MOEDER EN KIND

MOEDER EN KINDHet recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit verwerkelijkt kan worden.—De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den staat.—Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.—Het vraagstuk betreffende dencoïtustijdens zwangerschap.—De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De taak van den staat.—Vooruitgang der moederbescherming.—Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte gevormd werd.—In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd, de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen1. Toen zij elkander kozen, hebben zij te zamenal de voorouders van hun kind gekozen. Zij hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst kunnen wij alleen het geloof hebben—want alle hoop van de menschheid moet op dat geloof berusten—dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze, zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt onder het hart der moeder.Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting, met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en opwacht staan als het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben, moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan, dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide, ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans, die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie, die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten, zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals wij weten was er oorspronkelijk een element vanrechtvaardigheid in dezen aandrang2. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas, toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten, dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk aanbrengen als ze ooit slagen kon3. Tegenwoordig heeft deze beweging theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts, tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen; het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen; onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever; overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras, of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge individuen van tegenwoordig.Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.In Engeland—dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland isde kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig—komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888–1892 tot 75 per duizend van 1898–1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat “vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken”. Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. “DeJoodsche kinderen in de achterbuurten”, zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, “waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet”. G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over “kindersterfte” den nadruk op het besluit dat wij “allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap.”Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, “maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap”.De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw isrust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn4.De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. “Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap”. Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schadelijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat “tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht—de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici—beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen”5.Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl deweeënmoeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijverAnnales de Gynécologie, Aug. 1898).Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. “De maatschappij”, zegt Letourneux, “moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen” (Letourneux, “De l’Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l’Enfant”, Thèse de Paris, 1897).Dr. Dweira-Bernson (“Revue Pratique d’Obstétrique et de Pédiatrie,” 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddeldegewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet’sDictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150–162; Taylor,MedicalJurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, “Prolonged Gestation”,American JournalObstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte—waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is—blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l’Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, “The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality”,British Medical Journal, Aug. 13, 1904).Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo,Rapport du Poids des Enfants à la Durée de laGrossesse, Thèse de Paris, 1905).Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetusp. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over “PhysicalDeterioration”,British Medical Journal, Oct. 14, 1905.Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo’n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié,Del’Influencedu Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, “dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt”. Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff,L’Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc,Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l’Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo’n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstellingArthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over “The Unborn Child: ItsCareand Its Rights” (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: “Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken.”In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907)A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een “Plea for a Pre-Maternity Hospital” (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijnManual ofAntenatalPathology: The Foetus(Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn veleAsilesin Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is hetAsileMichelet, in 1893 gesticht door de “Assistance Publique” van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijkepositie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de “Conseil Général” van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte eenbureau secret d’admissionvoor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,Refuges, Maternités, Bureaux d’Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l’Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden, dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is, bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap, en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten, maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderneMuzelmannen, en zelfs de Chineezen,zorgen er voor, te waken over de gezondheid van hun vrouwen, als ze zwanger zijn6. Zelfs in Europa in de 13deeeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken, terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis en altijd geduld met haar moeten hebben7.Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor menschelijke grootheid.Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel, die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden invloed zonder dat er eenigevoordeelen tegenover staan. Het is bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken8. De vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt, moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen, dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden, en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt worden9.Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot10.Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchtingduidelijk is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan; voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde11. Onder dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent dat het zaad den foetus zou dooden12.De Talmud is ongunstig gestemd jegens dencoïtustijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, “Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegencoïtustijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de gewone “huwelijksrechten”, hoeweler toch soms een flauw vermoeden achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van dencoïtustijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste,coïtustijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt gevonden13. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard tégen de gewoonte dencoïtusuit te voeren tijdens de zwangerschap. Op het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was, te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw, die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zoulastig zijn, was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang tijdens de zwangerschap te verbieden14.In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen, of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven van Doreste op embryo’s van kippen, schokken en rustverstoringen op het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat doorcoïtus, tijdens den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders, die zich zorgeloos aancoïtushebben overgegeven in den eersten tijd van de zwangerschap, dan kan zulkecoïtusop het embryo gewerkt hebben op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben,coïtustijdens de zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms dat weeën beginnen een paar minuten na de daad15. Het natuurlijk instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap; het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting; de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend bewijs.Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de “Clinique Baudelocque” heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een “Important Notice” in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap ende ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde (“L’Influence de l’Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance”,Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177–214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l’Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest, die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en krachtige kinderen voort te brengen.De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden, en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden, met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt, handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede positie en wat voor haar “hoog loon” is; zij is onder vriendinnen en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden, waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit; zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in eenfabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).In Engeland is het onwettig een vrouw “willens en wetens” in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te “weten” dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit “willens en wetens” wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geenzakkenrollervervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet “wist”, dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. “Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis”, terwijl een andere vrouw zeide: “Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis”. (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling.Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van deChristian Social Union (London Branch)ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te “praktisch”, zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18deeeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseaumachteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt “trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch”. Blacker bevond onder duizendpatiëntenvan de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker,Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska,Contribution à l’Etude de l’Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatiggevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over “Infantile Mortality” in hetBritish Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, “Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse”Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijnDas BürgerlicheRecht und diebesitzlosenKlassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée,Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept.1908, p. 573).Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs“immoreel” haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d’Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem16.Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben—wettig en niet door individueele willekeur ofphilantropische minzaamheid—op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in deConsultations de Nourrissons(met hun vertakking deGoutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In deConsultationsworden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. DeGoutteszijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in deNineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv.A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in deLancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, “Medical Women and Public Health Questions”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d’Arques, 1908).De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaalberusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot—als het dat toevallig is—van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze17. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren “L’État,c’est moi!” Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van “Staatskinderbewaarplaatsen”. Het kind zou op den vroegsten leeftijd vande natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de “moeder”, die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte “dienst”, overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haarMutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo’n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

MOEDER EN KINDHet recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit verwerkelijkt kan worden.—De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den staat.—Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.—Het vraagstuk betreffende dencoïtustijdens zwangerschap.—De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De taak van den staat.—Vooruitgang der moederbescherming.—Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte gevormd werd.—In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd, de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen1. Toen zij elkander kozen, hebben zij te zamenal de voorouders van hun kind gekozen. Zij hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst kunnen wij alleen het geloof hebben—want alle hoop van de menschheid moet op dat geloof berusten—dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze, zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt onder het hart der moeder.Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting, met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en opwacht staan als het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben, moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan, dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide, ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans, die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie, die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten, zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals wij weten was er oorspronkelijk een element vanrechtvaardigheid in dezen aandrang2. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas, toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten, dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk aanbrengen als ze ooit slagen kon3. Tegenwoordig heeft deze beweging theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts, tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen; het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen; onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever; overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras, of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge individuen van tegenwoordig.Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.In Engeland—dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland isde kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig—komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888–1892 tot 75 per duizend van 1898–1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat “vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken”. Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. “DeJoodsche kinderen in de achterbuurten”, zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, “waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet”. G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over “kindersterfte” den nadruk op het besluit dat wij “allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap.”Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, “maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap”.De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw isrust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn4.De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. “Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap”. Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schadelijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat “tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht—de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici—beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen”5.Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl deweeënmoeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijverAnnales de Gynécologie, Aug. 1898).Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. “De maatschappij”, zegt Letourneux, “moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen” (Letourneux, “De l’Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l’Enfant”, Thèse de Paris, 1897).Dr. Dweira-Bernson (“Revue Pratique d’Obstétrique et de Pédiatrie,” 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddeldegewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet’sDictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150–162; Taylor,MedicalJurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, “Prolonged Gestation”,American JournalObstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte—waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is—blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l’Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, “The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality”,British Medical Journal, Aug. 13, 1904).Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo,Rapport du Poids des Enfants à la Durée de laGrossesse, Thèse de Paris, 1905).Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetusp. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over “PhysicalDeterioration”,British Medical Journal, Oct. 14, 1905.Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo’n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié,Del’Influencedu Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, “dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt”. Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff,L’Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc,Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l’Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo’n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstellingArthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over “The Unborn Child: ItsCareand Its Rights” (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: “Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken.”In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907)A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een “Plea for a Pre-Maternity Hospital” (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijnManual ofAntenatalPathology: The Foetus(Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn veleAsilesin Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is hetAsileMichelet, in 1893 gesticht door de “Assistance Publique” van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijkepositie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de “Conseil Général” van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte eenbureau secret d’admissionvoor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,Refuges, Maternités, Bureaux d’Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l’Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden, dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is, bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap, en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten, maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderneMuzelmannen, en zelfs de Chineezen,zorgen er voor, te waken over de gezondheid van hun vrouwen, als ze zwanger zijn6. Zelfs in Europa in de 13deeeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken, terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis en altijd geduld met haar moeten hebben7.Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor menschelijke grootheid.Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel, die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden invloed zonder dat er eenigevoordeelen tegenover staan. Het is bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken8. De vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt, moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen, dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden, en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt worden9.Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot10.Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchtingduidelijk is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan; voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde11. Onder dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent dat het zaad den foetus zou dooden12.De Talmud is ongunstig gestemd jegens dencoïtustijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, “Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegencoïtustijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de gewone “huwelijksrechten”, hoeweler toch soms een flauw vermoeden achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van dencoïtustijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste,coïtustijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt gevonden13. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard tégen de gewoonte dencoïtusuit te voeren tijdens de zwangerschap. Op het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was, te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw, die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zoulastig zijn, was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang tijdens de zwangerschap te verbieden14.In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen, of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven van Doreste op embryo’s van kippen, schokken en rustverstoringen op het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat doorcoïtus, tijdens den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders, die zich zorgeloos aancoïtushebben overgegeven in den eersten tijd van de zwangerschap, dan kan zulkecoïtusop het embryo gewerkt hebben op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben,coïtustijdens de zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms dat weeën beginnen een paar minuten na de daad15. Het natuurlijk instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap; het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting; de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend bewijs.Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de “Clinique Baudelocque” heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een “Important Notice” in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap ende ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde (“L’Influence de l’Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance”,Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177–214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l’Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest, die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en krachtige kinderen voort te brengen.De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden, en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden, met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt, handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede positie en wat voor haar “hoog loon” is; zij is onder vriendinnen en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden, waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit; zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in eenfabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).In Engeland is het onwettig een vrouw “willens en wetens” in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te “weten” dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit “willens en wetens” wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geenzakkenrollervervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet “wist”, dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. “Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis”, terwijl een andere vrouw zeide: “Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis”. (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling.Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van deChristian Social Union (London Branch)ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te “praktisch”, zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18deeeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseaumachteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt “trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch”. Blacker bevond onder duizendpatiëntenvan de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker,Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska,Contribution à l’Etude de l’Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatiggevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over “Infantile Mortality” in hetBritish Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, “Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse”Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijnDas BürgerlicheRecht und diebesitzlosenKlassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée,Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept.1908, p. 573).Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs“immoreel” haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d’Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem16.Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben—wettig en niet door individueele willekeur ofphilantropische minzaamheid—op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in deConsultations de Nourrissons(met hun vertakking deGoutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In deConsultationsworden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. DeGoutteszijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in deNineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv.A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in deLancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, “Medical Women and Public Health Questions”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d’Arques, 1908).De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaalberusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot—als het dat toevallig is—van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze17. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren “L’État,c’est moi!” Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van “Staatskinderbewaarplaatsen”. Het kind zou op den vroegsten leeftijd vande natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de “moeder”, die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte “dienst”, overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haarMutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo’n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

MOEDER EN KINDHet recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit verwerkelijkt kan worden.—De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den staat.—Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.—Het vraagstuk betreffende dencoïtustijdens zwangerschap.—De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De taak van den staat.—Vooruitgang der moederbescherming.—Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.

Het recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit verwerkelijkt kan worden.—De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den staat.—Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.—Het vraagstuk betreffende dencoïtustijdens zwangerschap.—De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De taak van den staat.—Vooruitgang der moederbescherming.—Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.

Het recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.—Hoe dit verwerkelijkt kan worden.—De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.—Moederschap en vrouwenbeweging.—De enorme beteekenis van het moederschap.—De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.—De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.—De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.—Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.—De taak van den staat.—Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.—Het vraagstuk betreffende dencoïtustijdens zwangerschap.—De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.—De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.—De economische vraag.—De taak van den staat.—Vooruitgang der moederbescherming.—Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.

De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte gevormd werd.—In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd, de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen1. Toen zij elkander kozen, hebben zij te zamenal de voorouders van hun kind gekozen. Zij hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst kunnen wij alleen het geloof hebben—want alle hoop van de menschheid moet op dat geloof berusten—dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze, zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt onder het hart der moeder.Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting, met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en opwacht staan als het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben, moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan, dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide, ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans, die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie, die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten, zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals wij weten was er oorspronkelijk een element vanrechtvaardigheid in dezen aandrang2. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas, toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten, dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk aanbrengen als ze ooit slagen kon3. Tegenwoordig heeft deze beweging theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts, tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen; het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen; onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever; overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras, of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge individuen van tegenwoordig.Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.In Engeland—dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland isde kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig—komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888–1892 tot 75 per duizend van 1898–1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat “vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken”. Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. “DeJoodsche kinderen in de achterbuurten”, zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, “waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet”. G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over “kindersterfte” den nadruk op het besluit dat wij “allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap.”Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, “maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap”.De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw isrust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn4.De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. “Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap”. Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schadelijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat “tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht—de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici—beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen”5.Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl deweeënmoeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijverAnnales de Gynécologie, Aug. 1898).Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. “De maatschappij”, zegt Letourneux, “moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen” (Letourneux, “De l’Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l’Enfant”, Thèse de Paris, 1897).Dr. Dweira-Bernson (“Revue Pratique d’Obstétrique et de Pédiatrie,” 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddeldegewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet’sDictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150–162; Taylor,MedicalJurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, “Prolonged Gestation”,American JournalObstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte—waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is—blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l’Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, “The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality”,British Medical Journal, Aug. 13, 1904).Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo,Rapport du Poids des Enfants à la Durée de laGrossesse, Thèse de Paris, 1905).Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetusp. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over “PhysicalDeterioration”,British Medical Journal, Oct. 14, 1905.Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo’n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié,Del’Influencedu Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, “dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt”. Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff,L’Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc,Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l’Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo’n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstellingArthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over “The Unborn Child: ItsCareand Its Rights” (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: “Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken.”In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907)A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een “Plea for a Pre-Maternity Hospital” (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijnManual ofAntenatalPathology: The Foetus(Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn veleAsilesin Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is hetAsileMichelet, in 1893 gesticht door de “Assistance Publique” van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijkepositie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de “Conseil Général” van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte eenbureau secret d’admissionvoor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,Refuges, Maternités, Bureaux d’Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l’Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden, dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is, bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap, en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten, maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderneMuzelmannen, en zelfs de Chineezen,zorgen er voor, te waken over de gezondheid van hun vrouwen, als ze zwanger zijn6. Zelfs in Europa in de 13deeeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken, terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis en altijd geduld met haar moeten hebben7.Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor menschelijke grootheid.Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel, die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden invloed zonder dat er eenigevoordeelen tegenover staan. Het is bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken8. De vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt, moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen, dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden, en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt worden9.Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot10.Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchtingduidelijk is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan; voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde11. Onder dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent dat het zaad den foetus zou dooden12.De Talmud is ongunstig gestemd jegens dencoïtustijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, “Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegencoïtustijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de gewone “huwelijksrechten”, hoeweler toch soms een flauw vermoeden achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van dencoïtustijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste,coïtustijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt gevonden13. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard tégen de gewoonte dencoïtusuit te voeren tijdens de zwangerschap. Op het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was, te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw, die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zoulastig zijn, was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang tijdens de zwangerschap te verbieden14.In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen, of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven van Doreste op embryo’s van kippen, schokken en rustverstoringen op het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat doorcoïtus, tijdens den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders, die zich zorgeloos aancoïtushebben overgegeven in den eersten tijd van de zwangerschap, dan kan zulkecoïtusop het embryo gewerkt hebben op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben,coïtustijdens de zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms dat weeën beginnen een paar minuten na de daad15. Het natuurlijk instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap; het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting; de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend bewijs.Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de “Clinique Baudelocque” heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een “Important Notice” in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap ende ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde (“L’Influence de l’Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance”,Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177–214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l’Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest, die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en krachtige kinderen voort te brengen.De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden, en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden, met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt, handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede positie en wat voor haar “hoog loon” is; zij is onder vriendinnen en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden, waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit; zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in eenfabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).In Engeland is het onwettig een vrouw “willens en wetens” in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te “weten” dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit “willens en wetens” wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geenzakkenrollervervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet “wist”, dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. “Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis”, terwijl een andere vrouw zeide: “Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis”. (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling.Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van deChristian Social Union (London Branch)ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te “praktisch”, zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18deeeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseaumachteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt “trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch”. Blacker bevond onder duizendpatiëntenvan de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker,Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska,Contribution à l’Etude de l’Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatiggevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over “Infantile Mortality” in hetBritish Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, “Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse”Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijnDas BürgerlicheRecht und diebesitzlosenKlassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée,Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept.1908, p. 573).Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs“immoreel” haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d’Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem16.Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben—wettig en niet door individueele willekeur ofphilantropische minzaamheid—op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in deConsultations de Nourrissons(met hun vertakking deGoutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In deConsultationsworden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. DeGoutteszijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in deNineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv.A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in deLancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, “Medical Women and Public Health Questions”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d’Arques, 1908).De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaalberusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot—als het dat toevallig is—van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze17. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren “L’État,c’est moi!” Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van “Staatskinderbewaarplaatsen”. Het kind zou op den vroegsten leeftijd vande natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de “moeder”, die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte “dienst”, overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haarMutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo’n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte gevormd werd.—In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd, de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen1. Toen zij elkander kozen, hebben zij te zamenal de voorouders van hun kind gekozen. Zij hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.

Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst kunnen wij alleen het geloof hebben—want alle hoop van de menschheid moet op dat geloof berusten—dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze, zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.

Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt onder het hart der moeder.

Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting, met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en opwacht staan als het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.

Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben, moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan, dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide, ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans, die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie, die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten, zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals wij weten was er oorspronkelijk een element vanrechtvaardigheid in dezen aandrang2. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas, toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten, dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk aanbrengen als ze ooit slagen kon3. Tegenwoordig heeft deze beweging theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts, tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen; het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen; onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever; overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras, of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge individuen van tegenwoordig.

Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.In Engeland—dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland isde kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig—komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888–1892 tot 75 per duizend van 1898–1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat “vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken”. Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. “DeJoodsche kinderen in de achterbuurten”, zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, “waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet”. G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over “kindersterfte” den nadruk op het besluit dat wij “allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap.”Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, “maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap”.

Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.

In Engeland—dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland isde kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig—komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888–1892 tot 75 per duizend van 1898–1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat “vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken”. Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.

Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. “DeJoodsche kinderen in de achterbuurten”, zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, “waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet”. G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over “kindersterfte” den nadruk op het besluit dat wij “allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap.”Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, “maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap”.

De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw isrust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn4.

De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. “Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap”. Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schadelijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat “tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht—de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici—beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen”5.

Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl deweeënmoeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijverAnnales de Gynécologie, Aug. 1898).Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. “De maatschappij”, zegt Letourneux, “moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen” (Letourneux, “De l’Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l’Enfant”, Thèse de Paris, 1897).Dr. Dweira-Bernson (“Revue Pratique d’Obstétrique et de Pédiatrie,” 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddeldegewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet’sDictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150–162; Taylor,MedicalJurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, “Prolonged Gestation”,American JournalObstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte—waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is—blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l’Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, “The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality”,British Medical Journal, Aug. 13, 1904).Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo,Rapport du Poids des Enfants à la Durée de laGrossesse, Thèse de Paris, 1905).Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetusp. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over “PhysicalDeterioration”,British Medical Journal, Oct. 14, 1905.Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo’n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié,Del’Influencedu Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, “dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt”. Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff,L’Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc,Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l’Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo’n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstellingArthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over “The Unborn Child: ItsCareand Its Rights” (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: “Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken.”In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907)A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een “Plea for a Pre-Maternity Hospital” (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijnManual ofAntenatalPathology: The Foetus(Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn veleAsilesin Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is hetAsileMichelet, in 1893 gesticht door de “Assistance Publique” van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijkepositie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de “Conseil Général” van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte eenbureau secret d’admissionvoor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,Refuges, Maternités, Bureaux d’Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l’Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.

Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl deweeënmoeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard,Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijverAnnales de Gynécologie, Aug. 1898).

Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden,enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. “De maatschappij”, zegt Letourneux, “moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen” (Letourneux, “De l’Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l’Enfant”, Thèse de Paris, 1897).

Dr. Dweira-Bernson (“Revue Pratique d’Obstétrique et de Pédiatrie,” 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddeldegewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.

De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet’sDictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150–162; Taylor,MedicalJurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, “Prolonged Gestation”,American JournalObstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte—waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is—blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l’Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.

Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, “The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality”,British Medical Journal, Aug. 13, 1904).

Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo,Rapport du Poids des Enfants à la Durée de laGrossesse, Thèse de Paris, 1905).

Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetusp. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over “PhysicalDeterioration”,British Medical Journal, Oct. 14, 1905.

Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.

Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo’n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié,Del’Influencedu Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).

Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, “dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt”. Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff,L’Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc,Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).

Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l’Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo’n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstellingArthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over “The Unborn Child: ItsCareand Its Rights” (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: “Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken.”

In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907)A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een “Plea for a Pre-Maternity Hospital” (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijnManual ofAntenatalPathology: The Foetus(Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.

Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn veleAsilesin Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is hetAsileMichelet, in 1893 gesticht door de “Assistance Publique” van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.

Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijkepositie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de “Conseil Général” van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte eenbureau secret d’admissionvoor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune,Refuges, Maternités, Bureaux d’Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l’Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.

De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden, dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is, bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap, en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten, maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderneMuzelmannen, en zelfs de Chineezen,zorgen er voor, te waken over de gezondheid van hun vrouwen, als ze zwanger zijn6. Zelfs in Europa in de 13deeeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken, terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis en altijd geduld met haar moeten hebben7.

Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor menschelijke grootheid.

Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel, die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden invloed zonder dat er eenigevoordeelen tegenover staan. Het is bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken8. De vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt, moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen, dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden, en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt worden9.

Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot10.

Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchtingduidelijk is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan; voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde11. Onder dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent dat het zaad den foetus zou dooden12.

De Talmud is ongunstig gestemd jegens dencoïtustijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, “Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegencoïtustijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.

De Talmud is ongunstig gestemd jegens dencoïtustijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, “Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens”,Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegencoïtustijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.

Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de gewone “huwelijksrechten”, hoeweler toch soms een flauw vermoeden achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van dencoïtustijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste,coïtustijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt gevonden13. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.

Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard tégen de gewoonte dencoïtusuit te voeren tijdens de zwangerschap. Op het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was, te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw, die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zoulastig zijn, was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang tijdens de zwangerschap te verbieden14.

In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen, of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven van Doreste op embryo’s van kippen, schokken en rustverstoringen op het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat doorcoïtus, tijdens den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders, die zich zorgeloos aancoïtushebben overgegeven in den eersten tijd van de zwangerschap, dan kan zulkecoïtusop het embryo gewerkt hebben op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben,coïtustijdens de zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms dat weeën beginnen een paar minuten na de daad15. Het natuurlijk instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap; het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting; de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend bewijs.

Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de “Clinique Baudelocque” heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een “Important Notice” in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap ende ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde (“L’Influence de l’Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance”,Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177–214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l’Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.

Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de “Clinique Baudelocque” heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een “Important Notice” in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap ende ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde (“L’Influence de l’Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance”,Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177–214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.

Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l’Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.

Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest, die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en krachtige kinderen voort te brengen.

De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden, en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden, met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt, handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.

Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede positie en wat voor haar “hoog loon” is; zij is onder vriendinnen en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden, waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit; zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.

In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in eenfabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).In Engeland is het onwettig een vrouw “willens en wetens” in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te “weten” dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit “willens en wetens” wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geenzakkenrollervervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet “wist”, dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. “Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis”, terwijl een andere vrouw zeide: “Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis”. (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling.Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van deChristian Social Union (London Branch)ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te “praktisch”, zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.

In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.

In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in eenfabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.

In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat,La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).

In Engeland is het onwettig een vrouw “willens en wetens” in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te “weten” dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit “willens en wetens” wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geenzakkenrollervervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet “wist”, dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.

De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. “Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis”, terwijl een andere vrouw zeide: “Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis”. (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)

Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling.Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.

Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van deChristian Social Union (London Branch)ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).

In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te “praktisch”, zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.

Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.

Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18deeeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseaumachteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.

Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt “trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch”. Blacker bevond onder duizendpatiëntenvan de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker,Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska,Contribution à l’Etude de l’Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.

Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt “trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch”. Blacker bevond onder duizendpatiëntenvan de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker,Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska,Contribution à l’Etude de l’Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.

De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.

Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.

Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.

Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.

Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatiggevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over “Infantile Mortality” in hetBritish Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, “Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse”Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijnDas BürgerlicheRecht und diebesitzlosenKlassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée,Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept.1908, p. 573).

Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatiggevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).

De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over “Infantile Mortality” in hetBritish Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, “Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse”Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).

Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijnDas BürgerlicheRecht und diebesitzlosenKlassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée,Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept.1908, p. 573).

Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs“immoreel” haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.

Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d’Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem16.

Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben—wettig en niet door individueele willekeur ofphilantropische minzaamheid—op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in deConsultations de Nourrissons(met hun vertakking deGoutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In deConsultationsworden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. DeGoutteszijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in deNineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv.A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in deLancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, “Medical Women and Public Health Questions”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d’Arques, 1908).De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaalberusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).

Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben—wettig en niet door individueele willekeur ofphilantropische minzaamheid—op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.

Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in deConsultations de Nourrissons(met hun vertakking deGoutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In deConsultationsworden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. DeGoutteszijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in deNineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv.A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in deLancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, “Medical Women and Public Health Questions”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.

De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d’Arques, 1908).

De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaalberusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).

Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot—als het dat toevallig is—van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze17. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren “L’État,c’est moi!” Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van “Staatskinderbewaarplaatsen”. Het kind zou op den vroegsten leeftijd vande natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de “moeder”, die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.

Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte “dienst”, overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haarMutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo’n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte “dienst”, overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haarMutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo’n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.


Back to IndexNext