Vroege bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de natuur. “Hij die geleerd heeft”, zooals Höller opmerkt, “rustig het naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de natuur te beschouwen als een kunstwerk”.Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton’s “Bath of Psyche” achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral inDer Körper des Kindes,Die Schönheit des Weiblichen KörpersenDie Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijnStudies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijkvoor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. “Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen”, schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), “dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken”. Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. “Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen”, zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret’s mooiste groepen, “die rooken cigaretten”. En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.

Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode, er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter, om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek over de hoofdpunten van sexueelehygiëne. De huisdokter zou het best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de familie20. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden, en bovendienkan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen,hygiënischenen physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken, zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen, en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel, dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar te haspelen.Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting, dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme beteekenis voor de sexueelehygiënevan de moreele, godsdienstige, ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht gegeven worden—en niet de plicht of de taak—om ingewijd te worden in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft, tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen stellen, dat zij tijdens de puberteitde groote ideale aspiraties moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje21.Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit, hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt, zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau zegt “een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft”. Bij het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens, hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs liefderijke moederlijke raad—de invloeden waarmee we tot dusver te doen gehad hebben—machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel voor kunst enpoëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen en aandoeningen—al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg “onbedorven” want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit, wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben—zooals ongelukkig veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën aangaat—dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar het geval is—want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich gelijkelijk aan deze taak aanpassen—om den jongen of het meisje onder handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerigeverwijzing naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen, dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen, het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel, evenzeer als van die van het lichaam.Ceremonies van inwijding in mannelijkheid—die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen—zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het “een zeer goede tucht” was, en voegt er bij, “het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening”.Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews (“Some Initiation Ceremonies”,Zeitschrift für Ethnologie1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dattijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, “Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa”,British Medical Journal, April 29, 1905).De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen ’s avonds te zamen; het tooneel, “laat zich” naar de meening van den zendeling “niet beschrijven”; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, “The Bawenda”,Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann,The Bawenda, pp. 60et seq.).De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus (“The ‘Chensamwali’ or Initiation Ceremony of Girls”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. “Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt”.Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust (“A Puberty Ceremony of the Mission Indians”,American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.De vrouwen van de Tlinkit Eskimo’s zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, “meent Langsdorf”, volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, “dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt”.Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid en extase. De “Divina Comedia” van Dante is hierin het onsterfelijke type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg het uitdrukt, “de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de verbeelding gaat”. Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een deel van de sexueele opvoeding22. Het hangt eenigszins, hoewel gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. “Zoo vele mannen en vrouwen”, schrijft een correspondent, een letterkundig man, “krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten ’s Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde”. Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie vanVenus en Adoniste lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron’s standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, “ontkende” Lord Brougham “dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron’s werken te vinden was”. De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoendereductio ad absurdumvan zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueeleopvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de “psychische infectie” van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. “Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen” (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat “de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden”. Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haarEeuw van het Kindjuist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die “geschikt” voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin inSesame and Lilieswelsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele inlichting en sexueelehygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen van het naakt, die zich beroepen opde lagere instincten. Vroege bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de natuur. “Hij die geleerd heeft”, zooals Höller opmerkt, “rustig het naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de natuur te beschouwen als een kunstwerk”.Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton’s “Bath of Psyche” achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral inDer Körper des Kindes,Die Schönheit des Weiblichen KörpersenDie Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijnStudies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijkvoor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. “Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen”, schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), “dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken”. Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. “Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen”, zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret’s mooiste groepen, “die rooken cigaretten”. En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.

Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode, er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter, om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek over de hoofdpunten van sexueelehygiëne. De huisdokter zou het best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de familie20. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden, en bovendienkan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen,hygiënischenen physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken, zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen, en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel, dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar te haspelen.Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting, dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme beteekenis voor de sexueelehygiënevan de moreele, godsdienstige, ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht gegeven worden—en niet de plicht of de taak—om ingewijd te worden in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft, tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen stellen, dat zij tijdens de puberteitde groote ideale aspiraties moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje21.Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit, hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt, zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau zegt “een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft”. Bij het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens, hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs liefderijke moederlijke raad—de invloeden waarmee we tot dusver te doen gehad hebben—machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel voor kunst enpoëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen en aandoeningen—al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg “onbedorven” want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit, wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben—zooals ongelukkig veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën aangaat—dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar het geval is—want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich gelijkelijk aan deze taak aanpassen—om den jongen of het meisje onder handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerigeverwijzing naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen, dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen, het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel, evenzeer als van die van het lichaam.Ceremonies van inwijding in mannelijkheid—die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen—zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het “een zeer goede tucht” was, en voegt er bij, “het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening”.Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews (“Some Initiation Ceremonies”,Zeitschrift für Ethnologie1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dattijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, “Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa”,British Medical Journal, April 29, 1905).De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen ’s avonds te zamen; het tooneel, “laat zich” naar de meening van den zendeling “niet beschrijven”; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, “The Bawenda”,Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann,The Bawenda, pp. 60et seq.).De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus (“The ‘Chensamwali’ or Initiation Ceremony of Girls”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. “Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt”.Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust (“A Puberty Ceremony of the Mission Indians”,American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.De vrouwen van de Tlinkit Eskimo’s zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, “meent Langsdorf”, volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, “dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt”.Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid en extase. De “Divina Comedia” van Dante is hierin het onsterfelijke type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg het uitdrukt, “de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de verbeelding gaat”. Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een deel van de sexueele opvoeding22. Het hangt eenigszins, hoewel gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. “Zoo vele mannen en vrouwen”, schrijft een correspondent, een letterkundig man, “krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten ’s Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde”. Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie vanVenus en Adoniste lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron’s standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, “ontkende” Lord Brougham “dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron’s werken te vinden was”. De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoendereductio ad absurdumvan zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueeleopvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de “psychische infectie” van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. “Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen” (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat “de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden”. Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haarEeuw van het Kindjuist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die “geschikt” voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin inSesame and Lilieswelsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele inlichting en sexueelehygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen van het naakt, die zich beroepen opde lagere instincten. Vroege bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de natuur. “Hij die geleerd heeft”, zooals Höller opmerkt, “rustig het naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de natuur te beschouwen als een kunstwerk”.Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton’s “Bath of Psyche” achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral inDer Körper des Kindes,Die Schönheit des Weiblichen KörpersenDie Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijnStudies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijkvoor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. “Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen”, schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), “dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken”. Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. “Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen”, zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret’s mooiste groepen, “die rooken cigaretten”. En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.

Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode, er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter, om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek over de hoofdpunten van sexueelehygiëne. De huisdokter zou het best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de familie20. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden, en bovendienkan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.

Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen,hygiënischenen physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken, zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen, en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel, dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar te haspelen.

Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting, dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme beteekenis voor de sexueelehygiënevan de moreele, godsdienstige, ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht gegeven worden—en niet de plicht of de taak—om ingewijd te worden in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft, tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen stellen, dat zij tijdens de puberteitde groote ideale aspiraties moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje21.

Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit, hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt, zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau zegt “een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft”. Bij het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens, hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs liefderijke moederlijke raad—de invloeden waarmee we tot dusver te doen gehad hebben—machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel voor kunst enpoëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen en aandoeningen—al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg “onbedorven” want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit, wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben—zooals ongelukkig veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën aangaat—dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar het geval is—want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich gelijkelijk aan deze taak aanpassen—om den jongen of het meisje onder handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerigeverwijzing naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen, dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.

Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen, het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel, evenzeer als van die van het lichaam.

Ceremonies van inwijding in mannelijkheid—die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen—zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het “een zeer goede tucht” was, en voegt er bij, “het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening”.Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews (“Some Initiation Ceremonies”,Zeitschrift für Ethnologie1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dattijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, “Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa”,British Medical Journal, April 29, 1905).De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen ’s avonds te zamen; het tooneel, “laat zich” naar de meening van den zendeling “niet beschrijven”; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, “The Bawenda”,Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann,The Bawenda, pp. 60et seq.).De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus (“The ‘Chensamwali’ or Initiation Ceremony of Girls”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. “Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt”.Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust (“A Puberty Ceremony of the Mission Indians”,American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.De vrouwen van de Tlinkit Eskimo’s zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, “meent Langsdorf”, volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, “dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt”.

Ceremonies van inwijding in mannelijkheid—die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen—zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.

De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het “een zeer goede tucht” was, en voegt er bij, “het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening”.

Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews (“Some Initiation Ceremonies”,Zeitschrift für Ethnologie1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.

Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dattijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, “Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa”,British Medical Journal, April 29, 1905).

De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen ’s avonds te zamen; het tooneel, “laat zich” naar de meening van den zendeling “niet beschrijven”; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, “The Bawenda”,Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann,The Bawenda, pp. 60et seq.).

De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus (“The ‘Chensamwali’ or Initiation Ceremony of Girls”,Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. “Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt”.

Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust (“A Puberty Ceremony of the Mission Indians”,American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.

De vrouwen van de Tlinkit Eskimo’s zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, “meent Langsdorf”, volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, “dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt”.

Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.

Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid en extase. De “Divina Comedia” van Dante is hierin het onsterfelijke type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg het uitdrukt, “de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de verbeelding gaat”. Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een deel van de sexueele opvoeding22. Het hangt eenigszins, hoewel gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.

Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. “Zoo vele mannen en vrouwen”, schrijft een correspondent, een letterkundig man, “krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten ’s Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde”. Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie vanVenus en Adoniste lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron’s standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, “ontkende” Lord Brougham “dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron’s werken te vinden was”. De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoendereductio ad absurdumvan zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueeleopvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de “psychische infectie” van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. “Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen” (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat “de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden”. Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haarEeuw van het Kindjuist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die “geschikt” voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin inSesame and Lilieswelsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.

Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. “Zoo vele mannen en vrouwen”, schrijft een correspondent, een letterkundig man, “krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten ’s Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde”. Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie vanVenus en Adoniste lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.

De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.

Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron’s standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, “ontkende” Lord Brougham “dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron’s werken te vinden was”. De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoendereductio ad absurdumvan zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.

We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.

Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueeleopvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de “psychische infectie” van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. “Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen” (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat “de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden”. Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.

Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haarEeuw van het Kindjuist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die “geschikt” voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin inSesame and Lilieswelsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.

Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele inlichting en sexueelehygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen van het naakt, die zich beroepen opde lagere instincten. Vroege bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de natuur. “Hij die geleerd heeft”, zooals Höller opmerkt, “rustig het naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de natuur te beschouwen als een kunstwerk”.

Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton’s “Bath of Psyche” achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral inDer Körper des Kindes,Die Schönheit des Weiblichen KörpersenDie Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijnStudies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijkvoor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. “Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen”, schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), “dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken”. Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. “Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen”, zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret’s mooiste groepen, “die rooken cigaretten”. En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.

Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.

Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton’s “Bath of Psyche” achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).

Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral inDer Körper des Kindes,Die Schönheit des Weiblichen KörpersenDie Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijnStudies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijkvoor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. “Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen”, schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), “dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken”. Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. “Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen”, zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret’s mooiste groepen, “die rooken cigaretten”. En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.


Back to IndexNext