ZESDE BOEK.

ZESDE BOEK.

I.Zoo is het dan,Glauco! nadat wij eene lange redenering zijn doorgeworsteld, eindelijk aan ’t licht gebragt, wie wijsgeeren zijn en wie niet.—Door eene korte zou dit misschien bezwaarlijk gelukt zijn.—Het schijnt van neen. Met dat al zou het, geloof ik, nog beter gelukt zijn, zoo wij dit punt alleen te behandelen hadden, en niet nog vele andere dingen moesten nagaan, om uit te maken, waarin een regtvaardig leven van een onregtvaardig verschilt.—Wat moeten wij nu aanpakken?—Wat anders, dan hetgeen aan de beurt ligt. Daar zij, die hetgeen steeds hetzelfde blijft kunnen vatten, wijsgeeren zijn, en zij, die dat niet kunnen, maar die in vele en velerlei dingen verdwalen, geen wijsgeeren; wie van beiden moeten dan de bestuurders van den staat zijn?—Hoe zullen wij dat het best beredeneren.—Die van beiden geschikt blijken te wezen om de wetten en staatsinrigtingen te bewaren, moeten wij tot wachters aanstellen.—Dat is goed.—Nu is het niet moeijelijk te kiezen, of de bewaring van eenige zaak aan een blinden of aan een zienden wachter moet toevertrouwd worden.—Neen waarlijk niet.—Vindt gij dan nu nog verschil tusschen blinden en hen, die in waarheid geene kennis hebben van hetgeen waarachtigis, en geen helder denkbeeld in de ziel hebben, noch in staat zijn, als schilders het waarachtige origineel aanschouwende en steeds tot voorbeeld nemende, en zoo naauwkeurig mogelijk in het oog vattende, naar aanleiding daarvan, als het noodig is, wetten over het schoone, en regtvaardige, en goede te maken, en de bestaande te bewaren en in stand te houden?—Zij verschillen er waarlijk niet veel van.—Zullen wij dezen dan eerder tot wachters aanstellen dan hen, die én hetgeen waarlijk is kennen, én in ondervinding voor de eersten niet onderdoen, én in geene andere voortreffelijke eigenschap achterstaan?—Het zou dwaas zijn, anderen tot wachters te nemen, zoo zij in de andere dingen niet minder zijn; want zij munten dan in het belangrijkste punt boven anderen uit.—Laat ons dan nu beredeneren, hoe dezelfde personen zoowel het een als het ander kunnen hebben.—Best.—Vooreerst moeten wij dan, gelijk in ’t begin dezer redenering gezegd is, hunnen aard zoeken te kennen; en ik geloof, dat, zoo wij die goed besproken hebben, het ons duidelijk zal worden, dat dezelfde personen beiden hebben kunnen, en dat geen anderen dan dezen de bestuurders van den staat moeten zijn.—Hoe zoo?—

II.Laat ons dit omtrent de wijsgeerige karakters vaststellen, dat zij steeds liefhebbers zijn van alle wetenschap, die hun licht geeft omtrent hetgeen altijd is, en niet onderworpen is aan ontstaan en vergaan.—Het zij zoo.—En tevens, dat zij die in haar geheel liefhebben, en geen klein of groot, meer of minder aanzienlijk deel daarvan willen missen; even zoo als wij daar straks omtrent eerzuchtigen en verliefde gestellen besproken hebben.—Dat zegt gij goed.—Let nu eens op, of daarbij ook dit eene noodzakelijke eigenschap is van hen, die zóó zullen zijn, als wij zeiden.—Wat?—Afkeer van liegen, zoodat zij nooit vrijwillig een leugentoelaten, maar dien evenzeer verfoeijen als zij de waarheid liefhebben.—Waarschijnlijk.—Niet slechts waarschijnlijk, mijn vriend! maar volstrekt noodzakelijk is het, dat hij, die door zijn inborst ergens een liefhebber van is, alles wat daarmede zamenhangt en daarbij hoort insgelijks lief heeft.—Dat is waar.—En kunt gij nu iets vinden, dat meer bij de wijsheid hoort dan de waarheid?—Onmogelijk.—Kan dan hetzelfde karakter wijsgeerig en liefhebber van leugens wezen?—Onmogelijk.—Die dus in waarheid leergierig (wijsgeerig) is, moet terstond van zijne jeugd af aan alle wetenschap liefhebben.—Zekerlijk.—Nu weten wij immers, dat, zoo iemands neiging sterk naar eenigen kant overhelt zijne neiging voor andere dingen gewoonlijk zwakker is, daar zij als een stroom daarvan wordt afgeleid.—Ongetwijfeld.—Wiens neiging dus op de wetenschappen en wat daarmee zamenhangt gerigt is, die heeft, geloof ik, neiging voor het zuivere vermaak van den geest, maar zoo hij waarachtig, niet in schijn, wijsgeer is, heeft hij weinig verlangen naar het vermaak des ligchaams.—Dat kan niet anders.—Zoodanig iemand is dus ingetogen en niet geldzuchtig; want de redenen, waarom het geld gewoonlijk gezocht wordt, werken vrij wat meer op anderen dan op hem.—Dat is zoo.—Nu moet gij nog hierop letten, om te beoordeelen, of iemands karakter wijsgeerig is of niet.—Waarop?—Of er ook eenige bekrompenheid in verborgen is; want niets verhindert den geest meer om het algemeene in goddelijke en menschelijke dingen te vatten.—Dat is waar.—Die nu verheven van geest is, en met zijne gedachten den geheelen tijd en de geheele wezenheid kan vatten[110], gelooft gij, dat die het menschelijk leven voor iets grootskan houden?—Onmogelijk.—Zoodanig iemand zal dus ook den dood niet verschrikkelijk vinden.—Wel neen.—Eene vreesachtige en bekrompene ziel kan dus, naar het schijnt, geen deel hebben aan de waarachtige wijsbegeerte.—Ik vind van neen.—Maar kan nu een ingetogen en niet geldzuchtig, noch bekrompen, noch overmoedig, noch lafhartig mensch aanmatigend of onregtvaardig wezen?—Onmogelijk.—Wanneer gij dus weten wilt, of iemands geest wijsgeerig is of niet, moet gij reeds in zijne jeugd onderzoeken, of hij regtvaardig en zachtmoedig is, dan wel aanmatigend en woest.—Juist.—En gij zult, denk ik, ook dit niet over ’t hoofd zien.—Wat?—Of hij moeielijk of gemakkelijk leert. Of verwacht gij, dat iemand ooit wezenlijk genoegzal vinden in hetgeen hij slechts met verdriet en moeite kan doen, en waarin hij zelfs dán nog weinig vordert?—Dat is onmogelijk.—En als iemand eens niets van hetgeen hij leerde kon vasthouden, maar alles vergat, zou hij dan niet ontbloot van kennis moeten wezen?—Natuurlijk.—En als hij op die wijze vruchtelooze moeite deed, zou hij dan niet eindelijk verdriet in zich zelven en in zijnen arbeid krijgen?—Voorzeker.—Dus moeten wij ook een vergeetachtige ziel niet als wijsgeerig beschouwen, maar liever zulk eene zoeken, die een goed geheugen heeft.—Ongetwijfeld.—En komen nu de gebreken eener onbeschaafde en slechte ziel niet grootendeels neêr op het te buitengaan van de juiste maat?—Ongetwijfeld.—En wat heeft meer verwantschap met de waarheid, het overtreden of het houden van die maat?—Het laatste. Dus moeten wij behalve het andere nog toezien, of een ziel maathoudend en ordelijk is, voor wij haar van nature geschikt voor het beschouwen van hetgeen waarlijk is kunnen noemen.—Dat spreekt.—En vindt gij nu niet, dat de door ons genoemde eigenschappen ieder voor zich noodig zijn en uit elkander volgen, in eene ziel, die behoorlijk en goed hetgeen wezenlijk is zal vatten?—Ja zeker.—En kunt gij nu zulk een bezigheid afkeuren, tot welke niemand bekwaam is, dan die van natuur een goed geheugen heeft, en leerzaam is, en onbekrompen, en liefderijk, en een vriend en aanhanger van waarheid, regtvaardigheid, moed en ingetogenheid?—Zoo iets zou zelfsMomusniet afkeuren.—En zijt gij nu niet voornemens alleen aan zulke menschen, nadat zij door opvoeding en ouderdom volledig gevormd zijn, den staat toe te vertrouwen?—

III.Hierop zeideAdimantus:Socrates!niemand zou deze uwe woorden kunnen wêerleggen, maar toch gaat het meestal zóó met hen, die dergelijke redeneringenhooren. Zij meenen, dat zij, ten gevolge van hunne onbedrevenheid in het vragen en antwoorden, onder het redeneren bij iedere vraag een beetje van de wijs gebragt worden, tot dat door al die beetjes te zamen bij het einde der redenering eene groote dwaling en tegenstrijdigheid voor den dag komt; en dat, gelijk bij het schaakspel een onbedrevene door een goed speler eindelijk vast wordt gezet, evenzoo ook zij eindelijk vast raken, en door dit spelen niet met stukken maar met woorden, op het laatst zóóver gebragt worden, dat zij niets meer kunnen zeggen, hoewel zij toch eigenlijk de waarheid op hunne zijde hebben. Ik zeg dit bepaaldelijk op ons tegenwoordig onderwerp; want nu zou iemand kunnen zeggen, dat hij wel met woorden geen uwer redeneringen kan weêrleggen, maar inderdaad ziet, dat zij, die de wijsbegeerte niet slechts in hunne jeugd leeren om er zich door te beschaven, en ze naderhand te laten varen, maar die er zich langer meê bezig houden, meestal zonderling, om niet te zeggen slecht, worden; en dat zelfs de besten hunner ten gevolge van die door u zoo geprezen studie geheel onbruikbaar worden voor den staat.—Toen ik dit hoorde, zeide ik: houdt gij de menschen, die zóó spreken, voor leugenaars?—Ik weet het niet, zeide hij, maar ik zou gaarne uwe meening hooren.—Hoor dan, dat ik vind, dat zij de waarheid zeggen.—Maar hoe kunt gij dan nog beweren, dat de staten niet eerder van hunne ellende zullen verlost worden, voordat zij onder het bestuur komen der wijsgeeren, die wij erkennen, dat onbruikbaar voor dezelve zijn?—Gij doet mij daar eene vraag, die door eene gelijkenis moet beantwoord worden.—Gij pleegt toch anders niet in gelijkenissen te spreken.—

IV.Het zij zoo. Spot gij nu nog, na mij zulk een moeijelijk werk opgelegd te hebben? Hoor dan eens mijne gelijkenis, opdat gij nog meer moogt zien, welkenaauwkeurige vergelijkingen ik maken kan. De toestand toch, waarin de beschaafdste menschen door hunne betrekking tot den staat komen, is zóó zonderling, dat geen ander wezen iets dergelijks ondervindt, en dat men om hen te verontschuldigen eene bonte gelijkenis moet zamenstellen, zoo als de schilders paardmenschen, en meer andere vreemde verbindingen schilderen. Stel u eens een eigenaar van één of meer schepen voor, die zelf meêvaart, en in grootte en sterkte al de schepelingen overtreft, maar half doof is en bijziende, en die weinig verstand van zeezaken heeft; terwijl de schepelingen met elkander twisten over het sturen, en ieder stuurman wil wezen, ook al heeft hij de stuurmanskunst nooit geleerd, en al kan hij geen leermeester noch leerjaren opgeven; terwijl zij daarenboven staande houden, dat daarbij geen onderwijs te pas komt, en bereid zijn hem, die dat beweert, van kant te maken, en steeds den eigenaar omringen en smeeken, en alle moeite doen, opdat hij hun het roer toevertrouwe; en soms, als zij hem niet kunnen overreden, maar dit aan anderen beter gelukt, die anderen dooden of over boord zetten, en dien goeden eigenaar met opium of wijn bedwelmen en dan het schip besturen, en den voorraad gebruiken en al drinkende en feestvierende voortvaren, zoo als dat van hen te verwachten was; en daarenboven ieder prijzen en een ervaren zeeman noemen, die hen kan helpen om den eigenaar te overreden of te dwingen, om hen het schip te laten besturen, maar hem, die dat niet doet, onbruikbaar noemen, en van een echt zeeman geen denkbeeld hebben, noch inzien, dat hij de jaargetijden, de uren, den hemel, de sterren, den wind, enz., moet waarnemen, om een goed schipper te zijn; en niet gelooven, dat men behalve het behandelen van het roer ook nog die dingen moet leeren en bestuderen, om zonder zich van zijn stuk te laten brengen het schip goed te besturen.Wanneer het zóó op de schepen toeging, gelooft gij niet, dat dan de ware stuurman door de bemanning dier schepen een overnatuurkundige, en zwetser, en onbruikbaar mensch zou genoemd worden?—Ongetwijfeld, zeideAdimantus.—Nu is het, geloof ik, niet eens noodig die gelijkenis op de betrekking tusschen de staten en de waarachtige wijsgeeren toe te passen, maar gij begrijpt zeker wel, wat ik bedoel.—Volkomen.—Gij moet dan vooreerst hem, die zich verwondert, waarom de wijsgeeren in de staten niet geëerd worden, die gelijkenis eens meêdeelen, en hem aan zijn verstand brengen, dat het tegendeel veel verwonderlijker zijn zou.—Met vermaak.—En dat wij toestemmen, dat hij met regt beweert, dat de besten uit de wijsgeeren voor het volk onbruikbaar zijn. Zeg hem echter, dat hij dit aan hen, die ze niet gebruiken, niet aan de wijsgeeren zelve, moet wijten. Want het gaat toch niet aan, dat een stuurman de matrozen smeekt aan hem te gehoorzamen, of dat de wijzen de rijken achterna loopen, maar, die dat zegt, liegt; en de waarheid is, dat, als een rijke of een arme ziek wordt, hij den geneesheer moet naloopen, en evenzoo ieder, die noodig heeft bestuurd te worden, hem, die dat bestuur kan uitoefenen; maar dat een bestuurder van eenige waarde zijne minderen niet kan gaan smeeken zijn bestuur te erkennen. Ook zult gij niet mistasten, met de tegenwoordige staatsbestuurders bij die matrozen van daareven te vergelijken, en de door hen voor onbruikbaren en overnatuurkundigen uitgemaakten, bij de ware stuurlieden.—Juist.—En in zulk gezelschap kan de beste bemoeijing van de laatsten niet ligt geprezen worden door lieden, die het tegenovergestelde beoefenen: het meest echter komt de wijsbegeerte in een kwaden reuk door hare zoogenaamde beoefenaars, die door hare vijanden slecht worden genoemd, terwijl dezen de besten slechts onbruikbaarnoemen; want zóó zeidet gij immers?—Ja.—

V.Wij hebben dus nu de reden gezien, waarom de beste wijsgeeren onbruikbaar zijn.—Ja.—Willen wij nu eens de oorzaak van de slechtheid der meesten zoeken, en pogen aan te toonen, als wij kunnen, dat de wijsbegeerte daaraan even weinig schuld heeft.—Gaarne.—Wij moeten ons dan het punt, waarvan wij uitgingen, nog eens herinneren, en nagaan, welken aanleg wij vorderden in hem, die in haar zal uitmunten. Vooreerst, zoo als gij u wel herinnert, vonden wij, dat hij volstrekt een najager van de waarheid moet wezen, zoo hij geen zwetser zijn zal, die geen deel heeft aan de waarachtige wijsbegeerte.—Dat hebben wij gezegd.—En is dit ééne niet vooral in strijd met hetgeen men tegenwoordig van hem gelooft?—Zekerlijk.—Zullen wij ons dan niet goed verdedigen, door te zeggen, dat de waarachtig leergierige (wijsgeerige) door aangeboren neiging streeft naar hetgeen wezenlijk is, en niet staan blijft bij de vele voorwerpen der meening, maar regelregt en onvermoeid de wezenheid van ieder ding naspoort, en niet eerder verzadigd wordt, voor hij die met het daarvoor geschikte geestvermogen bereikt heeft? En geschikt daarvoor is het vermogen, dat er mede verwant is, waarmede hij nadert tot het waarachtig zijnde, en zich er mede vermengt, en kennis en waarheid geteeld hebbende, die opneemt en opkweekt, en eerst daardoor zijn verlangen voldaan ziet.—Dat is eene beste verdediging.—En zal nu zoodanig iemand de leugen liefhebben, of integendeel haten?—Haten.—En als nu de waarheid voorgaat, dan is het, zou ik meenen, niet denkbaar, dat er eene reeks van kwade dingen zou volgen.—Dat kan niet.—Maar wel eene regtvaardige gezindheid, en ten gevolge daarvan ook ingetogenheid.—Voorzeker.—En wat moeten wij nu, volgens het reeds gezegde, verder uit de reeks van eigenschappen van den wijsgeerigenaanleg hierachter plaatsen? Gij herinnert u zeker nog wel, dat daarbij moed, onbekrompenheid, vlugheid in het leeren, en een goed geheugen bleken gevorderd te worden. En toen gij tegenwierpt, dat ieder wel het gezegde zal moeten toestemmen; maar dat hij, die niet op onze woorden, maar op de menschen, waarover wij spreken, lette, zeggen zou te zien, dat sommigen onbruikbaar, en de meesten slecht zijn, werden wij bij het onderzoek naar de oorzaak van dien kwaden dunk op de vraag gebragt, waarom de meesten slecht zijn, en daardoor werden wij genoopt, het vorige weer op nemen en den waarlijk wijsgeerigen aanleg nog eens te bepalen.—Zóó is het gegaan.—

VI.Nu moeten wij eens op het bederf letten, waarvan zulk een karakter bij de meesten het slagtoffer is, zoodat slechts weinigen, die dan niet slecht maar onbruikbaar heeten, gered worden; en vervolgens, welke karakters hetzelve en zijne bemoeijingen nabootsende, daardoor in niet passende en te zware bemoeijingen komen, en bij gevolg door velerlei misstappen de wijsbegeerte bij het algemeen in zulk eenen kwaden reuk brengen.—Welk bederf meent gij?—Ik zal het u, als ik kan, pogen aan te toonen. Ieder zal, geloof ik, wel toestemmen, dat zulk een karakter, hetwelk al de door ons in een wijsgeer gevorderde eigenschappen bezit, slechts zelden in enkele menschen voor den dag komt. Vindt gij dat ook niet?—Zekerlijk.—En zie nu eens hoe vele en groote gevaren die enkelen nog te verduren hebben.—Welke?—Het vreemdste van allen is dit, dat ieder dier goede eigenschappen de ziel, die haar bezit, bederft, en aan de wijsbegeerte onttrekt. Ik meen hier uitdrukkelijk den moed, de ingetogenheid en de andere, die wij genoemd hebben.—Dat klinkt vreemd.—Daarenboven, bederven alle zoogenoemde voorregten de ziel en trekken haar af, te weten schoonheid,en rijkdom, en ligchaamskracht, en magtige bloedverwanten in den staat, enz.; gij weet nu welke soort van dingen ik meen.—Ja, en ik zou gaarne hetgeen gij zegt wat naauwkeuriger hooren.—Houd het dan maar in zijn geheel vast, dan zal het u duidelijk worden, en het vroeger daarover gezegde zal u niet langer verwonderlijk voorkomen.—Hoe wilt gij dan nu?—Wij weten, dat alle zaden en spruiten, hetzij van planten hetzij van dieren, die niet naar hunnen aard voedsel, lucht en plaats deelachtig worden, naarmate zij krachtiger zijn, meer verbasteren; daar het kwade meer in strijd is met het goede dan met het niet goede.—Natuurlijk.—Daaruit laat zich, geloof ik, beredeneren, dat een zeer goede aanleg bij verkeerde opkweeking slechter wordt dan eene onbeduidende.—Dat is waar.—Maar,Adimantus! moeten wij dan ook niet zeggen, dat de edelaardigste zielen bij slechte opvoeding het slechtste worden? Of gelooft gij, dat groote misdrijven en erge boosheid eerder uit een onbeduidend, dan uit een groot, maar door opvoeding bedorven karakter voortkomen, en dat een zwak karakter ooit oorzaak van groot goed of kwaad zal kunnen worden?—Wel neen.—Dus moet een karakter zoo als wij in den wijsgeer verlangen, wanneer het eene goede opleiding krijgt, tot alle deugd opgroeijen; maar, als het niet van den beginne behoorlijk wordt opgevoed, zonder goddelijken bijstand tot het tegenovergestelde komen. Of gelooft gij, zoo als de menigte, dat wel sommige jongelingen door sophisten bedorven worden, en dat er enkele sophisten zijn, die ze in den grond bederven, maar dat niet zij, die dit zeggen, de grootste sophisten zijn, die het volkomenst door hun onderwijs jongen en ouden, mannen en vrouwen zóó maken als zij ze hebben willen?—Hoe meent gij dat? zeide hij.—Wanneer velen te zamen in volksvergaderingen, of regtbanken, of schouwburgen,of legerplaatsen, of andere talrijke zamenkomsten vereenigd, met veel gedruisch sommige woorden en daden berispen, en andere even overdreven al schreeuwende en in de handen klappende goedkeuren, terwijl de rotsen en de plaats, waarin zij dat geraas maken, het geluid der afkeuringen en loftuitingen door weêrkaatsing verdubbelen; hoe gelooft gij, dat dan hierbij een jongeling gestemd is? Of meent gij, dat eenig bijzonder onderwijs, hetwelk hij ontvangen heeft, het daartegen kan uithouden, en niet door die loftuiting en afkeuring overstelpt, als door een stroom wordt medegesleept, zoodat hij hetzelfde als die menigte schoon en leelijk vindt, en zich op hetzelfde toelegt als zij, en dezelfde gezindheden aanneemt?—De kracht dier overredingsmiddelen is schier onweêrstaanbaar,Socrates!—

VII.En nu hebben wij het krachtigste middel nog niet gevonden.—Wat?—Als die opvoeders en sophisten bij woorden daden voegen, en niet langer met overreding werken. Of weet gij niet, dat zij den onleerzamen met schande, boete en lijfstraffen tuchtigen?—Zekerlijk.—En welke andere sophist, of welke redeneringen van enkele menschen gelooft gij, dat zich hiertegen met vrucht kunnen verzetten?—Geene.—Dat geloof ik ook niet, en het is zelfs dwaasheid dit te beproeven; want nooit, mijn vriend! kan een menschelijk karakter zich ontwikkelen tot eenige deugd, die met deze opleiding in strijd is; een goddelijk karakter moeten wij, naar het spreekwoord, hiervan uitzonderen. Dit toch moet gij wel weten, dat, wanneer bij zulk eene staatsregeling een karakter behouden blijft en zich goed ontwikkelt, er met regt kan beweerd worden, dat het door een goddelijk wonder gered is.—Dat vind ik ook.—Dan zult gij zeker ook dit wel vinden.—Wat?—Dat ieder dier enkele loondienaars, welke zij sophisten noemen en als mededingers beschouwen, niets anders onderwijst,dan juist de gevoelens der bijeen vergaderde menigte, en dat hij daarin de wijsheid zoekt, even alsof hij de driften en begeerten van een groot en sterk dier bestudeerd had, en hoe men het moet naderen en aanpakken, en wanneer en waardoor het kwaad of zachtzinnig wordt, en door welke geluiden het dat te kennen geeft, en op welke geluiden van anderen het mak of wild wordt; en wanneer hij dan, dit alles door omgang en tijdsverloop geleerd hebbende, zich wijs noemde, en er een boek over schreef, en er les in ging geven; terwijl hij toch eigenlijk van al die gezindheden en begeerten niets wist, noch wat schoon of leelijk, goed of kwaad, regtvaardig of onregtvaardig is, maar dit alles naar het oordeel van dat groote dier benoemde, en dus wat hetzelve gaarne had goed heette, en wat het haatte kwaad, zonder daar iets meer van te weten, maar het noodzakelijke regtvaardig en schoon vindende, en den aard en het wezenlijk onderscheid van het noodzakelijke en het goede niet inziende, noch aan anderen kunnende leeren; bijZeus! zoudt gij zóó iemand niet een bespottelijk leermeester vinden?—Zonder twijfel.—En vindt gij nu hem iets beter, die de wijsheid stelt in de kennis van het gunstige of ongunstige oordeel der menigte omtrent schilderkunst, muzijk of staatkunde? Want wanneer iemand in het midden der menigte een dichtstuk of ander kunstwerk, of eenige werkzaamheid in ’t belang van den staat ten toon stelt, en daar de menigte over laat beslissen, vindt gij dan niet, dat hem daardoor de noodzakelijkheid wordt opgelegd, om, behalve hetgeen op zich zelf noodig is, alles te doen, wat zij goed vindt; en hebt gij wel ooit iemand hunner anders dan op eene bespottelijke wijs hooren beredeneren, dat dit in waarheid goed en schoon moet genoemd worden?—Ik zal het denkelijk ook wel nimmer hooren.—

VIII.Nu gij dit alles overwogen hebt, moet gij noghet volgende bedenken. Zal de menigte ooit van het schoone, enz., willen hooren en het bestaan daarvan erkennen?—Wel neen.—Dus, kan de menigte onmogelijk wijsgeerig zijn.—Onmogelijk.—En dus is het onvermijdelijk, dat de wijsgeeren door haar berispt worden.—Ja.—En evenzoo door die lieden, welke de menigte naloopen en vleijen.—Dat spreekt.—En ziet gij nu eenig redmiddel voor een wijsgeerig karakter, waardoor het niettegenstaande dit alles ten einde toe aan zijne roeping kan getrouw blijven? Herinner u het vorige nog eens. Wij hebben besproken, dat gemakkelijkheid in het leeren, een goed geheugen, moed en onbekrompenheid aan zulk een karakter eigen zijn.—Ja.—En zal nu zoodanig iemand[111]niet terstond in alles de eerste wezen, vooral wanneer zijn ligchaam met zijne ziel overeenstemt?—Dat kan niet anders.—Daarom zullen dan zijne betrekkingen en medeburgers hem, als hij ouder wordt, voor hunne zaken willen gebruiken.—Dat spreekt.—Zij zullen hem dus door nederige verzoeken, eerbewijzingen en vleijerijen pogen in te pakken, voordat hij magtig wordt.—Zoo pleegt het te gaan.—Wat denkt gij nu, dat zoodanig iemand onder zulke menschen doen zal, vooral wanneer hij in eene groote stad geboren en daarbij rijk en van goede huize en verder schoon en kloek van ligchaam is? Zal hij niet met bovenmatige hoop vervuld worden, en meenen in staat te zijn, om de zaken van Grieken en barbaren te regelen? En zal hij zich daarop niet verheffen, en vol worden van verwaandheid en ijdelen hoogmoed?—Zekerlijk.—En wanneer nu, terwijl het zóó met iemand staat, een ander bedaard naar hem toekomt, en zegt, zoo als hetis; dat hij geen verstand heeft, maar daaraan groot gebrek lijdt, en dat dit niet te bekomen is, zoo men zich er niet met de borst op toelegt; gelooft gij dan, dat hij, in zulk een toestand zijnde, daar ligt naar hooren zal?—Wel neen.—Maar als hij nu door zijn goeden aanleg en de in hem sluimerende betere denkbeelden tot eenig nadenken komt, en eenigzins naar de wijsbegeerte wordt heengetrokken, wat zullen dan zij wel doen, die meenen daardoor zijne diensten en vriendschap te zullen missen? Zullen zij niet alles doen en zeggen, om te maken, dat hij zich niet laat overreden, en zullen zij den anderen, die hem overreden wil, niet door geheime tegenwerking en openbare beschuldiging daarin zoeken te verhinderen?—Ongetwijfeld.—En is er nu veel kans op, dat zoodanig iemand een wijsgeer wordt?—Niet bijzonder.—

IX.Ziet gij nu wel, hoe zeer wij gelijk hadden, toen wij beweerden, dat zelfs de bestanddeelen van het wijsgeerige karakter bij slechte opvoeding eenigermate de oorzaak zijn van het laten varen der wijsbegeerte; en dat de zoogenaamde goederen, als rijkdom, enz., daar mede schuld aan hebben?—Ja, of wij gelijk hadden.—Hierdoor, mijn vriend! worden dan de beste karakters, die toch buitendien zeldzaam zijn, nog meestal voor de beste bezigheid ongeschikt gemaakt en daarvan afgetrokken. En uit die mannen komen dan zij, die aan staten en enkele personen het meeste kwaad, of, als het zoo uitkomt, het meeste goed doen; maar een nietig karakter doet nimmer aan een staat, noch aan een enkel mensch groot kwaad of goed[112].—Dat is volkomen waar.—Wanneer nu zij, die er het best voor geschikt waren, op deze wijs er uitvallen, dan laten zij de wijsbegeertealleen en onvoltooid en leiden zelve een hun niet passend of eigenlijk een ónleven; terwijl dan anderen, onwaardigen, haar, die van hare verwanten beroofd is, grijpen en onteeren en haar zulke beschimpingen berokkenen, als waarmede gij zegt, dat zij gewoonlijk wordt aangevallen, te weten: dat hare liefhebbers deels niets, deels groote straf waardig zijn.—Ja, zoo spreekt men er over.—En met regt. Andere menschjes toch, die streek onbezet ziende, maar vol schoonklinkende titels, gaan even als zij, die uit de boeijen naar de tempels vlugten, met blijdschap uit andere bezigheden naar de wijsbegeerte, zoo zij in hunne bezigheid zich eenigen naam verworven hebben. Want al staat het nog zoo slecht met de wijsbegeerte, zij heeft nog altijd boven andere bezigheden een deftigen naam, welke tot aanloksel dient voor menschen van gebrekkigen aanleg, wier geest en ligchaam door neêrdrukkenden arbeid is ontzenuwd en bedorven. Is dat niet onvermijdelijk?—Ja zeker.—En vindt gij nu niet, dat zij er uitzien als een kleine, kale slaaf, die zich pas voor geld heeft weten vrij te koopen, en nu, na zich gebaad en in een nieuw pak kleêren gestoken te hebben, als bruidegom voor den dag komt, om de dochter van zijnen verarmden meester te trouwen?—Zij hebben er veel van.—En welke kinderen zullen nu uit zulk een huwelijk gehoren worden? Immers zonder burgerregt[113], en zonder uitstekende hoedanigheden?—Natuurlijk.—En wanneer nu zij, die geen wetenschappelijke opleiding waard zijn, op eene onbetamelijke wijs tot de wijsbegeerte naderen, welke denkbeelden en meeningen moeten wij dan zeggen, dat zij zullen voortbrengen? Zullen die wel beter zijn dan drogredenen, zonder echte wetenschap en waarheid?—Wel neen.—

X.Dan blijven er al heel weinig over,Adimantus! die zich naar behooren met de wijsbegeerte bezig houden, hetzij dat een edel en goed opgevoed karakter door staatkundige beroeringen in ballingschap gezonden, door gebrek aan personen, die het zoeken af te leiden, bij zijne natuurlijke neiging volhardt; hetzij dat een groote geest in eene kleine stad geboren den staatkundigen werkkring, die dáár voor hem openstaat, beneden zich vindt; misschien zal ook nog een klein hoopje van edelen van andere bezigheden, die hun niet langer voldoen, tot de wijsbegeerte overgaan. Ook een band zoo als die van onzen vriendTheageszou welligt sommigen kunnen terughouden.Theagestoch is in alle andere opzigten juist iemand, om van de wijsbegeerte af te dwalen; maar de ziekelijkheid van zijn ligchaam belet hem zich met staatszaken te bemoeijen. Het goddelijke teeken echter, dat mij te beurt valt[114], kan hier niet in aanmerking komen; want daarvan zijn bij anderen zoo goed als geen voorbeelden. Deze weinigen nu, eens het genoegen en het geluk der wijsbegeerte geproefd hebbende, en tevens de dwaasheid der menigte ziende, en dat niemand, om zoo te spreken, gezonde begrippen van staatszaken heeft, en dat er niemand is, die hen, als zij de regtvaardigheid voorstonden, zou willen beschermen en helpen, maar dat zij als een mensch, die onder wilde beesten vervallen was, niet mede onregt willende doen, en alleen de woeste menigte niet kunnende tegenhouden, voordat zij den staat of hunne vrienden eenig voordeel konden aanbrengen, zonder nut voor zich zelven of anderen vergaan zouden; dit alles beredenerende en zich stil houdende en hun eigen zaken verrigtende, zijn zij even als iemand, die bij een wervelwind ergens schuilen kan, bijzonder tevreden, zoo zij, de onregtvaardige daden deranderen ziende, zelven vrij van onregt en goddeloosheid hun leven kunnen doorbrengen, en er eindelijk met goede hoop kalm en gelaten uit kunnen verscheiden.—Edoch, als zij dat kunnen, hebben zij althans iets, en wel niet het minste, bereikt.—Ja, maar het meeste toch ook niet, daar zij geene voor hen geschikte staatsregeling gevonden hebben, want in dat geval zouden zij zelven zich beter ontwikkelen en niet slechts hun eigen maar ook het algemeene heil bevorderen.

XI.Wij hebben dus, geloof ik, voldoende besproken, waarom de wijsbegeerte gescholden wordt, en dat dit onverdiend is; of gij moest er anders over denken.—Daarvan spreek ik in ’t geheel niet meer; maar welke der tegenwoordige staten vindt gij nu voor haar geschikt?—Volstrekt geene, maar ik klaag er juist over, dat geene tegenwoordig bestaande staatsregeling voor een wijsgeerig karakter geschikt is, en dat het daardoor verkeerd en bedorven wordt; en dat, gelijk een plant, die uit een vreemde luchtstreek is overgebragt, gewoonlijk langzamerhand verbastert en den aard der inheemsche planten moet aannemen, zoo ook zulk een karakter zich tegenwoordig niet naar zijnen aard kan ontwikkelen, maar tot vreemde zeden vervalt: doch, zoo het eens eene goede staatsregeling vindt, dan zal het blijken, dat het in waarheid goddelijk is, maar dat de andere karakters en bezigheden slechts menschelijk zijn. Nu zult gij zeker vragen, welke die staatsregeling is.—Dat was eigenlijk mijn plan niet, maar wel, of het deze is, welke wij bij het stichten van onzen staat besproken hebben, of eene andere.—In de andere opzigten deze; maar wij hebben toen reeds gezegd, dat er altijd iets in den staat moet wezen, dat steeds die begrippen van staatsregeling in stand houdt, volgens welke gij als wetgever de wetten gemaakt hebt[115].—Dathebben wij.—Dit nu is echter niet genoeg verklaard, daar ik door uwe tegenwerpingen[116]bevreesd was geworden, dat de redenering lang en moeijelijk zou wezen; want het overige is ook niet bijzonder gemakkelijk.—Wat?—Hoe een staat de wijsbegeerte kan aanpakken, zonder die te bederven. Alles toch, wat hoog is, kan ligt wankelen, en het spreekwoord zegt: het schoone is moeijelijk.—Evenwel, moeten wij dit nog aantoonen om onze redenering ten einde te brengen.—Het zal mij niet aan den wil, maar misschien wel aan ’t vermogen haperen; mijne bereidwilligheid zult gij zelf kunnen beoordeelen. Zie maar eens, hoe bereidwillig en onverschrokken ik al dadelijk zeg, dat de staat dit werk geheel anders dan tegenwoordig geschiedt moet aanpakken.—Hoe zoo?—Tegenwoordig bemoeijen zij, die er nog het meest aan doen, zich er als knapen mede, in den tijd tusschen hunne kindsheid en de werkzaamheden van het huisbestier en geldwinnen; en laten haar loopen, als zij tot haar zwaarste deel, de redeneerkunde gekomen zijn; en als zij later zich nog soms laten overhalen om eens naar eene wijsgeerige voordragt te gaan luisteren, vinden zij zich al heel vlijtig, meenende dit als bijzaak te moeten behandelen; maar op enkele uitzonderingen na wordt hun ijver in den ouderdom nog meer uitgebluscht dan de zon vanHeracliet[117], daar hij nimmer weder ontstoken wordt.—Maar hoe moet het dan?—Juist integendeel moeten kinderen en knapen slechts zulk onderwijs bekomen, als voorhunnen leeftijd geschikt is, maar hun ligchaam moet, terwijl het in zijn groei is, zoo goed mogelijk verzorgd worden, opdat het een goed werktuig voor een wijsgeerigen geest worde; doch op meer gevorderden leeftijd, wanneer de geest volwassen wordt, moet hij ook meer worden ingespannen; en wanneer de kracht des ligchaams vermindert, en de mensch voor krijgsdienst en burgerlijke betrekkingen ongeschikt wordt, dan moeten zij, die gelukkig willen leven en hun leven met een gelukkig einde willen kroonen, zich geheel aan de wijsbegeerte toewijden en alle andere dingen slechts als bijwerk beschouwen.—

XII.Waarlijk,Socrates! aan bereidwilligheid hapert het u niet, maar ik geloof toch, dat velen uwer toehoorders, metThrasymachusvoorop, nog bereidwilliger zijn om u tegen te spreken.—Maak nu geen twist, zeide ik, tusschen mij enThrasymachus, die nooit vijanden waren, en daareven zelfs vrienden zijn geworden. Want wij moeten zonder ophouden trachten hem en de anderen te overreden, of hen althans iets te laten winnen tegen het volgende leven, wanneer zij wederom geboren zijnde, over dergelijke dingen moeten redeneren.—Gij maakt, zou ik zeggen, plannen voor een kleinen tijd.—Och! voor zoo goed als geenen, in vergelijking met den geheelen tijd. Doch, om tot ons onderwerp terug te keeren, dat de menigte aan die woorden geen geloof slaat, is niet te verwonderen; want zij hebben nooit iets, als hetgeen wij nu zeggen, bijgewoond, maar veeleer woorden, die met voordacht in eene zekere overeenstemming met elkander gebragt waren, en niet, gelijk nu, naar het viel bijeenkwamen; doch van een man, die zoo veel mogelijk zijne woorden en werken in overeenstemming brengt met de deugd, en in eenen op diezelfde wijs ingerigten staat het bewind voert, hebben zij nooit een enkel voorbeeld gezien: denkt gijwel?—Wel neen.—En zij hebben ook nimmer wezenlijk goede en betamelijke redeneringen gehoord, waarin de waarheid op allerlei wijs, met inspanning, uit zuivere weetgierigheid gezocht wordt, en die zich verwijderd houden van sieraad en drogredenen, welke nergens anders naar streven dan naar het maken van vertooning in openbare twistgedingen en bijzondere bijeenkomsten.—Dat is zoo.—Dit nu vooruitziende, werd ik daareven bevreesd; maar zeide toch, door de waarheid gedwongen, dat geen staat, noch staatsregeling, noch enkel mensch volmaakt kan worden, voordat deze weinige wijsgeeren, die nu niet slecht maar onbruikbaar heeten, door de omstandigheden genoodzaakt, zich, of zij willen of niet, met de staatszaken bezig houden, en in staatsdienst treden, of dat bij de zonen der tegenwoordige magthebbers of bij dezen zelven door eene gunstige beschikking der voorzienigheid opregte liefde voor ware wijsbegeerte wordt opgewekt. En dat één van deze gevallen of beiden onmogelijk zou wezen, daarvoor zie ik volstrekt geen reden; anders zouden wij met regt om onze vrome wenschen worden uitgelagchen: vindt gij niet?—Zeker.—Zoo nu zij, die in de wijsbegeerte uitmunten, in vorige eeuwen misschien eens zijn gedwongen geworden om de staatszaken ter harte te nemen, of zoo dit tegenwoordig ergens in het buitenland, ver van ons verwijderd, plaats heeft, of in later tijd zal plaats hebben, dan zijn wij bereid staande te houden, dat dáár de gezegde staatsregeling geweest is, of tegenwoordig is, of zijn zal, zoodra die muze de magt in handen krijgt. Onmogelijk toch is hetgeen wij zeggen niet, al moeten wij zelven bekennen, dat het moeijelijk is.—Zoo denk ik er ook over.—En evenzeer zult gij zeggen, dat de menigte er zoo niet over denkt.—Ja.—Mijn beste! val die menschen zoo hard niet: zij zullen er anders over denken, zoo gij zonder bitsheid, kalm redenerendeen den kwaden dunk omtrent de wijsbegeerte oplossende aantoont, wie gij wijsgeeren noemt, en, zoo als wij daareven deden, hunnen aard en hunne werkzaamheid bepaalt, opdat zij merken, dat gij niet dezelfden meent, die zij bedoelen. Of denkt gij niet, dat zij dit begrijpende van meening zullen veranderen en een ander antwoord zullen geven? Of gelooft gij, dat iemand, die vriendelijk en niet naijverig is, zonder reden boos of naijverig zal worden? Ik zal u maar vóór wezen, en zeggen, dat naar mijn inzien zulk een lastig karakter bij weinigen, en althans niet bij de menigte gevonden wordt.—Dat moet ik u toestemmen.—En dan stemt gij zeker ook dit toe, dat de haat der menigte tegen de wijsbegeerte aan hen te wijten is, die van buiten ongepast op haar indringen, en elkander beschimpen en vijandig behandelen, en altijd over menschen sprekende zich op eene wijze gedragen, die met de wijsbegeerte volstrekt niet strookt.—Zekerlijk.—

XIII.Iemand, die waarlijk zijn geest op hetgeen wezenlijk is gerigt heeft,Adimantus! heeft dan ook geen tijd om naar beneden te zien, naar al de bemoeijingen der menschen, en met hen twistende zich met nijd en toorn te vervullen; maar op het onveranderlijke en steeds aan zich zelf gelijke ziende, en datgene beschouwende, wat geen onregt doet of lijdt maar volkomen geordend en geregeld is, zoekt hij dat na te volgen en zich er aan gelijk te maken. Of houdt gij het voor mogelijk, dat iemand hetgeen, waarmede hij gaarne omgaat, niet zou navolgen?—Wel neen.—En daar nu de wijsgeer met het goddelijke en ordelijke omgaat, wordt hij zelf zoo ordelijk en goddelijk als dit voor een mensch mogelijk is, hoezeer er bij allen veel te berispen blijft.—Juist.—En wanneer hij nu wordt genoodzaakt, hetgeen hij dáár ziet voortdurend in de zeden der enkele personen en der staten ingang te verschaffen, en niet alleenzich zelven te vormen, gelooft gij dat hij dan een slecht bewerker zal wezen van ingetogenheid, en regtvaardigheid, in ’t kort van burgerdeugd?—Zeker niet.—Maar als nu de menigte merkt, dat wij van hem de waarheid zeggen, zal zij dan nog boos zijn op de wijsgeeren, en ons geloof weigeren, als wij zeggen, dat een staat niet gelukkig kan worden, zoo niet die schilders hem teekenen, die het goddelijk voorbeeld navolgen?—Zij zal niet boos zijn, als zij dat merkt. Maar hoe moet dat teekenen plaats hebben?—Zij moeten dan den staat en de zeden der menschen als een paneel eerst schoon afvegen. En dit is niet gemakkelijk; maar gij weet nu, dat zij noch een enkel mensch, noch een staat zouden willen aanpakken of hun wetten voorschrijven, zoo zij niet alles schoon vonden of zelve schoon mogten maken.—Natuurlijk.—Zouden zij niet daarna de omtrekken der staatsregeling schetsen?—Ja.—En terwijl zij dat verder afwerkten, zouden zij, denk ik, veel zien én naar het van natuur regtvaardige, schoone, ingetogene, enz., én naar datzelfde voor zoo ver het onder de menschen bestaat; en die dan zamen verbindende en vermengende zouden zij hieruit de trekken ontleenen van het beeld des menschen, zich hierbij aan het goddelijke en godegelijkende, datHomerusin sommige menschen prijst, herinnerende.—Dat is goed.—En zij zouden dan, denk ik, met uitwisschen en overschilderen voortgaan, totdat zij de zeden der menschen zoo veel mogelijk aangenaam aan de godheid gemaakt hadden.—Dat zou een heerlijk schilderstuk worden.—Zouden wij nu hen, die gij zeidet, dat woedend op ons zullen komen aanloopen[118], niet kunnen overreden, dat zóó toch wezenlijk de statenschilder zijn moet, aan wien zij niet wilden, dat wij den staat overgaven; en zoudenzij, dit gehoord hebbende, niet wat handelbaarder worden?—Zeker; als zij wijs zijn.—Wat zouden zij dan ook nog kunnen betwijfelen? Of de wijsgeeren wel liefhebbers zijn van hetgeen waarlijk is, en van de waarheid?—Dat is al te gek.—Of dat hun karakter, hetwelk wij ontwikkeld hebben, verwant is aan het beste?—Ook dat niet.—Of dat zulk een karakter, als het de vereischte opleiding krijgt, zoo goed en wijsgeerig mogelijk zal wezen? Of zullen zij hun de voorkeur geven, die wij hebben uitgeworpen?—Waarlijk niet.—Zullen zij dan nog boos worden, als wij zeggen, dat, voordat het geslacht der wijsgeeren het bestuur in handen krijgt, noch voor den staat, noch voor de burgers een einde aan de rampen zal wezen, noch de staatsregeling, die wij nu beschrijven, zal verwerkelijkt worden?—Waarschijnlijk wel minder.—Laten wij dan maar zeggen, dat zij niet minder, maar volstrekt niet boos, en integendeel geheel overtuigd zijn; in de hoop, dat zij zich ten minste schamen ons nog langer tegen te spreken.—Best.—

XIV.Hen kunnen wij dus als overtuigd beschouwen, maar zal nu welligt iemand twijfelen, of het mogelijk is, dat kinderen van koningen of vorsten met een wijsgeerigen aanleg geboren worden?—Wel neen.—Dat dezen nu waarschijnlijk zullen bedorven worden, ziet ieder in, en wij stemmen zelve toe, dat hunne redding moeijelijk is; maar dat er in den geheelen tijd van die allen nooit iemand zou gered worden, is toch ook niet waarschijnlijk[119].—Wel neen.—Maar, één enkele, met een gehoorzaam volk, is genoeg om alles, waaraan nu getwijfeld wordt, tot stand te brengen.—Dat is waar.—Als de overheid de gezegde wetten en instellingen voorslaat, is het toch ook niet onmogelijk, datde burgers ze willen uitvoeren.—Waarlijk niet.—En zou het ook zulk een wonder en zoo onmogelijk zijn, dat anderen evenzoo dachten als wij?—Dat vind ik niet.—En dat het, zoo het maar tot stand kan komen, het beste is, hebben wij, geloof ik, in het vorige voldoende bewezen.—Ja.—Dus volgt, dat ons plan van wetgeving het beste is, en wel moeijelijk is uit te voeren, maar niet onmogelijk.—Dat volgt.—

XV.Dit is dan eindelijk klaar, en nu ligt voor ons aan de beurt te bespreken, hoe en door welke studie en bezigheid de instandhouders onzer staatsregeling moeten gevormd worden, en op welken leeftijd zij met ieder vak moeten beginnen.—Juist. Dat moeten wij dan maar bespreken.—Ik heb er geen wil van gehad, zeide ik, toen ik die moeijelijke voorschriften omtrent de vrouwen, en de voortteling, en het aanstellen van overheden zocht over te slaan, wetende, dat zij, hoe waar ook, aan veel berispingen onderhevig en lastig uit te voeren zijn, want ik ben des niet te min genoodzaakt geworden ze te behandelen. En met de vrouwen en de kinderen zijn wij nu gereed, maar het vraagstuk der overheden moet nog van den grond af worden opgehaald. Wij hebben gezegd, als gij het u herinnert, dat zij bewijzen moeten geven van vaderlandsliefde, en beproefd moeten zijn in vermaak en smart, als die bij geen rampen, noch verschrikkingen, noch eenige andere lotwisseling hunne beginselen laten varen; en dat wij hen, die daartoe te zwak zijn, moeten afkeuren, maar hen, die als in het vuur beproefd goud overal standvastig blijven, tot overheden moeten aanstellen en levend en dood met geschenken vereeren[120]. Dit zeiden wij in het voorbij gaan en liepen er overheen, om het tegenwoordige vraagstuk niet aan te roeren.—Dat is waar, ik herinner hetmij wel.—Ik had toen ook weinig lust, mijn vriend! om te zeggen, wat ik nu toch maar gewaagd heb; namelijk, dat volkomene wachters wijsgeeren moeten wezen.—Dat kunnen wij nu wel zeggen.—Bedenk dan nu eens, hoe weinig gij er hebben zult. Het karakter toch, dat wij in hen verlangen, wordt zelden in zijn geheel aangetroffen, maar meest bestaan deszelfs deelen ieder afzonderlijk.—Hoe zoo?—Vluggen in het leeren, sterken van geheugen en snellen van bevatting zijn zelden, tevens onverschrokken, grootmoedig, en geneigd om betamelijk, in rust en bestendigheid hun leven door te brengen, maar de zoodanigen worden door hunne vlugheid her en derwaarts gevoerd; en alle bestendigheid gaat uit hen verloren.—Dat is waar, zeide hij.—Die bestendige, niet ligt veranderlijke karakters daarentegen, op welke men zoo gerust kan vertrouwen, en die door de verschrikkingen van den oorlog niet ligt bewogen worden, zijn ook even onbeweeglijk in het leeren, en vorderen weinig en zijn als ’t ware verlamd, en worden slaperig en gaan gapen, wanneer zij zoo iets moeten uitvoeren[121].—Juist.—Maar wij zeiden, dat zij te gelijk vlugheid in het leeren en bestendigheid moesten hebben, of dat wij hun geen deel aan de hoogste wetenschap en aan eer en gezag geven moesten.—En met regt.—Zullen er dan niet weinig zijn?—Ja.—Wij moeten ze dan, zoo als toen gezegd is, in arbeid, en vrees, en vermaak beproeven, en daarenboven, wat toen is overgeslagen, in vele wetenschappen oefenen, om te zien, of zij ook voor de hoogste wetenschap geschikt zijn, dan of zij er bang voor worden, zoo als anderen voor gevaren.—Dat onderzoek bevalt mij, maar wat noemt gij de hoogste wetenschap?—

XVI.Misschien herinnert gij u nog, hoe wij de zielin drie deelen verdeeld en de regtvaardigheid, de matigheid, den moed en de wijsheid bepaald hebben?—Als ik mij dat niet herinnerde, was ik waard het overige niet te hooren.—En weet gij ook nog hetgeen daar vóór gezegd is?—Wat?—Wij zeiden, dat, om deze zoo goed mogelijk te zien, een langere weg vereischt werd, aan wiens einde zij duidelijk in het oog zouden vallen; doch dat ook uit het gezegde reeds een bewijs kon afgeleid worden. En toen zeidet gij, dat dit voldoende was, en zoo is het toen naar mijn oordeel met te weinig naauwkeurigheid beredeneerd, maar of het u voldaan heeft, moet gij zelf zeggen.—Ik vond het genoeg, en de anderen vonden het ook.—Mijn vriend! in zulke dingen is niets genoeg, zoo lang er iets wezenlijks ontbreekt, want niets is genoeg wat onvolkomen is, hoezeer sommigen het wel eens genoeg vinden en het verdere zoeken onnoodig rekenen.—Dat gebeurt dikwijls uit gemakkelijkheid.—Edoch die oorzaak mag bij een wachter van den staat en der wetten geen invloed uitoefenen.—Daarin hebt gij gelijk.—Zulk een persoon, mijn vriend! moet dus den langeren weg gaan, en zich bij de studie niet minder inspannen dan bij de ligchaamsoefeningen, of hij zal nimmer in de hoogste en voortreffelijkste wetenschap, waarvan wij spreken, doordringen.—Maar is dit dan niet bet hoogste. Is er dan iets hoogers dan de regtvaardigheid en hetgeen wij verder behandeld hebben?—Ja, zeide ik; en van deze dingen zelven moet hij niet, zoo als nu, slechts eene schets aanschouwen, maar ze geheel en al afgewerkt zien. Of is het niet gek in andere dingen van weinig belang zijn uiterste best te doen, om ze zoo naauwkeurig en zuiver mogelijk te hebben, en in de hoogste dingen niet naar de hoogste naauwkeurigheid te streven?—Het is wel der moeite waard dit ter harte te nemen. Maar denkt gij, dat iemand u nu zal laten gaan, zonderu te vragen, wat toch die hoogste wetenschap is, en waarop zij betrekking heeft?—Wel neen, vraag gij het maar. Gij hebt het echter niet zelden gehoord, en gij denkt er slechts op het oogenblik niet aan, of gij zijt van zins mij door tegenspreken in het naauw te brengen. Ik geloof meer het laatste; want dat de idee van het goede de hoogste wetenschap is, hebt gij dikwijls gehoord, en ook dat het regtvaardige, enz., door haar bruikbaar en nuttig wordt. En nu weet gij wel, dat ik ga zeggen dat wij haar noodig hebben, en verder, dat wij haar niet volkomen kennen; maar dat zonder haar alle andere kennis even weinig waarde heeft, als het verkrijgen van eenig ding, aan hetwelk de eigenschap van goed te zijn gemist wordt. Of vindt gij, dat wij iets winnen met eenige bezitting, die niet goed is, te verwerven of met het verkrijgen van alle kennis, behalve die van het goede?—Wel neen, zeker niet.—

XVII.Nu weet gij immers wel, dat de menigte het vermaak, en de meer beschaafden de kennis voor het goede houden.—Wel zeker.—En dat zij, mijn vriend! die er zóó over denken, niet kunnen opgeven, welke kennis; maar dat zij eindelijk genoodzaakt worden te zeggen: de kennis van het goede.—Ja, en dat is al heel gek.—Of het gek is, zeide ik, want terwijl zij ons verwijten, dat wij het goede niet kennen, spreken zij er tegen ons toch weer zóó over, alsof wij het wel kenden; want zij bepalen het als de kennis van het goede, even alsof wij hen konden begrijpen, wanneer zijvan het goedezeggen[122].—Dat is zeer waar.—En zijn zij, die het vermaak voor het goede houden, wel in eene minder erge dwaling dan de anderen? Of moeten zij niet erkennen, dat er ook slecht vermaak is?—Welzeker.—Daaruit volgt dan, dat zij goed en slecht voor hetzelfde houden, niet waar?—Ongetwijfeld.—Blijkt hieruit niet, dat er over dit punt veel te redeneren valt?—Zeker.—En blijkt het niet bovendien, dat velen wat schoon en regtvaardig schijnt, ook al is het zulks niet, toch willen doen en hebben en ten toon dragen; doch dat niemand tevreden is met het schijnbaar goede te hebben, maar allen zoeken wat wezenlijk goed is, en geen waardij aan den blooten schijn hechten?—Ongetwijfeld.—Maar zullen wij nu zeggen, dat ten opzigte van hetgeen alle menschen najagen en bij al hun doen beoogen, daar zij het voor iets werkelijks houden, doch welks aard zij niet kennen noch behoorlijk kunnen vatten, of zoo als andere dingen door een onwankelbaar geloof aannemen, waardoor zij dan ook in de andere dingen hun wezenlijk voordeel missen; dat ten opzigte van zulk eene belangrijke zaak ook de besten in den staat, aan wie wij alles toevertrouwen, even onwetend moeten wezen?—Wel neen, zeker niet.—Ik zou dan ook denken, dat het regtvaardige en schoone slecht zal bewaakt worden door een wachter, die niet weet in welk opzigt zij goed zijn; ja ik vermoed, dat zij zelfs door iemand, die dat niet weet, niet eens goed kunnen gekend worden.—Dat vermoeden beaam ik.—En zal onze staat niet geheel in orde zijn, als hij bestuurd wordt door een wachter, die daarmede bekend is?—

XVIII.Dat is natuurlijk. Maar,Socrates! houdt gij het goede voor de kennis, of voor het vermaak, of voor iets anders?—Gij zijt er een! zeide ik. Al lang was het te merken, dat gij niet tevreden zoudt zijn met de meeningen der anderen te hooren.—Ik vind het dan ook niet billijk,Socrates! als men zich zoo lang met die dingen bezig houdt, wel de meeningen van anderen te zeggen, maar de zijne niet.—Maar vindt gij het dan billijk, over dingen, die men niet weet, te spreken,alsof men ze weet?—Niet alsof men ze weet, maar alsof men daaromtrent eene meening heeft, en die meening wil zeggen.—Maar, gij hebt toch wel gemerkt, dat alle meeningen zonder kennis leelijk zijn; en de beste derzelve blind: of vindt gij eenig verschil tusschen blinden, die bij toeval den goeden weg opgaan, en hen, die eene ware meening hebben, zonder daar de reden van te weten?—Dat komt op hetzelfde neêr.—Wilt gij dan leelijke, en blinde, en kromme dingen beschouwen, terwijl gij van anderen heldere en schoone kunt hooren?—BijZeus,Socrates! zeideGlauco, houd nu niet op, alsof gij aan het einde waart; want wij zullen tevreden zijn, wanneer gij het goede behandelt, zoo als gij de regtvaardigheid, de ingetogenheid, enz.; behandeld hebt.—Daarmede zal ik ook bijzonder tevreden zijn, mijn vriend! maar ik ben bang, dat ik er niet toe in staat zal wezen, en dat ik, door het toch te beproeven, een gek figuur zal maken. Maar, mijne vrienden! laat ons voor het oogenblik de vraag, wat het goede is, laten rusten; want ik geloof, dat om hetgeen er mij nu van voor den geest zweeft te bereiken, eene meer diepzinnige redenering dan onze tegenwoordige gevorderd wordt; maar den zigtbaren zoon van het goede, die er het meest op gelijkt, wil ik, zoo het u goeddunkt, zeggen; zoo niet, verzwijgen.—Zeg dien dan maar, naderhand zult gij er toch wel aan moeten gelooven, en ons den vader zeggen.—Ik zou willen, dat ik dien zeggen kon, en dat gij hem kondet vatten, en u niet tot de kinderen behoefdet te bepalen. Doch weest nu met dezen zoon van het goede tevreden. Past echter op, dat ik u niet tegen mijnen wil bedrieg, en u een onderschoven kind voorstel.—Wij zullen zoo veel mogelijk oppassen, zeg het maar.—Eerst moeten wij ons nog eens onderling verstaan, en ons geheugen te hulp roepen, omtrent hetgeen in het vorige en ook bijvele andere gelegenheden gezegd is.—Wat?—Wij zeggen, dat er vele schoone en vele goede dingen zijn, en evenzoo zeggen en bepalen wij ook al het andere.—Dat doen wij.—En aan den anderen kant stellen wij van die vele en schoone en goede dingen en evenzoo van al de andere, die wij eerst velen noemden, eene idée b. v. het schoone, het goede, enz., en noemen die het wezenlijke van elk van die vele dingen.—Dat is waar.—En wij zeggen, dat die vele dingen gezien, maar niet gedacht; de idéen daartegen gedacht, maar niet gezien worden.—Juist.—En welk vermogen hebben wij nu, om de zigtbare dingen te zien?—Het gezigt.—En zoo dient immers ook het gehoor voor de hoorbare dingen, en evenzoo de andere zintuigen voor al wat verder zinnelijk is?—Ja.—Hebt gij nu wel eens bedacht, hoe bijzonder voortreffelijk de maker der zintuigen het zintuig des gezigts heeft gemaakt?—Neen.—Bezie het dan eens aldus: Heeft het gehoor en het geluid nog een derde ding noodig om te hooren, en gehoord te worden, zonder welks bijkomen het eerste niet zal hooren, en het tweede niet gehoord worden?—Neen.—En zoo meen ik, dat ook vele, om nu niet te zeggen alle andere zintuigen, niets dergelijks noodig hebben. Of weet gij er één voorbeeld van?—Neen ik.—Maar merkt gij niet, dat het gezigt en het zigtbare wél zoo iets noodig hebben?—Hoe dat?—Wanneer de oogen het vermogen des gezigts hebben, en de menschen daarvan trachten gebruik te maken, en er kleuren voor hetzelve aanwezig zijn, dan weet gij, dat evenwel, zoo er niet nog een derde, dat bepaaldelijk daar voor is ingerigt, bij komt, het gezigt niets ziet en de kleuren onzigtbaar blijven.—Wat bedoelt gij daarmede?—Wat gij licht noemt.—Dat is waar.—Dus heeft de zintuig des gezigts het voorregt, dat het met de zigtbare dingen door een kostelijker band is vereenigd danelk der andere zintuigen met zijn voorwerp; daar toch het licht niet te verachten is.—Neen waarlijk niet.—

XIX.Wien der hemelgoden noemt gij nu daarvan de oorzaak, en wiens licht gelooft gij, dat ons gezigt het best in staat stelt om te zien, en het zigtbare om gezien te worden.—Ik denk hier aan denzelfden als gij en alle anderen, want gij meent natuurlijk de zon.—En staat nu het gezigt tot dien God in deze verhouding?—In welke?—De zon is zelve geen gezigt noch hetgeen, waarin het gezigt huisvest, namelijk het oog.—Neen.—Maar dit heeft de grootste gelijkheid van alle zintuigen met de zon.—Zeker.—En deszelfs vermogen heeft het als ’t ware door uitstrooming uit de zon gekregen.—Juist.—Dus is de zon wel zelve geen gezigt, maar is daarvan de oorzaak, en wordt er ook door gezien.—Juist.—Dit is nu de zoon van het goede, dien ik bedoelde, wien het goede als zijn afbeeldsel heeft voortgebragt, zoodat deze in de zigtbare wereld tot het gezigt en de zigtbare dingen dezelfde verhouding heeft als het goede zelf in de denkbare wereld tot het denken en de gedachten.—Hoe meent gij dat, zeg het nog eens.—Gij weet, dat de oogen, wanneer men ze niet naar die dingen keert, welke door het licht van den dag bestraald worden, maar naar nachtelijke schijnsels, stomp worden en haast blind zijn, even als of zij het vermogen om te zien misten.—Ja.—Maar wanneer zij naar dingen gekeerd worden, die door de zon verlicht zijn, dan zien zij duidelijk, en dan blijkt het, dat diezelfde oogen heel goed zien kunnen.—Natuurlijk.—Let eens evenzoo op de ziel. Wanneer zij zich vestigt op dingen, die door de waarheid en het wezenlijk zijnde beschenen worden, dan denkt zij die, en kent ze, en blijkt denkvermogen te hebben; maar, wanneer zij zich vestigt op het met duisternis vermengde, hetgeen ontstaat en vergaat, dan meent zij slechts, en is stomp en verandert telkensvan meening, en het schijnt als had zij het kenvermogen niet.—Dat is zoo.—Zeg dan nu, dat hetgeen aan het gekende de waarheid en aan den kennenden het vermogen om te kennen verschaft, de idée van het goede is, welke de kennis en de waarheid, die door het kenvermogen gekend wordt, veroorzaakt; en als gij, terwijl kennis en waarheid al zoo heel schoon zijn, haar voor nog schooner houdt, zult gij weldoen; en even als het juist is, het licht en het gezigt wel als met de zon verwant, maar niet als de zon zelve te beschouwen, zoo moet gij ook de kennis en de waarheid wel beide met het goede verwant noemen, maar niet het goede zelf, daar gij dit nog vrij wat hooger moet stellen.—Dat moet al heel schoon zijn, zoo het wel kennis en waarheid aanbrengt, maar zelf in schoonheid daarboven uitmunt; want gij meent nu zeker het vermaak niet.—Pas op uwe woorden! zeide ik; maar beschouw zijne natuur liever aldus.—Hoe?—Gij zult, geloof ik, zeggen, dat de zon niet alleen het zigtbare in staat stelt om gezien te worden, maar ook geboorte, wasdom en voedsel verschaft, zonder zelve geboorte, enz. te wezen.—Juist.—Evenzoo moet gij zeggen, dat het kenbare door het goede niet slechts kenbaar gemaakt wordt, maar ook bestaat en daardoor aan het zijn deel heeft, zonder dat het goede het zijn is, maar terwijl het daar nog vóór en boven gaat[123].

XX.Toen riepGlauco, zich vrolijk makende: BijApollo! dat is wel een overtreffende trap.—Alles is uwe schuld, zeide ik, daar gij mij gedwongen hebt mijne meening te zeggen.—Houd daar niet mede op voordat althans de gelijkenis van de zon is afgehandeld; zoo gij ten minste nog meer over hebt.—Ik heb nog veel over.—Houd daarvan toch niets achter.—Ik ben integendeel voornemens, veel achter te houden; maar zal u toch zooveel zoeken mede te deelen, als op het oogenblik mogelijk is.—Dat is goed.—Houd dan nu het goede en de zon voor twee verschillende dingen, waarvan het ééne de denkbare, het andere de zigtbare wereld regeert. (Het woordhemelvermijd ik hier met voordacht, om niet in verdenking van spelen met woorden te komen.) Gij hebt dus hier twee soorten van dingen, de zigtbare, en de denkbare.—Ja.—Doe nu als of gij eene lijn in tweeën gedeeld hadt, en deel nog eens ieder stuk, dat van het zigtbare, en dat van het denkbare, in tweeën, dan hebt gij aan weerskanten twee in duidelijkheid van elkaar verschillende stukken, namelijk, in het zigtbare vooreerst de beelden. Ik bedoel met beelden onder anderen de schaduwen, verder de schijnsels in het water en op effene, gladde en blinkende oppervlakten, enz., begrijpt gij?—Ja.—Stel nu als het andere stuk de levende wezens en alle planten en voortbrengselen van kunst, enz.—Goed.—Zoudt gij nu niet willen toestemmen, dat hier ten aanzien van de waarheid hetzelfde verschil tusschen het afgebeelde en het afbeeldsel bestaat, als tusschen de voorwerpen der meening en die der kennis?—Ongetwijfeld.—Let nu ook eens op, hoe het stuk van het denkbare moet doorgesneden worden.—Hoe dan?—Om het ééne deel daarvan te vinden, moet de ziel de daareven genoemde dingen als beelden gebruiken en uit onderstellingen zich niet naar den grond, maar naar het op dezelve gebouwde begeven; en om het andere deel te vinden uit onderstellingen naar den eersten grond, zonder behulp van beelden maar alleen langs zuivere begrippen voortgaande.—Wat gij daar zegt, begrijp ik niet goed.—Het zal straks wel beter gaan, wanneer gij er dit nog bij gehoord hebt. Want gij weet, geloof ik, wel, dat de beoefenaars der meetkunst, rekenkunst, enz., bij iedere redenering axioma’s en bepalingen ten grondslag leggen, en die als zeker stellende, zonder hetnoodig te keuren daarvoor een bewijs te leveren, dewijl zij voor ieder klaarblijkelijk zijn, daarvan bij het bewijzen van het overige uitgaan, en zóó tot het punt komen, hetwelk zij zich voorgenomen hadden te beredeneren.—Dat weet ik heel goed.—En dat zij de zigtbare figuren tot hulpmiddelen bij hunne redeneringen bezigen, zonder bepaaldelijk die figuren te bedoelen, maar wel hetgeen zij voorstellen, b. v. het vierkant, en zijne hoekpuntslijnen in het algemeen, niet juist die, welke zij trekken; en dat zij evenzoo de andere door hen geteekende figuren, die ook zelve in schaduwen of in het water kunnen afgebeeld worden, slechts als beelden gebruiken, maar eigenlijk die begrippen zelve pogen te zien, die slechts voor den geest zigtbaar zijn.—Dat is waar.—

XXI.Dit is nu het deel der denkbare wereld, waarvan ik zeide, dat de ziel om het te vinden zich uit onderstellingen niet naar den grond moet begeven, daar zij niet dieper dan die onderstellingen kan indringen, maar wel met behulp van de zigtbare figuren en hunne afbeeldsels als van algemeen begrepene en erkende dingen, naar de daardoor afgebeelde begrippen.—Nu vat ik, dat gij de voorwerpen der meetkunst en hare zusterwetenschappen bedoelt.—Vat dan nu ook, dat ik met het andere deel der denkbare wereld datgene meen, hetwelk de geest door de rede vat, daarbij de onderstellingen niet als grond, maar bloot als onderstellingen en hulpmiddelen bezigende, om tot den op geen onderstellingen meer rustenden eersten grond door te dringen, en dien gevat hebbende, hetgeen daarop gebouwd is te onderzoeken, zonder behulp van zinnelijke dingen, maar slechts langs begrippen tot begrippen voortgaande.—Nu vat ik het, hoewel niet volkomen, want gij spreekt daar, dunkt mij, van een geweldigen arbeid; maar gij bedoelt, geloof ik, dat hetgeen door de rede met behulpder redeneerkunde van het zijnde en het denkbare gekend wordt, klaarblijkelijker is dan de voorwerpen dier zoogenaamde wetenschappen, die op onderstellingen gebouwd zijn, en wier beoefenaars ze wel met den geest en niet met de zintuigen moeten beschouwen; maar toch, dewijl zij niet tot den grond doordringen en slechts van onderstellingen uitgaan, geen waarachtige kennis schijnen te hebben, al zijn hunne onderwerpen daar vatbaar voor, als zij in verband met den eersten grond beschouwd worden. Gij oordeelt dus, geloof ik, dat de kennis der meetkunstenaars, enz., wel verstandskennis maar geen redekennis kan genoemd worden, daar de verstandskennis tusschen de meening en de redekennis in ligt.—Dat hebt gij zeer goed opgevat. Stel dan nu bij die vier deelen deze vier vermogens der ziel: bij het voornaamste de redekennis, bij het tweede de verstandskennis, bij het derde het geloof, en bij het vierde het vermoeden, en neem daarbij dezelfde verhouding in acht, zoodat, gelijk die deelen aan de waarheid deelachtig zijn, ook deze vermogens aan het inzigt in dezelve deel hebben.—Dat begrijp ik, en stem het toe, en stel het, zoo als gij zegt.


Back to IndexNext