VIII.

VIII.In ’t donker.Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse de puinhoopen van de afgebrande kerk als ’n speelterrein beschouwen.’n Week na ’t onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.Mevrouw had ze nog gezegd: „Waag je er niet op in je goeie kleeren want ’t is er vreeselijk vuil.”Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half ofze vergeten ’t dadelijk weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere heldendaad.Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen, waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door ’t bluschwater, en juist geschikt om jongensvoeten ’n aardige opfrissching te geven. De afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor ’n goed deel blijven staan, maar met brokken en gaten.Dat gaf ’n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot ’n vernuftig smijten door ’n raamgat.Na ’n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren, maar ’n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten, dat deze versperd was door neergestort puin.Ietwat vies, ’n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse naast elkaar zitten op ’n stuk balk, vol smerige brandplekken.Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele onderneming zwaar in te zien.„We zullen ’n tunnel moeten graven,” meende Wibbe.„Of toch ’n dynamietpatroon gebruiken,” opperde Hesse.Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei:„Welnee! aanpakken! die rommel moet op zij, dat ’s alles!”Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt moest worden als paarden.Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer Hesse als voorzitter op.Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en ’t was hem niet gelukt te weten te komen, waarmee.Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: „Dat is voor jou ook ’n geheim.”Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote openingsrede van den voorzitter aanhoorde.Hesse bezat ’n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken, maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van ’n gebeurtenis, die door z’n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.Wibbe stráálde!Hij leefde in spanning en dan, ’t ging nu toch zóó, als hij vroeger in z’n boeken had gelezen.Héérlijk!Hesse zei dan! „We gaan ’n geheim verbond oprichten, ja, ’n geheim verbond, dat is ’n verbond, waarvan je lid mag zijn in ’t geheim. Ja, in ’t geheim.”De aanstaande leden glimlachten.Hesse ging voort: „We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik wil zeggen, denhalven toren. We noemen ons: de ridders van den halven toren....”Pauze.„We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle moeielijke gevallen.„Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat ’t doel is van onzen bond.„Mag ik Wibbe uitnoodigenzijnplan ter tafel te brengen. Daarna zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. ’t Beste plan voeren we uit. Dan gaan we de eed afleggen.”Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.Hij ging zitten en keek Wibbe aan.Deze heer had genoeg over ’n plan gedacht. Ridders waren volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één: dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee: edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar, dat Wibbe met ’n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn, edel, weezen en vrouwen beschermen....Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen verlangde.Jan bracht ’t er niet veel beter af. Die kwam met ’n oud verhaal op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te ontdekken en daarvan telkens ’n deel gebruikten om armen te helpen.Ze vonden ’t allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel: „Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!”Kees zat feitelijk met z’n mond vol tanden. Hij had heelemaal niets weten te bedenken. Vandaar z’n gestotter over riddertochten, gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.Henk deed leuk!„Ik weet niets,” zei hij, „niemand van ons weet iets, dat is gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in den toren te gaan spelen. Vraag je me nou,wat, dan zeg ik alweer: „ik weet ’t nog niet. Dat zullen we wel zien.””De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig te doen, niet ontglippen.Daar was nou ’n halve toren met onderaardsche gewelven misschien, moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:„Het valt me bitter tegen, dat niemand ’t een of ander heeft kunnen bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen metmijnplan....”Volle aandacht van de vier!„Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.„Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zouwillen opwekken om weer zoo te doen.„Ach nee, ik heb wat anders bedacht....”Verbazende aandacht!„Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg, die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.„Endieschepsels kunnenwijheel goed beschermen als we willen....”Henk begon Hesse te begrijpen.„Mijn plan is nu zóó: We vormen ’t geheime verbond De Ridders van den halven toren! Die ridders hebben ’t doel om overal waar ze kunnen de honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden, te beschermen.„En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats gebracht, daar verzorgd en gevoed.„Begrijpen jullie me nou?”Ja, ze begrepen hem uitstekend!Henk zei zelfs heel aardig: „Dàt is nou ’t mooiste plan van de wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!”Nadat de eerste luidruchtigheid over ’t voorstel van Hesse was bedaard, ging de voorzitter verder:„Wij sluiten dus ’n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting plechtig te vieren door iets bizonders.”Hesse maakte ’t pakje open, dat de jongens al ’n half uur geprikkeld had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.Er kwam ’n naald te voorschijn, ’n fleschje met gekleurd goedje en ’n reep rood lint. Dat gaf te denken!Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse verklaarde toen: „Ik prik met deze naald ons geheime teeken in je arm.”„Ha! tatoueeren noem je dat!” riep Kees.„En wat voor teeken?” vroeg Jan.Hesse stroopte z’n mouw op en, na de naald in ’t gekleurde vocht gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van ’n hond.Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben, want werkelijk, de omtrek van ’n hondenlijf stond duidelijk op ’t vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen ridderbond ’n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken van trouw en toewijding.Er volgde nog méér!’t Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu ’t zelfde teeken te staan en ditwas nu ’t uiterlijk bewijs van lidmaatschap.Na kort beraad besloten ze ’t lintje niet al te zichtbaar onder ’t buis op ’t vest te dragen.Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders met hoogroode gezichten aan ’t naaien.Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes lint op ’n vest te naaien, maar ’t ging alles behalve netjes. Mevrouw hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de plaats van hun nieuw verblijf—de ruïne.Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren door te dringen.Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!En omdat ’t verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze maar dadelijk aan den arbeid.Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit de keuken, groeven ze ’t puin zooveel mogelijk weg.De vallende duisternis plus ’t bevel van den notaris plus de noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten dezen eersten avond ’n eind aan ’t werk.De roodeplakkaatjesop de vesten van de vijf ridders vielen den anderen dag gauw genoeg in ’t oog.Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.„Ze hebben ’n hondenclub opgericht,” zei hij, „ze hadden liever apen moeten nemen.”Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:„Dat laten we aan jullie over.”Flip riep toen: „Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden om jullie één voor één dood te bijten.”Nog ’n poosje ging ’t geschreeuw over en weer, tot de les begon.Maar van nu af aan bleef ’t: honden en wolven.Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.Over ’t algemeen hielden de meisjes ’t meer met de ridders.Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze ’t medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de brutaliteit van Flip.Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook nog vrind met den broer van Guusje Raders.’s Middags verscheen de bende van Flip met ’n wolfsportret op ’t vest genaaid.Zeven tegen vijf!Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den toren vrij!De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde ’t oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen ’n heerlijk gebruik te maken.De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door ’t maanlicht over de puinhoopen.Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....Door ’n onbekende oorzaak was ’t beneden gedeelte vrij wel onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden de ridders gehinderd door ’n massa stukken steen en neergevallen houtbrokken.Hesse ging voorop.Hij hield den lantaren boven ’t hoofd en nu wierp ’t flauwe licht ’n allergeheimzinnigst schijnsel op ’t inwendige van den toren.Onwillekeurig voelden ze ’n kille huivering vooral door den tocht.... ’n koude luchtstroom viel van boven door ’t groote open gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.In ’t duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs den muur en daaronder was ’t donker, volkomen donker.Enkele minuten stonden ze op ’n hoopje.... ze fluisterden en hun oogen trachtten te onderscheiden....Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon ’t zijn?....Hesse was de eerste, die moedig voortging en ’t licht deed schijnen in ’t donker.Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden ze helaas weggeroepen door den notaris.Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden ’t zich veel geheimzinniger voorgesteld.Nou ja, zoo in ’t donker met ’n lantarentje leek ’t heel wat.Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. „Morgen middag komen jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken.”Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon ’t tweede bezoek.De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge lichtplekken op de muren en op de trap.Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden ’t huis van den notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken en de verbrijzelde ramen.Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!Ze verlangden méér.’t Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig leek ’t ook niet.Maar Hesse was er óók nog!Zonder iets te zeggen klom hij alleen naar beneden en begon daar in z’n eentje ’n nauwkeurig onderzoek.Toen de anderen hem misten, zochten ze hem op en daar vonden ze hem bezig met ’t wegwerken van ’t puin, dat den bodem bedekte.„Zoek je aardappelen?” vroeg Kees.„Hij zoekt ’t haantje van den toren,” riep Jan.Maar Hesse deed nijdig en beval kortaf:„Help me!”„Wat wil je dan? Vertel ’t ons eerst,” zei Henk.Hesse bromde: „De kelder.”Nu stonden ze alle vier even paf!Die Hesse!Zoekt die ’n kelder?Aha! dan zou ’t toch nog wat bizonders geven!Nu hielpen ze als razenden mee om ’n luik te vinden.„Wéét je, of er één is?” vroeg Henk.„Het moet er zijn,” antwoordde Hesse.Die woorden schenen voor de anderen voldoende om met razende drift den ganschen torenbodem leeg te ruimen.Wel kwamen er groote zerken bloot, maar van ’n kelder geen sprake!Ten minste....Hesse ging al die zerken één voor één onderzoeken maar hij vond niets.Plotseling viel zijn oog op de kisten onder de trap. Onmiddellijk begonnen ze die weg te sjorren.Al eerder hadden ze gezien, dat die kisten niets geheimzinnigs bevatten, louter papieren, geel en gerimpeld.Nauwelijks waren de kisten weggeschoven, of Hesse wierp zich weer op de knieën om den vloer schoon te maken en—eensklaps hoorden de jongens hem een kreet slaken. Hesse lag met z’n neus op den steen en toen de ridders bij hem stonden, hief hij ’t hoofd op en toonde aan al de verbaasde oogen ’n ring.„Hier is de toegang,” zei Hesse met heesche stem.En allemaal zagen ze bleek.’t Zou dan toch nog geheimzinnig worden!Hesse trok aan den ring.... Wibbe en Hesse rukten.... Wibbe, Hesse en Kees spanden zich geducht in.... Wibbe, Hesse, Kees, Jan en Henk probeerden met vereende krachten de zerk op te lichten....Ze kregen er geen beweging in.„Misschien is die steen in geen honderd jaar opgetild,” zei Henk.„Hij móét!” antwoordde Hesse, „laten we een dunne paal zoeken, die we door den ring steken.”Ze zochten ’n dunne paal!.... ze vonden er één! Die werd door den ring geschoven.... één eind op den vloer.... alle vijf ’t andere eind opgetild!.... Mis!.... Nog eens!.... nog eens!....„Hij beweegt!” gilde Hesse.Méér kracht!.... daar gaf de zerk mee!.... één twéé!.... één rand kwam omhoog.... nu zakte de steen weer.... nog eens tillen!.... daar was hij!.... vooruit!.... acht handen schoven den steen over den vloer.... verder.... verder!Er werd ’n opening zichtbaar.... ’n trap....Voor tien opengesperde oogen vertoonde zich ’n onderaardsche ruimte....

VIII.In ’t donker.Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse de puinhoopen van de afgebrande kerk als ’n speelterrein beschouwen.’n Week na ’t onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.Mevrouw had ze nog gezegd: „Waag je er niet op in je goeie kleeren want ’t is er vreeselijk vuil.”Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half ofze vergeten ’t dadelijk weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere heldendaad.Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen, waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door ’t bluschwater, en juist geschikt om jongensvoeten ’n aardige opfrissching te geven. De afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor ’n goed deel blijven staan, maar met brokken en gaten.Dat gaf ’n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot ’n vernuftig smijten door ’n raamgat.Na ’n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren, maar ’n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten, dat deze versperd was door neergestort puin.Ietwat vies, ’n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse naast elkaar zitten op ’n stuk balk, vol smerige brandplekken.Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele onderneming zwaar in te zien.„We zullen ’n tunnel moeten graven,” meende Wibbe.„Of toch ’n dynamietpatroon gebruiken,” opperde Hesse.Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei:„Welnee! aanpakken! die rommel moet op zij, dat ’s alles!”Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt moest worden als paarden.Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer Hesse als voorzitter op.Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en ’t was hem niet gelukt te weten te komen, waarmee.Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: „Dat is voor jou ook ’n geheim.”Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote openingsrede van den voorzitter aanhoorde.Hesse bezat ’n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken, maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van ’n gebeurtenis, die door z’n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.Wibbe stráálde!Hij leefde in spanning en dan, ’t ging nu toch zóó, als hij vroeger in z’n boeken had gelezen.Héérlijk!Hesse zei dan! „We gaan ’n geheim verbond oprichten, ja, ’n geheim verbond, dat is ’n verbond, waarvan je lid mag zijn in ’t geheim. Ja, in ’t geheim.”De aanstaande leden glimlachten.Hesse ging voort: „We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik wil zeggen, denhalven toren. We noemen ons: de ridders van den halven toren....”Pauze.„We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle moeielijke gevallen.„Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat ’t doel is van onzen bond.„Mag ik Wibbe uitnoodigenzijnplan ter tafel te brengen. Daarna zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. ’t Beste plan voeren we uit. Dan gaan we de eed afleggen.”Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.Hij ging zitten en keek Wibbe aan.Deze heer had genoeg over ’n plan gedacht. Ridders waren volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één: dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee: edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar, dat Wibbe met ’n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn, edel, weezen en vrouwen beschermen....Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen verlangde.Jan bracht ’t er niet veel beter af. Die kwam met ’n oud verhaal op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te ontdekken en daarvan telkens ’n deel gebruikten om armen te helpen.Ze vonden ’t allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel: „Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!”Kees zat feitelijk met z’n mond vol tanden. Hij had heelemaal niets weten te bedenken. Vandaar z’n gestotter over riddertochten, gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.Henk deed leuk!„Ik weet niets,” zei hij, „niemand van ons weet iets, dat is gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in den toren te gaan spelen. Vraag je me nou,wat, dan zeg ik alweer: „ik weet ’t nog niet. Dat zullen we wel zien.””De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig te doen, niet ontglippen.Daar was nou ’n halve toren met onderaardsche gewelven misschien, moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:„Het valt me bitter tegen, dat niemand ’t een of ander heeft kunnen bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen metmijnplan....”Volle aandacht van de vier!„Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.„Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zouwillen opwekken om weer zoo te doen.„Ach nee, ik heb wat anders bedacht....”Verbazende aandacht!„Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg, die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.„Endieschepsels kunnenwijheel goed beschermen als we willen....”Henk begon Hesse te begrijpen.„Mijn plan is nu zóó: We vormen ’t geheime verbond De Ridders van den halven toren! Die ridders hebben ’t doel om overal waar ze kunnen de honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden, te beschermen.„En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats gebracht, daar verzorgd en gevoed.„Begrijpen jullie me nou?”Ja, ze begrepen hem uitstekend!Henk zei zelfs heel aardig: „Dàt is nou ’t mooiste plan van de wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!”Nadat de eerste luidruchtigheid over ’t voorstel van Hesse was bedaard, ging de voorzitter verder:„Wij sluiten dus ’n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting plechtig te vieren door iets bizonders.”Hesse maakte ’t pakje open, dat de jongens al ’n half uur geprikkeld had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.Er kwam ’n naald te voorschijn, ’n fleschje met gekleurd goedje en ’n reep rood lint. Dat gaf te denken!Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse verklaarde toen: „Ik prik met deze naald ons geheime teeken in je arm.”„Ha! tatoueeren noem je dat!” riep Kees.„En wat voor teeken?” vroeg Jan.Hesse stroopte z’n mouw op en, na de naald in ’t gekleurde vocht gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van ’n hond.Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben, want werkelijk, de omtrek van ’n hondenlijf stond duidelijk op ’t vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen ridderbond ’n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken van trouw en toewijding.Er volgde nog méér!’t Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu ’t zelfde teeken te staan en ditwas nu ’t uiterlijk bewijs van lidmaatschap.Na kort beraad besloten ze ’t lintje niet al te zichtbaar onder ’t buis op ’t vest te dragen.Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders met hoogroode gezichten aan ’t naaien.Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes lint op ’n vest te naaien, maar ’t ging alles behalve netjes. Mevrouw hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de plaats van hun nieuw verblijf—de ruïne.Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren door te dringen.Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!En omdat ’t verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze maar dadelijk aan den arbeid.Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit de keuken, groeven ze ’t puin zooveel mogelijk weg.De vallende duisternis plus ’t bevel van den notaris plus de noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten dezen eersten avond ’n eind aan ’t werk.De roodeplakkaatjesop de vesten van de vijf ridders vielen den anderen dag gauw genoeg in ’t oog.Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.„Ze hebben ’n hondenclub opgericht,” zei hij, „ze hadden liever apen moeten nemen.”Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:„Dat laten we aan jullie over.”Flip riep toen: „Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden om jullie één voor één dood te bijten.”Nog ’n poosje ging ’t geschreeuw over en weer, tot de les begon.Maar van nu af aan bleef ’t: honden en wolven.Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.Over ’t algemeen hielden de meisjes ’t meer met de ridders.Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze ’t medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de brutaliteit van Flip.Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook nog vrind met den broer van Guusje Raders.’s Middags verscheen de bende van Flip met ’n wolfsportret op ’t vest genaaid.Zeven tegen vijf!Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den toren vrij!De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde ’t oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen ’n heerlijk gebruik te maken.De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door ’t maanlicht over de puinhoopen.Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....Door ’n onbekende oorzaak was ’t beneden gedeelte vrij wel onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden de ridders gehinderd door ’n massa stukken steen en neergevallen houtbrokken.Hesse ging voorop.Hij hield den lantaren boven ’t hoofd en nu wierp ’t flauwe licht ’n allergeheimzinnigst schijnsel op ’t inwendige van den toren.Onwillekeurig voelden ze ’n kille huivering vooral door den tocht.... ’n koude luchtstroom viel van boven door ’t groote open gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.In ’t duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs den muur en daaronder was ’t donker, volkomen donker.Enkele minuten stonden ze op ’n hoopje.... ze fluisterden en hun oogen trachtten te onderscheiden....Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon ’t zijn?....Hesse was de eerste, die moedig voortging en ’t licht deed schijnen in ’t donker.Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden ze helaas weggeroepen door den notaris.Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden ’t zich veel geheimzinniger voorgesteld.Nou ja, zoo in ’t donker met ’n lantarentje leek ’t heel wat.Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. „Morgen middag komen jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken.”Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon ’t tweede bezoek.De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge lichtplekken op de muren en op de trap.Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden ’t huis van den notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken en de verbrijzelde ramen.Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!Ze verlangden méér.’t Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig leek ’t ook niet.Maar Hesse was er óók nog!Zonder iets te zeggen klom hij alleen naar beneden en begon daar in z’n eentje ’n nauwkeurig onderzoek.Toen de anderen hem misten, zochten ze hem op en daar vonden ze hem bezig met ’t wegwerken van ’t puin, dat den bodem bedekte.„Zoek je aardappelen?” vroeg Kees.„Hij zoekt ’t haantje van den toren,” riep Jan.Maar Hesse deed nijdig en beval kortaf:„Help me!”„Wat wil je dan? Vertel ’t ons eerst,” zei Henk.Hesse bromde: „De kelder.”Nu stonden ze alle vier even paf!Die Hesse!Zoekt die ’n kelder?Aha! dan zou ’t toch nog wat bizonders geven!Nu hielpen ze als razenden mee om ’n luik te vinden.„Wéét je, of er één is?” vroeg Henk.„Het moet er zijn,” antwoordde Hesse.Die woorden schenen voor de anderen voldoende om met razende drift den ganschen torenbodem leeg te ruimen.Wel kwamen er groote zerken bloot, maar van ’n kelder geen sprake!Ten minste....Hesse ging al die zerken één voor één onderzoeken maar hij vond niets.Plotseling viel zijn oog op de kisten onder de trap. Onmiddellijk begonnen ze die weg te sjorren.Al eerder hadden ze gezien, dat die kisten niets geheimzinnigs bevatten, louter papieren, geel en gerimpeld.Nauwelijks waren de kisten weggeschoven, of Hesse wierp zich weer op de knieën om den vloer schoon te maken en—eensklaps hoorden de jongens hem een kreet slaken. Hesse lag met z’n neus op den steen en toen de ridders bij hem stonden, hief hij ’t hoofd op en toonde aan al de verbaasde oogen ’n ring.„Hier is de toegang,” zei Hesse met heesche stem.En allemaal zagen ze bleek.’t Zou dan toch nog geheimzinnig worden!Hesse trok aan den ring.... Wibbe en Hesse rukten.... Wibbe, Hesse en Kees spanden zich geducht in.... Wibbe, Hesse, Kees, Jan en Henk probeerden met vereende krachten de zerk op te lichten....Ze kregen er geen beweging in.„Misschien is die steen in geen honderd jaar opgetild,” zei Henk.„Hij móét!” antwoordde Hesse, „laten we een dunne paal zoeken, die we door den ring steken.”Ze zochten ’n dunne paal!.... ze vonden er één! Die werd door den ring geschoven.... één eind op den vloer.... alle vijf ’t andere eind opgetild!.... Mis!.... Nog eens!.... nog eens!....„Hij beweegt!” gilde Hesse.Méér kracht!.... daar gaf de zerk mee!.... één twéé!.... één rand kwam omhoog.... nu zakte de steen weer.... nog eens tillen!.... daar was hij!.... vooruit!.... acht handen schoven den steen over den vloer.... verder.... verder!Er werd ’n opening zichtbaar.... ’n trap....Voor tien opengesperde oogen vertoonde zich ’n onderaardsche ruimte....

VIII.In ’t donker.

Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse de puinhoopen van de afgebrande kerk als ’n speelterrein beschouwen.’n Week na ’t onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.Mevrouw had ze nog gezegd: „Waag je er niet op in je goeie kleeren want ’t is er vreeselijk vuil.”Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half ofze vergeten ’t dadelijk weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere heldendaad.Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen, waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door ’t bluschwater, en juist geschikt om jongensvoeten ’n aardige opfrissching te geven. De afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor ’n goed deel blijven staan, maar met brokken en gaten.Dat gaf ’n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot ’n vernuftig smijten door ’n raamgat.Na ’n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren, maar ’n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten, dat deze versperd was door neergestort puin.Ietwat vies, ’n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse naast elkaar zitten op ’n stuk balk, vol smerige brandplekken.Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele onderneming zwaar in te zien.„We zullen ’n tunnel moeten graven,” meende Wibbe.„Of toch ’n dynamietpatroon gebruiken,” opperde Hesse.Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei:„Welnee! aanpakken! die rommel moet op zij, dat ’s alles!”Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt moest worden als paarden.Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer Hesse als voorzitter op.Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en ’t was hem niet gelukt te weten te komen, waarmee.Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: „Dat is voor jou ook ’n geheim.”Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote openingsrede van den voorzitter aanhoorde.Hesse bezat ’n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken, maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van ’n gebeurtenis, die door z’n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.Wibbe stráálde!Hij leefde in spanning en dan, ’t ging nu toch zóó, als hij vroeger in z’n boeken had gelezen.Héérlijk!Hesse zei dan! „We gaan ’n geheim verbond oprichten, ja, ’n geheim verbond, dat is ’n verbond, waarvan je lid mag zijn in ’t geheim. Ja, in ’t geheim.”De aanstaande leden glimlachten.Hesse ging voort: „We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik wil zeggen, denhalven toren. We noemen ons: de ridders van den halven toren....”Pauze.„We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle moeielijke gevallen.„Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat ’t doel is van onzen bond.„Mag ik Wibbe uitnoodigenzijnplan ter tafel te brengen. Daarna zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. ’t Beste plan voeren we uit. Dan gaan we de eed afleggen.”Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.Hij ging zitten en keek Wibbe aan.Deze heer had genoeg over ’n plan gedacht. Ridders waren volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één: dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee: edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar, dat Wibbe met ’n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn, edel, weezen en vrouwen beschermen....Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen verlangde.Jan bracht ’t er niet veel beter af. Die kwam met ’n oud verhaal op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te ontdekken en daarvan telkens ’n deel gebruikten om armen te helpen.Ze vonden ’t allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel: „Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!”Kees zat feitelijk met z’n mond vol tanden. Hij had heelemaal niets weten te bedenken. Vandaar z’n gestotter over riddertochten, gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.Henk deed leuk!„Ik weet niets,” zei hij, „niemand van ons weet iets, dat is gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in den toren te gaan spelen. Vraag je me nou,wat, dan zeg ik alweer: „ik weet ’t nog niet. Dat zullen we wel zien.””De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig te doen, niet ontglippen.Daar was nou ’n halve toren met onderaardsche gewelven misschien, moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:„Het valt me bitter tegen, dat niemand ’t een of ander heeft kunnen bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen metmijnplan....”Volle aandacht van de vier!„Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.„Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zouwillen opwekken om weer zoo te doen.„Ach nee, ik heb wat anders bedacht....”Verbazende aandacht!„Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg, die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.„Endieschepsels kunnenwijheel goed beschermen als we willen....”Henk begon Hesse te begrijpen.„Mijn plan is nu zóó: We vormen ’t geheime verbond De Ridders van den halven toren! Die ridders hebben ’t doel om overal waar ze kunnen de honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden, te beschermen.„En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats gebracht, daar verzorgd en gevoed.„Begrijpen jullie me nou?”Ja, ze begrepen hem uitstekend!Henk zei zelfs heel aardig: „Dàt is nou ’t mooiste plan van de wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!”Nadat de eerste luidruchtigheid over ’t voorstel van Hesse was bedaard, ging de voorzitter verder:„Wij sluiten dus ’n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting plechtig te vieren door iets bizonders.”Hesse maakte ’t pakje open, dat de jongens al ’n half uur geprikkeld had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.Er kwam ’n naald te voorschijn, ’n fleschje met gekleurd goedje en ’n reep rood lint. Dat gaf te denken!Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse verklaarde toen: „Ik prik met deze naald ons geheime teeken in je arm.”„Ha! tatoueeren noem je dat!” riep Kees.„En wat voor teeken?” vroeg Jan.Hesse stroopte z’n mouw op en, na de naald in ’t gekleurde vocht gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van ’n hond.Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben, want werkelijk, de omtrek van ’n hondenlijf stond duidelijk op ’t vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen ridderbond ’n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken van trouw en toewijding.Er volgde nog méér!’t Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu ’t zelfde teeken te staan en ditwas nu ’t uiterlijk bewijs van lidmaatschap.Na kort beraad besloten ze ’t lintje niet al te zichtbaar onder ’t buis op ’t vest te dragen.Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders met hoogroode gezichten aan ’t naaien.Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes lint op ’n vest te naaien, maar ’t ging alles behalve netjes. Mevrouw hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de plaats van hun nieuw verblijf—de ruïne.Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren door te dringen.Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!En omdat ’t verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze maar dadelijk aan den arbeid.Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit de keuken, groeven ze ’t puin zooveel mogelijk weg.De vallende duisternis plus ’t bevel van den notaris plus de noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten dezen eersten avond ’n eind aan ’t werk.De roodeplakkaatjesop de vesten van de vijf ridders vielen den anderen dag gauw genoeg in ’t oog.Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.„Ze hebben ’n hondenclub opgericht,” zei hij, „ze hadden liever apen moeten nemen.”Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:„Dat laten we aan jullie over.”Flip riep toen: „Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden om jullie één voor één dood te bijten.”Nog ’n poosje ging ’t geschreeuw over en weer, tot de les begon.Maar van nu af aan bleef ’t: honden en wolven.Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.Over ’t algemeen hielden de meisjes ’t meer met de ridders.Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze ’t medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de brutaliteit van Flip.Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook nog vrind met den broer van Guusje Raders.’s Middags verscheen de bende van Flip met ’n wolfsportret op ’t vest genaaid.Zeven tegen vijf!Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den toren vrij!De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde ’t oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen ’n heerlijk gebruik te maken.De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door ’t maanlicht over de puinhoopen.Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....Door ’n onbekende oorzaak was ’t beneden gedeelte vrij wel onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden de ridders gehinderd door ’n massa stukken steen en neergevallen houtbrokken.Hesse ging voorop.Hij hield den lantaren boven ’t hoofd en nu wierp ’t flauwe licht ’n allergeheimzinnigst schijnsel op ’t inwendige van den toren.Onwillekeurig voelden ze ’n kille huivering vooral door den tocht.... ’n koude luchtstroom viel van boven door ’t groote open gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.In ’t duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs den muur en daaronder was ’t donker, volkomen donker.Enkele minuten stonden ze op ’n hoopje.... ze fluisterden en hun oogen trachtten te onderscheiden....Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon ’t zijn?....Hesse was de eerste, die moedig voortging en ’t licht deed schijnen in ’t donker.Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden ze helaas weggeroepen door den notaris.Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden ’t zich veel geheimzinniger voorgesteld.Nou ja, zoo in ’t donker met ’n lantarentje leek ’t heel wat.Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. „Morgen middag komen jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken.”Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon ’t tweede bezoek.De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge lichtplekken op de muren en op de trap.Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden ’t huis van den notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken en de verbrijzelde ramen.Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!Ze verlangden méér.’t Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig leek ’t ook niet.Maar Hesse was er óók nog!Zonder iets te zeggen klom hij alleen naar beneden en begon daar in z’n eentje ’n nauwkeurig onderzoek.Toen de anderen hem misten, zochten ze hem op en daar vonden ze hem bezig met ’t wegwerken van ’t puin, dat den bodem bedekte.„Zoek je aardappelen?” vroeg Kees.„Hij zoekt ’t haantje van den toren,” riep Jan.Maar Hesse deed nijdig en beval kortaf:„Help me!”„Wat wil je dan? Vertel ’t ons eerst,” zei Henk.Hesse bromde: „De kelder.”Nu stonden ze alle vier even paf!Die Hesse!Zoekt die ’n kelder?Aha! dan zou ’t toch nog wat bizonders geven!Nu hielpen ze als razenden mee om ’n luik te vinden.„Wéét je, of er één is?” vroeg Henk.„Het moet er zijn,” antwoordde Hesse.Die woorden schenen voor de anderen voldoende om met razende drift den ganschen torenbodem leeg te ruimen.Wel kwamen er groote zerken bloot, maar van ’n kelder geen sprake!Ten minste....Hesse ging al die zerken één voor één onderzoeken maar hij vond niets.Plotseling viel zijn oog op de kisten onder de trap. Onmiddellijk begonnen ze die weg te sjorren.Al eerder hadden ze gezien, dat die kisten niets geheimzinnigs bevatten, louter papieren, geel en gerimpeld.Nauwelijks waren de kisten weggeschoven, of Hesse wierp zich weer op de knieën om den vloer schoon te maken en—eensklaps hoorden de jongens hem een kreet slaken. Hesse lag met z’n neus op den steen en toen de ridders bij hem stonden, hief hij ’t hoofd op en toonde aan al de verbaasde oogen ’n ring.„Hier is de toegang,” zei Hesse met heesche stem.En allemaal zagen ze bleek.’t Zou dan toch nog geheimzinnig worden!Hesse trok aan den ring.... Wibbe en Hesse rukten.... Wibbe, Hesse en Kees spanden zich geducht in.... Wibbe, Hesse, Kees, Jan en Henk probeerden met vereende krachten de zerk op te lichten....Ze kregen er geen beweging in.„Misschien is die steen in geen honderd jaar opgetild,” zei Henk.„Hij móét!” antwoordde Hesse, „laten we een dunne paal zoeken, die we door den ring steken.”Ze zochten ’n dunne paal!.... ze vonden er één! Die werd door den ring geschoven.... één eind op den vloer.... alle vijf ’t andere eind opgetild!.... Mis!.... Nog eens!.... nog eens!....„Hij beweegt!” gilde Hesse.Méér kracht!.... daar gaf de zerk mee!.... één twéé!.... één rand kwam omhoog.... nu zakte de steen weer.... nog eens tillen!.... daar was hij!.... vooruit!.... acht handen schoven den steen over den vloer.... verder.... verder!Er werd ’n opening zichtbaar.... ’n trap....Voor tien opengesperde oogen vertoonde zich ’n onderaardsche ruimte....

Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse de puinhoopen van de afgebrande kerk als ’n speelterrein beschouwen.

’n Week na ’t onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.

Mevrouw had ze nog gezegd: „Waag je er niet op in je goeie kleeren want ’t is er vreeselijk vuil.”

Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half ofze vergeten ’t dadelijk weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere heldendaad.

Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen, waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!

Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door ’t bluschwater, en juist geschikt om jongensvoeten ’n aardige opfrissching te geven. De afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor ’n goed deel blijven staan, maar met brokken en gaten.

Dat gaf ’n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot ’n vernuftig smijten door ’n raamgat.

Na ’n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren, maar ’n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten, dat deze versperd was door neergestort puin.

Ietwat vies, ’n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse naast elkaar zitten op ’n stuk balk, vol smerige brandplekken.

Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele onderneming zwaar in te zien.

„We zullen ’n tunnel moeten graven,” meende Wibbe.

„Of toch ’n dynamietpatroon gebruiken,” opperde Hesse.

Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei:„Welnee! aanpakken! die rommel moet op zij, dat ’s alles!”

Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt moest worden als paarden.

Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer Hesse als voorzitter op.

Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en ’t was hem niet gelukt te weten te komen, waarmee.

Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: „Dat is voor jou ook ’n geheim.”

Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote openingsrede van den voorzitter aanhoorde.

Hesse bezat ’n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken, maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van ’n gebeurtenis, die door z’n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.

Wibbe stráálde!

Hij leefde in spanning en dan, ’t ging nu toch zóó, als hij vroeger in z’n boeken had gelezen.

Héérlijk!

Hesse zei dan! „We gaan ’n geheim verbond oprichten, ja, ’n geheim verbond, dat is ’n verbond, waarvan je lid mag zijn in ’t geheim. Ja, in ’t geheim.”

De aanstaande leden glimlachten.

Hesse ging voort: „We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik wil zeggen, denhalven toren. We noemen ons: de ridders van den halven toren....”

Pauze.

„We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle moeielijke gevallen.

„Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat ’t doel is van onzen bond.

„Mag ik Wibbe uitnoodigenzijnplan ter tafel te brengen. Daarna zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. ’t Beste plan voeren we uit. Dan gaan we de eed afleggen.”

Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.

Hij ging zitten en keek Wibbe aan.

Deze heer had genoeg over ’n plan gedacht. Ridders waren volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één: dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee: edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar, dat Wibbe met ’n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.

Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn, edel, weezen en vrouwen beschermen....

Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen verlangde.

Jan bracht ’t er niet veel beter af. Die kwam met ’n oud verhaal op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te ontdekken en daarvan telkens ’n deel gebruikten om armen te helpen.

Ze vonden ’t allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel: „Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!”

Kees zat feitelijk met z’n mond vol tanden. Hij had heelemaal niets weten te bedenken. Vandaar z’n gestotter over riddertochten, gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.

Henk deed leuk!

„Ik weet niets,” zei hij, „niemand van ons weet iets, dat is gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in den toren te gaan spelen. Vraag je me nou,wat, dan zeg ik alweer: „ik weet ’t nog niet. Dat zullen we wel zien.””

De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.

Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig te doen, niet ontglippen.

Daar was nou ’n halve toren met onderaardsche gewelven misschien, moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?

Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:

„Het valt me bitter tegen, dat niemand ’t een of ander heeft kunnen bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen metmijnplan....”

Volle aandacht van de vier!

„Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.

„Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zouwillen opwekken om weer zoo te doen.

„Ach nee, ik heb wat anders bedacht....”

Verbazende aandacht!

„Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg, die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.

„Endieschepsels kunnenwijheel goed beschermen als we willen....”

Henk begon Hesse te begrijpen.

„Mijn plan is nu zóó: We vormen ’t geheime verbond De Ridders van den halven toren! Die ridders hebben ’t doel om overal waar ze kunnen de honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden, te beschermen.

„En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats gebracht, daar verzorgd en gevoed.

„Begrijpen jullie me nou?”

Ja, ze begrepen hem uitstekend!

Henk zei zelfs heel aardig: „Dàt is nou ’t mooiste plan van de wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!”

Nadat de eerste luidruchtigheid over ’t voorstel van Hesse was bedaard, ging de voorzitter verder:

„Wij sluiten dus ’n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting plechtig te vieren door iets bizonders.”

Hesse maakte ’t pakje open, dat de jongens al ’n half uur geprikkeld had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.

Er kwam ’n naald te voorschijn, ’n fleschje met gekleurd goedje en ’n reep rood lint. Dat gaf te denken!

Hesse stroopte z’n mouw op.Hesse stroopte z’n mouw op.

Hesse stroopte z’n mouw op.

Hesse verklaarde toen: „Ik prik met deze naald ons geheime teeken in je arm.”

„Ha! tatoueeren noem je dat!” riep Kees.

„En wat voor teeken?” vroeg Jan.

Hesse stroopte z’n mouw op en, na de naald in ’t gekleurde vocht gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van ’n hond.

Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben, want werkelijk, de omtrek van ’n hondenlijf stond duidelijk op ’t vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen ridderbond ’n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken van trouw en toewijding.

Er volgde nog méér!

’t Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu ’t zelfde teeken te staan en ditwas nu ’t uiterlijk bewijs van lidmaatschap.

Na kort beraad besloten ze ’t lintje niet al te zichtbaar onder ’t buis op ’t vest te dragen.

Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders met hoogroode gezichten aan ’t naaien.

Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes lint op ’n vest te naaien, maar ’t ging alles behalve netjes. Mevrouw hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.

Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.

Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de plaats van hun nieuw verblijf—de ruïne.

Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren door te dringen.

Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!

En omdat ’t verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze maar dadelijk aan den arbeid.

Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit de keuken, groeven ze ’t puin zooveel mogelijk weg.

De vallende duisternis plus ’t bevel van den notaris plus de noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten dezen eersten avond ’n eind aan ’t werk.

De roodeplakkaatjesop de vesten van de vijf ridders vielen den anderen dag gauw genoeg in ’t oog.

Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.

Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.

„Ze hebben ’n hondenclub opgericht,” zei hij, „ze hadden liever apen moeten nemen.”

Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:

„Dat laten we aan jullie over.”

Flip riep toen: „Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden om jullie één voor één dood te bijten.”

Nog ’n poosje ging ’t geschreeuw over en weer, tot de les begon.

Maar van nu af aan bleef ’t: honden en wolven.

Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.

Over ’t algemeen hielden de meisjes ’t meer met de ridders.

Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze ’t medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de brutaliteit van Flip.

Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook nog vrind met den broer van Guusje Raders.

’s Middags verscheen de bende van Flip met ’n wolfsportret op ’t vest genaaid.

Zeven tegen vijf!

Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den toren vrij!

De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde ’t oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.

Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen ’n heerlijk gebruik te maken.

De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door ’t maanlicht over de puinhoopen.

Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....

Door ’n onbekende oorzaak was ’t beneden gedeelte vrij wel onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden de ridders gehinderd door ’n massa stukken steen en neergevallen houtbrokken.

Hesse ging voorop.

Hij hield den lantaren boven ’t hoofd en nu wierp ’t flauwe licht ’n allergeheimzinnigst schijnsel op ’t inwendige van den toren.

Onwillekeurig voelden ze ’n kille huivering vooral door den tocht.... ’n koude luchtstroom viel van boven door ’t groote open gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.

In ’t duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs den muur en daaronder was ’t donker, volkomen donker.

Enkele minuten stonden ze op ’n hoopje.... ze fluisterden en hun oogen trachtten te onderscheiden....

Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon ’t zijn?....

Hesse was de eerste, die moedig voortging en ’t licht deed schijnen in ’t donker.

Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.

Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.

Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden ze helaas weggeroepen door den notaris.

Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden ’t zich veel geheimzinniger voorgesteld.

Nou ja, zoo in ’t donker met ’n lantarentje leek ’t heel wat.

Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. „Morgen middag komen jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken.”

Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon ’t tweede bezoek.

De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge lichtplekken op de muren en op de trap.

Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.

Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden ’t huis van den notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken en de verbrijzelde ramen.

Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!

Ze verlangden méér.

’t Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?

Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig leek ’t ook niet.

Maar Hesse was er óók nog!

Zonder iets te zeggen klom hij alleen naar beneden en begon daar in z’n eentje ’n nauwkeurig onderzoek.

Toen de anderen hem misten, zochten ze hem op en daar vonden ze hem bezig met ’t wegwerken van ’t puin, dat den bodem bedekte.

„Zoek je aardappelen?” vroeg Kees.

„Hij zoekt ’t haantje van den toren,” riep Jan.

Maar Hesse deed nijdig en beval kortaf:

„Help me!”

„Wat wil je dan? Vertel ’t ons eerst,” zei Henk.

Hesse bromde: „De kelder.”

Nu stonden ze alle vier even paf!

Die Hesse!

Zoekt die ’n kelder?

Aha! dan zou ’t toch nog wat bizonders geven!

Nu hielpen ze als razenden mee om ’n luik te vinden.

„Wéét je, of er één is?” vroeg Henk.

„Het moet er zijn,” antwoordde Hesse.

Die woorden schenen voor de anderen voldoende om met razende drift den ganschen torenbodem leeg te ruimen.

Wel kwamen er groote zerken bloot, maar van ’n kelder geen sprake!

Ten minste....

Hesse ging al die zerken één voor één onderzoeken maar hij vond niets.

Plotseling viel zijn oog op de kisten onder de trap. Onmiddellijk begonnen ze die weg te sjorren.

Al eerder hadden ze gezien, dat die kisten niets geheimzinnigs bevatten, louter papieren, geel en gerimpeld.

Nauwelijks waren de kisten weggeschoven, of Hesse wierp zich weer op de knieën om den vloer schoon te maken en—eensklaps hoorden de jongens hem een kreet slaken. Hesse lag met z’n neus op den steen en toen de ridders bij hem stonden, hief hij ’t hoofd op en toonde aan al de verbaasde oogen ’n ring.

„Hier is de toegang,” zei Hesse met heesche stem.

En allemaal zagen ze bleek.

’t Zou dan toch nog geheimzinnig worden!

Hesse trok aan den ring.... Wibbe en Hesse rukten.... Wibbe, Hesse en Kees spanden zich geducht in.... Wibbe, Hesse, Kees, Jan en Henk probeerden met vereende krachten de zerk op te lichten....

Ze kregen er geen beweging in.

„Misschien is die steen in geen honderd jaar opgetild,” zei Henk.

„Hij móét!” antwoordde Hesse, „laten we een dunne paal zoeken, die we door den ring steken.”

Ze zochten ’n dunne paal!.... ze vonden er één! Die werd door den ring geschoven.... één eind op den vloer.... alle vijf ’t andere eind opgetild!.... Mis!.... Nog eens!.... nog eens!....

„Hij beweegt!” gilde Hesse.

Méér kracht!.... daar gaf de zerk mee!.... één twéé!.... één rand kwam omhoog.... nu zakte de steen weer.... nog eens tillen!.... daar was hij!.... vooruit!.... acht handen schoven den steen over den vloer.... verder.... verder!

Er werd ’n opening zichtbaar.... ’n trap....

Voor tien opengesperde oogen vertoonde zich ’n onderaardsche ruimte....


Back to IndexNext