XI.

XI.De wolven.Flip keek over den rand naar beneden....De uitroep van Wibbe deed de andere ridders verschrikt oprijzen....Hesse drukte Dodo beschermend tegen zich aan, z’n oogen fonkelden.Maar ’t hoofd van Flip was weer verdwenen, en flauw drong ’n gerucht van stemmen tot de jongens door.Eén oogenblik wisten ze geen raad!Ze voelden zich gevangen, weerloos hier in die kelder tegenover de wolven.Hesse kreeg ’t snelst z’n tegenwoordigheid van geest terug.„De trap!” gilde hij, „naar de trap!”Haastig legde hij Dodo in ’t verste hoekje en nam toen z’n plaats in onder aan de trap....Maar tot hunne verbazing gebeurde er niets. Wel verschenen er telkens eenige hoofden over den rand van ’t lichtgat, maar even gauw verdwenen ze weer.„Ze durven niet verder!” zei Kees.„Ze zijn wat van plan,” fluisterde Jan.Hesse aarzelde even—toen klom hij de trap op, kwam in den toren, liep naar den toegang en juist zag hij de wolven over de puinhoopen terug klimmen.Hesse floot....De vijf ridders vereenigden zich en ze waren even verbaasd als Hesse!„Er steekt wat achter!” meende Henk, „ze gaan hulp halen of ze willen ons met iets hinderen.”Hesse haalde voor alle zekerheid ’t aapje uit de kelder, holde er mee naar huis, en bracht ’t daar in veiligheid.Onderwijl trokken de vier anderen op verkenning uit en zóó merkten ze, dat de wolven ’t dorp inliepen.Wibbe volgde ze nog even op ’n afstand—hij kwam terug met de tijding: „Ze gaan naar de stad.”Onmiddellijk hielden de ridders ’n bijeenkomst,waarin maatregelen werden beraamd tegen ’n mogelijken aanval.Wibbe:De toegang tot den toren moet versperd worden.Jan:We moeten om de beurt op den uitkijk gaan staan.Henk:We dienen ze in ’t dorp al af te wachten.Kees:Laten we ’n afsluiting van de trap maken!Na lang overleg namen ze ’t besluit èn de toegang tot den toren en die tot de kelder te versperren. Al drongen de wolven dan ook tot den toren door, dan bleef de kelder nog gesloten.„Maar onze vlag?” riep Wibbe, „als wij in de kelder zitten, kunnenzijden toren beklimmen en onze vlag veroveren.”’n Nieuwe moeilijkheid!’t Slot was, dat ze met alle krachten ’n versperring van den toren gingen aanbrengen.Waarlijk geen kleinigheid!De vroegere deur leverde ’t eerste materiaal.Verder sjouwden ze stukken balk, brokken steen en ook de zerk van ’t keldergat voor de deuropening.Met veel moeite kregen ze zóó ’n sterke versperring en toch bleef er ’n gat waar ze door konden kruipen.Nu konden ze de vijanden geduldig afwachten.Maar dien dag verscheen er geen enkele!Dus werkten ze met grooten ijver aan de verbetering van de kelder zelf en ook maakten ze ’n vernuftige afsluiting van de keldertrap.Toch hielden ze nog genoeg tijd over om met Dodo te spelen.Heel gezellig vond ’t aapje de uitkijk boven op den halven toren, waar het doodkalm op ’t meest uitspringende puntje ging zitten.De vroeger geleerde kunstjes bracht Dodo nu uit eigen beweging in toepassing!Zonder de minste moeite klom hij langs den buitenkant van den toren en veel vlugger dan de jongens van binnen.Om te toonen, hoe hij op Hesse gesteld was, buitelde hij telkens vrijwillig over z’n kop of danste komiek in ’t rond.Misschien vond Dodo ’t zelf zóó prettig, omdat de jongens wel ’n heel dankbaar publiek vormden. Ze lachten huizen hoog, hun oogen schitterden en in plaats van nieuwe kaarsen kochten ze telkens wat nootjes.Zonder de angst voor de wolven zou er geen wolkje aan de lucht geweest zijn.En toch bracht die angst in hun leventje ’t gewichtige avontuurlijke waar alle jongens naar verlangen!’s Avonds, toen Hesse en Wibbe samen nog wat rond slenterden, terwijl Dodo al rustig in z’n mand te slapen lag, hadden ze ’n ontmoeting, die hun optreden als ridders weer noodzakelijk maakte.Ze dwaalden ongemerkt af tot aan de brug over de vaart.Hier zaten ze dikwijls naar voorbijgaande schepen te kijken.’t Was ’n mooi zitje met ’t gezicht op ’t glinsterende water van de vaart, die met flinke bochten links en rechts tusschen de weilanden door slingerde.Hier en daar ’n boomgroep van de een of andere buitenplaats.Veel koeien graasden overal en heel wat boeren hofsteden vormden kleurige plekken tegen ’t groen van de landen.Nog niet lang zaten Wibbe en Hesse bij de brug of er naderde ’n schuit, voortgetrokken door een armzalig paard.Bij de brug werd de lijn losgelaten en ’t moede beest met de doffe oogen sjokte voorbij de jongens.Hesse kon niet nalaten de noodige opmerkingen te maken, wat hem haast ’n venijnigen slag met de zweep deed oploopen.Maar gelukkig werd z’n aandacht getrokken door ’n voorval op de schuit zelf.De schipper scheen ’t met ’n hond te kwaad te hebben, ten minste, hij schopte en trapte uit alle macht!’t Dier wist van angst niet waar ’t zich bergen zou.... z’n gejank drong de jongens door merg en been....Eensklaps trof ’n heftige stoot van den vaarstok ’t beest, dat nu plotseling in ’t water stortte. Toen begon de schipper den hond met dien zelfden stok op den kop te slaan, zoodat ’t dier in ’t water verdween....Maar er verdween nog iemand in ’t water!Dat was Hesse!Hij kòn ’t mishandelen van dieren nu eenmaal niet aanzien....Wibbe probeerde nog, hem tegen te houden, maar jawel! Hesse stoorde zich nergens aan, hij dachtalleen aan dien wegzinkenden hond en dus sprong hij van den kant de vaart in.Er verdween nog iemand in ’t water!Er verdween nog iemand in ’t water!Tot z’n overgroote verbazing zag de schipper ’n jongen naderbij zwemmen.’n Leelijke lach verscheen op z’n gezicht....Gelukkig, dat de schuit onderwijl al verder dreef, anders....Hesse zag duidelijk de plek waar de hond was gezonken....Eensklaps dook hij onder.... voelde in ’t rond.... ja.... hij greep iets vast....Dadelijk keerde hij om....Wibbe had intusschen z’n kleeren uitgerukt, bang voor ongelukken....Ja, Hesse kon goed zwemmen, maar toch, je kon niet weten!Zoo snel mogelijk draafde hij naar den brugwachter, vroeg ’n stok, holde er mee terug, en kwam nog tijdig genoeg om dien Hesse toe te steken en hem met den hond aan wal te trekken.De hond bleef voor dood liggen, maar Hesse sprong als ’n levende jongen uit waterland in ’t rond, schudde zich heftig en toen kreeg de drenkeling ’n beurt.Hesse wist zoo iets van de bewegingen, die je moest toepassen om ’t water uit de maag te krijgen en ’t bloed te doen stroomen.Met Wibbe en den brugwachter trok hij van leer. En ziet! de hond begon ’t ingeslikte water terug te geven en na verloop van enkele minuten opende hij de oogen.Weer enkele minuten later durfde de bruggeman te beweren: „Hij haalt ’t!”En na nog tien minutenzat’t dier al!Nu drong Wibbe er op aan, dat Hesse om zich zelf moest denken.„Haal jij maar wat droge kleeren,” kommandeerde Hesse, „ik doe hier alles uit, ’t is geen spier koud en dan hebben ze thuis de vuile boel niet. Loop, Wibbe!”Wibbe liep.Hij ving de boosheid van mevrouw op, hij holde terug en vond Hesse in Adams-kostuum bezig om Rip te wrijven en te rollen.Haastig kleedde hij zich aan en met nadruk zei hij: „Rip!”Wibbe vond ’t best, nam de zorg voor den hond over onder toezicht van den redder.’t Dier zag er alles behalve welvarend uit! De toegebrachte slagen hadden hem leelijk toegetakeld, maar hij lééfde!Voor de rest zou Hesse zorgen.Wibbe mocht de natte plunje dragen, terwijl Hesse Rip meevoerde.Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.Mevrouw keek ’n beetje raar en kortaf zei ze: „Krijg ik dien hond ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder.”Waarom ook niet?Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om ’t arme beest goed te doen.Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!Niemand minder dan de notaris en z’n vrouw. De laatste wilde toch met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien viezen hond te verbinden of te reinigen.Nog een bezoeker meldde zich aan—Dodo!Die gluurde met z’n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in de dorpen verscheen. Maar nu begreep ’t aapje, dat er van dit zieke beest niets te vreezen viel.Rip kwam aardig bij!De zalf verzachtte de beschadigde plekken en ’t brood met restjes vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.Ingebakerd werd hij neergelegd in ’n hoek van de kelder op ’n oud karpet.„Slaap moet de rest doen,” zei de notaris, „vooruit, gunt hem z’n rust.”Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang af en toen bleef Rip alleen.„Jullie hebt ’t daar heel aardig ingericht,” zei de notaris, „je kunt er best ’n asyl van maken, ’n toevluchtsoord voor lijdende dieren.„Ik word begunstiger en stort ’n bijdrage van tien gulden in de kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden.”„Als de kaarsen op zijn,” aldus Hesse.„Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!”De jongens keken den notaris vreemd aan.Nu pas schoot ’t hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden bedankt.Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe ’t gezin nog meer geholpen was om eerlijk ’t dagelijksche brood te verdienen.—Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op, vergezeld van Dodo.Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi bewoog z’n staart toen hij z’n redders herkende.’t Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt enwonder boven wonder, Dodo deed heelemaal niet schuw.Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak bij z’n kop te gaan zitten, peuzelend uit z’n handpootje.Toen de zon ’n lichtplek op ’t zand in de kelder begon te werpen, moest Rip daar ’n verdere genezingskuur ondergaan.Wel kreunde hij zacht bij ’t heengaan van de drie nieuwe vrienden, maar ’n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.Kees had groot nieuws!Hij was dien morgen ’n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:„Wacht maar! je zult wat beleven!”Kees had geantwoord: „Wij wachten al lang!”„We kunnen dus van middag zeker zijn van ’n nieuw bezoek! Allo, naar den uitkijk! Jij Henk, op den toren! jullie, Jan en Wibbe in ’t dorp. Wij blijven hier! Ons fluitje is de waarschuwing.”Henk klom naar boven en met z’n bedachtzame oogen keek hij over den omtrek heen.Jan en Wibbe vatten post bij den hoek van de lange dorpstraat die overging in den weg naar de stad.Op zeker oogenblik ontdekte Henk ’n groepje jongens bij de brug....Hij floot zóó snerpend ’t teeken, dat Dodo en Rip er allebei van schrikten.Hesse en Kees snelden de trap op, vatten post bij den toegang en luid klonk weer ’t signaal voor Jan en Wibbe.Haastig kwamen die terug en nu werd de toegang volkomen versperd.Henk keerde naar z’n wachtpost terug en keek scherp uit.Het waren de wolven!Hij herkende ze duidelijk en—ze brachten hulptroepen mee, want de groep bestond uit tien jongens!Dat bericht deed de ridders in verontwaardiging ontsteken.Tien tegen vijf!Nee, dat was geen eerlijke strijd!Hesse beet de vrienden toe: „Wij halen er óók méér bij.”Ze konden ’t beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen, en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden de wolven....’n Woest gehuil brak los!Boven op den toren en bij ’t hek beneden.Flip hield z’n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk ’n aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte te veroveren.Ze hielden krijgsraad.Eerst besloten ze, ’n onderzoek in te stellen naar den toestand van den ingang.Maar nauwelijks wilden ze beginnen met ’t bestijgen van de ruïne, of de luide stem van Hesse weerklonk:„Terug! of we gooien!”Verrast hielden de wolven halt....Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.Ze weken!En de ridders juichten!Maar Flip legde z’n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder bescherming van ’n schild.Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?Flip voerde hen mee achter ’n muur, waar ze veilig konden beraadslagen....De ridders bleven in ongerustheid afwachten.Ze begrepen wel, dat ’t ernstig spelletje nog lang niet uit was, maar hoe ’t zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.Opeens, na ’n goed half uur trok ’n zonderling schouwspel hun aandacht....Er bewoog ’n plat gevaarte....Het leek wel beenen te hebben!Hesse begreep ’t dadelijk.„Ze loopen er onder! ’t Is ’n groot dekschild! Kijk maar! Van latten en stukken plank is ’t gemaakt. Opgepast!”Met ’n smak kletste hij er ’n stuk steen op neer.... de anderen volgden....Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben, maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.Langzaam naderden de wolven den toegang....Het werd dus tijd dien te verdedigen.Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en steenen vatten ze post voor de versperring....Langzaam naderden de wolven den toegang.Langzaam naderden de wolven den toegang.Daar begon me ’n hevige strijd—met de tongen!Enkele slagen vielen er maar, als soms ’n wolf het waagde ’n lat aan te raken.Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze het als beschutting vóór zich.Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de versperring terecht.Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z’n oog op ’t luchtgat viel....Onmiddellijk had hij z’n plan klaar!Maar ook ’t zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs en omdat hij z’n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de vreemde indringers af, zwaaiend met z’n geduchten knuppel....„Pak je weg! Gauw, als de....!”De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem en den knoestigen doornstok, veroorzaakte ’n geweldige verwarring onder de wolven.Ze vluchtten!....De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij kwam koekeloeren, vond ze metvuurroodegezichten en felle oogen achter de versperring.Hij maakte ze ’n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die gekkigheid op te houden.„D’r komme nog ongelukken van! En as de notaris ’t heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele.”Hesse wierp alle schuld op de wolven!„We willen niet vechten,” riep Hesse, „moeten we dan toelaten, datzijin den toren komen?Wijhebben verlof gekregen, en zij niet!”Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen maar hier tegen verzette zich ’t jongensgevoel van eer.Boer Peggers dacht er toen ’t zijne van en hij besloot ’n wakend oog te houden op ’t doen en laten van de rakkers.Hesse kwam dadelijk met ’t plan om ’t luchtgat dicht te maken.Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe moeilijk ’t hun zou vallen de kelder vrij te houden.Hij was niet zoozeer bang voor ’n overwinning van de wolven als voor Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden, maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.„Er komen er nog méér!” zei hij op zulk ’n vasten toon, dat de ridders hem vreemd aankeken.„Hoe meen je dat?” vroeg Henk.„Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld zijn,” antwoordde Hesse.Tegelijkertijd wees hij op ’t luchtgat en kommandeerde! „Dicht maken, vooruit!”’n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want ’t moest zóó gebeuren, dat de wolven ’t niet gemakkelijk open konden krijgen.Jan vond de beste oplossing!„We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door middel van vier steunsels komt ’tinde kelder tegen ’t gat aan! Is ’t niet goed?”O maar, ze vonden ’t uitmuntend!Ze zeulden ’t schild naar beneden, maakten ’t wat steviger en toen zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van stutpalen.Druk met ’t werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan den achterkant van den toren gebeurde.Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in ’t lichtgat verschenen om te passen en vast te houden.’n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list gebruik te maken.Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan de ridders zoo lang gemorreld hadden.„Als we kans zien, dáár ’n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d’r eigen kelder gevangen!”Zoo wilde Flip z’n slag slaan.Het kwam er nu maar op aan, om zoo’n gat ongemerkt te maken. Dat diende zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen ’t dadelijk.De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande manieren om te slagen overwogen de wolven....Opeens riep Flip uit: „Ik weet ’t! Je kunt zien, dat ze hier al bezig geweest zijn, maar ’t is toen niet gelukt.„Ik geloof, dat we met ’n flink breekijzer best klaar komen. Het zal hier net gaan als met ’n raam, dat je met ’n haak open wil trekken. ’t Lukt niet.... ’n ander zal ’t probeeren.... die kan ’t ook niet.... weer ’n volgende.... ’t gaat nog niet.... eindelijk komt er een, die met ’n vaartje ’t raam naar beneden trekt, alleen omdat al de vorigen elk ’n beetje hadden gedaan.„Zoo is ’t hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!„Daarom stel ik vóór,nuweg te gaan. Van nacht komen we terug met sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we ’n gat hebben. Wie doet mee?”—„Van nacht? Nou, dat is me wat kras!”—zei Geert Joosten.„Nou ja, ik bedoel met donker!” zei Flip haastig.Er waren vier liefhebbers!Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig dragen!....„We zullen ze nog even laten schrikken!” zei Flip bij ’t weggaan.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Met d’r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar de ridders.Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de wolven. Kees klauterde juist met ’n pas ontdekt stuk plank door den toegang. Dat ging ’n beetje lastig en juist op ’t oogenblik waarin hij zich omkeerde om z’n plank ’n flinke oplawaai te geven, daar zàg hij de wolven!Onmiddellijk slaakte hij ’n woeste kreet, liet z’n plank in den steek en gilde bij de trap: „Verraad! Hoei! hoei! hoei!”Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang te verdedigen. De wolven stonden er voor en ’t zou hun haast gelukt zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld ’n gedeelte van de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!Als ’n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende schreeuwen stootte hij uit enmet ’n geweldige lans, niets anders dan ’n lat begon hij door de opening te stooten.Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door ’t dolle heen, grepen de speer van Hesse beet en trokken die met ’n forsche ruk uit z’n handen.Weer viel er ’n brokstuk op zij en ’t gat werd nog grooter.„Geef je over!” gilde Flip.Wibbe antwoordde door ’n woeste stoot met ’n eind hout, zoodat de aanvoerder achterover tuimelde.Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar raakten.De versperring hield ’t niet langer.... Maar voor de tweede maal greep boer Peggers met twee van z’n knechts in. Onverwachts voelden drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven ’n juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de wolven alle bezinning.’n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig gingen ze er van door....Maar buiten ’t dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en teleurstelling zei hij: „Van nacht maken we ’t gat en morgenochtend kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!”

XI.De wolven.Flip keek over den rand naar beneden....De uitroep van Wibbe deed de andere ridders verschrikt oprijzen....Hesse drukte Dodo beschermend tegen zich aan, z’n oogen fonkelden.Maar ’t hoofd van Flip was weer verdwenen, en flauw drong ’n gerucht van stemmen tot de jongens door.Eén oogenblik wisten ze geen raad!Ze voelden zich gevangen, weerloos hier in die kelder tegenover de wolven.Hesse kreeg ’t snelst z’n tegenwoordigheid van geest terug.„De trap!” gilde hij, „naar de trap!”Haastig legde hij Dodo in ’t verste hoekje en nam toen z’n plaats in onder aan de trap....Maar tot hunne verbazing gebeurde er niets. Wel verschenen er telkens eenige hoofden over den rand van ’t lichtgat, maar even gauw verdwenen ze weer.„Ze durven niet verder!” zei Kees.„Ze zijn wat van plan,” fluisterde Jan.Hesse aarzelde even—toen klom hij de trap op, kwam in den toren, liep naar den toegang en juist zag hij de wolven over de puinhoopen terug klimmen.Hesse floot....De vijf ridders vereenigden zich en ze waren even verbaasd als Hesse!„Er steekt wat achter!” meende Henk, „ze gaan hulp halen of ze willen ons met iets hinderen.”Hesse haalde voor alle zekerheid ’t aapje uit de kelder, holde er mee naar huis, en bracht ’t daar in veiligheid.Onderwijl trokken de vier anderen op verkenning uit en zóó merkten ze, dat de wolven ’t dorp inliepen.Wibbe volgde ze nog even op ’n afstand—hij kwam terug met de tijding: „Ze gaan naar de stad.”Onmiddellijk hielden de ridders ’n bijeenkomst,waarin maatregelen werden beraamd tegen ’n mogelijken aanval.Wibbe:De toegang tot den toren moet versperd worden.Jan:We moeten om de beurt op den uitkijk gaan staan.Henk:We dienen ze in ’t dorp al af te wachten.Kees:Laten we ’n afsluiting van de trap maken!Na lang overleg namen ze ’t besluit èn de toegang tot den toren en die tot de kelder te versperren. Al drongen de wolven dan ook tot den toren door, dan bleef de kelder nog gesloten.„Maar onze vlag?” riep Wibbe, „als wij in de kelder zitten, kunnenzijden toren beklimmen en onze vlag veroveren.”’n Nieuwe moeilijkheid!’t Slot was, dat ze met alle krachten ’n versperring van den toren gingen aanbrengen.Waarlijk geen kleinigheid!De vroegere deur leverde ’t eerste materiaal.Verder sjouwden ze stukken balk, brokken steen en ook de zerk van ’t keldergat voor de deuropening.Met veel moeite kregen ze zóó ’n sterke versperring en toch bleef er ’n gat waar ze door konden kruipen.Nu konden ze de vijanden geduldig afwachten.Maar dien dag verscheen er geen enkele!Dus werkten ze met grooten ijver aan de verbetering van de kelder zelf en ook maakten ze ’n vernuftige afsluiting van de keldertrap.Toch hielden ze nog genoeg tijd over om met Dodo te spelen.Heel gezellig vond ’t aapje de uitkijk boven op den halven toren, waar het doodkalm op ’t meest uitspringende puntje ging zitten.De vroeger geleerde kunstjes bracht Dodo nu uit eigen beweging in toepassing!Zonder de minste moeite klom hij langs den buitenkant van den toren en veel vlugger dan de jongens van binnen.Om te toonen, hoe hij op Hesse gesteld was, buitelde hij telkens vrijwillig over z’n kop of danste komiek in ’t rond.Misschien vond Dodo ’t zelf zóó prettig, omdat de jongens wel ’n heel dankbaar publiek vormden. Ze lachten huizen hoog, hun oogen schitterden en in plaats van nieuwe kaarsen kochten ze telkens wat nootjes.Zonder de angst voor de wolven zou er geen wolkje aan de lucht geweest zijn.En toch bracht die angst in hun leventje ’t gewichtige avontuurlijke waar alle jongens naar verlangen!’s Avonds, toen Hesse en Wibbe samen nog wat rond slenterden, terwijl Dodo al rustig in z’n mand te slapen lag, hadden ze ’n ontmoeting, die hun optreden als ridders weer noodzakelijk maakte.Ze dwaalden ongemerkt af tot aan de brug over de vaart.Hier zaten ze dikwijls naar voorbijgaande schepen te kijken.’t Was ’n mooi zitje met ’t gezicht op ’t glinsterende water van de vaart, die met flinke bochten links en rechts tusschen de weilanden door slingerde.Hier en daar ’n boomgroep van de een of andere buitenplaats.Veel koeien graasden overal en heel wat boeren hofsteden vormden kleurige plekken tegen ’t groen van de landen.Nog niet lang zaten Wibbe en Hesse bij de brug of er naderde ’n schuit, voortgetrokken door een armzalig paard.Bij de brug werd de lijn losgelaten en ’t moede beest met de doffe oogen sjokte voorbij de jongens.Hesse kon niet nalaten de noodige opmerkingen te maken, wat hem haast ’n venijnigen slag met de zweep deed oploopen.Maar gelukkig werd z’n aandacht getrokken door ’n voorval op de schuit zelf.De schipper scheen ’t met ’n hond te kwaad te hebben, ten minste, hij schopte en trapte uit alle macht!’t Dier wist van angst niet waar ’t zich bergen zou.... z’n gejank drong de jongens door merg en been....Eensklaps trof ’n heftige stoot van den vaarstok ’t beest, dat nu plotseling in ’t water stortte. Toen begon de schipper den hond met dien zelfden stok op den kop te slaan, zoodat ’t dier in ’t water verdween....Maar er verdween nog iemand in ’t water!Dat was Hesse!Hij kòn ’t mishandelen van dieren nu eenmaal niet aanzien....Wibbe probeerde nog, hem tegen te houden, maar jawel! Hesse stoorde zich nergens aan, hij dachtalleen aan dien wegzinkenden hond en dus sprong hij van den kant de vaart in.Er verdween nog iemand in ’t water!Er verdween nog iemand in ’t water!Tot z’n overgroote verbazing zag de schipper ’n jongen naderbij zwemmen.’n Leelijke lach verscheen op z’n gezicht....Gelukkig, dat de schuit onderwijl al verder dreef, anders....Hesse zag duidelijk de plek waar de hond was gezonken....Eensklaps dook hij onder.... voelde in ’t rond.... ja.... hij greep iets vast....Dadelijk keerde hij om....Wibbe had intusschen z’n kleeren uitgerukt, bang voor ongelukken....Ja, Hesse kon goed zwemmen, maar toch, je kon niet weten!Zoo snel mogelijk draafde hij naar den brugwachter, vroeg ’n stok, holde er mee terug, en kwam nog tijdig genoeg om dien Hesse toe te steken en hem met den hond aan wal te trekken.De hond bleef voor dood liggen, maar Hesse sprong als ’n levende jongen uit waterland in ’t rond, schudde zich heftig en toen kreeg de drenkeling ’n beurt.Hesse wist zoo iets van de bewegingen, die je moest toepassen om ’t water uit de maag te krijgen en ’t bloed te doen stroomen.Met Wibbe en den brugwachter trok hij van leer. En ziet! de hond begon ’t ingeslikte water terug te geven en na verloop van enkele minuten opende hij de oogen.Weer enkele minuten later durfde de bruggeman te beweren: „Hij haalt ’t!”En na nog tien minutenzat’t dier al!Nu drong Wibbe er op aan, dat Hesse om zich zelf moest denken.„Haal jij maar wat droge kleeren,” kommandeerde Hesse, „ik doe hier alles uit, ’t is geen spier koud en dan hebben ze thuis de vuile boel niet. Loop, Wibbe!”Wibbe liep.Hij ving de boosheid van mevrouw op, hij holde terug en vond Hesse in Adams-kostuum bezig om Rip te wrijven en te rollen.Haastig kleedde hij zich aan en met nadruk zei hij: „Rip!”Wibbe vond ’t best, nam de zorg voor den hond over onder toezicht van den redder.’t Dier zag er alles behalve welvarend uit! De toegebrachte slagen hadden hem leelijk toegetakeld, maar hij lééfde!Voor de rest zou Hesse zorgen.Wibbe mocht de natte plunje dragen, terwijl Hesse Rip meevoerde.Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.Mevrouw keek ’n beetje raar en kortaf zei ze: „Krijg ik dien hond ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder.”Waarom ook niet?Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om ’t arme beest goed te doen.Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!Niemand minder dan de notaris en z’n vrouw. De laatste wilde toch met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien viezen hond te verbinden of te reinigen.Nog een bezoeker meldde zich aan—Dodo!Die gluurde met z’n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in de dorpen verscheen. Maar nu begreep ’t aapje, dat er van dit zieke beest niets te vreezen viel.Rip kwam aardig bij!De zalf verzachtte de beschadigde plekken en ’t brood met restjes vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.Ingebakerd werd hij neergelegd in ’n hoek van de kelder op ’n oud karpet.„Slaap moet de rest doen,” zei de notaris, „vooruit, gunt hem z’n rust.”Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang af en toen bleef Rip alleen.„Jullie hebt ’t daar heel aardig ingericht,” zei de notaris, „je kunt er best ’n asyl van maken, ’n toevluchtsoord voor lijdende dieren.„Ik word begunstiger en stort ’n bijdrage van tien gulden in de kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden.”„Als de kaarsen op zijn,” aldus Hesse.„Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!”De jongens keken den notaris vreemd aan.Nu pas schoot ’t hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden bedankt.Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe ’t gezin nog meer geholpen was om eerlijk ’t dagelijksche brood te verdienen.—Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op, vergezeld van Dodo.Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi bewoog z’n staart toen hij z’n redders herkende.’t Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt enwonder boven wonder, Dodo deed heelemaal niet schuw.Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak bij z’n kop te gaan zitten, peuzelend uit z’n handpootje.Toen de zon ’n lichtplek op ’t zand in de kelder begon te werpen, moest Rip daar ’n verdere genezingskuur ondergaan.Wel kreunde hij zacht bij ’t heengaan van de drie nieuwe vrienden, maar ’n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.Kees had groot nieuws!Hij was dien morgen ’n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:„Wacht maar! je zult wat beleven!”Kees had geantwoord: „Wij wachten al lang!”„We kunnen dus van middag zeker zijn van ’n nieuw bezoek! Allo, naar den uitkijk! Jij Henk, op den toren! jullie, Jan en Wibbe in ’t dorp. Wij blijven hier! Ons fluitje is de waarschuwing.”Henk klom naar boven en met z’n bedachtzame oogen keek hij over den omtrek heen.Jan en Wibbe vatten post bij den hoek van de lange dorpstraat die overging in den weg naar de stad.Op zeker oogenblik ontdekte Henk ’n groepje jongens bij de brug....Hij floot zóó snerpend ’t teeken, dat Dodo en Rip er allebei van schrikten.Hesse en Kees snelden de trap op, vatten post bij den toegang en luid klonk weer ’t signaal voor Jan en Wibbe.Haastig kwamen die terug en nu werd de toegang volkomen versperd.Henk keerde naar z’n wachtpost terug en keek scherp uit.Het waren de wolven!Hij herkende ze duidelijk en—ze brachten hulptroepen mee, want de groep bestond uit tien jongens!Dat bericht deed de ridders in verontwaardiging ontsteken.Tien tegen vijf!Nee, dat was geen eerlijke strijd!Hesse beet de vrienden toe: „Wij halen er óók méér bij.”Ze konden ’t beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen, en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden de wolven....’n Woest gehuil brak los!Boven op den toren en bij ’t hek beneden.Flip hield z’n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk ’n aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte te veroveren.Ze hielden krijgsraad.Eerst besloten ze, ’n onderzoek in te stellen naar den toestand van den ingang.Maar nauwelijks wilden ze beginnen met ’t bestijgen van de ruïne, of de luide stem van Hesse weerklonk:„Terug! of we gooien!”Verrast hielden de wolven halt....Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.Ze weken!En de ridders juichten!Maar Flip legde z’n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder bescherming van ’n schild.Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?Flip voerde hen mee achter ’n muur, waar ze veilig konden beraadslagen....De ridders bleven in ongerustheid afwachten.Ze begrepen wel, dat ’t ernstig spelletje nog lang niet uit was, maar hoe ’t zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.Opeens, na ’n goed half uur trok ’n zonderling schouwspel hun aandacht....Er bewoog ’n plat gevaarte....Het leek wel beenen te hebben!Hesse begreep ’t dadelijk.„Ze loopen er onder! ’t Is ’n groot dekschild! Kijk maar! Van latten en stukken plank is ’t gemaakt. Opgepast!”Met ’n smak kletste hij er ’n stuk steen op neer.... de anderen volgden....Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben, maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.Langzaam naderden de wolven den toegang....Het werd dus tijd dien te verdedigen.Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en steenen vatten ze post voor de versperring....Langzaam naderden de wolven den toegang.Langzaam naderden de wolven den toegang.Daar begon me ’n hevige strijd—met de tongen!Enkele slagen vielen er maar, als soms ’n wolf het waagde ’n lat aan te raken.Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze het als beschutting vóór zich.Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de versperring terecht.Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z’n oog op ’t luchtgat viel....Onmiddellijk had hij z’n plan klaar!Maar ook ’t zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs en omdat hij z’n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de vreemde indringers af, zwaaiend met z’n geduchten knuppel....„Pak je weg! Gauw, als de....!”De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem en den knoestigen doornstok, veroorzaakte ’n geweldige verwarring onder de wolven.Ze vluchtten!....De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij kwam koekeloeren, vond ze metvuurroodegezichten en felle oogen achter de versperring.Hij maakte ze ’n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die gekkigheid op te houden.„D’r komme nog ongelukken van! En as de notaris ’t heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele.”Hesse wierp alle schuld op de wolven!„We willen niet vechten,” riep Hesse, „moeten we dan toelaten, datzijin den toren komen?Wijhebben verlof gekregen, en zij niet!”Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen maar hier tegen verzette zich ’t jongensgevoel van eer.Boer Peggers dacht er toen ’t zijne van en hij besloot ’n wakend oog te houden op ’t doen en laten van de rakkers.Hesse kwam dadelijk met ’t plan om ’t luchtgat dicht te maken.Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe moeilijk ’t hun zou vallen de kelder vrij te houden.Hij was niet zoozeer bang voor ’n overwinning van de wolven als voor Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden, maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.„Er komen er nog méér!” zei hij op zulk ’n vasten toon, dat de ridders hem vreemd aankeken.„Hoe meen je dat?” vroeg Henk.„Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld zijn,” antwoordde Hesse.Tegelijkertijd wees hij op ’t luchtgat en kommandeerde! „Dicht maken, vooruit!”’n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want ’t moest zóó gebeuren, dat de wolven ’t niet gemakkelijk open konden krijgen.Jan vond de beste oplossing!„We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door middel van vier steunsels komt ’tinde kelder tegen ’t gat aan! Is ’t niet goed?”O maar, ze vonden ’t uitmuntend!Ze zeulden ’t schild naar beneden, maakten ’t wat steviger en toen zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van stutpalen.Druk met ’t werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan den achterkant van den toren gebeurde.Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in ’t lichtgat verschenen om te passen en vast te houden.’n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list gebruik te maken.Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan de ridders zoo lang gemorreld hadden.„Als we kans zien, dáár ’n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d’r eigen kelder gevangen!”Zoo wilde Flip z’n slag slaan.Het kwam er nu maar op aan, om zoo’n gat ongemerkt te maken. Dat diende zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen ’t dadelijk.De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande manieren om te slagen overwogen de wolven....Opeens riep Flip uit: „Ik weet ’t! Je kunt zien, dat ze hier al bezig geweest zijn, maar ’t is toen niet gelukt.„Ik geloof, dat we met ’n flink breekijzer best klaar komen. Het zal hier net gaan als met ’n raam, dat je met ’n haak open wil trekken. ’t Lukt niet.... ’n ander zal ’t probeeren.... die kan ’t ook niet.... weer ’n volgende.... ’t gaat nog niet.... eindelijk komt er een, die met ’n vaartje ’t raam naar beneden trekt, alleen omdat al de vorigen elk ’n beetje hadden gedaan.„Zoo is ’t hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!„Daarom stel ik vóór,nuweg te gaan. Van nacht komen we terug met sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we ’n gat hebben. Wie doet mee?”—„Van nacht? Nou, dat is me wat kras!”—zei Geert Joosten.„Nou ja, ik bedoel met donker!” zei Flip haastig.Er waren vier liefhebbers!Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig dragen!....„We zullen ze nog even laten schrikken!” zei Flip bij ’t weggaan.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Met d’r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar de ridders.Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de wolven. Kees klauterde juist met ’n pas ontdekt stuk plank door den toegang. Dat ging ’n beetje lastig en juist op ’t oogenblik waarin hij zich omkeerde om z’n plank ’n flinke oplawaai te geven, daar zàg hij de wolven!Onmiddellijk slaakte hij ’n woeste kreet, liet z’n plank in den steek en gilde bij de trap: „Verraad! Hoei! hoei! hoei!”Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang te verdedigen. De wolven stonden er voor en ’t zou hun haast gelukt zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld ’n gedeelte van de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!Als ’n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende schreeuwen stootte hij uit enmet ’n geweldige lans, niets anders dan ’n lat begon hij door de opening te stooten.Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door ’t dolle heen, grepen de speer van Hesse beet en trokken die met ’n forsche ruk uit z’n handen.Weer viel er ’n brokstuk op zij en ’t gat werd nog grooter.„Geef je over!” gilde Flip.Wibbe antwoordde door ’n woeste stoot met ’n eind hout, zoodat de aanvoerder achterover tuimelde.Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar raakten.De versperring hield ’t niet langer.... Maar voor de tweede maal greep boer Peggers met twee van z’n knechts in. Onverwachts voelden drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven ’n juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de wolven alle bezinning.’n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig gingen ze er van door....Maar buiten ’t dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en teleurstelling zei hij: „Van nacht maken we ’t gat en morgenochtend kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!”

XI.De wolven.

Flip keek over den rand naar beneden....De uitroep van Wibbe deed de andere ridders verschrikt oprijzen....Hesse drukte Dodo beschermend tegen zich aan, z’n oogen fonkelden.Maar ’t hoofd van Flip was weer verdwenen, en flauw drong ’n gerucht van stemmen tot de jongens door.Eén oogenblik wisten ze geen raad!Ze voelden zich gevangen, weerloos hier in die kelder tegenover de wolven.Hesse kreeg ’t snelst z’n tegenwoordigheid van geest terug.„De trap!” gilde hij, „naar de trap!”Haastig legde hij Dodo in ’t verste hoekje en nam toen z’n plaats in onder aan de trap....Maar tot hunne verbazing gebeurde er niets. Wel verschenen er telkens eenige hoofden over den rand van ’t lichtgat, maar even gauw verdwenen ze weer.„Ze durven niet verder!” zei Kees.„Ze zijn wat van plan,” fluisterde Jan.Hesse aarzelde even—toen klom hij de trap op, kwam in den toren, liep naar den toegang en juist zag hij de wolven over de puinhoopen terug klimmen.Hesse floot....De vijf ridders vereenigden zich en ze waren even verbaasd als Hesse!„Er steekt wat achter!” meende Henk, „ze gaan hulp halen of ze willen ons met iets hinderen.”Hesse haalde voor alle zekerheid ’t aapje uit de kelder, holde er mee naar huis, en bracht ’t daar in veiligheid.Onderwijl trokken de vier anderen op verkenning uit en zóó merkten ze, dat de wolven ’t dorp inliepen.Wibbe volgde ze nog even op ’n afstand—hij kwam terug met de tijding: „Ze gaan naar de stad.”Onmiddellijk hielden de ridders ’n bijeenkomst,waarin maatregelen werden beraamd tegen ’n mogelijken aanval.Wibbe:De toegang tot den toren moet versperd worden.Jan:We moeten om de beurt op den uitkijk gaan staan.Henk:We dienen ze in ’t dorp al af te wachten.Kees:Laten we ’n afsluiting van de trap maken!Na lang overleg namen ze ’t besluit èn de toegang tot den toren en die tot de kelder te versperren. Al drongen de wolven dan ook tot den toren door, dan bleef de kelder nog gesloten.„Maar onze vlag?” riep Wibbe, „als wij in de kelder zitten, kunnenzijden toren beklimmen en onze vlag veroveren.”’n Nieuwe moeilijkheid!’t Slot was, dat ze met alle krachten ’n versperring van den toren gingen aanbrengen.Waarlijk geen kleinigheid!De vroegere deur leverde ’t eerste materiaal.Verder sjouwden ze stukken balk, brokken steen en ook de zerk van ’t keldergat voor de deuropening.Met veel moeite kregen ze zóó ’n sterke versperring en toch bleef er ’n gat waar ze door konden kruipen.Nu konden ze de vijanden geduldig afwachten.Maar dien dag verscheen er geen enkele!Dus werkten ze met grooten ijver aan de verbetering van de kelder zelf en ook maakten ze ’n vernuftige afsluiting van de keldertrap.Toch hielden ze nog genoeg tijd over om met Dodo te spelen.Heel gezellig vond ’t aapje de uitkijk boven op den halven toren, waar het doodkalm op ’t meest uitspringende puntje ging zitten.De vroeger geleerde kunstjes bracht Dodo nu uit eigen beweging in toepassing!Zonder de minste moeite klom hij langs den buitenkant van den toren en veel vlugger dan de jongens van binnen.Om te toonen, hoe hij op Hesse gesteld was, buitelde hij telkens vrijwillig over z’n kop of danste komiek in ’t rond.Misschien vond Dodo ’t zelf zóó prettig, omdat de jongens wel ’n heel dankbaar publiek vormden. Ze lachten huizen hoog, hun oogen schitterden en in plaats van nieuwe kaarsen kochten ze telkens wat nootjes.Zonder de angst voor de wolven zou er geen wolkje aan de lucht geweest zijn.En toch bracht die angst in hun leventje ’t gewichtige avontuurlijke waar alle jongens naar verlangen!’s Avonds, toen Hesse en Wibbe samen nog wat rond slenterden, terwijl Dodo al rustig in z’n mand te slapen lag, hadden ze ’n ontmoeting, die hun optreden als ridders weer noodzakelijk maakte.Ze dwaalden ongemerkt af tot aan de brug over de vaart.Hier zaten ze dikwijls naar voorbijgaande schepen te kijken.’t Was ’n mooi zitje met ’t gezicht op ’t glinsterende water van de vaart, die met flinke bochten links en rechts tusschen de weilanden door slingerde.Hier en daar ’n boomgroep van de een of andere buitenplaats.Veel koeien graasden overal en heel wat boeren hofsteden vormden kleurige plekken tegen ’t groen van de landen.Nog niet lang zaten Wibbe en Hesse bij de brug of er naderde ’n schuit, voortgetrokken door een armzalig paard.Bij de brug werd de lijn losgelaten en ’t moede beest met de doffe oogen sjokte voorbij de jongens.Hesse kon niet nalaten de noodige opmerkingen te maken, wat hem haast ’n venijnigen slag met de zweep deed oploopen.Maar gelukkig werd z’n aandacht getrokken door ’n voorval op de schuit zelf.De schipper scheen ’t met ’n hond te kwaad te hebben, ten minste, hij schopte en trapte uit alle macht!’t Dier wist van angst niet waar ’t zich bergen zou.... z’n gejank drong de jongens door merg en been....Eensklaps trof ’n heftige stoot van den vaarstok ’t beest, dat nu plotseling in ’t water stortte. Toen begon de schipper den hond met dien zelfden stok op den kop te slaan, zoodat ’t dier in ’t water verdween....Maar er verdween nog iemand in ’t water!Dat was Hesse!Hij kòn ’t mishandelen van dieren nu eenmaal niet aanzien....Wibbe probeerde nog, hem tegen te houden, maar jawel! Hesse stoorde zich nergens aan, hij dachtalleen aan dien wegzinkenden hond en dus sprong hij van den kant de vaart in.Er verdween nog iemand in ’t water!Er verdween nog iemand in ’t water!Tot z’n overgroote verbazing zag de schipper ’n jongen naderbij zwemmen.’n Leelijke lach verscheen op z’n gezicht....Gelukkig, dat de schuit onderwijl al verder dreef, anders....Hesse zag duidelijk de plek waar de hond was gezonken....Eensklaps dook hij onder.... voelde in ’t rond.... ja.... hij greep iets vast....Dadelijk keerde hij om....Wibbe had intusschen z’n kleeren uitgerukt, bang voor ongelukken....Ja, Hesse kon goed zwemmen, maar toch, je kon niet weten!Zoo snel mogelijk draafde hij naar den brugwachter, vroeg ’n stok, holde er mee terug, en kwam nog tijdig genoeg om dien Hesse toe te steken en hem met den hond aan wal te trekken.De hond bleef voor dood liggen, maar Hesse sprong als ’n levende jongen uit waterland in ’t rond, schudde zich heftig en toen kreeg de drenkeling ’n beurt.Hesse wist zoo iets van de bewegingen, die je moest toepassen om ’t water uit de maag te krijgen en ’t bloed te doen stroomen.Met Wibbe en den brugwachter trok hij van leer. En ziet! de hond begon ’t ingeslikte water terug te geven en na verloop van enkele minuten opende hij de oogen.Weer enkele minuten later durfde de bruggeman te beweren: „Hij haalt ’t!”En na nog tien minutenzat’t dier al!Nu drong Wibbe er op aan, dat Hesse om zich zelf moest denken.„Haal jij maar wat droge kleeren,” kommandeerde Hesse, „ik doe hier alles uit, ’t is geen spier koud en dan hebben ze thuis de vuile boel niet. Loop, Wibbe!”Wibbe liep.Hij ving de boosheid van mevrouw op, hij holde terug en vond Hesse in Adams-kostuum bezig om Rip te wrijven en te rollen.Haastig kleedde hij zich aan en met nadruk zei hij: „Rip!”Wibbe vond ’t best, nam de zorg voor den hond over onder toezicht van den redder.’t Dier zag er alles behalve welvarend uit! De toegebrachte slagen hadden hem leelijk toegetakeld, maar hij lééfde!Voor de rest zou Hesse zorgen.Wibbe mocht de natte plunje dragen, terwijl Hesse Rip meevoerde.Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.Mevrouw keek ’n beetje raar en kortaf zei ze: „Krijg ik dien hond ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder.”Waarom ook niet?Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om ’t arme beest goed te doen.Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!Niemand minder dan de notaris en z’n vrouw. De laatste wilde toch met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien viezen hond te verbinden of te reinigen.Nog een bezoeker meldde zich aan—Dodo!Die gluurde met z’n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in de dorpen verscheen. Maar nu begreep ’t aapje, dat er van dit zieke beest niets te vreezen viel.Rip kwam aardig bij!De zalf verzachtte de beschadigde plekken en ’t brood met restjes vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.Ingebakerd werd hij neergelegd in ’n hoek van de kelder op ’n oud karpet.„Slaap moet de rest doen,” zei de notaris, „vooruit, gunt hem z’n rust.”Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang af en toen bleef Rip alleen.„Jullie hebt ’t daar heel aardig ingericht,” zei de notaris, „je kunt er best ’n asyl van maken, ’n toevluchtsoord voor lijdende dieren.„Ik word begunstiger en stort ’n bijdrage van tien gulden in de kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden.”„Als de kaarsen op zijn,” aldus Hesse.„Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!”De jongens keken den notaris vreemd aan.Nu pas schoot ’t hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden bedankt.Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe ’t gezin nog meer geholpen was om eerlijk ’t dagelijksche brood te verdienen.—Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op, vergezeld van Dodo.Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi bewoog z’n staart toen hij z’n redders herkende.’t Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt enwonder boven wonder, Dodo deed heelemaal niet schuw.Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak bij z’n kop te gaan zitten, peuzelend uit z’n handpootje.Toen de zon ’n lichtplek op ’t zand in de kelder begon te werpen, moest Rip daar ’n verdere genezingskuur ondergaan.Wel kreunde hij zacht bij ’t heengaan van de drie nieuwe vrienden, maar ’n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.Kees had groot nieuws!Hij was dien morgen ’n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:„Wacht maar! je zult wat beleven!”Kees had geantwoord: „Wij wachten al lang!”„We kunnen dus van middag zeker zijn van ’n nieuw bezoek! Allo, naar den uitkijk! Jij Henk, op den toren! jullie, Jan en Wibbe in ’t dorp. Wij blijven hier! Ons fluitje is de waarschuwing.”Henk klom naar boven en met z’n bedachtzame oogen keek hij over den omtrek heen.Jan en Wibbe vatten post bij den hoek van de lange dorpstraat die overging in den weg naar de stad.Op zeker oogenblik ontdekte Henk ’n groepje jongens bij de brug....Hij floot zóó snerpend ’t teeken, dat Dodo en Rip er allebei van schrikten.Hesse en Kees snelden de trap op, vatten post bij den toegang en luid klonk weer ’t signaal voor Jan en Wibbe.Haastig kwamen die terug en nu werd de toegang volkomen versperd.Henk keerde naar z’n wachtpost terug en keek scherp uit.Het waren de wolven!Hij herkende ze duidelijk en—ze brachten hulptroepen mee, want de groep bestond uit tien jongens!Dat bericht deed de ridders in verontwaardiging ontsteken.Tien tegen vijf!Nee, dat was geen eerlijke strijd!Hesse beet de vrienden toe: „Wij halen er óók méér bij.”Ze konden ’t beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen, en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden de wolven....’n Woest gehuil brak los!Boven op den toren en bij ’t hek beneden.Flip hield z’n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk ’n aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte te veroveren.Ze hielden krijgsraad.Eerst besloten ze, ’n onderzoek in te stellen naar den toestand van den ingang.Maar nauwelijks wilden ze beginnen met ’t bestijgen van de ruïne, of de luide stem van Hesse weerklonk:„Terug! of we gooien!”Verrast hielden de wolven halt....Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.Ze weken!En de ridders juichten!Maar Flip legde z’n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder bescherming van ’n schild.Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?Flip voerde hen mee achter ’n muur, waar ze veilig konden beraadslagen....De ridders bleven in ongerustheid afwachten.Ze begrepen wel, dat ’t ernstig spelletje nog lang niet uit was, maar hoe ’t zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.Opeens, na ’n goed half uur trok ’n zonderling schouwspel hun aandacht....Er bewoog ’n plat gevaarte....Het leek wel beenen te hebben!Hesse begreep ’t dadelijk.„Ze loopen er onder! ’t Is ’n groot dekschild! Kijk maar! Van latten en stukken plank is ’t gemaakt. Opgepast!”Met ’n smak kletste hij er ’n stuk steen op neer.... de anderen volgden....Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben, maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.Langzaam naderden de wolven den toegang....Het werd dus tijd dien te verdedigen.Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en steenen vatten ze post voor de versperring....Langzaam naderden de wolven den toegang.Langzaam naderden de wolven den toegang.Daar begon me ’n hevige strijd—met de tongen!Enkele slagen vielen er maar, als soms ’n wolf het waagde ’n lat aan te raken.Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze het als beschutting vóór zich.Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de versperring terecht.Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z’n oog op ’t luchtgat viel....Onmiddellijk had hij z’n plan klaar!Maar ook ’t zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs en omdat hij z’n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de vreemde indringers af, zwaaiend met z’n geduchten knuppel....„Pak je weg! Gauw, als de....!”De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem en den knoestigen doornstok, veroorzaakte ’n geweldige verwarring onder de wolven.Ze vluchtten!....De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij kwam koekeloeren, vond ze metvuurroodegezichten en felle oogen achter de versperring.Hij maakte ze ’n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die gekkigheid op te houden.„D’r komme nog ongelukken van! En as de notaris ’t heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele.”Hesse wierp alle schuld op de wolven!„We willen niet vechten,” riep Hesse, „moeten we dan toelaten, datzijin den toren komen?Wijhebben verlof gekregen, en zij niet!”Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen maar hier tegen verzette zich ’t jongensgevoel van eer.Boer Peggers dacht er toen ’t zijne van en hij besloot ’n wakend oog te houden op ’t doen en laten van de rakkers.Hesse kwam dadelijk met ’t plan om ’t luchtgat dicht te maken.Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe moeilijk ’t hun zou vallen de kelder vrij te houden.Hij was niet zoozeer bang voor ’n overwinning van de wolven als voor Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden, maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.„Er komen er nog méér!” zei hij op zulk ’n vasten toon, dat de ridders hem vreemd aankeken.„Hoe meen je dat?” vroeg Henk.„Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld zijn,” antwoordde Hesse.Tegelijkertijd wees hij op ’t luchtgat en kommandeerde! „Dicht maken, vooruit!”’n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want ’t moest zóó gebeuren, dat de wolven ’t niet gemakkelijk open konden krijgen.Jan vond de beste oplossing!„We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door middel van vier steunsels komt ’tinde kelder tegen ’t gat aan! Is ’t niet goed?”O maar, ze vonden ’t uitmuntend!Ze zeulden ’t schild naar beneden, maakten ’t wat steviger en toen zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van stutpalen.Druk met ’t werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan den achterkant van den toren gebeurde.Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in ’t lichtgat verschenen om te passen en vast te houden.’n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list gebruik te maken.Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan de ridders zoo lang gemorreld hadden.„Als we kans zien, dáár ’n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d’r eigen kelder gevangen!”Zoo wilde Flip z’n slag slaan.Het kwam er nu maar op aan, om zoo’n gat ongemerkt te maken. Dat diende zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen ’t dadelijk.De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande manieren om te slagen overwogen de wolven....Opeens riep Flip uit: „Ik weet ’t! Je kunt zien, dat ze hier al bezig geweest zijn, maar ’t is toen niet gelukt.„Ik geloof, dat we met ’n flink breekijzer best klaar komen. Het zal hier net gaan als met ’n raam, dat je met ’n haak open wil trekken. ’t Lukt niet.... ’n ander zal ’t probeeren.... die kan ’t ook niet.... weer ’n volgende.... ’t gaat nog niet.... eindelijk komt er een, die met ’n vaartje ’t raam naar beneden trekt, alleen omdat al de vorigen elk ’n beetje hadden gedaan.„Zoo is ’t hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!„Daarom stel ik vóór,nuweg te gaan. Van nacht komen we terug met sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we ’n gat hebben. Wie doet mee?”—„Van nacht? Nou, dat is me wat kras!”—zei Geert Joosten.„Nou ja, ik bedoel met donker!” zei Flip haastig.Er waren vier liefhebbers!Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig dragen!....„We zullen ze nog even laten schrikken!” zei Flip bij ’t weggaan.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Met d’r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar de ridders.Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de wolven. Kees klauterde juist met ’n pas ontdekt stuk plank door den toegang. Dat ging ’n beetje lastig en juist op ’t oogenblik waarin hij zich omkeerde om z’n plank ’n flinke oplawaai te geven, daar zàg hij de wolven!Onmiddellijk slaakte hij ’n woeste kreet, liet z’n plank in den steek en gilde bij de trap: „Verraad! Hoei! hoei! hoei!”Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang te verdedigen. De wolven stonden er voor en ’t zou hun haast gelukt zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld ’n gedeelte van de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!Als ’n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende schreeuwen stootte hij uit enmet ’n geweldige lans, niets anders dan ’n lat begon hij door de opening te stooten.Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door ’t dolle heen, grepen de speer van Hesse beet en trokken die met ’n forsche ruk uit z’n handen.Weer viel er ’n brokstuk op zij en ’t gat werd nog grooter.„Geef je over!” gilde Flip.Wibbe antwoordde door ’n woeste stoot met ’n eind hout, zoodat de aanvoerder achterover tuimelde.Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar raakten.De versperring hield ’t niet langer.... Maar voor de tweede maal greep boer Peggers met twee van z’n knechts in. Onverwachts voelden drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven ’n juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de wolven alle bezinning.’n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig gingen ze er van door....Maar buiten ’t dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en teleurstelling zei hij: „Van nacht maken we ’t gat en morgenochtend kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!”

Flip keek over den rand naar beneden....

De uitroep van Wibbe deed de andere ridders verschrikt oprijzen....

Hesse drukte Dodo beschermend tegen zich aan, z’n oogen fonkelden.

Maar ’t hoofd van Flip was weer verdwenen, en flauw drong ’n gerucht van stemmen tot de jongens door.

Eén oogenblik wisten ze geen raad!

Ze voelden zich gevangen, weerloos hier in die kelder tegenover de wolven.

Hesse kreeg ’t snelst z’n tegenwoordigheid van geest terug.

„De trap!” gilde hij, „naar de trap!”

Haastig legde hij Dodo in ’t verste hoekje en nam toen z’n plaats in onder aan de trap....

Maar tot hunne verbazing gebeurde er niets. Wel verschenen er telkens eenige hoofden over den rand van ’t lichtgat, maar even gauw verdwenen ze weer.

„Ze durven niet verder!” zei Kees.

„Ze zijn wat van plan,” fluisterde Jan.

Hesse aarzelde even—toen klom hij de trap op, kwam in den toren, liep naar den toegang en juist zag hij de wolven over de puinhoopen terug klimmen.

Hesse floot....

De vijf ridders vereenigden zich en ze waren even verbaasd als Hesse!

„Er steekt wat achter!” meende Henk, „ze gaan hulp halen of ze willen ons met iets hinderen.”

Hesse haalde voor alle zekerheid ’t aapje uit de kelder, holde er mee naar huis, en bracht ’t daar in veiligheid.

Onderwijl trokken de vier anderen op verkenning uit en zóó merkten ze, dat de wolven ’t dorp inliepen.

Wibbe volgde ze nog even op ’n afstand—hij kwam terug met de tijding: „Ze gaan naar de stad.”

Onmiddellijk hielden de ridders ’n bijeenkomst,waarin maatregelen werden beraamd tegen ’n mogelijken aanval.

Wibbe:De toegang tot den toren moet versperd worden.

Jan:We moeten om de beurt op den uitkijk gaan staan.

Henk:We dienen ze in ’t dorp al af te wachten.

Kees:Laten we ’n afsluiting van de trap maken!

Na lang overleg namen ze ’t besluit èn de toegang tot den toren en die tot de kelder te versperren. Al drongen de wolven dan ook tot den toren door, dan bleef de kelder nog gesloten.

„Maar onze vlag?” riep Wibbe, „als wij in de kelder zitten, kunnenzijden toren beklimmen en onze vlag veroveren.”

’n Nieuwe moeilijkheid!

’t Slot was, dat ze met alle krachten ’n versperring van den toren gingen aanbrengen.

Waarlijk geen kleinigheid!

De vroegere deur leverde ’t eerste materiaal.

Verder sjouwden ze stukken balk, brokken steen en ook de zerk van ’t keldergat voor de deuropening.

Met veel moeite kregen ze zóó ’n sterke versperring en toch bleef er ’n gat waar ze door konden kruipen.

Nu konden ze de vijanden geduldig afwachten.

Maar dien dag verscheen er geen enkele!

Dus werkten ze met grooten ijver aan de verbetering van de kelder zelf en ook maakten ze ’n vernuftige afsluiting van de keldertrap.

Toch hielden ze nog genoeg tijd over om met Dodo te spelen.

Heel gezellig vond ’t aapje de uitkijk boven op den halven toren, waar het doodkalm op ’t meest uitspringende puntje ging zitten.

De vroeger geleerde kunstjes bracht Dodo nu uit eigen beweging in toepassing!

Zonder de minste moeite klom hij langs den buitenkant van den toren en veel vlugger dan de jongens van binnen.

Om te toonen, hoe hij op Hesse gesteld was, buitelde hij telkens vrijwillig over z’n kop of danste komiek in ’t rond.

Misschien vond Dodo ’t zelf zóó prettig, omdat de jongens wel ’n heel dankbaar publiek vormden. Ze lachten huizen hoog, hun oogen schitterden en in plaats van nieuwe kaarsen kochten ze telkens wat nootjes.

Zonder de angst voor de wolven zou er geen wolkje aan de lucht geweest zijn.

En toch bracht die angst in hun leventje ’t gewichtige avontuurlijke waar alle jongens naar verlangen!

’s Avonds, toen Hesse en Wibbe samen nog wat rond slenterden, terwijl Dodo al rustig in z’n mand te slapen lag, hadden ze ’n ontmoeting, die hun optreden als ridders weer noodzakelijk maakte.

Ze dwaalden ongemerkt af tot aan de brug over de vaart.

Hier zaten ze dikwijls naar voorbijgaande schepen te kijken.

’t Was ’n mooi zitje met ’t gezicht op ’t glinsterende water van de vaart, die met flinke bochten links en rechts tusschen de weilanden door slingerde.

Hier en daar ’n boomgroep van de een of andere buitenplaats.

Veel koeien graasden overal en heel wat boeren hofsteden vormden kleurige plekken tegen ’t groen van de landen.

Nog niet lang zaten Wibbe en Hesse bij de brug of er naderde ’n schuit, voortgetrokken door een armzalig paard.

Bij de brug werd de lijn losgelaten en ’t moede beest met de doffe oogen sjokte voorbij de jongens.

Hesse kon niet nalaten de noodige opmerkingen te maken, wat hem haast ’n venijnigen slag met de zweep deed oploopen.

Maar gelukkig werd z’n aandacht getrokken door ’n voorval op de schuit zelf.

De schipper scheen ’t met ’n hond te kwaad te hebben, ten minste, hij schopte en trapte uit alle macht!

’t Dier wist van angst niet waar ’t zich bergen zou.... z’n gejank drong de jongens door merg en been....

Eensklaps trof ’n heftige stoot van den vaarstok ’t beest, dat nu plotseling in ’t water stortte. Toen begon de schipper den hond met dien zelfden stok op den kop te slaan, zoodat ’t dier in ’t water verdween....

Maar er verdween nog iemand in ’t water!

Dat was Hesse!

Hij kòn ’t mishandelen van dieren nu eenmaal niet aanzien....

Wibbe probeerde nog, hem tegen te houden, maar jawel! Hesse stoorde zich nergens aan, hij dachtalleen aan dien wegzinkenden hond en dus sprong hij van den kant de vaart in.

Er verdween nog iemand in ’t water!Er verdween nog iemand in ’t water!

Er verdween nog iemand in ’t water!

Tot z’n overgroote verbazing zag de schipper ’n jongen naderbij zwemmen.

’n Leelijke lach verscheen op z’n gezicht....

Gelukkig, dat de schuit onderwijl al verder dreef, anders....

Hesse zag duidelijk de plek waar de hond was gezonken....

Eensklaps dook hij onder.... voelde in ’t rond.... ja.... hij greep iets vast....

Dadelijk keerde hij om....

Wibbe had intusschen z’n kleeren uitgerukt, bang voor ongelukken....

Ja, Hesse kon goed zwemmen, maar toch, je kon niet weten!

Zoo snel mogelijk draafde hij naar den brugwachter, vroeg ’n stok, holde er mee terug, en kwam nog tijdig genoeg om dien Hesse toe te steken en hem met den hond aan wal te trekken.

De hond bleef voor dood liggen, maar Hesse sprong als ’n levende jongen uit waterland in ’t rond, schudde zich heftig en toen kreeg de drenkeling ’n beurt.

Hesse wist zoo iets van de bewegingen, die je moest toepassen om ’t water uit de maag te krijgen en ’t bloed te doen stroomen.

Met Wibbe en den brugwachter trok hij van leer. En ziet! de hond begon ’t ingeslikte water terug te geven en na verloop van enkele minuten opende hij de oogen.

Weer enkele minuten later durfde de bruggeman te beweren: „Hij haalt ’t!”

En na nog tien minutenzat’t dier al!

Nu drong Wibbe er op aan, dat Hesse om zich zelf moest denken.

„Haal jij maar wat droge kleeren,” kommandeerde Hesse, „ik doe hier alles uit, ’t is geen spier koud en dan hebben ze thuis de vuile boel niet. Loop, Wibbe!”

Wibbe liep.

Hij ving de boosheid van mevrouw op, hij holde terug en vond Hesse in Adams-kostuum bezig om Rip te wrijven en te rollen.

Haastig kleedde hij zich aan en met nadruk zei hij: „Rip!”

Wibbe vond ’t best, nam de zorg voor den hond over onder toezicht van den redder.

’t Dier zag er alles behalve welvarend uit! De toegebrachte slagen hadden hem leelijk toegetakeld, maar hij lééfde!

Voor de rest zou Hesse zorgen.

Wibbe mocht de natte plunje dragen, terwijl Hesse Rip meevoerde.

Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.

Mevrouw keek ’n beetje raar en kortaf zei ze: „Krijg ik dien hond ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder.”

Waarom ook niet?

Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om ’t arme beest goed te doen.

Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!

Niemand minder dan de notaris en z’n vrouw. De laatste wilde toch met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien viezen hond te verbinden of te reinigen.

Nog een bezoeker meldde zich aan—Dodo!

Die gluurde met z’n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.

Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in de dorpen verscheen. Maar nu begreep ’t aapje, dat er van dit zieke beest niets te vreezen viel.

Rip kwam aardig bij!

De zalf verzachtte de beschadigde plekken en ’t brood met restjes vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.

Ingebakerd werd hij neergelegd in ’n hoek van de kelder op ’n oud karpet.

„Slaap moet de rest doen,” zei de notaris, „vooruit, gunt hem z’n rust.”

Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang af en toen bleef Rip alleen.

„Jullie hebt ’t daar heel aardig ingericht,” zei de notaris, „je kunt er best ’n asyl van maken, ’n toevluchtsoord voor lijdende dieren.

„Ik word begunstiger en stort ’n bijdrage van tien gulden in de kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden.”

„Als de kaarsen op zijn,” aldus Hesse.

„Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!”

De jongens keken den notaris vreemd aan.

Nu pas schoot ’t hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden bedankt.

Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe ’t gezin nog meer geholpen was om eerlijk ’t dagelijksche brood te verdienen.—

Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op, vergezeld van Dodo.

Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi bewoog z’n staart toen hij z’n redders herkende.

’t Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt enwonder boven wonder, Dodo deed heelemaal niet schuw.

Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak bij z’n kop te gaan zitten, peuzelend uit z’n handpootje.

Toen de zon ’n lichtplek op ’t zand in de kelder begon te werpen, moest Rip daar ’n verdere genezingskuur ondergaan.

Wel kreunde hij zacht bij ’t heengaan van de drie nieuwe vrienden, maar ’n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.

Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.

Kees had groot nieuws!

Hij was dien morgen ’n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:

„Wacht maar! je zult wat beleven!”

Kees had geantwoord: „Wij wachten al lang!”

„We kunnen dus van middag zeker zijn van ’n nieuw bezoek! Allo, naar den uitkijk! Jij Henk, op den toren! jullie, Jan en Wibbe in ’t dorp. Wij blijven hier! Ons fluitje is de waarschuwing.”

Henk klom naar boven en met z’n bedachtzame oogen keek hij over den omtrek heen.

Jan en Wibbe vatten post bij den hoek van de lange dorpstraat die overging in den weg naar de stad.

Op zeker oogenblik ontdekte Henk ’n groepje jongens bij de brug....

Hij floot zóó snerpend ’t teeken, dat Dodo en Rip er allebei van schrikten.

Hesse en Kees snelden de trap op, vatten post bij den toegang en luid klonk weer ’t signaal voor Jan en Wibbe.

Haastig kwamen die terug en nu werd de toegang volkomen versperd.

Henk keerde naar z’n wachtpost terug en keek scherp uit.

Het waren de wolven!

Hij herkende ze duidelijk en—ze brachten hulptroepen mee, want de groep bestond uit tien jongens!

Dat bericht deed de ridders in verontwaardiging ontsteken.

Tien tegen vijf!

Nee, dat was geen eerlijke strijd!

Hesse beet de vrienden toe: „Wij halen er óók méér bij.”

Ze konden ’t beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen, en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden de wolven....

’n Woest gehuil brak los!

Boven op den toren en bij ’t hek beneden.

Flip hield z’n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk ’n aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte te veroveren.

Ze hielden krijgsraad.

Eerst besloten ze, ’n onderzoek in te stellen naar den toestand van den ingang.

Maar nauwelijks wilden ze beginnen met ’t bestijgen van de ruïne, of de luide stem van Hesse weerklonk:

„Terug! of we gooien!”

Verrast hielden de wolven halt....

Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.

Ze weken!

En de ridders juichten!

Maar Flip legde z’n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder bescherming van ’n schild.

Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?

Flip voerde hen mee achter ’n muur, waar ze veilig konden beraadslagen....

De ridders bleven in ongerustheid afwachten.

Ze begrepen wel, dat ’t ernstig spelletje nog lang niet uit was, maar hoe ’t zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.

Opeens, na ’n goed half uur trok ’n zonderling schouwspel hun aandacht....

Er bewoog ’n plat gevaarte....

Het leek wel beenen te hebben!

Hesse begreep ’t dadelijk.

„Ze loopen er onder! ’t Is ’n groot dekschild! Kijk maar! Van latten en stukken plank is ’t gemaakt. Opgepast!”

Met ’n smak kletste hij er ’n stuk steen op neer.... de anderen volgden....

Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben, maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.

Langzaam naderden de wolven den toegang....

Het werd dus tijd dien te verdedigen.

Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en steenen vatten ze post voor de versperring....

Langzaam naderden de wolven den toegang.Langzaam naderden de wolven den toegang.

Langzaam naderden de wolven den toegang.

Daar begon me ’n hevige strijd—met de tongen!

Enkele slagen vielen er maar, als soms ’n wolf het waagde ’n lat aan te raken.

Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze het als beschutting vóór zich.

Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de versperring terecht.

Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.

Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z’n oog op ’t luchtgat viel....

Onmiddellijk had hij z’n plan klaar!

Maar ook ’t zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs en omdat hij z’n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de vreemde indringers af, zwaaiend met z’n geduchten knuppel....

„Pak je weg! Gauw, als de....!”

De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem en den knoestigen doornstok, veroorzaakte ’n geweldige verwarring onder de wolven.

Ze vluchtten!....

De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij kwam koekeloeren, vond ze metvuurroodegezichten en felle oogen achter de versperring.

Hij maakte ze ’n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die gekkigheid op te houden.„D’r komme nog ongelukken van! En as de notaris ’t heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele.”

Hesse wierp alle schuld op de wolven!

„We willen niet vechten,” riep Hesse, „moeten we dan toelaten, datzijin den toren komen?Wijhebben verlof gekregen, en zij niet!”

Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen maar hier tegen verzette zich ’t jongensgevoel van eer.

Boer Peggers dacht er toen ’t zijne van en hij besloot ’n wakend oog te houden op ’t doen en laten van de rakkers.

Hesse kwam dadelijk met ’t plan om ’t luchtgat dicht te maken.

Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe moeilijk ’t hun zou vallen de kelder vrij te houden.

Hij was niet zoozeer bang voor ’n overwinning van de wolven als voor Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.

Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden, maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.

„Er komen er nog méér!” zei hij op zulk ’n vasten toon, dat de ridders hem vreemd aankeken.

„Hoe meen je dat?” vroeg Henk.

„Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld zijn,” antwoordde Hesse.

Tegelijkertijd wees hij op ’t luchtgat en kommandeerde! „Dicht maken, vooruit!”

’n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want ’t moest zóó gebeuren, dat de wolven ’t niet gemakkelijk open konden krijgen.

Jan vond de beste oplossing!

„We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door middel van vier steunsels komt ’tinde kelder tegen ’t gat aan! Is ’t niet goed?”

O maar, ze vonden ’t uitmuntend!

Ze zeulden ’t schild naar beneden, maakten ’t wat steviger en toen zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van stutpalen.

Druk met ’t werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan den achterkant van den toren gebeurde.

Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in ’t lichtgat verschenen om te passen en vast te houden.

’n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list gebruik te maken.

Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan de ridders zoo lang gemorreld hadden.

„Als we kans zien, dáár ’n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d’r eigen kelder gevangen!”

Zoo wilde Flip z’n slag slaan.

Het kwam er nu maar op aan, om zoo’n gat ongemerkt te maken. Dat diende zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen ’t dadelijk.

De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande manieren om te slagen overwogen de wolven....

Opeens riep Flip uit: „Ik weet ’t! Je kunt zien, dat ze hier al bezig geweest zijn, maar ’t is toen niet gelukt.

„Ik geloof, dat we met ’n flink breekijzer best klaar komen. Het zal hier net gaan als met ’n raam, dat je met ’n haak open wil trekken. ’t Lukt niet.... ’n ander zal ’t probeeren.... die kan ’t ook niet.... weer ’n volgende.... ’t gaat nog niet.... eindelijk komt er een, die met ’n vaartje ’t raam naar beneden trekt, alleen omdat al de vorigen elk ’n beetje hadden gedaan.

„Zoo is ’t hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!

„Daarom stel ik vóór,nuweg te gaan. Van nacht komen we terug met sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we ’n gat hebben. Wie doet mee?”

—„Van nacht? Nou, dat is me wat kras!”—zei Geert Joosten.

„Nou ja, ik bedoel met donker!” zei Flip haastig.

Er waren vier liefhebbers!

Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig dragen!....

„We zullen ze nog even laten schrikken!” zei Flip bij ’t weggaan.

Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.

Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven.

Met d’r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar de ridders.

Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de wolven. Kees klauterde juist met ’n pas ontdekt stuk plank door den toegang. Dat ging ’n beetje lastig en juist op ’t oogenblik waarin hij zich omkeerde om z’n plank ’n flinke oplawaai te geven, daar zàg hij de wolven!

Onmiddellijk slaakte hij ’n woeste kreet, liet z’n plank in den steek en gilde bij de trap: „Verraad! Hoei! hoei! hoei!”

Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang te verdedigen. De wolven stonden er voor en ’t zou hun haast gelukt zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld ’n gedeelte van de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!

Als ’n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende schreeuwen stootte hij uit enmet ’n geweldige lans, niets anders dan ’n lat begon hij door de opening te stooten.

Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....

De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door ’t dolle heen, grepen de speer van Hesse beet en trokken die met ’n forsche ruk uit z’n handen.

Weer viel er ’n brokstuk op zij en ’t gat werd nog grooter.

„Geef je over!” gilde Flip.

Wibbe antwoordde door ’n woeste stoot met ’n eind hout, zoodat de aanvoerder achterover tuimelde.

Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar raakten.

De versperring hield ’t niet langer.... Maar voor de tweede maal greep boer Peggers met twee van z’n knechts in. Onverwachts voelden drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.

De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven ’n juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de wolven alle bezinning.

’n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig gingen ze er van door....

Maar buiten ’t dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en teleurstelling zei hij: „Van nacht maken we ’t gat en morgenochtend kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!”


Back to IndexNext