VII.

VII.De halve toren.Wibbe had den laatsten tijd niet veel meer aan z’n weldoener gedacht. ’t Nieuwe leven nam hem te veel in beslag en dan, opzijnleeftijd besefte hij niet genoeg hoeveel z’n eerste pleegvader voor hem had gedaan en hoe hij ook z’n toekomst verzekerde.Dat wist de notaris des te beter!Maar nu hij meereed in de langzaam voortbewegende koets met twee onbekende heeren, nu herinnerde hij zich met volle kracht ’t vroegere leven, wèl eenzaam, maar toch ook gelukkig.Dat hij dien goeden meneer Bribon nooit meer zou zien, deed hem iets begrijpen van sterven.Stil en ernstig volgde hij de begrafenisplechtigheid en ’s avonds kon Hesse hem niet aan ’t lachen krijgen.Hesse had ’t dien dag heel moeilijk gehad zonder z’n beschermer.Voor ’t eerst voelde hij Wibbe’s stompen niet als waarschuwingen voor zotte streken of ondoordachte woorden.Het kwam weer tot ’n heftig tooneel tusschen hem en Flip.Dat scheen telkens veroorzaakt te worden door ’n dier.Nu was ’t weer ’n onnoozele musch.Een jong fladderde angstig over de speelplaats. Blijkbaar trok ’t diertje op eigenwijze manier de wereld in zonder voldoende te kunnen vliegen.De kinderen kwamen buiten, ontdekten ’t piepende beestje en de jacht begon.Eer de onderwijzers er erg in hadden, kreeg Flip het te pakken en maakte aanstalten om één van z’n gemeene streken uit te halen. Eerst riep hij zoo iets van oogen uitsteken, toen weer haalde hij ’n touwtje uit z’n zak om dat aan den poot van ’t diertje te binden en toen hij den onderwijzer zag naderen, wilde hij ’t muschje gauw in de rioolput stoppen. Maar Hesse, eerst tegengehouden door de bondgenooten, rukte zich nu los, stormde op Flip af, terwijl hij op ’t rooster van de put ging staan en met luider stem riep:„Laat dat beest los!”Flip, woedend om dien tegenstand, wilde z’n vijand hinderen. Hij hief de hand op, waarin ’t muschje bekneld zat en wilde ’t beest tegen de steenen te pletter gooien.Maar nu gingen er tal van afkeurende kreten de lucht in, grootere jongens grepen Flip vast en Hesse kreeg de pols te pakken.Hij kneep die zóó hevig, dat Flip ’t muschje moest los laten.En nu onder leiding van meneer Fube, werd ’t afgejakkerde diertje op ’t dak van de schuur in veiligheid gebracht.Maar Flip zag de kans schoon om in de drukte z’n ouden vijand ’n been te haken, zoodat Hesse met ’n slag voorover viel en hevig uit den neus begon te bloeden....En Flip kreeg van de drie bondgenooten ’n ris opstoppers en stompen.Het gaf ’n heel standje, eindigend met de veroordeeling van Flip—’n week niet meespelen.Om vier uur miste Hesse z’n vriend Wibbe en ’s avonds vergat hij er veel over te praten doordat Wibbe zoo vervuld was van wat hij zelf beleefde. Het werd ’n vreemde avond, want later wilde Hesse z’n zwijgenden vriend niet lastig vallen met ’n gewone kijfpartij op school.Ze maakten hun werk en verder sleten ze nog ’n anderhalf uur in de huiskamer, want de vrienden kwamen natuurlijk niet.Eerst na een paar dagen deed Wibbe weer gewoon. Toen begonnen de tongen weer flink te rammelen en ze spraken af om den volgenden avond weer voort te gaan met gaten boren....Van Offelen, de kerkeknecht strompelde als gewoonlijk uit z’n huisje naar ’t gebouw, dat hij met z’n vrouw moest schoonhouden.Omdat deze laatste niet al te best in orde was, zou hij dezen avond in z’n eentje wat vegen, ’t stofvan de banken afnemen, de toga van dendominéborstelen en zoo meer.Met den grooten sleutel opende hij de achterdeur, ging naar ’t berghok, waar hij doeken, bezem en stoffer van daan haalde.’n Oude lantaren nam hij ook mee, om, bij ’t vallen van de duisternis dóór te kunnen gaan.Van Offelen, ’n zestiger, had vele goede eigenschappen en enkele slechte.Hij deed altijd trouw zijn plicht, hij mocht graag ’n ander mensch helpen, hij was eerlijk en ’n redder in den nood voordominé, diakenen en ouderlingen, die hij in allerlei omstandigheden uit lastige gevalletjes hielp.Voor z’n vrouw en kinderen was hij steeds ’n goed man en vader geweest.Maar—ééne eigenschap maakte soms al de andere waardeloos.Heel in ’t geheim gebruikte hij veel borreltjes, zonder dat iemand er van wist. Zorgvuldig verdreef hij dan de lucht van den drank en kwam weer in huis, wèl vreemd druk, maar noch z’n vrouw, nòch anderen vermoedden iets van deze slavernij.Nauwelijks was Van Offelen dan ook dezen avond alleen in de kerk, of ’t verborgen fleschje kwam voor den dag en behaaglijk slurpte hij enkele teugjes van ’t gevaarlijk goedje naar binnen.Daarna verborg hij ’t fleschje in den binnenzak van z’n jas en maakte zich gereed om met z’n bezigheden te beginnen.Straks, zoo beloofde hij zich, als hij klaar was met den preekstoel, zou hij ’n tweede opfrissching nemen.Allo, nu aan ’t werk!En, zacht neuriënd veegde Van Offelen de paden aan en nam ’t stof van de banken. Morgen zou er ’ndominéuit de stad komen preeken! Alles mocht dus wel ’n goede beurt hebben!Onder invloed van den drank deed Van Offelen z’n werk op ’n vreemde manier.Hij wilde alle hoopjes vuil, hoep! in eens op ’t blik vegen en bleef er dan wat liggen, dan keek hij er naar met ’n scheef hoofd. Bij ’t bukken om de rest op te vegen, liet hij ’t blik weer leeg glijden. Dan liep hij weg, brommend: „Als je me wilt treiteren, laat ik je liggen.”En op ’n andere plek begon ’t zelfde spelletje nog eens.Het spreekt van zelf, dat de vreemdedominégeen bijster schoone kerk zou vinden.Om meer kracht te krijgen, nam Van Offelen maar weer ’n slokje nog vóór dat de preekstoel klaar was.Ziezoo! nu zou ’t wel handiger gaan!Helaas, telkens stootte hij zich en grinnikte om z’n rare loopen.Met den bezem raagde hij de banken af en met z’n vingers probeerde hij ’t vuil op te rapen. Eindelijk werd ’t donker en dus stak Van Offelen de kaars in den lantaren aan. ’t Deurtje kon hij niet goed meer dicht krijgen en dus liet hij ’t maar open.Nu nog ’n slokje en daarna wat pepermunt voor de lucht en dan ’n pijp.Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door ’t middenpad naar den preekstoel en klom naar boven.De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z’n lange schaduw, die door de heele kerk viel.Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z’n eigen denken deed hij ’t keurig.Na ’n minuut of tien vond hij ’t welletjes, nam den lantaren weer op en wilde naar beneden stappen.Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z’n beenen en z’n oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging1van de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om z’n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... ’t fleschje jenever brak en de rest van ’t leelijke goedje vloeide van de trede in de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor ’t bewustzijn....En de looper begon te smeulen.... te branden.... ’t droge eeuwenoude hout van den preekstoel vatte vlam....Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot bewustzijn.Waanzinnig door ’t zien van ’t vuur, en door de pijn, vloog hij naar de deur, naar de groote deur, die gesloten was.Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de kleeren van ’t lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....Onderwijl greep ’t vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle vlam.... ’n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde langzaam door ’t gewelf....En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst, tot hij de achterdeur vond en nu klonken z’n wilde kreten door de stilte van ’t dorp....Wibbe werd ’t eerst wakker door ’t rumoer. Hij ging rechtop in bed zitten en z’n slaperige oogen tuurden door ’t half open raam.Zag hij goed?.... was de lucht rood?....In een wip stond hij voor ’t venster en daar zag hij de vlammen uit de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....Dadelijk schudde hij Hesse wakker: „De kerk brandt, kleed je aan, gauw!”Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!In ’n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.De notaris wilde hen juist roepen, met d’r drieën gingen ze naar buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.’t Kerkgebouw brandde met ’n fellen gloed en de oude toren stak boven ’t vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden hem leelijk en ook ’t binnenwerk begon te smeulen—toen sloegen de vurige tongen uit z’n geheimzinnig binnenste.De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door ’n groep mannen—de slang werd naar ’t slootje geleid en uit alle macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.In den rooden gloed van de brandende kerk leken ’t duivels.2Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk raakten van ’t tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen en weer hollen, ’n groep vrouwen met angstige gezichten.De brandspuit gaf maar ’n droevig beetje water en ook de later aanrukkende spuit uit ’t naburige dorp kon de machtige vuurzee niet beheerschen.’n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om ’n paar dingen van waarde en de boeken te redden.Hesse en Wibbe stonden aan den kant van ’t dorp ’t schouwspel aan te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de vonkenregens landwaarts.Daar bezweek ’t dak! Onder ’n heftig geraas stortte het in de brandende diepte.Op ’n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij ’t groote hek.„Achteruit!” gilden ze, „de toren valt!”Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op ’t hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerdals ’n zwart monster in ’t laaiende vuur bleef staan.Maar z’n ouderdom deed ’m bezwijken!Plotseling klonk er ’n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de oude toren midden door, alsof ’n reuzenhand hem op halve hoogte met ’n geweldige moker had geraakt.Hij viel als ’n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor ’n deel in de brandende kerk of op ’t oude kerkhof.Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten slotte toch ’t vuur, dat af en toe nog even oplaaide.Dikke rookwolken dreven over ’t veld, de omtrek van de kerk werd afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....Zachtjes aan overwon de nacht met z’n donkerte, ’t schitterende schouwspel van ’n brandende kerk veranderde in ’n tooneel van verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder ’n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens ’t dak was en vooral de ingestorte toren in ’t toenemende duister, de nog steeds kronkelende rook, ’t naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk, wekte bij alle toeschouwers ’n gevoel van treurigheid.Vele dorpelingen trokken zich ’t geval persoonlijk aan. Kooten bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit ’t geld vandaan om ’n nieuwe kerk te bouwen.Toen kwam daarbij ’t gissen naar de oorzaak.Er liep ’n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit ’t gebouw was komen hollen.Had hij den brand aangestoken?Nu ’t indrukwekkende van ’t schouwspel voorbij was, en ’t droevig overschot van ’t kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de meesten ’n woede in zich opkomen.Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. ’s Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En dat alleen om dien koster, die gek geworden was.Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou ’t toch waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij ’n stille drinker zijn? Was hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.Het was half een.Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren moe door ’t ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in slaap komen.Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en in hun droomen begon ’t zeldzame voorval zich uit te breiden.De brandgasten werden duivels, die in ’t vuur dansten, zij zelf waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij ’t vluchten vastzitten in de nauwe spleet....Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de herinnering aan ’t nachtelijk voorval dreef ze met groote haast naar buiten.Nog vóór ’t ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of ’t werkelijk waar was. En ja—al dadelijk lag ’t treurig overschot van ’t eens zoo aardige kerkje voor hen.Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde randen.Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten en met z’n halve grootte somber tegen de heldere lucht.Het was dus wáár!Zwijgend liepen ze om ’t overschot van ’t kerkje heen. Te dicht mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand te zien.In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto’s kwamen de bezoekers aanzetten.Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe heel bescheiden, terwijl Hesse ’n lief beetje opsneed.Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want ’t ging als ’n loopend vuurtje door ’t dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.’s Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z’n bende.Even hielden beide partijen halt en ’t had er veel van of ze ’n gevecht op leven en dood zoudenbeginnen, maar de menschenstroom voerde hen van elkaar.Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op ’n afstand.Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de aanwezigheid der algemeene vijanden.Henk mompelde: „Wat doen ze hier? ’t Is onze toren.”Dat vonden ze rake woorden van Henk!’t Was hun toren, zeker!Zijhadden immers al plan gemaakt er zich in te nestelen.Wibbe merkte op: „Onze halve toren.”De jongen had gelijk, en met meer aandacht dan eerst, bekeken ze ’t rampzalige overschot.„Wordt hij weer opgebouwd?” vroeg Kees.Die vraag bracht de hoofden van de vijf bij elkaar.’t Was Hesse, die als ’t ware vuur in ’t kruit wierp door de opmerking:„Eer hij opgebouwd wordt, mogen wij er gerust in.”Daar had je ’t!Wie ter wereld zou hen beletten over ’n poos, als de nieuwsgierigheid uitgewerkt was, de puinhoopen te beklimmen en door den vroegeren kerkingang den toren binnen te gaan? Zoozeer namen de nieuwe vooruitzichten hen in beslag, dat ze de bende van Flip vergaten.Met d’r vijven stonden ze op ’n hoopje en ze luisterden naar de plannen van Hesse. Met drukkegebaren en met ’n stem, die al luider en harder klonk, ontvouwde Hesse z’n plan om van den halven toren ’n prachtige schuilplaats te maken, ’n echt oud ridderslot moest ’t worden en zij zelf zouden ridders zijn.Henk riep toen: „Ridders van den halven toren!”En die woorden vonden bijval!Het klonk goed!.... De ridders van den halven toren!Met vuurroode hoofden wekten ze bij elkaar toekomsttafereelen op.... ze zagen zich al in den toren genesteld.... ze rukten uit om—já, om wat te doen?Henk vroeg ’t kalm: „Bedoel je, dat we roofriddertje gaan spelen?”Hesse antwoordde niet. Om de waarheid te zeggen, hij wist werkelijk nog niet goed, op welke manier ze dat ridderspel moesten uitvoeren.En géén van de vijf kon ’n bepaald plan aangeven—’t bleef bij vage uitroepen en duistere verzinsels.Ze spraken af, omdat ze voorloopig toch niet in den toren konden komen, om ’n bijeenkomst te houden, waarin elk ’t een of ander plan moest ontvouwen....In ’t vuur van hun gesprek hadden ze niets bemerkt van Flip met z’n volgers. Die hadden gezien, hoe de vijf afzonderlijk aan ’t redeneeren waren en naar allen schijn over ’n gewichtig onderwerp.Flip waarschuwde z’n vrienden en even later sloop hij zelf naderbij, terwijl de anderen op ’n afstand bleven wachten.En zóó slim wist Flip dichterbij te komen, dat géén van de vijf erg kregen in den spion, die ’n goed deel van ’t gesprokene afluisterde.Met ’n triomfblik in de oogen, kwam Flip bij de bende terug en ’t eerste wat hij zei was: „Zien jullie dien ouden toren?Zijwillen er ’n ridderslot van maken!„Moeten we dat dulden? Hebbenwijniet even veel recht om er ons spel te spelen?”De hoofden gingen bij elkaar en ook dáár werd afgesproken, ’n bijeenkomst te houden....En die arme halve toren stond er weerloos bij waar twee troepen jonge helden recht tegen elkaar in, over hem beschikten en hem wilden maken tot ’n tooneel van den strijd.1Zie titelplaat.↑2Zie plaat omslag.↑

VII.De halve toren.Wibbe had den laatsten tijd niet veel meer aan z’n weldoener gedacht. ’t Nieuwe leven nam hem te veel in beslag en dan, opzijnleeftijd besefte hij niet genoeg hoeveel z’n eerste pleegvader voor hem had gedaan en hoe hij ook z’n toekomst verzekerde.Dat wist de notaris des te beter!Maar nu hij meereed in de langzaam voortbewegende koets met twee onbekende heeren, nu herinnerde hij zich met volle kracht ’t vroegere leven, wèl eenzaam, maar toch ook gelukkig.Dat hij dien goeden meneer Bribon nooit meer zou zien, deed hem iets begrijpen van sterven.Stil en ernstig volgde hij de begrafenisplechtigheid en ’s avonds kon Hesse hem niet aan ’t lachen krijgen.Hesse had ’t dien dag heel moeilijk gehad zonder z’n beschermer.Voor ’t eerst voelde hij Wibbe’s stompen niet als waarschuwingen voor zotte streken of ondoordachte woorden.Het kwam weer tot ’n heftig tooneel tusschen hem en Flip.Dat scheen telkens veroorzaakt te worden door ’n dier.Nu was ’t weer ’n onnoozele musch.Een jong fladderde angstig over de speelplaats. Blijkbaar trok ’t diertje op eigenwijze manier de wereld in zonder voldoende te kunnen vliegen.De kinderen kwamen buiten, ontdekten ’t piepende beestje en de jacht begon.Eer de onderwijzers er erg in hadden, kreeg Flip het te pakken en maakte aanstalten om één van z’n gemeene streken uit te halen. Eerst riep hij zoo iets van oogen uitsteken, toen weer haalde hij ’n touwtje uit z’n zak om dat aan den poot van ’t diertje te binden en toen hij den onderwijzer zag naderen, wilde hij ’t muschje gauw in de rioolput stoppen. Maar Hesse, eerst tegengehouden door de bondgenooten, rukte zich nu los, stormde op Flip af, terwijl hij op ’t rooster van de put ging staan en met luider stem riep:„Laat dat beest los!”Flip, woedend om dien tegenstand, wilde z’n vijand hinderen. Hij hief de hand op, waarin ’t muschje bekneld zat en wilde ’t beest tegen de steenen te pletter gooien.Maar nu gingen er tal van afkeurende kreten de lucht in, grootere jongens grepen Flip vast en Hesse kreeg de pols te pakken.Hij kneep die zóó hevig, dat Flip ’t muschje moest los laten.En nu onder leiding van meneer Fube, werd ’t afgejakkerde diertje op ’t dak van de schuur in veiligheid gebracht.Maar Flip zag de kans schoon om in de drukte z’n ouden vijand ’n been te haken, zoodat Hesse met ’n slag voorover viel en hevig uit den neus begon te bloeden....En Flip kreeg van de drie bondgenooten ’n ris opstoppers en stompen.Het gaf ’n heel standje, eindigend met de veroordeeling van Flip—’n week niet meespelen.Om vier uur miste Hesse z’n vriend Wibbe en ’s avonds vergat hij er veel over te praten doordat Wibbe zoo vervuld was van wat hij zelf beleefde. Het werd ’n vreemde avond, want later wilde Hesse z’n zwijgenden vriend niet lastig vallen met ’n gewone kijfpartij op school.Ze maakten hun werk en verder sleten ze nog ’n anderhalf uur in de huiskamer, want de vrienden kwamen natuurlijk niet.Eerst na een paar dagen deed Wibbe weer gewoon. Toen begonnen de tongen weer flink te rammelen en ze spraken af om den volgenden avond weer voort te gaan met gaten boren....Van Offelen, de kerkeknecht strompelde als gewoonlijk uit z’n huisje naar ’t gebouw, dat hij met z’n vrouw moest schoonhouden.Omdat deze laatste niet al te best in orde was, zou hij dezen avond in z’n eentje wat vegen, ’t stofvan de banken afnemen, de toga van dendominéborstelen en zoo meer.Met den grooten sleutel opende hij de achterdeur, ging naar ’t berghok, waar hij doeken, bezem en stoffer van daan haalde.’n Oude lantaren nam hij ook mee, om, bij ’t vallen van de duisternis dóór te kunnen gaan.Van Offelen, ’n zestiger, had vele goede eigenschappen en enkele slechte.Hij deed altijd trouw zijn plicht, hij mocht graag ’n ander mensch helpen, hij was eerlijk en ’n redder in den nood voordominé, diakenen en ouderlingen, die hij in allerlei omstandigheden uit lastige gevalletjes hielp.Voor z’n vrouw en kinderen was hij steeds ’n goed man en vader geweest.Maar—ééne eigenschap maakte soms al de andere waardeloos.Heel in ’t geheim gebruikte hij veel borreltjes, zonder dat iemand er van wist. Zorgvuldig verdreef hij dan de lucht van den drank en kwam weer in huis, wèl vreemd druk, maar noch z’n vrouw, nòch anderen vermoedden iets van deze slavernij.Nauwelijks was Van Offelen dan ook dezen avond alleen in de kerk, of ’t verborgen fleschje kwam voor den dag en behaaglijk slurpte hij enkele teugjes van ’t gevaarlijk goedje naar binnen.Daarna verborg hij ’t fleschje in den binnenzak van z’n jas en maakte zich gereed om met z’n bezigheden te beginnen.Straks, zoo beloofde hij zich, als hij klaar was met den preekstoel, zou hij ’n tweede opfrissching nemen.Allo, nu aan ’t werk!En, zacht neuriënd veegde Van Offelen de paden aan en nam ’t stof van de banken. Morgen zou er ’ndominéuit de stad komen preeken! Alles mocht dus wel ’n goede beurt hebben!Onder invloed van den drank deed Van Offelen z’n werk op ’n vreemde manier.Hij wilde alle hoopjes vuil, hoep! in eens op ’t blik vegen en bleef er dan wat liggen, dan keek hij er naar met ’n scheef hoofd. Bij ’t bukken om de rest op te vegen, liet hij ’t blik weer leeg glijden. Dan liep hij weg, brommend: „Als je me wilt treiteren, laat ik je liggen.”En op ’n andere plek begon ’t zelfde spelletje nog eens.Het spreekt van zelf, dat de vreemdedominégeen bijster schoone kerk zou vinden.Om meer kracht te krijgen, nam Van Offelen maar weer ’n slokje nog vóór dat de preekstoel klaar was.Ziezoo! nu zou ’t wel handiger gaan!Helaas, telkens stootte hij zich en grinnikte om z’n rare loopen.Met den bezem raagde hij de banken af en met z’n vingers probeerde hij ’t vuil op te rapen. Eindelijk werd ’t donker en dus stak Van Offelen de kaars in den lantaren aan. ’t Deurtje kon hij niet goed meer dicht krijgen en dus liet hij ’t maar open.Nu nog ’n slokje en daarna wat pepermunt voor de lucht en dan ’n pijp.Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door ’t middenpad naar den preekstoel en klom naar boven.De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z’n lange schaduw, die door de heele kerk viel.Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z’n eigen denken deed hij ’t keurig.Na ’n minuut of tien vond hij ’t welletjes, nam den lantaren weer op en wilde naar beneden stappen.Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z’n beenen en z’n oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging1van de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om z’n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... ’t fleschje jenever brak en de rest van ’t leelijke goedje vloeide van de trede in de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor ’t bewustzijn....En de looper begon te smeulen.... te branden.... ’t droge eeuwenoude hout van den preekstoel vatte vlam....Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot bewustzijn.Waanzinnig door ’t zien van ’t vuur, en door de pijn, vloog hij naar de deur, naar de groote deur, die gesloten was.Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de kleeren van ’t lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....Onderwijl greep ’t vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle vlam.... ’n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde langzaam door ’t gewelf....En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst, tot hij de achterdeur vond en nu klonken z’n wilde kreten door de stilte van ’t dorp....Wibbe werd ’t eerst wakker door ’t rumoer. Hij ging rechtop in bed zitten en z’n slaperige oogen tuurden door ’t half open raam.Zag hij goed?.... was de lucht rood?....In een wip stond hij voor ’t venster en daar zag hij de vlammen uit de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....Dadelijk schudde hij Hesse wakker: „De kerk brandt, kleed je aan, gauw!”Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!In ’n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.De notaris wilde hen juist roepen, met d’r drieën gingen ze naar buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.’t Kerkgebouw brandde met ’n fellen gloed en de oude toren stak boven ’t vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden hem leelijk en ook ’t binnenwerk begon te smeulen—toen sloegen de vurige tongen uit z’n geheimzinnig binnenste.De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door ’n groep mannen—de slang werd naar ’t slootje geleid en uit alle macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.In den rooden gloed van de brandende kerk leken ’t duivels.2Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk raakten van ’t tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen en weer hollen, ’n groep vrouwen met angstige gezichten.De brandspuit gaf maar ’n droevig beetje water en ook de later aanrukkende spuit uit ’t naburige dorp kon de machtige vuurzee niet beheerschen.’n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om ’n paar dingen van waarde en de boeken te redden.Hesse en Wibbe stonden aan den kant van ’t dorp ’t schouwspel aan te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de vonkenregens landwaarts.Daar bezweek ’t dak! Onder ’n heftig geraas stortte het in de brandende diepte.Op ’n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij ’t groote hek.„Achteruit!” gilden ze, „de toren valt!”Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op ’t hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerdals ’n zwart monster in ’t laaiende vuur bleef staan.Maar z’n ouderdom deed ’m bezwijken!Plotseling klonk er ’n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de oude toren midden door, alsof ’n reuzenhand hem op halve hoogte met ’n geweldige moker had geraakt.Hij viel als ’n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor ’n deel in de brandende kerk of op ’t oude kerkhof.Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten slotte toch ’t vuur, dat af en toe nog even oplaaide.Dikke rookwolken dreven over ’t veld, de omtrek van de kerk werd afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....Zachtjes aan overwon de nacht met z’n donkerte, ’t schitterende schouwspel van ’n brandende kerk veranderde in ’n tooneel van verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder ’n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens ’t dak was en vooral de ingestorte toren in ’t toenemende duister, de nog steeds kronkelende rook, ’t naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk, wekte bij alle toeschouwers ’n gevoel van treurigheid.Vele dorpelingen trokken zich ’t geval persoonlijk aan. Kooten bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit ’t geld vandaan om ’n nieuwe kerk te bouwen.Toen kwam daarbij ’t gissen naar de oorzaak.Er liep ’n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit ’t gebouw was komen hollen.Had hij den brand aangestoken?Nu ’t indrukwekkende van ’t schouwspel voorbij was, en ’t droevig overschot van ’t kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de meesten ’n woede in zich opkomen.Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. ’s Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En dat alleen om dien koster, die gek geworden was.Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou ’t toch waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij ’n stille drinker zijn? Was hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.Het was half een.Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren moe door ’t ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in slaap komen.Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en in hun droomen begon ’t zeldzame voorval zich uit te breiden.De brandgasten werden duivels, die in ’t vuur dansten, zij zelf waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij ’t vluchten vastzitten in de nauwe spleet....Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de herinnering aan ’t nachtelijk voorval dreef ze met groote haast naar buiten.Nog vóór ’t ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of ’t werkelijk waar was. En ja—al dadelijk lag ’t treurig overschot van ’t eens zoo aardige kerkje voor hen.Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde randen.Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten en met z’n halve grootte somber tegen de heldere lucht.Het was dus wáár!Zwijgend liepen ze om ’t overschot van ’t kerkje heen. Te dicht mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand te zien.In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto’s kwamen de bezoekers aanzetten.Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe heel bescheiden, terwijl Hesse ’n lief beetje opsneed.Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want ’t ging als ’n loopend vuurtje door ’t dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.’s Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z’n bende.Even hielden beide partijen halt en ’t had er veel van of ze ’n gevecht op leven en dood zoudenbeginnen, maar de menschenstroom voerde hen van elkaar.Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op ’n afstand.Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de aanwezigheid der algemeene vijanden.Henk mompelde: „Wat doen ze hier? ’t Is onze toren.”Dat vonden ze rake woorden van Henk!’t Was hun toren, zeker!Zijhadden immers al plan gemaakt er zich in te nestelen.Wibbe merkte op: „Onze halve toren.”De jongen had gelijk, en met meer aandacht dan eerst, bekeken ze ’t rampzalige overschot.„Wordt hij weer opgebouwd?” vroeg Kees.Die vraag bracht de hoofden van de vijf bij elkaar.’t Was Hesse, die als ’t ware vuur in ’t kruit wierp door de opmerking:„Eer hij opgebouwd wordt, mogen wij er gerust in.”Daar had je ’t!Wie ter wereld zou hen beletten over ’n poos, als de nieuwsgierigheid uitgewerkt was, de puinhoopen te beklimmen en door den vroegeren kerkingang den toren binnen te gaan? Zoozeer namen de nieuwe vooruitzichten hen in beslag, dat ze de bende van Flip vergaten.Met d’r vijven stonden ze op ’n hoopje en ze luisterden naar de plannen van Hesse. Met drukkegebaren en met ’n stem, die al luider en harder klonk, ontvouwde Hesse z’n plan om van den halven toren ’n prachtige schuilplaats te maken, ’n echt oud ridderslot moest ’t worden en zij zelf zouden ridders zijn.Henk riep toen: „Ridders van den halven toren!”En die woorden vonden bijval!Het klonk goed!.... De ridders van den halven toren!Met vuurroode hoofden wekten ze bij elkaar toekomsttafereelen op.... ze zagen zich al in den toren genesteld.... ze rukten uit om—já, om wat te doen?Henk vroeg ’t kalm: „Bedoel je, dat we roofriddertje gaan spelen?”Hesse antwoordde niet. Om de waarheid te zeggen, hij wist werkelijk nog niet goed, op welke manier ze dat ridderspel moesten uitvoeren.En géén van de vijf kon ’n bepaald plan aangeven—’t bleef bij vage uitroepen en duistere verzinsels.Ze spraken af, omdat ze voorloopig toch niet in den toren konden komen, om ’n bijeenkomst te houden, waarin elk ’t een of ander plan moest ontvouwen....In ’t vuur van hun gesprek hadden ze niets bemerkt van Flip met z’n volgers. Die hadden gezien, hoe de vijf afzonderlijk aan ’t redeneeren waren en naar allen schijn over ’n gewichtig onderwerp.Flip waarschuwde z’n vrienden en even later sloop hij zelf naderbij, terwijl de anderen op ’n afstand bleven wachten.En zóó slim wist Flip dichterbij te komen, dat géén van de vijf erg kregen in den spion, die ’n goed deel van ’t gesprokene afluisterde.Met ’n triomfblik in de oogen, kwam Flip bij de bende terug en ’t eerste wat hij zei was: „Zien jullie dien ouden toren?Zijwillen er ’n ridderslot van maken!„Moeten we dat dulden? Hebbenwijniet even veel recht om er ons spel te spelen?”De hoofden gingen bij elkaar en ook dáár werd afgesproken, ’n bijeenkomst te houden....En die arme halve toren stond er weerloos bij waar twee troepen jonge helden recht tegen elkaar in, over hem beschikten en hem wilden maken tot ’n tooneel van den strijd.1Zie titelplaat.↑2Zie plaat omslag.↑

VII.De halve toren.

Wibbe had den laatsten tijd niet veel meer aan z’n weldoener gedacht. ’t Nieuwe leven nam hem te veel in beslag en dan, opzijnleeftijd besefte hij niet genoeg hoeveel z’n eerste pleegvader voor hem had gedaan en hoe hij ook z’n toekomst verzekerde.Dat wist de notaris des te beter!Maar nu hij meereed in de langzaam voortbewegende koets met twee onbekende heeren, nu herinnerde hij zich met volle kracht ’t vroegere leven, wèl eenzaam, maar toch ook gelukkig.Dat hij dien goeden meneer Bribon nooit meer zou zien, deed hem iets begrijpen van sterven.Stil en ernstig volgde hij de begrafenisplechtigheid en ’s avonds kon Hesse hem niet aan ’t lachen krijgen.Hesse had ’t dien dag heel moeilijk gehad zonder z’n beschermer.Voor ’t eerst voelde hij Wibbe’s stompen niet als waarschuwingen voor zotte streken of ondoordachte woorden.Het kwam weer tot ’n heftig tooneel tusschen hem en Flip.Dat scheen telkens veroorzaakt te worden door ’n dier.Nu was ’t weer ’n onnoozele musch.Een jong fladderde angstig over de speelplaats. Blijkbaar trok ’t diertje op eigenwijze manier de wereld in zonder voldoende te kunnen vliegen.De kinderen kwamen buiten, ontdekten ’t piepende beestje en de jacht begon.Eer de onderwijzers er erg in hadden, kreeg Flip het te pakken en maakte aanstalten om één van z’n gemeene streken uit te halen. Eerst riep hij zoo iets van oogen uitsteken, toen weer haalde hij ’n touwtje uit z’n zak om dat aan den poot van ’t diertje te binden en toen hij den onderwijzer zag naderen, wilde hij ’t muschje gauw in de rioolput stoppen. Maar Hesse, eerst tegengehouden door de bondgenooten, rukte zich nu los, stormde op Flip af, terwijl hij op ’t rooster van de put ging staan en met luider stem riep:„Laat dat beest los!”Flip, woedend om dien tegenstand, wilde z’n vijand hinderen. Hij hief de hand op, waarin ’t muschje bekneld zat en wilde ’t beest tegen de steenen te pletter gooien.Maar nu gingen er tal van afkeurende kreten de lucht in, grootere jongens grepen Flip vast en Hesse kreeg de pols te pakken.Hij kneep die zóó hevig, dat Flip ’t muschje moest los laten.En nu onder leiding van meneer Fube, werd ’t afgejakkerde diertje op ’t dak van de schuur in veiligheid gebracht.Maar Flip zag de kans schoon om in de drukte z’n ouden vijand ’n been te haken, zoodat Hesse met ’n slag voorover viel en hevig uit den neus begon te bloeden....En Flip kreeg van de drie bondgenooten ’n ris opstoppers en stompen.Het gaf ’n heel standje, eindigend met de veroordeeling van Flip—’n week niet meespelen.Om vier uur miste Hesse z’n vriend Wibbe en ’s avonds vergat hij er veel over te praten doordat Wibbe zoo vervuld was van wat hij zelf beleefde. Het werd ’n vreemde avond, want later wilde Hesse z’n zwijgenden vriend niet lastig vallen met ’n gewone kijfpartij op school.Ze maakten hun werk en verder sleten ze nog ’n anderhalf uur in de huiskamer, want de vrienden kwamen natuurlijk niet.Eerst na een paar dagen deed Wibbe weer gewoon. Toen begonnen de tongen weer flink te rammelen en ze spraken af om den volgenden avond weer voort te gaan met gaten boren....Van Offelen, de kerkeknecht strompelde als gewoonlijk uit z’n huisje naar ’t gebouw, dat hij met z’n vrouw moest schoonhouden.Omdat deze laatste niet al te best in orde was, zou hij dezen avond in z’n eentje wat vegen, ’t stofvan de banken afnemen, de toga van dendominéborstelen en zoo meer.Met den grooten sleutel opende hij de achterdeur, ging naar ’t berghok, waar hij doeken, bezem en stoffer van daan haalde.’n Oude lantaren nam hij ook mee, om, bij ’t vallen van de duisternis dóór te kunnen gaan.Van Offelen, ’n zestiger, had vele goede eigenschappen en enkele slechte.Hij deed altijd trouw zijn plicht, hij mocht graag ’n ander mensch helpen, hij was eerlijk en ’n redder in den nood voordominé, diakenen en ouderlingen, die hij in allerlei omstandigheden uit lastige gevalletjes hielp.Voor z’n vrouw en kinderen was hij steeds ’n goed man en vader geweest.Maar—ééne eigenschap maakte soms al de andere waardeloos.Heel in ’t geheim gebruikte hij veel borreltjes, zonder dat iemand er van wist. Zorgvuldig verdreef hij dan de lucht van den drank en kwam weer in huis, wèl vreemd druk, maar noch z’n vrouw, nòch anderen vermoedden iets van deze slavernij.Nauwelijks was Van Offelen dan ook dezen avond alleen in de kerk, of ’t verborgen fleschje kwam voor den dag en behaaglijk slurpte hij enkele teugjes van ’t gevaarlijk goedje naar binnen.Daarna verborg hij ’t fleschje in den binnenzak van z’n jas en maakte zich gereed om met z’n bezigheden te beginnen.Straks, zoo beloofde hij zich, als hij klaar was met den preekstoel, zou hij ’n tweede opfrissching nemen.Allo, nu aan ’t werk!En, zacht neuriënd veegde Van Offelen de paden aan en nam ’t stof van de banken. Morgen zou er ’ndominéuit de stad komen preeken! Alles mocht dus wel ’n goede beurt hebben!Onder invloed van den drank deed Van Offelen z’n werk op ’n vreemde manier.Hij wilde alle hoopjes vuil, hoep! in eens op ’t blik vegen en bleef er dan wat liggen, dan keek hij er naar met ’n scheef hoofd. Bij ’t bukken om de rest op te vegen, liet hij ’t blik weer leeg glijden. Dan liep hij weg, brommend: „Als je me wilt treiteren, laat ik je liggen.”En op ’n andere plek begon ’t zelfde spelletje nog eens.Het spreekt van zelf, dat de vreemdedominégeen bijster schoone kerk zou vinden.Om meer kracht te krijgen, nam Van Offelen maar weer ’n slokje nog vóór dat de preekstoel klaar was.Ziezoo! nu zou ’t wel handiger gaan!Helaas, telkens stootte hij zich en grinnikte om z’n rare loopen.Met den bezem raagde hij de banken af en met z’n vingers probeerde hij ’t vuil op te rapen. Eindelijk werd ’t donker en dus stak Van Offelen de kaars in den lantaren aan. ’t Deurtje kon hij niet goed meer dicht krijgen en dus liet hij ’t maar open.Nu nog ’n slokje en daarna wat pepermunt voor de lucht en dan ’n pijp.Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door ’t middenpad naar den preekstoel en klom naar boven.De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z’n lange schaduw, die door de heele kerk viel.Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z’n eigen denken deed hij ’t keurig.Na ’n minuut of tien vond hij ’t welletjes, nam den lantaren weer op en wilde naar beneden stappen.Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z’n beenen en z’n oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging1van de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om z’n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... ’t fleschje jenever brak en de rest van ’t leelijke goedje vloeide van de trede in de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor ’t bewustzijn....En de looper begon te smeulen.... te branden.... ’t droge eeuwenoude hout van den preekstoel vatte vlam....Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot bewustzijn.Waanzinnig door ’t zien van ’t vuur, en door de pijn, vloog hij naar de deur, naar de groote deur, die gesloten was.Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de kleeren van ’t lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....Onderwijl greep ’t vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle vlam.... ’n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde langzaam door ’t gewelf....En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst, tot hij de achterdeur vond en nu klonken z’n wilde kreten door de stilte van ’t dorp....Wibbe werd ’t eerst wakker door ’t rumoer. Hij ging rechtop in bed zitten en z’n slaperige oogen tuurden door ’t half open raam.Zag hij goed?.... was de lucht rood?....In een wip stond hij voor ’t venster en daar zag hij de vlammen uit de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....Dadelijk schudde hij Hesse wakker: „De kerk brandt, kleed je aan, gauw!”Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!In ’n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.De notaris wilde hen juist roepen, met d’r drieën gingen ze naar buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.’t Kerkgebouw brandde met ’n fellen gloed en de oude toren stak boven ’t vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden hem leelijk en ook ’t binnenwerk begon te smeulen—toen sloegen de vurige tongen uit z’n geheimzinnig binnenste.De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door ’n groep mannen—de slang werd naar ’t slootje geleid en uit alle macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.In den rooden gloed van de brandende kerk leken ’t duivels.2Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk raakten van ’t tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen en weer hollen, ’n groep vrouwen met angstige gezichten.De brandspuit gaf maar ’n droevig beetje water en ook de later aanrukkende spuit uit ’t naburige dorp kon de machtige vuurzee niet beheerschen.’n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om ’n paar dingen van waarde en de boeken te redden.Hesse en Wibbe stonden aan den kant van ’t dorp ’t schouwspel aan te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de vonkenregens landwaarts.Daar bezweek ’t dak! Onder ’n heftig geraas stortte het in de brandende diepte.Op ’n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij ’t groote hek.„Achteruit!” gilden ze, „de toren valt!”Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op ’t hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerdals ’n zwart monster in ’t laaiende vuur bleef staan.Maar z’n ouderdom deed ’m bezwijken!Plotseling klonk er ’n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de oude toren midden door, alsof ’n reuzenhand hem op halve hoogte met ’n geweldige moker had geraakt.Hij viel als ’n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor ’n deel in de brandende kerk of op ’t oude kerkhof.Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten slotte toch ’t vuur, dat af en toe nog even oplaaide.Dikke rookwolken dreven over ’t veld, de omtrek van de kerk werd afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....Zachtjes aan overwon de nacht met z’n donkerte, ’t schitterende schouwspel van ’n brandende kerk veranderde in ’n tooneel van verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder ’n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens ’t dak was en vooral de ingestorte toren in ’t toenemende duister, de nog steeds kronkelende rook, ’t naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk, wekte bij alle toeschouwers ’n gevoel van treurigheid.Vele dorpelingen trokken zich ’t geval persoonlijk aan. Kooten bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit ’t geld vandaan om ’n nieuwe kerk te bouwen.Toen kwam daarbij ’t gissen naar de oorzaak.Er liep ’n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit ’t gebouw was komen hollen.Had hij den brand aangestoken?Nu ’t indrukwekkende van ’t schouwspel voorbij was, en ’t droevig overschot van ’t kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de meesten ’n woede in zich opkomen.Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. ’s Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En dat alleen om dien koster, die gek geworden was.Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou ’t toch waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij ’n stille drinker zijn? Was hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.Het was half een.Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren moe door ’t ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in slaap komen.Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en in hun droomen begon ’t zeldzame voorval zich uit te breiden.De brandgasten werden duivels, die in ’t vuur dansten, zij zelf waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij ’t vluchten vastzitten in de nauwe spleet....Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de herinnering aan ’t nachtelijk voorval dreef ze met groote haast naar buiten.Nog vóór ’t ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of ’t werkelijk waar was. En ja—al dadelijk lag ’t treurig overschot van ’t eens zoo aardige kerkje voor hen.Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde randen.Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten en met z’n halve grootte somber tegen de heldere lucht.Het was dus wáár!Zwijgend liepen ze om ’t overschot van ’t kerkje heen. Te dicht mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand te zien.In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto’s kwamen de bezoekers aanzetten.Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe heel bescheiden, terwijl Hesse ’n lief beetje opsneed.Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want ’t ging als ’n loopend vuurtje door ’t dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.’s Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z’n bende.Even hielden beide partijen halt en ’t had er veel van of ze ’n gevecht op leven en dood zoudenbeginnen, maar de menschenstroom voerde hen van elkaar.Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op ’n afstand.Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de aanwezigheid der algemeene vijanden.Henk mompelde: „Wat doen ze hier? ’t Is onze toren.”Dat vonden ze rake woorden van Henk!’t Was hun toren, zeker!Zijhadden immers al plan gemaakt er zich in te nestelen.Wibbe merkte op: „Onze halve toren.”De jongen had gelijk, en met meer aandacht dan eerst, bekeken ze ’t rampzalige overschot.„Wordt hij weer opgebouwd?” vroeg Kees.Die vraag bracht de hoofden van de vijf bij elkaar.’t Was Hesse, die als ’t ware vuur in ’t kruit wierp door de opmerking:„Eer hij opgebouwd wordt, mogen wij er gerust in.”Daar had je ’t!Wie ter wereld zou hen beletten over ’n poos, als de nieuwsgierigheid uitgewerkt was, de puinhoopen te beklimmen en door den vroegeren kerkingang den toren binnen te gaan? Zoozeer namen de nieuwe vooruitzichten hen in beslag, dat ze de bende van Flip vergaten.Met d’r vijven stonden ze op ’n hoopje en ze luisterden naar de plannen van Hesse. Met drukkegebaren en met ’n stem, die al luider en harder klonk, ontvouwde Hesse z’n plan om van den halven toren ’n prachtige schuilplaats te maken, ’n echt oud ridderslot moest ’t worden en zij zelf zouden ridders zijn.Henk riep toen: „Ridders van den halven toren!”En die woorden vonden bijval!Het klonk goed!.... De ridders van den halven toren!Met vuurroode hoofden wekten ze bij elkaar toekomsttafereelen op.... ze zagen zich al in den toren genesteld.... ze rukten uit om—já, om wat te doen?Henk vroeg ’t kalm: „Bedoel je, dat we roofriddertje gaan spelen?”Hesse antwoordde niet. Om de waarheid te zeggen, hij wist werkelijk nog niet goed, op welke manier ze dat ridderspel moesten uitvoeren.En géén van de vijf kon ’n bepaald plan aangeven—’t bleef bij vage uitroepen en duistere verzinsels.Ze spraken af, omdat ze voorloopig toch niet in den toren konden komen, om ’n bijeenkomst te houden, waarin elk ’t een of ander plan moest ontvouwen....In ’t vuur van hun gesprek hadden ze niets bemerkt van Flip met z’n volgers. Die hadden gezien, hoe de vijf afzonderlijk aan ’t redeneeren waren en naar allen schijn over ’n gewichtig onderwerp.Flip waarschuwde z’n vrienden en even later sloop hij zelf naderbij, terwijl de anderen op ’n afstand bleven wachten.En zóó slim wist Flip dichterbij te komen, dat géén van de vijf erg kregen in den spion, die ’n goed deel van ’t gesprokene afluisterde.Met ’n triomfblik in de oogen, kwam Flip bij de bende terug en ’t eerste wat hij zei was: „Zien jullie dien ouden toren?Zijwillen er ’n ridderslot van maken!„Moeten we dat dulden? Hebbenwijniet even veel recht om er ons spel te spelen?”De hoofden gingen bij elkaar en ook dáár werd afgesproken, ’n bijeenkomst te houden....En die arme halve toren stond er weerloos bij waar twee troepen jonge helden recht tegen elkaar in, over hem beschikten en hem wilden maken tot ’n tooneel van den strijd.

Wibbe had den laatsten tijd niet veel meer aan z’n weldoener gedacht. ’t Nieuwe leven nam hem te veel in beslag en dan, opzijnleeftijd besefte hij niet genoeg hoeveel z’n eerste pleegvader voor hem had gedaan en hoe hij ook z’n toekomst verzekerde.

Dat wist de notaris des te beter!

Maar nu hij meereed in de langzaam voortbewegende koets met twee onbekende heeren, nu herinnerde hij zich met volle kracht ’t vroegere leven, wèl eenzaam, maar toch ook gelukkig.

Dat hij dien goeden meneer Bribon nooit meer zou zien, deed hem iets begrijpen van sterven.

Stil en ernstig volgde hij de begrafenisplechtigheid en ’s avonds kon Hesse hem niet aan ’t lachen krijgen.

Hesse had ’t dien dag heel moeilijk gehad zonder z’n beschermer.

Voor ’t eerst voelde hij Wibbe’s stompen niet als waarschuwingen voor zotte streken of ondoordachte woorden.

Het kwam weer tot ’n heftig tooneel tusschen hem en Flip.

Dat scheen telkens veroorzaakt te worden door ’n dier.

Nu was ’t weer ’n onnoozele musch.

Een jong fladderde angstig over de speelplaats. Blijkbaar trok ’t diertje op eigenwijze manier de wereld in zonder voldoende te kunnen vliegen.

De kinderen kwamen buiten, ontdekten ’t piepende beestje en de jacht begon.

Eer de onderwijzers er erg in hadden, kreeg Flip het te pakken en maakte aanstalten om één van z’n gemeene streken uit te halen. Eerst riep hij zoo iets van oogen uitsteken, toen weer haalde hij ’n touwtje uit z’n zak om dat aan den poot van ’t diertje te binden en toen hij den onderwijzer zag naderen, wilde hij ’t muschje gauw in de rioolput stoppen. Maar Hesse, eerst tegengehouden door de bondgenooten, rukte zich nu los, stormde op Flip af, terwijl hij op ’t rooster van de put ging staan en met luider stem riep:

„Laat dat beest los!”

Flip, woedend om dien tegenstand, wilde z’n vijand hinderen. Hij hief de hand op, waarin ’t muschje bekneld zat en wilde ’t beest tegen de steenen te pletter gooien.

Maar nu gingen er tal van afkeurende kreten de lucht in, grootere jongens grepen Flip vast en Hesse kreeg de pols te pakken.

Hij kneep die zóó hevig, dat Flip ’t muschje moest los laten.

En nu onder leiding van meneer Fube, werd ’t afgejakkerde diertje op ’t dak van de schuur in veiligheid gebracht.

Maar Flip zag de kans schoon om in de drukte z’n ouden vijand ’n been te haken, zoodat Hesse met ’n slag voorover viel en hevig uit den neus begon te bloeden....

En Flip kreeg van de drie bondgenooten ’n ris opstoppers en stompen.

Het gaf ’n heel standje, eindigend met de veroordeeling van Flip—’n week niet meespelen.

Om vier uur miste Hesse z’n vriend Wibbe en ’s avonds vergat hij er veel over te praten doordat Wibbe zoo vervuld was van wat hij zelf beleefde. Het werd ’n vreemde avond, want later wilde Hesse z’n zwijgenden vriend niet lastig vallen met ’n gewone kijfpartij op school.

Ze maakten hun werk en verder sleten ze nog ’n anderhalf uur in de huiskamer, want de vrienden kwamen natuurlijk niet.

Eerst na een paar dagen deed Wibbe weer gewoon. Toen begonnen de tongen weer flink te rammelen en ze spraken af om den volgenden avond weer voort te gaan met gaten boren....

Van Offelen, de kerkeknecht strompelde als gewoonlijk uit z’n huisje naar ’t gebouw, dat hij met z’n vrouw moest schoonhouden.

Omdat deze laatste niet al te best in orde was, zou hij dezen avond in z’n eentje wat vegen, ’t stofvan de banken afnemen, de toga van dendominéborstelen en zoo meer.

Met den grooten sleutel opende hij de achterdeur, ging naar ’t berghok, waar hij doeken, bezem en stoffer van daan haalde.

’n Oude lantaren nam hij ook mee, om, bij ’t vallen van de duisternis dóór te kunnen gaan.

Van Offelen, ’n zestiger, had vele goede eigenschappen en enkele slechte.

Hij deed altijd trouw zijn plicht, hij mocht graag ’n ander mensch helpen, hij was eerlijk en ’n redder in den nood voordominé, diakenen en ouderlingen, die hij in allerlei omstandigheden uit lastige gevalletjes hielp.

Voor z’n vrouw en kinderen was hij steeds ’n goed man en vader geweest.

Maar—ééne eigenschap maakte soms al de andere waardeloos.

Heel in ’t geheim gebruikte hij veel borreltjes, zonder dat iemand er van wist. Zorgvuldig verdreef hij dan de lucht van den drank en kwam weer in huis, wèl vreemd druk, maar noch z’n vrouw, nòch anderen vermoedden iets van deze slavernij.

Nauwelijks was Van Offelen dan ook dezen avond alleen in de kerk, of ’t verborgen fleschje kwam voor den dag en behaaglijk slurpte hij enkele teugjes van ’t gevaarlijk goedje naar binnen.

Daarna verborg hij ’t fleschje in den binnenzak van z’n jas en maakte zich gereed om met z’n bezigheden te beginnen.

Straks, zoo beloofde hij zich, als hij klaar was met den preekstoel, zou hij ’n tweede opfrissching nemen.

Allo, nu aan ’t werk!

En, zacht neuriënd veegde Van Offelen de paden aan en nam ’t stof van de banken. Morgen zou er ’ndominéuit de stad komen preeken! Alles mocht dus wel ’n goede beurt hebben!

Onder invloed van den drank deed Van Offelen z’n werk op ’n vreemde manier.

Hij wilde alle hoopjes vuil, hoep! in eens op ’t blik vegen en bleef er dan wat liggen, dan keek hij er naar met ’n scheef hoofd. Bij ’t bukken om de rest op te vegen, liet hij ’t blik weer leeg glijden. Dan liep hij weg, brommend: „Als je me wilt treiteren, laat ik je liggen.”

En op ’n andere plek begon ’t zelfde spelletje nog eens.

Het spreekt van zelf, dat de vreemdedominégeen bijster schoone kerk zou vinden.

Om meer kracht te krijgen, nam Van Offelen maar weer ’n slokje nog vóór dat de preekstoel klaar was.

Ziezoo! nu zou ’t wel handiger gaan!

Helaas, telkens stootte hij zich en grinnikte om z’n rare loopen.

Met den bezem raagde hij de banken af en met z’n vingers probeerde hij ’t vuil op te rapen. Eindelijk werd ’t donker en dus stak Van Offelen de kaars in den lantaren aan. ’t Deurtje kon hij niet goed meer dicht krijgen en dus liet hij ’t maar open.

Nu nog ’n slokje en daarna wat pepermunt voor de lucht en dan ’n pijp.

Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door ’t middenpad naar den preekstoel en klom naar boven.

De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.

Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z’n lange schaduw, die door de heele kerk viel.

Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z’n eigen denken deed hij ’t keurig.

Na ’n minuut of tien vond hij ’t welletjes, nam den lantaren weer op en wilde naar beneden stappen.

Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z’n beenen en z’n oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging1van de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om z’n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... ’t fleschje jenever brak en de rest van ’t leelijke goedje vloeide van de trede in de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor ’t bewustzijn....

En de looper begon te smeulen.... te branden.... ’t droge eeuwenoude hout van den preekstoel vatte vlam....

Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot bewustzijn.

Waanzinnig door ’t zien van ’t vuur, en door de pijn, vloog hij naar de deur, naar de groote deur, die gesloten was.

Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de kleeren van ’t lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....

Onderwijl greep ’t vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle vlam.... ’n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde langzaam door ’t gewelf....

En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst, tot hij de achterdeur vond en nu klonken z’n wilde kreten door de stilte van ’t dorp....

Wibbe werd ’t eerst wakker door ’t rumoer. Hij ging rechtop in bed zitten en z’n slaperige oogen tuurden door ’t half open raam.

Zag hij goed?.... was de lucht rood?....

In een wip stond hij voor ’t venster en daar zag hij de vlammen uit de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....

Dadelijk schudde hij Hesse wakker: „De kerk brandt, kleed je aan, gauw!”

Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!

In ’n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.

De notaris wilde hen juist roepen, met d’r drieën gingen ze naar buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.

’t Kerkgebouw brandde met ’n fellen gloed en de oude toren stak boven ’t vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden hem leelijk en ook ’t binnenwerk begon te smeulen—toen sloegen de vurige tongen uit z’n geheimzinnig binnenste.

De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door ’n groep mannen—de slang werd naar ’t slootje geleid en uit alle macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.

In den rooden gloed van de brandende kerk leken ’t duivels.2

Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk raakten van ’t tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen en weer hollen, ’n groep vrouwen met angstige gezichten.

De brandspuit gaf maar ’n droevig beetje water en ook de later aanrukkende spuit uit ’t naburige dorp kon de machtige vuurzee niet beheerschen.

’n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om ’n paar dingen van waarde en de boeken te redden.

Hesse en Wibbe stonden aan den kant van ’t dorp ’t schouwspel aan te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de vonkenregens landwaarts.

Daar bezweek ’t dak! Onder ’n heftig geraas stortte het in de brandende diepte.

Op ’n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij ’t groote hek.

„Achteruit!” gilden ze, „de toren valt!”

Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op ’t hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerdals ’n zwart monster in ’t laaiende vuur bleef staan.

Maar z’n ouderdom deed ’m bezwijken!

Plotseling klonk er ’n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de oude toren midden door, alsof ’n reuzenhand hem op halve hoogte met ’n geweldige moker had geraakt.

Hij viel als ’n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor ’n deel in de brandende kerk of op ’t oude kerkhof.

Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten slotte toch ’t vuur, dat af en toe nog even oplaaide.

Dikke rookwolken dreven over ’t veld, de omtrek van de kerk werd afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....

Zachtjes aan overwon de nacht met z’n donkerte, ’t schitterende schouwspel van ’n brandende kerk veranderde in ’n tooneel van verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder ’n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens ’t dak was en vooral de ingestorte toren in ’t toenemende duister, de nog steeds kronkelende rook, ’t naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk, wekte bij alle toeschouwers ’n gevoel van treurigheid.

Vele dorpelingen trokken zich ’t geval persoonlijk aan. Kooten bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit ’t geld vandaan om ’n nieuwe kerk te bouwen.

Toen kwam daarbij ’t gissen naar de oorzaak.

Er liep ’n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit ’t gebouw was komen hollen.

Had hij den brand aangestoken?

Nu ’t indrukwekkende van ’t schouwspel voorbij was, en ’t droevig overschot van ’t kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de meesten ’n woede in zich opkomen.

Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. ’s Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En dat alleen om dien koster, die gek geworden was.

Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou ’t toch waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij ’n stille drinker zijn? Was hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....

Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.

Het was half een.

Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren moe door ’t ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in slaap komen.

Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en in hun droomen begon ’t zeldzame voorval zich uit te breiden.

De brandgasten werden duivels, die in ’t vuur dansten, zij zelf waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij ’t vluchten vastzitten in de nauwe spleet....

Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de herinnering aan ’t nachtelijk voorval dreef ze met groote haast naar buiten.

Nog vóór ’t ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of ’t werkelijk waar was. En ja—al dadelijk lag ’t treurig overschot van ’t eens zoo aardige kerkje voor hen.

Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde randen.

Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten en met z’n halve grootte somber tegen de heldere lucht.

Het was dus wáár!

Zwijgend liepen ze om ’t overschot van ’t kerkje heen. Te dicht mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.

Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand te zien.

In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto’s kwamen de bezoekers aanzetten.

Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe heel bescheiden, terwijl Hesse ’n lief beetje opsneed.

Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want ’t ging als ’n loopend vuurtje door ’t dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.

’s Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z’n bende.

Even hielden beide partijen halt en ’t had er veel van of ze ’n gevecht op leven en dood zoudenbeginnen, maar de menschenstroom voerde hen van elkaar.

Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op ’n afstand.

Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de aanwezigheid der algemeene vijanden.

Henk mompelde: „Wat doen ze hier? ’t Is onze toren.”

Dat vonden ze rake woorden van Henk!

’t Was hun toren, zeker!Zijhadden immers al plan gemaakt er zich in te nestelen.

Wibbe merkte op: „Onze halve toren.”

De jongen had gelijk, en met meer aandacht dan eerst, bekeken ze ’t rampzalige overschot.

„Wordt hij weer opgebouwd?” vroeg Kees.

Die vraag bracht de hoofden van de vijf bij elkaar.

’t Was Hesse, die als ’t ware vuur in ’t kruit wierp door de opmerking:

„Eer hij opgebouwd wordt, mogen wij er gerust in.”

Daar had je ’t!

Wie ter wereld zou hen beletten over ’n poos, als de nieuwsgierigheid uitgewerkt was, de puinhoopen te beklimmen en door den vroegeren kerkingang den toren binnen te gaan? Zoozeer namen de nieuwe vooruitzichten hen in beslag, dat ze de bende van Flip vergaten.

Met d’r vijven stonden ze op ’n hoopje en ze luisterden naar de plannen van Hesse. Met drukkegebaren en met ’n stem, die al luider en harder klonk, ontvouwde Hesse z’n plan om van den halven toren ’n prachtige schuilplaats te maken, ’n echt oud ridderslot moest ’t worden en zij zelf zouden ridders zijn.

Henk riep toen: „Ridders van den halven toren!”

En die woorden vonden bijval!

Het klonk goed!.... De ridders van den halven toren!

Met vuurroode hoofden wekten ze bij elkaar toekomsttafereelen op.... ze zagen zich al in den toren genesteld.... ze rukten uit om—já, om wat te doen?

Henk vroeg ’t kalm: „Bedoel je, dat we roofriddertje gaan spelen?”

Hesse antwoordde niet. Om de waarheid te zeggen, hij wist werkelijk nog niet goed, op welke manier ze dat ridderspel moesten uitvoeren.

En géén van de vijf kon ’n bepaald plan aangeven—’t bleef bij vage uitroepen en duistere verzinsels.

Ze spraken af, omdat ze voorloopig toch niet in den toren konden komen, om ’n bijeenkomst te houden, waarin elk ’t een of ander plan moest ontvouwen....

In ’t vuur van hun gesprek hadden ze niets bemerkt van Flip met z’n volgers. Die hadden gezien, hoe de vijf afzonderlijk aan ’t redeneeren waren en naar allen schijn over ’n gewichtig onderwerp.

Flip waarschuwde z’n vrienden en even later sloop hij zelf naderbij, terwijl de anderen op ’n afstand bleven wachten.

En zóó slim wist Flip dichterbij te komen, dat géén van de vijf erg kregen in den spion, die ’n goed deel van ’t gesprokene afluisterde.

Met ’n triomfblik in de oogen, kwam Flip bij de bende terug en ’t eerste wat hij zei was: „Zien jullie dien ouden toren?Zijwillen er ’n ridderslot van maken!

„Moeten we dat dulden? Hebbenwijniet even veel recht om er ons spel te spelen?”

De hoofden gingen bij elkaar en ook dáár werd afgesproken, ’n bijeenkomst te houden....

En die arme halve toren stond er weerloos bij waar twee troepen jonge helden recht tegen elkaar in, over hem beschikten en hem wilden maken tot ’n tooneel van den strijd.

1Zie titelplaat.↑2Zie plaat omslag.↑

1Zie titelplaat.↑

2Zie plaat omslag.↑


Back to IndexNext