SEXUEELE OPVOEDING EN NAAKTHEIDDe Grieksche houding tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in middeleeuwsche tijden.—Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.—De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van physieke trots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De aesthetische waarde van naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.—Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.—De moreele waarde van naaktheid.De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische opvoeders.In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd, dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen met de mannen, of in hun tegenwoordigheid1. Plato keurde in zijn “Republiek” zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen, die er om lachten, niets was dan “onrijp fruit, geplukt van den boom der kennis”. Over vele kwesties zijn Plato’s opinies veranderd, maar niet over deze. In de “Wetten”, die het laatste resultaat zijn van zijn philosophische overdenking in zijnouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII) een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een kleeding, die den vorm niet bedekte.Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de Grieken en in onzen engen zin meer “moreel”, geen gevoel toonden voor den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben, dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt, als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting voor de tooneelspelers. “Flagitii principium est, nudare inter cives corpora”. Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche gevoelen. “Quanta perversitas!” zooals Tertullianus uitriep. “Artem magnificant, artificem notant”2. Zoo legden de Romeinen, hoewel zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid den grondslag van de Christelijke moraal.Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato’s ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij “het vleesch” noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. “Het vleesch” is slecht; dus moet “het vleesch” verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.Burton zegt, in zijnAnatomy of Melancholy(Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: “MaarEusebiusenTheodoretgeeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelenveroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust”. “Toch”, voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III),zonder protest bij, “meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de FranschmanMontaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam”.Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over “The Evolution of Modesty”.“In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap”, zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), “heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding”. Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. “Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij”, zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver vanStudies of the Human Form, “dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was”. Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van “het vleesch”, hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in “The Evolution of Modesty”, eveneens van mijne hand.Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij grootemate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijnHöfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort “gekleed waren in wit leder” (E. K. Chambers,The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van desexueeleorganen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l’Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van “Gabrielle d’Estrées au Bain” in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: “Hebt berouw! Hebt berouw!” geheel naakt, behalve dat hij “zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden”. (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).In een hoofdstuk “De la Nudité” en in de appendices van zijn boekDe l’Amour(deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheelverboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen,die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het “onfatsoenlijk” was, of in het uiterste geval “walgelijk”. Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid—er is geen ander woord voor—waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp “Undue Introduction of Western Ways”. “In het midden van het dorp”, merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), “is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebbengoede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand”.Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als “de voeten”. De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. “Dion, de philosoof, vertelt ons”, merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) “dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok”. Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: “Deze vrouwen”, zegt hij, “spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen”, verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, “bederven zelfs de taal”. Ieder keer wanneer een kunstmatige “zedigheid” aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekendeLucindevan Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie,een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen (“Wat een modernen mensch aangaat”, schreef hij, “als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk”); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.Wij vinden het belang van het zien van het lichaam—hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk—uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijnUtopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid—geenszins van More’s standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid—is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet inDe l’Amourvan Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. “Laten we ons eens voorstellen”, zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, “een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.… Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbiedvoor die conventies, die voor alle tijden gelden”. (Senancour,De l’Amour, vol. 1, p. 314).Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: “De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen”.Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijnSexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: “Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting”.Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: “Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm vannaaktheidlosgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemenartistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte”.Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van “luchtbaden” duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. “Lord Monboddo” zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) “vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde “een luchtbad nemen””. Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt inzijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: “Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid”. De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijnIntroduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques(1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in deBritish Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs (“Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals deItinaryvan Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. “Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij”, merkt Frederik Boyle op in een geschrift (“Natuurvolken en kleederen”,Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch “geheel aangezicht is”.Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijnNackt-Cultur, en door R. Ungewitter inDieNacktheit(het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat “naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving”; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid—daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan—is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aande naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen, die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen, worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht, komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg, ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn als “indecent”. Er is ook nog een groot verschil in meening over de grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden, en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is “de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam”. Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie (“Ein Kapitel zur Erziehungsfrage”,Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak—evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting—aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. “Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het “verkeerde aandriften zou wekken”. Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.… Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen”. En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maarom de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: “Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk”. Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijnLiebesleben in der Natur(vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. “Op deze wijze”, meent hij, “zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt”. Voor hen, die “moreele” twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamengeheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?”(Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is, van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde, aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat “Een vrouw haar ingetogenheid aflegt met haar hemd” was een geliefkoosde tekst van de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld: “In het geheel niet”, verklaarde hij, “zij, die ingetogen is, kleedt zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt”. “Een vrouw kan naakt zijn”, zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz, in Japan, opmerkte, “en toch zich als een dame gedragen”3.De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook overheerschend is4. Zoolangals deze onnatuurlijke verhitheid bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct, dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid enimpulsenvan ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn.Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen “deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen”.Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. “In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, deintuïtievan haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk”. (Céline Renooz,PsychologieComparéede l’Homme et de la Femme, pp. 85–87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck’sLife of Brahms), dat zeide: “Men geniet tweemaal zooveel van muziek als mengedécolleteerdis”.Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid—voor zoover ze toegestaan is door de publieke opinie—neiging heeft invloed uit te oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft, bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen, want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander’s wederkeerige tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. “De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk”, zeide James Hinton, “dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden”. Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam—zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is—ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.“Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne”, schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, “toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranenkwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: “Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden”.”Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen “naakt lichaam”, zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.“Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen”, zegt Hinton, “en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken”. Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de “levende beelden” en “levende schilderijen” die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden inDie Nacktheitvan Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. “Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijkewijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid”. (R. Ungewitter,Die Nacktheit, p. 58).Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijnStudies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld inDie Nacktheitvan Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in debeschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die “erotische kleptomanie”, zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische,hygiënischeen aesthetische voordeelen5van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden vanhen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.“De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken”, merkt Edward Carpenter op. “Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?” Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. “Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken”. (Edward CarpenterAlbany Review, Sept., 1907).Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: “Is niet”, schrijft hij, “de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.… Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!… Miss —— vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal eenwerkkomen—en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.… Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: “Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben”. Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: “Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood,of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten”. Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen.”1Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): “Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn”.↑2Augustinus (DeCivitateDei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.↑3Zie “TheEvolutionof Modesty”, eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.↑4C. H. Stratz,Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III;id.,Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.↑5Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. “In al de kunsten”, merkt Maeterlinck op, “zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid”. Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, “Fidus”,Deutsche Kultur, Aug., 1906).↑
SEXUEELE OPVOEDING EN NAAKTHEIDDe Grieksche houding tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in middeleeuwsche tijden.—Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.—De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van physieke trots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De aesthetische waarde van naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.—Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.—De moreele waarde van naaktheid.De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische opvoeders.In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd, dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen met de mannen, of in hun tegenwoordigheid1. Plato keurde in zijn “Republiek” zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen, die er om lachten, niets was dan “onrijp fruit, geplukt van den boom der kennis”. Over vele kwesties zijn Plato’s opinies veranderd, maar niet over deze. In de “Wetten”, die het laatste resultaat zijn van zijn philosophische overdenking in zijnouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII) een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een kleeding, die den vorm niet bedekte.Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de Grieken en in onzen engen zin meer “moreel”, geen gevoel toonden voor den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben, dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt, als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting voor de tooneelspelers. “Flagitii principium est, nudare inter cives corpora”. Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche gevoelen. “Quanta perversitas!” zooals Tertullianus uitriep. “Artem magnificant, artificem notant”2. Zoo legden de Romeinen, hoewel zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid den grondslag van de Christelijke moraal.Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato’s ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij “het vleesch” noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. “Het vleesch” is slecht; dus moet “het vleesch” verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.Burton zegt, in zijnAnatomy of Melancholy(Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: “MaarEusebiusenTheodoretgeeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelenveroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust”. “Toch”, voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III),zonder protest bij, “meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de FranschmanMontaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam”.Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over “The Evolution of Modesty”.“In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap”, zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), “heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding”. Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. “Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij”, zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver vanStudies of the Human Form, “dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was”. Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van “het vleesch”, hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in “The Evolution of Modesty”, eveneens van mijne hand.Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij grootemate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijnHöfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort “gekleed waren in wit leder” (E. K. Chambers,The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van desexueeleorganen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l’Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van “Gabrielle d’Estrées au Bain” in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: “Hebt berouw! Hebt berouw!” geheel naakt, behalve dat hij “zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden”. (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).In een hoofdstuk “De la Nudité” en in de appendices van zijn boekDe l’Amour(deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheelverboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen,die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het “onfatsoenlijk” was, of in het uiterste geval “walgelijk”. Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid—er is geen ander woord voor—waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp “Undue Introduction of Western Ways”. “In het midden van het dorp”, merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), “is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebbengoede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand”.Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als “de voeten”. De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. “Dion, de philosoof, vertelt ons”, merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) “dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok”. Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: “Deze vrouwen”, zegt hij, “spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen”, verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, “bederven zelfs de taal”. Ieder keer wanneer een kunstmatige “zedigheid” aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekendeLucindevan Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie,een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen (“Wat een modernen mensch aangaat”, schreef hij, “als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk”); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.Wij vinden het belang van het zien van het lichaam—hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk—uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijnUtopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid—geenszins van More’s standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid—is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet inDe l’Amourvan Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. “Laten we ons eens voorstellen”, zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, “een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.… Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbiedvoor die conventies, die voor alle tijden gelden”. (Senancour,De l’Amour, vol. 1, p. 314).Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: “De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen”.Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijnSexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: “Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting”.Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: “Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm vannaaktheidlosgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemenartistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte”.Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van “luchtbaden” duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. “Lord Monboddo” zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) “vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde “een luchtbad nemen””. Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt inzijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: “Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid”. De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijnIntroduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques(1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in deBritish Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs (“Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals deItinaryvan Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. “Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij”, merkt Frederik Boyle op in een geschrift (“Natuurvolken en kleederen”,Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch “geheel aangezicht is”.Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijnNackt-Cultur, en door R. Ungewitter inDieNacktheit(het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat “naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving”; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid—daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan—is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aande naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen, die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen, worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht, komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg, ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn als “indecent”. Er is ook nog een groot verschil in meening over de grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden, en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is “de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam”. Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie (“Ein Kapitel zur Erziehungsfrage”,Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak—evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting—aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. “Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het “verkeerde aandriften zou wekken”. Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.… Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen”. En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maarom de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: “Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk”. Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijnLiebesleben in der Natur(vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. “Op deze wijze”, meent hij, “zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt”. Voor hen, die “moreele” twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamengeheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?”(Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is, van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde, aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat “Een vrouw haar ingetogenheid aflegt met haar hemd” was een geliefkoosde tekst van de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld: “In het geheel niet”, verklaarde hij, “zij, die ingetogen is, kleedt zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt”. “Een vrouw kan naakt zijn”, zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz, in Japan, opmerkte, “en toch zich als een dame gedragen”3.De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook overheerschend is4. Zoolangals deze onnatuurlijke verhitheid bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct, dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid enimpulsenvan ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn.Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen “deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen”.Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. “In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, deintuïtievan haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk”. (Céline Renooz,PsychologieComparéede l’Homme et de la Femme, pp. 85–87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck’sLife of Brahms), dat zeide: “Men geniet tweemaal zooveel van muziek als mengedécolleteerdis”.Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid—voor zoover ze toegestaan is door de publieke opinie—neiging heeft invloed uit te oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft, bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen, want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander’s wederkeerige tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. “De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk”, zeide James Hinton, “dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden”. Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam—zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is—ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.“Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne”, schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, “toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranenkwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: “Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden”.”Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen “naakt lichaam”, zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.“Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen”, zegt Hinton, “en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken”. Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de “levende beelden” en “levende schilderijen” die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden inDie Nacktheitvan Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. “Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijkewijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid”. (R. Ungewitter,Die Nacktheit, p. 58).Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijnStudies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld inDie Nacktheitvan Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in debeschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die “erotische kleptomanie”, zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische,hygiënischeen aesthetische voordeelen5van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden vanhen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.“De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken”, merkt Edward Carpenter op. “Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?” Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. “Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken”. (Edward CarpenterAlbany Review, Sept., 1907).Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: “Is niet”, schrijft hij, “de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.… Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!… Miss —— vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal eenwerkkomen—en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.… Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: “Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben”. Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: “Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood,of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten”. Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen.”1Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): “Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn”.↑2Augustinus (DeCivitateDei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.↑3Zie “TheEvolutionof Modesty”, eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.↑4C. H. Stratz,Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III;id.,Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.↑5Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. “In al de kunsten”, merkt Maeterlinck op, “zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid”. Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, “Fidus”,Deutsche Kultur, Aug., 1906).↑
SEXUEELE OPVOEDING EN NAAKTHEIDDe Grieksche houding tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in middeleeuwsche tijden.—Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.—De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van physieke trots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De aesthetische waarde van naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.—Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.—De moreele waarde van naaktheid.
De Grieksche houding tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in middeleeuwsche tijden.—Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.—De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van physieke trots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De aesthetische waarde van naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.—Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.—De moreele waarde van naaktheid.
De Grieksche houding tegenover de naaktheid.—Hoe de Romeinen die houding wijzigden.—De invloed van het Christendom.—Naaktheid in middeleeuwsche tijden.—Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.—De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.—Preutschheid.—De romantische beweging.—Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.—De hygiënische beschouwing van de naaktheid.—Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.—Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.—Het instinct van physieke trots.—De waarde van naaktheid in de opvoeding.—De aesthetische waarde van naaktheid.—Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.—Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.—De moreele waarde van naaktheid.
De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische opvoeders.In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd, dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen met de mannen, of in hun tegenwoordigheid1. Plato keurde in zijn “Republiek” zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen, die er om lachten, niets was dan “onrijp fruit, geplukt van den boom der kennis”. Over vele kwesties zijn Plato’s opinies veranderd, maar niet over deze. In de “Wetten”, die het laatste resultaat zijn van zijn philosophische overdenking in zijnouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII) een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een kleeding, die den vorm niet bedekte.Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de Grieken en in onzen engen zin meer “moreel”, geen gevoel toonden voor den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben, dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt, als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting voor de tooneelspelers. “Flagitii principium est, nudare inter cives corpora”. Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche gevoelen. “Quanta perversitas!” zooals Tertullianus uitriep. “Artem magnificant, artificem notant”2. Zoo legden de Romeinen, hoewel zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid den grondslag van de Christelijke moraal.Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato’s ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij “het vleesch” noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. “Het vleesch” is slecht; dus moet “het vleesch” verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.Burton zegt, in zijnAnatomy of Melancholy(Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: “MaarEusebiusenTheodoretgeeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelenveroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust”. “Toch”, voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III),zonder protest bij, “meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de FranschmanMontaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam”.Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over “The Evolution of Modesty”.“In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap”, zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), “heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding”. Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. “Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij”, zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver vanStudies of the Human Form, “dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was”. Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van “het vleesch”, hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in “The Evolution of Modesty”, eveneens van mijne hand.Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij grootemate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijnHöfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort “gekleed waren in wit leder” (E. K. Chambers,The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van desexueeleorganen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l’Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van “Gabrielle d’Estrées au Bain” in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: “Hebt berouw! Hebt berouw!” geheel naakt, behalve dat hij “zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden”. (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).In een hoofdstuk “De la Nudité” en in de appendices van zijn boekDe l’Amour(deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheelverboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen,die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het “onfatsoenlijk” was, of in het uiterste geval “walgelijk”. Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid—er is geen ander woord voor—waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp “Undue Introduction of Western Ways”. “In het midden van het dorp”, merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), “is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebbengoede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand”.Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als “de voeten”. De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. “Dion, de philosoof, vertelt ons”, merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) “dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok”. Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: “Deze vrouwen”, zegt hij, “spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen”, verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, “bederven zelfs de taal”. Ieder keer wanneer een kunstmatige “zedigheid” aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekendeLucindevan Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie,een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen (“Wat een modernen mensch aangaat”, schreef hij, “als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk”); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.Wij vinden het belang van het zien van het lichaam—hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk—uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijnUtopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid—geenszins van More’s standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid—is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet inDe l’Amourvan Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. “Laten we ons eens voorstellen”, zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, “een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.… Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbiedvoor die conventies, die voor alle tijden gelden”. (Senancour,De l’Amour, vol. 1, p. 314).Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: “De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen”.Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijnSexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: “Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting”.Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: “Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm vannaaktheidlosgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemenartistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte”.Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van “luchtbaden” duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. “Lord Monboddo” zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) “vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde “een luchtbad nemen””. Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt inzijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: “Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid”. De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijnIntroduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques(1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in deBritish Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs (“Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals deItinaryvan Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. “Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij”, merkt Frederik Boyle op in een geschrift (“Natuurvolken en kleederen”,Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch “geheel aangezicht is”.Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijnNackt-Cultur, en door R. Ungewitter inDieNacktheit(het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat “naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving”; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid—daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan—is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aande naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen, die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen, worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht, komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg, ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn als “indecent”. Er is ook nog een groot verschil in meening over de grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden, en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is “de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam”. Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie (“Ein Kapitel zur Erziehungsfrage”,Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak—evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting—aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. “Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het “verkeerde aandriften zou wekken”. Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.… Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen”. En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maarom de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: “Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk”. Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijnLiebesleben in der Natur(vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. “Op deze wijze”, meent hij, “zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt”. Voor hen, die “moreele” twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamengeheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?”(Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is, van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde, aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat “Een vrouw haar ingetogenheid aflegt met haar hemd” was een geliefkoosde tekst van de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld: “In het geheel niet”, verklaarde hij, “zij, die ingetogen is, kleedt zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt”. “Een vrouw kan naakt zijn”, zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz, in Japan, opmerkte, “en toch zich als een dame gedragen”3.De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook overheerschend is4. Zoolangals deze onnatuurlijke verhitheid bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct, dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid enimpulsenvan ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn.Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen “deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen”.Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. “In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, deintuïtievan haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk”. (Céline Renooz,PsychologieComparéede l’Homme et de la Femme, pp. 85–87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck’sLife of Brahms), dat zeide: “Men geniet tweemaal zooveel van muziek als mengedécolleteerdis”.Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid—voor zoover ze toegestaan is door de publieke opinie—neiging heeft invloed uit te oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft, bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen, want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander’s wederkeerige tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. “De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk”, zeide James Hinton, “dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden”. Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam—zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is—ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.“Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne”, schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, “toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranenkwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: “Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden”.”Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen “naakt lichaam”, zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.“Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen”, zegt Hinton, “en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken”. Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de “levende beelden” en “levende schilderijen” die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden inDie Nacktheitvan Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. “Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijkewijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid”. (R. Ungewitter,Die Nacktheit, p. 58).Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijnStudies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld inDie Nacktheitvan Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in debeschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die “erotische kleptomanie”, zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische,hygiënischeen aesthetische voordeelen5van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden vanhen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.“De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken”, merkt Edward Carpenter op. “Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?” Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. “Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken”. (Edward CarpenterAlbany Review, Sept., 1907).Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: “Is niet”, schrijft hij, “de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.… Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!… Miss —— vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal eenwerkkomen—en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.… Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: “Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben”. Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: “Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood,of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten”. Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen.”
De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische opvoeders.
In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd, dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen met de mannen, of in hun tegenwoordigheid1. Plato keurde in zijn “Republiek” zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen, die er om lachten, niets was dan “onrijp fruit, geplukt van den boom der kennis”. Over vele kwesties zijn Plato’s opinies veranderd, maar niet over deze. In de “Wetten”, die het laatste resultaat zijn van zijn philosophische overdenking in zijnouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII) een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een kleeding, die den vorm niet bedekte.
Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de Grieken en in onzen engen zin meer “moreel”, geen gevoel toonden voor den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben, dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt, als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting voor de tooneelspelers. “Flagitii principium est, nudare inter cives corpora”. Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche gevoelen. “Quanta perversitas!” zooals Tertullianus uitriep. “Artem magnificant, artificem notant”2. Zoo legden de Romeinen, hoewel zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid den grondslag van de Christelijke moraal.
Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato’s ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij “het vleesch” noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. “Het vleesch” is slecht; dus moet “het vleesch” verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.
Burton zegt, in zijnAnatomy of Melancholy(Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: “MaarEusebiusenTheodoretgeeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelenveroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust”. “Toch”, voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III),zonder protest bij, “meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de FranschmanMontaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam”.Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over “The Evolution of Modesty”.“In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap”, zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), “heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding”. Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. “Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij”, zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver vanStudies of the Human Form, “dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was”. Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.
Burton zegt, in zijnAnatomy of Melancholy(Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: “MaarEusebiusenTheodoretgeeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelenveroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust”. “Toch”, voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III),zonder protest bij, “meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de FranschmanMontaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam”.
Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over “The Evolution of Modesty”.“In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap”, zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), “heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding”. Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. “Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij”, zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver vanStudies of the Human Form, “dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was”. Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.
Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van “het vleesch”, hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.
Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in “The Evolution of Modesty”, eveneens van mijne hand.Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij grootemate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijnHöfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort “gekleed waren in wit leder” (E. K. Chambers,The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van desexueeleorganen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l’Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van “Gabrielle d’Estrées au Bain” in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: “Hebt berouw! Hebt berouw!” geheel naakt, behalve dat hij “zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden”. (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).In een hoofdstuk “De la Nudité” en in de appendices van zijn boekDe l’Amour(deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.
Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in “The Evolution of Modesty”, eveneens van mijne hand.
Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.
In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij grootemate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijnHöfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.
Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort “gekleed waren in wit leder” (E. K. Chambers,The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van desexueeleorganen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle,Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.
De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l’Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van “Gabrielle d’Estrées au Bain” in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.
Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: “Hebt berouw! Hebt berouw!” geheel naakt, behalve dat hij “zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden”. (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).
In een hoofdstuk “De la Nudité” en in de appendices van zijn boekDe l’Amour(deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.
Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheelverboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen,die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het “onfatsoenlijk” was, of in het uiterste geval “walgelijk”. Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.
Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid—er is geen ander woord voor—waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp “Undue Introduction of Western Ways”. “In het midden van het dorp”, merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), “is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebbengoede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand”.Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als “de voeten”. De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. “Dion, de philosoof, vertelt ons”, merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) “dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok”. Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: “Deze vrouwen”, zegt hij, “spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen”, verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, “bederven zelfs de taal”. Ieder keer wanneer een kunstmatige “zedigheid” aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).
Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid—er is geen ander woord voor—waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp “Undue Introduction of Western Ways”. “In het midden van het dorp”, merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), “is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebbengoede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand”.
Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als “de voeten”. De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. “Dion, de philosoof, vertelt ons”, merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) “dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok”. Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: “Deze vrouwen”, zegt hij, “spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen”, verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, “bederven zelfs de taal”. Ieder keer wanneer een kunstmatige “zedigheid” aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).
De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekendeLucindevan Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.
In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie,een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen (“Wat een modernen mensch aangaat”, schreef hij, “als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk”); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.
Wij vinden het belang van het zien van het lichaam—hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk—uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijnUtopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid—geenszins van More’s standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid—is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet inDe l’Amourvan Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. “Laten we ons eens voorstellen”, zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, “een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.… Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbiedvoor die conventies, die voor alle tijden gelden”. (Senancour,De l’Amour, vol. 1, p. 314).Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: “De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen”.Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijnSexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: “Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting”.Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: “Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm vannaaktheidlosgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemenartistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte”.
Wij vinden het belang van het zien van het lichaam—hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk—uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijnUtopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.
De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid—geenszins van More’s standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid—is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet inDe l’Amourvan Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. “Laten we ons eens voorstellen”, zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, “een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.… Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbiedvoor die conventies, die voor alle tijden gelden”. (Senancour,De l’Amour, vol. 1, p. 314).
Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: “De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen”.
Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijnSexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: “Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting”.
Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: “Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm vannaaktheidlosgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemenartistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte”.
Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.
Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van “luchtbaden” duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. “Lord Monboddo” zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) “vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde “een luchtbad nemen””. Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt inzijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: “Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid”. De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijnIntroduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques(1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in deBritish Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs (“Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals deItinaryvan Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. “Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij”, merkt Frederik Boyle op in een geschrift (“Natuurvolken en kleederen”,Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch “geheel aangezicht is”.Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijnNackt-Cultur, en door R. Ungewitter inDieNacktheit(het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat “naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving”; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid—daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan—is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aande naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.
Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van “luchtbaden” duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. “Lord Monboddo” zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) “vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde “een luchtbad nemen””. Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt inzijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.
Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: “Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid”. De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijnIntroduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques(1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in deBritish Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs (“Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis”,British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.
De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals deItinaryvan Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. “Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij”, merkt Frederik Boyle op in een geschrift (“Natuurvolken en kleederen”,Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch “geheel aangezicht is”.
Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijnNackt-Cultur, en door R. Ungewitter inDieNacktheit(het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat “naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving”; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid—daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan—is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aande naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.
Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen, die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen, worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht, komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg, ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn als “indecent”. Er is ook nog een groot verschil in meening over de grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden, en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.
Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is “de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam”. Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie (“Ein Kapitel zur Erziehungsfrage”,Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak—evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting—aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. “Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het “verkeerde aandriften zou wekken”. Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.… Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen”. En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maarom de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: “Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk”. Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijnLiebesleben in der Natur(vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. “Op deze wijze”, meent hij, “zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt”. Voor hen, die “moreele” twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamengeheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?”(Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.
Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is “de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam”. Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.
Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie (“Ein Kapitel zur Erziehungsfrage”,Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak—evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting—aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. “Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het “verkeerde aandriften zou wekken”. Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.… Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen”. En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maarom de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.
Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.
Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: “Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk”. Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.
Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijnLiebesleben in der Natur(vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.
Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. “Op deze wijze”, meent hij, “zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt”. Voor hen, die “moreele” twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamengeheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld “Mädchenerziehung oder Menschenbildung?”(Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.
Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is, van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde, aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat “Een vrouw haar ingetogenheid aflegt met haar hemd” was een geliefkoosde tekst van de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld: “In het geheel niet”, verklaarde hij, “zij, die ingetogen is, kleedt zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt”. “Een vrouw kan naakt zijn”, zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz, in Japan, opmerkte, “en toch zich als een dame gedragen”3.
De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook overheerschend is4. Zoolangals deze onnatuurlijke verhitheid bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.
Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct, dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid enimpulsenvan ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.
Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn.Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen “deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen”.Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. “In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, deintuïtievan haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk”. (Céline Renooz,PsychologieComparéede l’Homme et de la Femme, pp. 85–87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck’sLife of Brahms), dat zeide: “Men geniet tweemaal zooveel van muziek als mengedécolleteerdis”.
Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn.Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen “deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen”.
Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. “In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, deintuïtievan haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk”. (Céline Renooz,PsychologieComparéede l’Homme et de la Femme, pp. 85–87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck’sLife of Brahms), dat zeide: “Men geniet tweemaal zooveel van muziek als mengedécolleteerdis”.
Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid—voor zoover ze toegestaan is door de publieke opinie—neiging heeft invloed uit te oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft, bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.
Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen, want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander’s wederkeerige tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.
Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. “De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk”, zeide James Hinton, “dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden”. Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam—zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is—ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.
“Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne”, schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, “toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranenkwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: “Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden”.”Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen “naakt lichaam”, zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.“Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen”, zegt Hinton, “en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken”. Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de “levende beelden” en “levende schilderijen” die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden inDie Nacktheitvan Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. “Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijkewijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid”. (R. Ungewitter,Die Nacktheit, p. 58).Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijnStudies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld inDie Nacktheitvan Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.
“Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne”, schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, “toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranenkwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: “Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden”.”
Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen “naakt lichaam”, zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.
“Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen”, zegt Hinton, “en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken”. Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.
We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de “levende beelden” en “levende schilderijen” die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden inDie Nacktheitvan Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. “Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijkewijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid”. (R. Ungewitter,Die Nacktheit, p. 58).
Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijnStudies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld inDie Nacktheitvan Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.
Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in debeschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die “erotische kleptomanie”, zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.
Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische,hygiënischeen aesthetische voordeelen5van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden vanhen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.
“De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken”, merkt Edward Carpenter op. “Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?” Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. “Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken”. (Edward CarpenterAlbany Review, Sept., 1907).Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: “Is niet”, schrijft hij, “de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.… Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!… Miss —— vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal eenwerkkomen—en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.… Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: “Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben”. Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: “Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood,of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten”. Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen.”
“De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken”, merkt Edward Carpenter op. “Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?” Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. “Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken”. (Edward CarpenterAlbany Review, Sept., 1907).
Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: “Is niet”, schrijft hij, “de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.… Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!… Miss —— vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal eenwerkkomen—en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.… Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: “Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben”. Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: “Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood,of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten”. Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen.”
1Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): “Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn”.↑2Augustinus (DeCivitateDei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.↑3Zie “TheEvolutionof Modesty”, eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.↑4C. H. Stratz,Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III;id.,Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.↑5Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. “In al de kunsten”, merkt Maeterlinck op, “zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid”. Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, “Fidus”,Deutsche Kultur, Aug., 1906).↑
1Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): “Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn”.↑2Augustinus (DeCivitateDei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.↑3Zie “TheEvolutionof Modesty”, eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.↑4C. H. Stratz,Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III;id.,Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.↑5Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. “In al de kunsten”, merkt Maeterlinck op, “zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid”. Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, “Fidus”,Deutsche Kultur, Aug., 1906).↑
1Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): “Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn”.↑
2Augustinus (DeCivitateDei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.↑
3Zie “TheEvolutionof Modesty”, eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.↑
4C. H. Stratz,Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III;id.,Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.↑
5Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. “In al de kunsten”, merkt Maeterlinck op, “zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid”. Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, “Fidus”,Deutsche Kultur, Aug., 1906).↑