XII.Overwinning.Na den eten brachten Wibbe en Hesse nog even ’n bezoek aan Dodo en Rip, die bij elkander gekropen waren.’t Aapje kreeg nog ’n extra handvol nootjes en de hond ’n stuk of zes kaakjes.Ze speelden er nog even mee en toen stopten ze de dieren in hun mand, sloten den toegang en dwaalden wat rond.’t Toeval voerde hen langs ’t erf van ’n hofstede waar ’n aantal boerenjongens zich geweldig schenen te vermaken.Wibbe en Hesse liepen er heen en daar zagen ze, hoe ze met steenen mikten op iets levends, dat tegen de schuurdeur bewoog.Hesse er op af!En tot z’n verontwaardiging ontdekte hij ’n vleermuis, die door middel van spijkers aan de deur vastgenageld hing.Dat werd Hesse te machtig!Hij zag de opengesperde oogjes van ’t worstelende dier, tot nu toe nog niet geraakt....Zonder eenige vrees voor de boerenlummels probeerde Hesse ’t diertje te bevrijden door de spijkers uit ’t hout te trekken.Maar toen kreeg hij de wreedaards op z’n hals! Enkelen trokken hem weg en vlak daarna werd’t beest door ’n steen getroffen aan de vrije onderste pootjes....Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Nu bleef Hesse zich niet langer meester!Gillend klonk z’n roep: „Lafaards! beulen!”Woedend rukte hij zich los, vloog voor ’t gemartelde dier en schreeuwde: „Gooi mij dan dood, lafbekken!”Door ’t spektakel kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z’n zoon, wat er gebeurde.„We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest ’t dood, zoo’n monster!”„’t Is geen monster! ’t Vangt duizenden muggen, ’t doet geen mensch kwaad!” riep Hesse, „en maak ’t dan in eens dood, als ’t moet!”„’t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d’r haren en ze zuigen je bloed uit.”„Leugens! Heb je ’t ooit gezien?.... Nou, zeg op! ’t Zijn leugens! Er is geen woord van aan! De een praat ’t den ander na. Ik heb ’t pas gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen woord waar!”De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen viel ’t gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde pootjes op den grond....Hesse was er dadelijk bij!Voorzichtig nam hij ’t diertje op....Ja, ’t had ’n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag ’t er uit en ’t deed toch niemand ooit kwaad! Het vloog ’s avonds rond, laag over ’t erf, en ’t ving de ellendige muggen. Verder deed ’t niets, dat de menschen schade berokkende of hinderde.De boer scheen half overtuigd, want hij zond z’n zoon met ’n standje naar binnen en vergoelijkend zei hij: „Ze wisten niet beter.”Hesse antwoordde geen eens!Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z’n zakdoek....Mevrouw vond ’t een griezelig dier, maar toen ze ’t beestje eens goed bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en ’t hulpbehoevende van ’t dier deed haar toch helpen.De pootjes werden gezwachteld, de gescheurdevliezen tusschen de lange teenen glad gelegd.Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon ’t vleermuisje niet fladderen.De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.„Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan die kletspraatjes over bloedzuigen en in ’t haar vliegen! Gewone verzinsels!”Zoo bromde de notaris.De vleermuis werd in ’n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat ’t gemartelde beest weer gauw herstelde.Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter de kerk.Langs ’n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede naderden, zweeg ’t dier na ’n poos.En nu naderden Flip en drie van z’n makkers den ouden halven toren.Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in ’t duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.De voorspelling van Flip kwam mooi uit!De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen duidelijk, want na korten tijd liet ’n groot brok steen los....Er ontstond ’n gat, groot genoeg om ’n jongen door te laten!Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet ’t licht uit ’n dievenlantaren in de opening vallen....Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor ’t gevoel, dat ze hun doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze ’t brok steen weer op z’n oude plaats.Toen verdwenen ze in de duisternis....Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z’n teenen sloop hij naar de keuken, waar ’t doosje met de vleermuis stond.Daar lag ’t diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.Dadelijk ging Hesse aan ’t vangen van muggen en na ’n lange jacht kon hij er twee aan de vleermuis geven.Even Wibbe halen!Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!„Zou ’t genoeg zijn?” vroeg Hesse.Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen mogelijkheid ontdekken.„We zullen na ’t ontbijt naar de slooten gaan,” stelde Wibbe voor, en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen ’t raam van Wibbes kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf ’n fijn uitzicht!Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven toren nog.Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind, half leunend tegen ’t dak. Plotselinghoorde Wibbe hem ’n kreet slaken, en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In ’t eerst begreep hij niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z’n oogen op den halven toren....Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met ’n hond, maar wit.... wit!.... met ’n wolf!....Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden haast van de goot naar beneden!....Heelhuids raakten ze in ’t kamertje en nu brulde Hesse: „De wolven! de wolven! Ze zijn in onzen toren!”Wibbe gaf geen kik!Hij kòn ’t niet begrijpen!„Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te sluiten. Maar ik zal ze helpen! Zezijner in en nublijvenze er in!”Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.Deze vervolgde: „We roepen boer Peggers en de knechts en al onze kennissen op ’t dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na ’n poos moeten ze zich overgeven.”Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg: „Lijkt ’t jou niet?”Wibbe antwoordde: „Dodo en Rip!”’n Schok voer door Hesse heen....Aan den hond en ’t aapje had hij niet gedacht.„Zie je,” vervolgde Wibbe, „ze zullen begrijpendat we aan de beesten gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven.”„Als ze ’t toch wagen om ze kwaad te doen!” zoo barstte Hesse uit.„Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en ’t allereerste moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen.”De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door ’t snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.„Hadden we nu ’t schild maar niet gebruikt in de kelder!” zoo barstte Hesse los.Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over ’t geen hen te doen stond.De kelder bereiken ging moeielijk door ’t groote gevaar om door steenen te worden getroffen.Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.Toch móést er wat gedaan worden.Hesse trilde van opwinding!Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven bezet was.Na ’n poos zei Wibbe: „We dienen de beesten op te geven....”„Wat!” gilde Hesse, „opgeven? Dulden dat dewolven ze misschien mishandelen? Nooit!”„Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!”„Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!”Wibbe volgde z’n vriend, die snel achter de boomen heen liep.Van boven klonk ’n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs hen heen.Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter de huizen.Hesse klampte ’t allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos, maar hij kon op ’t oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door de drukte op ’t veld.Andere dorpelingen vonden ’t weer zoo erg niet en gaven ze den raad er den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden, spitsten de ooren en liepen mee.Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt dat zoowat ’t heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer dan die peuters.Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.Wibbe troostte wat hij kon!Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.„Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast beginnen om schildente maken anders kunnen we toch niets.”Wibbe bracht afleiding!Hesse veegde woest z’n oogen uit en driftig riep hij: „Schilden, já, schilden!”En ze trokken naar den tuin, ze hadden ’n zaag,spijkers en ’n hamer, ook beitels en boren.Toen begon er ’n groot werk!Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen, vijf kleine! Dus zaagden ze in ’t zweet huns aanschijns plankjes, timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst mooi passend afgezaagd.Onderaan kwam ’n kunstig handvat of beter gezegd: ’n armgat. Daarvoor namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die reepen spijkerden ze aan ’t schild vast met de twee uiteinden, zóó dat ’t middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan ’n arm door.Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf de deksel van ’n groote vuilnispot dienst deed.Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse ’n tweeden onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze ’n schild boven zich, terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.Ze bereikten ’t luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen, want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch lukte hun poging niet, te minder door ’t gekletter van steenen op hun schilden.’s Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk kregen die ’t grootenieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen ’n plan op, voor den aanval.Henk zag ’t zwaar in!„We weten zelf, hoe moeilijk ’t is, om in den toren te komen! En zij zijn met d’r tienen!”„Wat wou je dan?” vroeg Hesse nijdig, „moeten we soms niets doen en zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!”Henk suste den opgewonden Hesse en kalm antwoordde hij:„Ik bedoel alleen, dat we goed verzinnen moeten om ’t beste plan te vinden. Ik dacht er over, ze eenvoudig uit te hongeren. We omsingelen den toren en waken dagen lang, tot ze er wel uit móéten!”Henks plan werd toegejuicht, maar Hesse had terecht bezwaren.„Wou je dan ’s nachts óók waken? Krijg jij verlof van huis om weg te blijven?”Ja, daar begonnen de moeielijkheden te rijzen!Toch bleef ’t plan van Henk besproken en na lange beraadslagingen besloten ze verlof te vragen en anders, ja, anders maar zònder verlof!Wibbe en Hesse konden natuurlijk ’s nachts geen dienst doen! Die hadden den notaris te dicht bij zich.Er zat dus niets anders op, dan dat Henk, Jan en Kees er de straf voor over hadden en dien nacht weg bleven....Hesse kreeg er zijn voorstel nog door: „Zooveel mogelijk hulp halen als ’t werk op ’t veld afgeloopen was. Dan stormloopen!”Mislukte die aanval, goed, daarna kon de insluiting beginnen.Dit voorstel werd aangenomen!Elk gewapend met ’n schild nam ’n post in bij den toren. Met verschrikkelijke gezichten liepen ze heen en weer en stoorden zich niet aan de tartende kreten van de wolven.Wacht maar!....Flip, de aanvoerder hield met z’n mannetjes krijgsraad, want ze begonnen te mopperen.Ze vonden ’t een vervelende boel!Er gebeurde niets en door dat schildwachtje spelen van de ridders begonnen ze lont te ruiken.„Ze willen ons insluiten,” meende Geert, „daar dank ik voor, want ik heb ’n honger als ’n paard.”Vandaar dat Flip hen suste door ’t volgende voorstel: „We wachten ’t goede oogenblik af en dan kruipen twee van ons door ’t gat en halen brood....”„Brood?” vroeg Geert, „doen we ’t dan zonder middageten? En wou je ons hier den heelen nacht laten blijven? Ik zou je danken. Ik wil op tijd thuis zijn.”Nog ’n paar andere wolven waren ’t met Geert eens.Toen zei Flip: „Gaan jullie dan weg! Wij zullen ’t zonder jullie ook wel klaar spelen.”Nijdig draaide hij zich om, vast besloten nu vol te houden.Geert smoesde met ’n paar anderen en hij sprak methenaf, om tegen vijven ongemerkt door ’t gat te ontsnappen....Onverstoorbaar hielden de ridders de wacht.Om de beurt verdween er één!Die ging op hulp uit en zoo kregen ze ten minste de belofte van boer Peggers, dat hij na ’t werk en na ’t eten met enkele knechts eens zou komen kijken.Maar ’n hoop klein goed hoopte zich bij den toren opeen, nieuwsgierig naar ’t einde.Omstreeks half vijf trachtte Geert door ’t gat te kruipen na heel lang geloerd te hebben. Maar Kees kreeg ’m dadelijk in ’t oog. Hij gilde ontzettend en met vereende krachten dreven ze Geert terug.Ze stonden er alle vijf van te kijken!Daar was nu ’t gat, waarzijzoo hard voor gezwoegd hadden.Dadelijk werd de opening sekuur dicht gestopt en de bewaking ging nog scherper voort!Geert was woedend, omdat hij er niet uit kon. Hij begon al te praten van overgeven....Flip wilde er niet van hooren en dus bleven ze zonder brood op post.’t Ging spannen!Werkelijk verschenen er later ’n aantal boerenarbeiders en ook boer Peggers zelf.Deze liet zich de zaak uitleggen.Toen trad hij in ’t gezicht van de wolven naar voren en riep: „Kom er gauw uit! Dan zullen we je stil weg laten gaan, maar anders krijg je een pak rammeling!”Zeer nieuwsgierig naar ’t antwoord naderden de ridders, voorzien van hun schilden den toren.Eensklaps klonk er ’n rauwe gil....Hesse greep Wibbe met ’n fellen ruk beet.... z’n oogen staarden angstig naar boven.... „Dodo! Rip!....”Allen keken naar den torenrand en—op den afgebrokkelden kant onderscheidden ze ’t aapje.... en iets verder Rip!....De wolven hielden ze vast.... ze zagen den hond probeeren zich los te wringen en ’t aapje schreeuwde....Daar klonk de stem van Flip en ze hoorden: „Laat ons dóór, of anders smijten we ze allebei naar beneden!”Dat werd ’n moeilijk oogenblik!Alle hoofden gingen bij elkaar....„Beloof ’t!” schreeuwde Flip weer.Konden ze toen wel anders doen dan de wolven ongehinderd den toren doen verlaten? En was ’t trouwens niet de eenige bedoeling?Hesse gilde opeens: „We beloven!”Flip schreeuwde: „Die mannen óók!”Hesse stootte boer Peggers aan, en deze riep: „Schiet maar op, ’t is goed!”Enkele minuten later verschenen de wolven en natuurlijk lieten ze hen vrij uitgaan....Geen tien tellen daarna of Hesse vloog de torentrap op en daar vond hij Dodo en Rip, kermend van pijn en bloedend op ’t platje liggen....Hesse werd doodsbleek!’t Eerst nam hij ’t aapje in z’n armen en toen pas liet hij ’n vreeselijke gil los....Wibbe was ’t eerst boven!In ’n ommezien overzag hij den toestand en dadelijk belastte hij zich met de verzorging van Rip.Ook de andere ridders verschenen en groot was de verontwaardiging over de laffe daad van dewolven. Ze wilden zelfs in woeste drift de wreedaards achterna rennen om ze te tuchtigen.... ’t was te laat!Hesse en Wibbe droegen hun beschermelingen naar huis, de drie andere ridders bleven nog ’n poos op den toren.Boer Peggers beloofde hun alle mogelijke steun als er soms ’n nieuwe overval dreigde.Flip en z’n helpers volgden den weg naar de stad. Ze voelden zich verslagen en vonden maar weinig troost bij de gedachte, hoe ze hun vijanden beet genomen hadden en in de vreugde over de woede van de ridders als ze dien aap en dien hond half dood vonden.„Toch zullen zij den toren óók niet hebben!” raasde Flip omdat hij met z’n slechten aanleg den nederlaag niet kon verkroppen.„Ik zal net zoolang denken tot ik ’n middel weet om ons te wreken.”De andere wolven, gewend om Flips bevelen altijd op te volgen, verklaarden zich bereid om hem te helpen.Werkelijk deed ’t hoofd van de wolven de volgende dagen niet veel anders dan plannen maken en—lezen.Lezen is ’n mooi ding!’t Is maar de vraag wàt je leest.Flip las boeken, die ’n slechten invloed op hem hadden! Gewone jongensboeken vond hij flauw en kinderachtig. Hij las verhalen, die niet eens voor grooten goed waren, verhalen, waar verstandigemenschen om lachten, al vonden ze ’t lezen er van wel leuk.Maar Flip vatte alles in die vreeselijke geschiedenissen als ernst op, net als de verschrikkelijke voorvallen in de bioscoop, waar hij zoo graag naar toe ging.Hij droomde er ’s nachts van en hij zou ’t buitengewoon heerlijk vinden om bij die moordpartijen, brandstichtingen, inbraken en zoo meer tegenwoordig te zijn.Hij vond misdadigers flinke dappere kerels en bedriegen, rooven en dooden leek hem niet zoo verkeerd als je maar vrij liep.Op allerlei manieren wist Flip aan die gevaarlijke boeken te komen en die las hij stilletjes.’t Kwaad doen leek er zoo gewoon in, heelemaal niet erg en Flip wilde later ook geweldige dingen doen: in auto’s ontvluchten, op ’n trein springen, z’n vijand er uit gooien, met revolvers schieten, hu! om te rillen!Flips verbeelding begon te werken en omdat hij zich zoo vernederd voelde door dien nederlaag, rijpte er in z’n hoofd ’n plan, ’n gevaarlijk plan....
XII.Overwinning.Na den eten brachten Wibbe en Hesse nog even ’n bezoek aan Dodo en Rip, die bij elkander gekropen waren.’t Aapje kreeg nog ’n extra handvol nootjes en de hond ’n stuk of zes kaakjes.Ze speelden er nog even mee en toen stopten ze de dieren in hun mand, sloten den toegang en dwaalden wat rond.’t Toeval voerde hen langs ’t erf van ’n hofstede waar ’n aantal boerenjongens zich geweldig schenen te vermaken.Wibbe en Hesse liepen er heen en daar zagen ze, hoe ze met steenen mikten op iets levends, dat tegen de schuurdeur bewoog.Hesse er op af!En tot z’n verontwaardiging ontdekte hij ’n vleermuis, die door middel van spijkers aan de deur vastgenageld hing.Dat werd Hesse te machtig!Hij zag de opengesperde oogjes van ’t worstelende dier, tot nu toe nog niet geraakt....Zonder eenige vrees voor de boerenlummels probeerde Hesse ’t diertje te bevrijden door de spijkers uit ’t hout te trekken.Maar toen kreeg hij de wreedaards op z’n hals! Enkelen trokken hem weg en vlak daarna werd’t beest door ’n steen getroffen aan de vrije onderste pootjes....Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Nu bleef Hesse zich niet langer meester!Gillend klonk z’n roep: „Lafaards! beulen!”Woedend rukte hij zich los, vloog voor ’t gemartelde dier en schreeuwde: „Gooi mij dan dood, lafbekken!”Door ’t spektakel kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z’n zoon, wat er gebeurde.„We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest ’t dood, zoo’n monster!”„’t Is geen monster! ’t Vangt duizenden muggen, ’t doet geen mensch kwaad!” riep Hesse, „en maak ’t dan in eens dood, als ’t moet!”„’t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d’r haren en ze zuigen je bloed uit.”„Leugens! Heb je ’t ooit gezien?.... Nou, zeg op! ’t Zijn leugens! Er is geen woord van aan! De een praat ’t den ander na. Ik heb ’t pas gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen woord waar!”De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen viel ’t gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde pootjes op den grond....Hesse was er dadelijk bij!Voorzichtig nam hij ’t diertje op....Ja, ’t had ’n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag ’t er uit en ’t deed toch niemand ooit kwaad! Het vloog ’s avonds rond, laag over ’t erf, en ’t ving de ellendige muggen. Verder deed ’t niets, dat de menschen schade berokkende of hinderde.De boer scheen half overtuigd, want hij zond z’n zoon met ’n standje naar binnen en vergoelijkend zei hij: „Ze wisten niet beter.”Hesse antwoordde geen eens!Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z’n zakdoek....Mevrouw vond ’t een griezelig dier, maar toen ze ’t beestje eens goed bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en ’t hulpbehoevende van ’t dier deed haar toch helpen.De pootjes werden gezwachteld, de gescheurdevliezen tusschen de lange teenen glad gelegd.Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon ’t vleermuisje niet fladderen.De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.„Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan die kletspraatjes over bloedzuigen en in ’t haar vliegen! Gewone verzinsels!”Zoo bromde de notaris.De vleermuis werd in ’n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat ’t gemartelde beest weer gauw herstelde.Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter de kerk.Langs ’n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede naderden, zweeg ’t dier na ’n poos.En nu naderden Flip en drie van z’n makkers den ouden halven toren.Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in ’t duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.De voorspelling van Flip kwam mooi uit!De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen duidelijk, want na korten tijd liet ’n groot brok steen los....Er ontstond ’n gat, groot genoeg om ’n jongen door te laten!Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet ’t licht uit ’n dievenlantaren in de opening vallen....Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor ’t gevoel, dat ze hun doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze ’t brok steen weer op z’n oude plaats.Toen verdwenen ze in de duisternis....Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z’n teenen sloop hij naar de keuken, waar ’t doosje met de vleermuis stond.Daar lag ’t diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.Dadelijk ging Hesse aan ’t vangen van muggen en na ’n lange jacht kon hij er twee aan de vleermuis geven.Even Wibbe halen!Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!„Zou ’t genoeg zijn?” vroeg Hesse.Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen mogelijkheid ontdekken.„We zullen na ’t ontbijt naar de slooten gaan,” stelde Wibbe voor, en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen ’t raam van Wibbes kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf ’n fijn uitzicht!Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven toren nog.Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind, half leunend tegen ’t dak. Plotselinghoorde Wibbe hem ’n kreet slaken, en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In ’t eerst begreep hij niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z’n oogen op den halven toren....Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met ’n hond, maar wit.... wit!.... met ’n wolf!....Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden haast van de goot naar beneden!....Heelhuids raakten ze in ’t kamertje en nu brulde Hesse: „De wolven! de wolven! Ze zijn in onzen toren!”Wibbe gaf geen kik!Hij kòn ’t niet begrijpen!„Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te sluiten. Maar ik zal ze helpen! Zezijner in en nublijvenze er in!”Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.Deze vervolgde: „We roepen boer Peggers en de knechts en al onze kennissen op ’t dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na ’n poos moeten ze zich overgeven.”Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg: „Lijkt ’t jou niet?”Wibbe antwoordde: „Dodo en Rip!”’n Schok voer door Hesse heen....Aan den hond en ’t aapje had hij niet gedacht.„Zie je,” vervolgde Wibbe, „ze zullen begrijpendat we aan de beesten gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven.”„Als ze ’t toch wagen om ze kwaad te doen!” zoo barstte Hesse uit.„Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en ’t allereerste moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen.”De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door ’t snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.„Hadden we nu ’t schild maar niet gebruikt in de kelder!” zoo barstte Hesse los.Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over ’t geen hen te doen stond.De kelder bereiken ging moeielijk door ’t groote gevaar om door steenen te worden getroffen.Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.Toch móést er wat gedaan worden.Hesse trilde van opwinding!Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven bezet was.Na ’n poos zei Wibbe: „We dienen de beesten op te geven....”„Wat!” gilde Hesse, „opgeven? Dulden dat dewolven ze misschien mishandelen? Nooit!”„Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!”„Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!”Wibbe volgde z’n vriend, die snel achter de boomen heen liep.Van boven klonk ’n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs hen heen.Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter de huizen.Hesse klampte ’t allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos, maar hij kon op ’t oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door de drukte op ’t veld.Andere dorpelingen vonden ’t weer zoo erg niet en gaven ze den raad er den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden, spitsten de ooren en liepen mee.Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt dat zoowat ’t heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer dan die peuters.Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.Wibbe troostte wat hij kon!Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.„Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast beginnen om schildente maken anders kunnen we toch niets.”Wibbe bracht afleiding!Hesse veegde woest z’n oogen uit en driftig riep hij: „Schilden, já, schilden!”En ze trokken naar den tuin, ze hadden ’n zaag,spijkers en ’n hamer, ook beitels en boren.Toen begon er ’n groot werk!Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen, vijf kleine! Dus zaagden ze in ’t zweet huns aanschijns plankjes, timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst mooi passend afgezaagd.Onderaan kwam ’n kunstig handvat of beter gezegd: ’n armgat. Daarvoor namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die reepen spijkerden ze aan ’t schild vast met de twee uiteinden, zóó dat ’t middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan ’n arm door.Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf de deksel van ’n groote vuilnispot dienst deed.Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse ’n tweeden onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze ’n schild boven zich, terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.Ze bereikten ’t luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen, want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch lukte hun poging niet, te minder door ’t gekletter van steenen op hun schilden.’s Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk kregen die ’t grootenieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen ’n plan op, voor den aanval.Henk zag ’t zwaar in!„We weten zelf, hoe moeilijk ’t is, om in den toren te komen! En zij zijn met d’r tienen!”„Wat wou je dan?” vroeg Hesse nijdig, „moeten we soms niets doen en zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!”Henk suste den opgewonden Hesse en kalm antwoordde hij:„Ik bedoel alleen, dat we goed verzinnen moeten om ’t beste plan te vinden. Ik dacht er over, ze eenvoudig uit te hongeren. We omsingelen den toren en waken dagen lang, tot ze er wel uit móéten!”Henks plan werd toegejuicht, maar Hesse had terecht bezwaren.„Wou je dan ’s nachts óók waken? Krijg jij verlof van huis om weg te blijven?”Ja, daar begonnen de moeielijkheden te rijzen!Toch bleef ’t plan van Henk besproken en na lange beraadslagingen besloten ze verlof te vragen en anders, ja, anders maar zònder verlof!Wibbe en Hesse konden natuurlijk ’s nachts geen dienst doen! Die hadden den notaris te dicht bij zich.Er zat dus niets anders op, dan dat Henk, Jan en Kees er de straf voor over hadden en dien nacht weg bleven....Hesse kreeg er zijn voorstel nog door: „Zooveel mogelijk hulp halen als ’t werk op ’t veld afgeloopen was. Dan stormloopen!”Mislukte die aanval, goed, daarna kon de insluiting beginnen.Dit voorstel werd aangenomen!Elk gewapend met ’n schild nam ’n post in bij den toren. Met verschrikkelijke gezichten liepen ze heen en weer en stoorden zich niet aan de tartende kreten van de wolven.Wacht maar!....Flip, de aanvoerder hield met z’n mannetjes krijgsraad, want ze begonnen te mopperen.Ze vonden ’t een vervelende boel!Er gebeurde niets en door dat schildwachtje spelen van de ridders begonnen ze lont te ruiken.„Ze willen ons insluiten,” meende Geert, „daar dank ik voor, want ik heb ’n honger als ’n paard.”Vandaar dat Flip hen suste door ’t volgende voorstel: „We wachten ’t goede oogenblik af en dan kruipen twee van ons door ’t gat en halen brood....”„Brood?” vroeg Geert, „doen we ’t dan zonder middageten? En wou je ons hier den heelen nacht laten blijven? Ik zou je danken. Ik wil op tijd thuis zijn.”Nog ’n paar andere wolven waren ’t met Geert eens.Toen zei Flip: „Gaan jullie dan weg! Wij zullen ’t zonder jullie ook wel klaar spelen.”Nijdig draaide hij zich om, vast besloten nu vol te houden.Geert smoesde met ’n paar anderen en hij sprak methenaf, om tegen vijven ongemerkt door ’t gat te ontsnappen....Onverstoorbaar hielden de ridders de wacht.Om de beurt verdween er één!Die ging op hulp uit en zoo kregen ze ten minste de belofte van boer Peggers, dat hij na ’t werk en na ’t eten met enkele knechts eens zou komen kijken.Maar ’n hoop klein goed hoopte zich bij den toren opeen, nieuwsgierig naar ’t einde.Omstreeks half vijf trachtte Geert door ’t gat te kruipen na heel lang geloerd te hebben. Maar Kees kreeg ’m dadelijk in ’t oog. Hij gilde ontzettend en met vereende krachten dreven ze Geert terug.Ze stonden er alle vijf van te kijken!Daar was nu ’t gat, waarzijzoo hard voor gezwoegd hadden.Dadelijk werd de opening sekuur dicht gestopt en de bewaking ging nog scherper voort!Geert was woedend, omdat hij er niet uit kon. Hij begon al te praten van overgeven....Flip wilde er niet van hooren en dus bleven ze zonder brood op post.’t Ging spannen!Werkelijk verschenen er later ’n aantal boerenarbeiders en ook boer Peggers zelf.Deze liet zich de zaak uitleggen.Toen trad hij in ’t gezicht van de wolven naar voren en riep: „Kom er gauw uit! Dan zullen we je stil weg laten gaan, maar anders krijg je een pak rammeling!”Zeer nieuwsgierig naar ’t antwoord naderden de ridders, voorzien van hun schilden den toren.Eensklaps klonk er ’n rauwe gil....Hesse greep Wibbe met ’n fellen ruk beet.... z’n oogen staarden angstig naar boven.... „Dodo! Rip!....”Allen keken naar den torenrand en—op den afgebrokkelden kant onderscheidden ze ’t aapje.... en iets verder Rip!....De wolven hielden ze vast.... ze zagen den hond probeeren zich los te wringen en ’t aapje schreeuwde....Daar klonk de stem van Flip en ze hoorden: „Laat ons dóór, of anders smijten we ze allebei naar beneden!”Dat werd ’n moeilijk oogenblik!Alle hoofden gingen bij elkaar....„Beloof ’t!” schreeuwde Flip weer.Konden ze toen wel anders doen dan de wolven ongehinderd den toren doen verlaten? En was ’t trouwens niet de eenige bedoeling?Hesse gilde opeens: „We beloven!”Flip schreeuwde: „Die mannen óók!”Hesse stootte boer Peggers aan, en deze riep: „Schiet maar op, ’t is goed!”Enkele minuten later verschenen de wolven en natuurlijk lieten ze hen vrij uitgaan....Geen tien tellen daarna of Hesse vloog de torentrap op en daar vond hij Dodo en Rip, kermend van pijn en bloedend op ’t platje liggen....Hesse werd doodsbleek!’t Eerst nam hij ’t aapje in z’n armen en toen pas liet hij ’n vreeselijke gil los....Wibbe was ’t eerst boven!In ’n ommezien overzag hij den toestand en dadelijk belastte hij zich met de verzorging van Rip.Ook de andere ridders verschenen en groot was de verontwaardiging over de laffe daad van dewolven. Ze wilden zelfs in woeste drift de wreedaards achterna rennen om ze te tuchtigen.... ’t was te laat!Hesse en Wibbe droegen hun beschermelingen naar huis, de drie andere ridders bleven nog ’n poos op den toren.Boer Peggers beloofde hun alle mogelijke steun als er soms ’n nieuwe overval dreigde.Flip en z’n helpers volgden den weg naar de stad. Ze voelden zich verslagen en vonden maar weinig troost bij de gedachte, hoe ze hun vijanden beet genomen hadden en in de vreugde over de woede van de ridders als ze dien aap en dien hond half dood vonden.„Toch zullen zij den toren óók niet hebben!” raasde Flip omdat hij met z’n slechten aanleg den nederlaag niet kon verkroppen.„Ik zal net zoolang denken tot ik ’n middel weet om ons te wreken.”De andere wolven, gewend om Flips bevelen altijd op te volgen, verklaarden zich bereid om hem te helpen.Werkelijk deed ’t hoofd van de wolven de volgende dagen niet veel anders dan plannen maken en—lezen.Lezen is ’n mooi ding!’t Is maar de vraag wàt je leest.Flip las boeken, die ’n slechten invloed op hem hadden! Gewone jongensboeken vond hij flauw en kinderachtig. Hij las verhalen, die niet eens voor grooten goed waren, verhalen, waar verstandigemenschen om lachten, al vonden ze ’t lezen er van wel leuk.Maar Flip vatte alles in die vreeselijke geschiedenissen als ernst op, net als de verschrikkelijke voorvallen in de bioscoop, waar hij zoo graag naar toe ging.Hij droomde er ’s nachts van en hij zou ’t buitengewoon heerlijk vinden om bij die moordpartijen, brandstichtingen, inbraken en zoo meer tegenwoordig te zijn.Hij vond misdadigers flinke dappere kerels en bedriegen, rooven en dooden leek hem niet zoo verkeerd als je maar vrij liep.Op allerlei manieren wist Flip aan die gevaarlijke boeken te komen en die las hij stilletjes.’t Kwaad doen leek er zoo gewoon in, heelemaal niet erg en Flip wilde later ook geweldige dingen doen: in auto’s ontvluchten, op ’n trein springen, z’n vijand er uit gooien, met revolvers schieten, hu! om te rillen!Flips verbeelding begon te werken en omdat hij zich zoo vernederd voelde door dien nederlaag, rijpte er in z’n hoofd ’n plan, ’n gevaarlijk plan....
XII.Overwinning.
Na den eten brachten Wibbe en Hesse nog even ’n bezoek aan Dodo en Rip, die bij elkander gekropen waren.’t Aapje kreeg nog ’n extra handvol nootjes en de hond ’n stuk of zes kaakjes.Ze speelden er nog even mee en toen stopten ze de dieren in hun mand, sloten den toegang en dwaalden wat rond.’t Toeval voerde hen langs ’t erf van ’n hofstede waar ’n aantal boerenjongens zich geweldig schenen te vermaken.Wibbe en Hesse liepen er heen en daar zagen ze, hoe ze met steenen mikten op iets levends, dat tegen de schuurdeur bewoog.Hesse er op af!En tot z’n verontwaardiging ontdekte hij ’n vleermuis, die door middel van spijkers aan de deur vastgenageld hing.Dat werd Hesse te machtig!Hij zag de opengesperde oogjes van ’t worstelende dier, tot nu toe nog niet geraakt....Zonder eenige vrees voor de boerenlummels probeerde Hesse ’t diertje te bevrijden door de spijkers uit ’t hout te trekken.Maar toen kreeg hij de wreedaards op z’n hals! Enkelen trokken hem weg en vlak daarna werd’t beest door ’n steen getroffen aan de vrije onderste pootjes....Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Nu bleef Hesse zich niet langer meester!Gillend klonk z’n roep: „Lafaards! beulen!”Woedend rukte hij zich los, vloog voor ’t gemartelde dier en schreeuwde: „Gooi mij dan dood, lafbekken!”Door ’t spektakel kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z’n zoon, wat er gebeurde.„We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest ’t dood, zoo’n monster!”„’t Is geen monster! ’t Vangt duizenden muggen, ’t doet geen mensch kwaad!” riep Hesse, „en maak ’t dan in eens dood, als ’t moet!”„’t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d’r haren en ze zuigen je bloed uit.”„Leugens! Heb je ’t ooit gezien?.... Nou, zeg op! ’t Zijn leugens! Er is geen woord van aan! De een praat ’t den ander na. Ik heb ’t pas gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen woord waar!”De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen viel ’t gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde pootjes op den grond....Hesse was er dadelijk bij!Voorzichtig nam hij ’t diertje op....Ja, ’t had ’n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag ’t er uit en ’t deed toch niemand ooit kwaad! Het vloog ’s avonds rond, laag over ’t erf, en ’t ving de ellendige muggen. Verder deed ’t niets, dat de menschen schade berokkende of hinderde.De boer scheen half overtuigd, want hij zond z’n zoon met ’n standje naar binnen en vergoelijkend zei hij: „Ze wisten niet beter.”Hesse antwoordde geen eens!Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z’n zakdoek....Mevrouw vond ’t een griezelig dier, maar toen ze ’t beestje eens goed bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en ’t hulpbehoevende van ’t dier deed haar toch helpen.De pootjes werden gezwachteld, de gescheurdevliezen tusschen de lange teenen glad gelegd.Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon ’t vleermuisje niet fladderen.De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.„Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan die kletspraatjes over bloedzuigen en in ’t haar vliegen! Gewone verzinsels!”Zoo bromde de notaris.De vleermuis werd in ’n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat ’t gemartelde beest weer gauw herstelde.Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter de kerk.Langs ’n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede naderden, zweeg ’t dier na ’n poos.En nu naderden Flip en drie van z’n makkers den ouden halven toren.Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in ’t duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.De voorspelling van Flip kwam mooi uit!De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen duidelijk, want na korten tijd liet ’n groot brok steen los....Er ontstond ’n gat, groot genoeg om ’n jongen door te laten!Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet ’t licht uit ’n dievenlantaren in de opening vallen....Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor ’t gevoel, dat ze hun doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze ’t brok steen weer op z’n oude plaats.Toen verdwenen ze in de duisternis....Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z’n teenen sloop hij naar de keuken, waar ’t doosje met de vleermuis stond.Daar lag ’t diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.Dadelijk ging Hesse aan ’t vangen van muggen en na ’n lange jacht kon hij er twee aan de vleermuis geven.Even Wibbe halen!Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!„Zou ’t genoeg zijn?” vroeg Hesse.Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen mogelijkheid ontdekken.„We zullen na ’t ontbijt naar de slooten gaan,” stelde Wibbe voor, en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen ’t raam van Wibbes kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf ’n fijn uitzicht!Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven toren nog.Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind, half leunend tegen ’t dak. Plotselinghoorde Wibbe hem ’n kreet slaken, en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In ’t eerst begreep hij niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z’n oogen op den halven toren....Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met ’n hond, maar wit.... wit!.... met ’n wolf!....Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden haast van de goot naar beneden!....Heelhuids raakten ze in ’t kamertje en nu brulde Hesse: „De wolven! de wolven! Ze zijn in onzen toren!”Wibbe gaf geen kik!Hij kòn ’t niet begrijpen!„Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te sluiten. Maar ik zal ze helpen! Zezijner in en nublijvenze er in!”Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.Deze vervolgde: „We roepen boer Peggers en de knechts en al onze kennissen op ’t dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na ’n poos moeten ze zich overgeven.”Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg: „Lijkt ’t jou niet?”Wibbe antwoordde: „Dodo en Rip!”’n Schok voer door Hesse heen....Aan den hond en ’t aapje had hij niet gedacht.„Zie je,” vervolgde Wibbe, „ze zullen begrijpendat we aan de beesten gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven.”„Als ze ’t toch wagen om ze kwaad te doen!” zoo barstte Hesse uit.„Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en ’t allereerste moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen.”De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door ’t snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.„Hadden we nu ’t schild maar niet gebruikt in de kelder!” zoo barstte Hesse los.Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over ’t geen hen te doen stond.De kelder bereiken ging moeielijk door ’t groote gevaar om door steenen te worden getroffen.Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.Toch móést er wat gedaan worden.Hesse trilde van opwinding!Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven bezet was.Na ’n poos zei Wibbe: „We dienen de beesten op te geven....”„Wat!” gilde Hesse, „opgeven? Dulden dat dewolven ze misschien mishandelen? Nooit!”„Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!”„Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!”Wibbe volgde z’n vriend, die snel achter de boomen heen liep.Van boven klonk ’n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs hen heen.Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter de huizen.Hesse klampte ’t allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos, maar hij kon op ’t oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door de drukte op ’t veld.Andere dorpelingen vonden ’t weer zoo erg niet en gaven ze den raad er den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden, spitsten de ooren en liepen mee.Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt dat zoowat ’t heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer dan die peuters.Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.Wibbe troostte wat hij kon!Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.„Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast beginnen om schildente maken anders kunnen we toch niets.”Wibbe bracht afleiding!Hesse veegde woest z’n oogen uit en driftig riep hij: „Schilden, já, schilden!”En ze trokken naar den tuin, ze hadden ’n zaag,spijkers en ’n hamer, ook beitels en boren.Toen begon er ’n groot werk!Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen, vijf kleine! Dus zaagden ze in ’t zweet huns aanschijns plankjes, timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst mooi passend afgezaagd.Onderaan kwam ’n kunstig handvat of beter gezegd: ’n armgat. Daarvoor namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die reepen spijkerden ze aan ’t schild vast met de twee uiteinden, zóó dat ’t middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan ’n arm door.Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf de deksel van ’n groote vuilnispot dienst deed.Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse ’n tweeden onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze ’n schild boven zich, terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.Ze bereikten ’t luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen, want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch lukte hun poging niet, te minder door ’t gekletter van steenen op hun schilden.’s Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk kregen die ’t grootenieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen ’n plan op, voor den aanval.Henk zag ’t zwaar in!„We weten zelf, hoe moeilijk ’t is, om in den toren te komen! En zij zijn met d’r tienen!”„Wat wou je dan?” vroeg Hesse nijdig, „moeten we soms niets doen en zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!”Henk suste den opgewonden Hesse en kalm antwoordde hij:„Ik bedoel alleen, dat we goed verzinnen moeten om ’t beste plan te vinden. Ik dacht er over, ze eenvoudig uit te hongeren. We omsingelen den toren en waken dagen lang, tot ze er wel uit móéten!”Henks plan werd toegejuicht, maar Hesse had terecht bezwaren.„Wou je dan ’s nachts óók waken? Krijg jij verlof van huis om weg te blijven?”Ja, daar begonnen de moeielijkheden te rijzen!Toch bleef ’t plan van Henk besproken en na lange beraadslagingen besloten ze verlof te vragen en anders, ja, anders maar zònder verlof!Wibbe en Hesse konden natuurlijk ’s nachts geen dienst doen! Die hadden den notaris te dicht bij zich.Er zat dus niets anders op, dan dat Henk, Jan en Kees er de straf voor over hadden en dien nacht weg bleven....Hesse kreeg er zijn voorstel nog door: „Zooveel mogelijk hulp halen als ’t werk op ’t veld afgeloopen was. Dan stormloopen!”Mislukte die aanval, goed, daarna kon de insluiting beginnen.Dit voorstel werd aangenomen!Elk gewapend met ’n schild nam ’n post in bij den toren. Met verschrikkelijke gezichten liepen ze heen en weer en stoorden zich niet aan de tartende kreten van de wolven.Wacht maar!....Flip, de aanvoerder hield met z’n mannetjes krijgsraad, want ze begonnen te mopperen.Ze vonden ’t een vervelende boel!Er gebeurde niets en door dat schildwachtje spelen van de ridders begonnen ze lont te ruiken.„Ze willen ons insluiten,” meende Geert, „daar dank ik voor, want ik heb ’n honger als ’n paard.”Vandaar dat Flip hen suste door ’t volgende voorstel: „We wachten ’t goede oogenblik af en dan kruipen twee van ons door ’t gat en halen brood....”„Brood?” vroeg Geert, „doen we ’t dan zonder middageten? En wou je ons hier den heelen nacht laten blijven? Ik zou je danken. Ik wil op tijd thuis zijn.”Nog ’n paar andere wolven waren ’t met Geert eens.Toen zei Flip: „Gaan jullie dan weg! Wij zullen ’t zonder jullie ook wel klaar spelen.”Nijdig draaide hij zich om, vast besloten nu vol te houden.Geert smoesde met ’n paar anderen en hij sprak methenaf, om tegen vijven ongemerkt door ’t gat te ontsnappen....Onverstoorbaar hielden de ridders de wacht.Om de beurt verdween er één!Die ging op hulp uit en zoo kregen ze ten minste de belofte van boer Peggers, dat hij na ’t werk en na ’t eten met enkele knechts eens zou komen kijken.Maar ’n hoop klein goed hoopte zich bij den toren opeen, nieuwsgierig naar ’t einde.Omstreeks half vijf trachtte Geert door ’t gat te kruipen na heel lang geloerd te hebben. Maar Kees kreeg ’m dadelijk in ’t oog. Hij gilde ontzettend en met vereende krachten dreven ze Geert terug.Ze stonden er alle vijf van te kijken!Daar was nu ’t gat, waarzijzoo hard voor gezwoegd hadden.Dadelijk werd de opening sekuur dicht gestopt en de bewaking ging nog scherper voort!Geert was woedend, omdat hij er niet uit kon. Hij begon al te praten van overgeven....Flip wilde er niet van hooren en dus bleven ze zonder brood op post.’t Ging spannen!Werkelijk verschenen er later ’n aantal boerenarbeiders en ook boer Peggers zelf.Deze liet zich de zaak uitleggen.Toen trad hij in ’t gezicht van de wolven naar voren en riep: „Kom er gauw uit! Dan zullen we je stil weg laten gaan, maar anders krijg je een pak rammeling!”Zeer nieuwsgierig naar ’t antwoord naderden de ridders, voorzien van hun schilden den toren.Eensklaps klonk er ’n rauwe gil....Hesse greep Wibbe met ’n fellen ruk beet.... z’n oogen staarden angstig naar boven.... „Dodo! Rip!....”Allen keken naar den torenrand en—op den afgebrokkelden kant onderscheidden ze ’t aapje.... en iets verder Rip!....De wolven hielden ze vast.... ze zagen den hond probeeren zich los te wringen en ’t aapje schreeuwde....Daar klonk de stem van Flip en ze hoorden: „Laat ons dóór, of anders smijten we ze allebei naar beneden!”Dat werd ’n moeilijk oogenblik!Alle hoofden gingen bij elkaar....„Beloof ’t!” schreeuwde Flip weer.Konden ze toen wel anders doen dan de wolven ongehinderd den toren doen verlaten? En was ’t trouwens niet de eenige bedoeling?Hesse gilde opeens: „We beloven!”Flip schreeuwde: „Die mannen óók!”Hesse stootte boer Peggers aan, en deze riep: „Schiet maar op, ’t is goed!”Enkele minuten later verschenen de wolven en natuurlijk lieten ze hen vrij uitgaan....Geen tien tellen daarna of Hesse vloog de torentrap op en daar vond hij Dodo en Rip, kermend van pijn en bloedend op ’t platje liggen....Hesse werd doodsbleek!’t Eerst nam hij ’t aapje in z’n armen en toen pas liet hij ’n vreeselijke gil los....Wibbe was ’t eerst boven!In ’n ommezien overzag hij den toestand en dadelijk belastte hij zich met de verzorging van Rip.Ook de andere ridders verschenen en groot was de verontwaardiging over de laffe daad van dewolven. Ze wilden zelfs in woeste drift de wreedaards achterna rennen om ze te tuchtigen.... ’t was te laat!Hesse en Wibbe droegen hun beschermelingen naar huis, de drie andere ridders bleven nog ’n poos op den toren.Boer Peggers beloofde hun alle mogelijke steun als er soms ’n nieuwe overval dreigde.Flip en z’n helpers volgden den weg naar de stad. Ze voelden zich verslagen en vonden maar weinig troost bij de gedachte, hoe ze hun vijanden beet genomen hadden en in de vreugde over de woede van de ridders als ze dien aap en dien hond half dood vonden.„Toch zullen zij den toren óók niet hebben!” raasde Flip omdat hij met z’n slechten aanleg den nederlaag niet kon verkroppen.„Ik zal net zoolang denken tot ik ’n middel weet om ons te wreken.”De andere wolven, gewend om Flips bevelen altijd op te volgen, verklaarden zich bereid om hem te helpen.Werkelijk deed ’t hoofd van de wolven de volgende dagen niet veel anders dan plannen maken en—lezen.Lezen is ’n mooi ding!’t Is maar de vraag wàt je leest.Flip las boeken, die ’n slechten invloed op hem hadden! Gewone jongensboeken vond hij flauw en kinderachtig. Hij las verhalen, die niet eens voor grooten goed waren, verhalen, waar verstandigemenschen om lachten, al vonden ze ’t lezen er van wel leuk.Maar Flip vatte alles in die vreeselijke geschiedenissen als ernst op, net als de verschrikkelijke voorvallen in de bioscoop, waar hij zoo graag naar toe ging.Hij droomde er ’s nachts van en hij zou ’t buitengewoon heerlijk vinden om bij die moordpartijen, brandstichtingen, inbraken en zoo meer tegenwoordig te zijn.Hij vond misdadigers flinke dappere kerels en bedriegen, rooven en dooden leek hem niet zoo verkeerd als je maar vrij liep.Op allerlei manieren wist Flip aan die gevaarlijke boeken te komen en die las hij stilletjes.’t Kwaad doen leek er zoo gewoon in, heelemaal niet erg en Flip wilde later ook geweldige dingen doen: in auto’s ontvluchten, op ’n trein springen, z’n vijand er uit gooien, met revolvers schieten, hu! om te rillen!Flips verbeelding begon te werken en omdat hij zich zoo vernederd voelde door dien nederlaag, rijpte er in z’n hoofd ’n plan, ’n gevaarlijk plan....
Na den eten brachten Wibbe en Hesse nog even ’n bezoek aan Dodo en Rip, die bij elkander gekropen waren.
’t Aapje kreeg nog ’n extra handvol nootjes en de hond ’n stuk of zes kaakjes.
Ze speelden er nog even mee en toen stopten ze de dieren in hun mand, sloten den toegang en dwaalden wat rond.
’t Toeval voerde hen langs ’t erf van ’n hofstede waar ’n aantal boerenjongens zich geweldig schenen te vermaken.
Wibbe en Hesse liepen er heen en daar zagen ze, hoe ze met steenen mikten op iets levends, dat tegen de schuurdeur bewoog.
Hesse er op af!
En tot z’n verontwaardiging ontdekte hij ’n vleermuis, die door middel van spijkers aan de deur vastgenageld hing.
Dat werd Hesse te machtig!
Hij zag de opengesperde oogjes van ’t worstelende dier, tot nu toe nog niet geraakt....
Zonder eenige vrees voor de boerenlummels probeerde Hesse ’t diertje te bevrijden door de spijkers uit ’t hout te trekken.
Maar toen kreeg hij de wreedaards op z’n hals! Enkelen trokken hem weg en vlak daarna werd’t beest door ’n steen getroffen aan de vrije onderste pootjes....
Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.
Kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.
Nu bleef Hesse zich niet langer meester!
Gillend klonk z’n roep: „Lafaards! beulen!”
Woedend rukte hij zich los, vloog voor ’t gemartelde dier en schreeuwde: „Gooi mij dan dood, lafbekken!”
Door ’t spektakel kwamen de boer, z’n vrouw en ’n paar knechts naar buiten.
Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z’n zoon, wat er gebeurde.
„We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest ’t dood, zoo’n monster!”
„’t Is geen monster! ’t Vangt duizenden muggen, ’t doet geen mensch kwaad!” riep Hesse, „en maak ’t dan in eens dood, als ’t moet!”
„’t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d’r haren en ze zuigen je bloed uit.”
„Leugens! Heb je ’t ooit gezien?.... Nou, zeg op! ’t Zijn leugens! Er is geen woord van aan! De een praat ’t den ander na. Ik heb ’t pas gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen woord waar!”
De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen viel ’t gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde pootjes op den grond....
Hesse was er dadelijk bij!
Voorzichtig nam hij ’t diertje op....
Ja, ’t had ’n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag ’t er uit en ’t deed toch niemand ooit kwaad! Het vloog ’s avonds rond, laag over ’t erf, en ’t ving de ellendige muggen. Verder deed ’t niets, dat de menschen schade berokkende of hinderde.
De boer scheen half overtuigd, want hij zond z’n zoon met ’n standje naar binnen en vergoelijkend zei hij: „Ze wisten niet beter.”
Hesse antwoordde geen eens!
Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z’n zakdoek....
Mevrouw vond ’t een griezelig dier, maar toen ze ’t beestje eens goed bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en ’t hulpbehoevende van ’t dier deed haar toch helpen.
De pootjes werden gezwachteld, de gescheurdevliezen tusschen de lange teenen glad gelegd.
Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon ’t vleermuisje niet fladderen.
De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.
„Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan die kletspraatjes over bloedzuigen en in ’t haar vliegen! Gewone verzinsels!”
Zoo bromde de notaris.
De vleermuis werd in ’n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat ’t gemartelde beest weer gauw herstelde.
Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter de kerk.
Langs ’n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede naderden, zweeg ’t dier na ’n poos.
En nu naderden Flip en drie van z’n makkers den ouden halven toren.
Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in ’t duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.
De voorspelling van Flip kwam mooi uit!
De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen duidelijk, want na korten tijd liet ’n groot brok steen los....
Er ontstond ’n gat, groot genoeg om ’n jongen door te laten!
Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet ’t licht uit ’n dievenlantaren in de opening vallen....
Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor ’t gevoel, dat ze hun doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze ’t brok steen weer op z’n oude plaats.
Toen verdwenen ze in de duisternis....
Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z’n teenen sloop hij naar de keuken, waar ’t doosje met de vleermuis stond.
Daar lag ’t diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.
Dadelijk ging Hesse aan ’t vangen van muggen en na ’n lange jacht kon hij er twee aan de vleermuis geven.
Even Wibbe halen!
Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!
„Zou ’t genoeg zijn?” vroeg Hesse.
Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen mogelijkheid ontdekken.
„We zullen na ’t ontbijt naar de slooten gaan,” stelde Wibbe voor, en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen ’t raam van Wibbes kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf ’n fijn uitzicht!
Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven toren nog.
Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind, half leunend tegen ’t dak. Plotselinghoorde Wibbe hem ’n kreet slaken, en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....
Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In ’t eerst begreep hij niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z’n oogen op den halven toren....
Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met ’n hond, maar wit.... wit!.... met ’n wolf!....
Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden haast van de goot naar beneden!....
Heelhuids raakten ze in ’t kamertje en nu brulde Hesse: „De wolven! de wolven! Ze zijn in onzen toren!”
Wibbe gaf geen kik!
Hij kòn ’t niet begrijpen!
„Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te sluiten. Maar ik zal ze helpen! Zezijner in en nublijvenze er in!”
Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.
Deze vervolgde: „We roepen boer Peggers en de knechts en al onze kennissen op ’t dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na ’n poos moeten ze zich overgeven.”
Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg: „Lijkt ’t jou niet?”
Wibbe antwoordde: „Dodo en Rip!”
’n Schok voer door Hesse heen....
Aan den hond en ’t aapje had hij niet gedacht.
„Zie je,” vervolgde Wibbe, „ze zullen begrijpendat we aan de beesten gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven.”
„Als ze ’t toch wagen om ze kwaad te doen!” zoo barstte Hesse uit.
„Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en ’t allereerste moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen.”
De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door ’t snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.
Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.
Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.
„Hadden we nu ’t schild maar niet gebruikt in de kelder!” zoo barstte Hesse los.
Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over ’t geen hen te doen stond.
De kelder bereiken ging moeielijk door ’t groote gevaar om door steenen te worden getroffen.
Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.
Toch móést er wat gedaan worden.
Hesse trilde van opwinding!
Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven bezet was.
Na ’n poos zei Wibbe: „We dienen de beesten op te geven....”
„Wat!” gilde Hesse, „opgeven? Dulden dat dewolven ze misschien mishandelen? Nooit!”
„Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!”
„Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!”
Wibbe volgde z’n vriend, die snel achter de boomen heen liep.
Van boven klonk ’n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs hen heen.
Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter de huizen.
Hesse klampte ’t allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos, maar hij kon op ’t oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door de drukte op ’t veld.
Andere dorpelingen vonden ’t weer zoo erg niet en gaven ze den raad er den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!
Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden, spitsten de ooren en liepen mee.
Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt dat zoowat ’t heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer dan die peuters.
Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.
Wibbe troostte wat hij kon!
Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.
„Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast beginnen om schildente maken anders kunnen we toch niets.”
Wibbe bracht afleiding!
Hesse veegde woest z’n oogen uit en driftig riep hij: „Schilden, já, schilden!”
En ze trokken naar den tuin, ze hadden ’n zaag,spijkers en ’n hamer, ook beitels en boren.
Toen begon er ’n groot werk!
Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen, vijf kleine! Dus zaagden ze in ’t zweet huns aanschijns plankjes, timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst mooi passend afgezaagd.
Onderaan kwam ’n kunstig handvat of beter gezegd: ’n armgat. Daarvoor namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die reepen spijkerden ze aan ’t schild vast met de twee uiteinden, zóó dat ’t middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan ’n arm door.
Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf de deksel van ’n groote vuilnispot dienst deed.
Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse ’n tweeden onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze ’n schild boven zich, terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.
Ze bereikten ’t luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen, want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch lukte hun poging niet, te minder door ’t gekletter van steenen op hun schilden.
’s Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk kregen die ’t grootenieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen ’n plan op, voor den aanval.
Henk zag ’t zwaar in!
„We weten zelf, hoe moeilijk ’t is, om in den toren te komen! En zij zijn met d’r tienen!”
„Wat wou je dan?” vroeg Hesse nijdig, „moeten we soms niets doen en zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!”
Henk suste den opgewonden Hesse en kalm antwoordde hij:„Ik bedoel alleen, dat we goed verzinnen moeten om ’t beste plan te vinden. Ik dacht er over, ze eenvoudig uit te hongeren. We omsingelen den toren en waken dagen lang, tot ze er wel uit móéten!”
Henks plan werd toegejuicht, maar Hesse had terecht bezwaren.
„Wou je dan ’s nachts óók waken? Krijg jij verlof van huis om weg te blijven?”
Ja, daar begonnen de moeielijkheden te rijzen!
Toch bleef ’t plan van Henk besproken en na lange beraadslagingen besloten ze verlof te vragen en anders, ja, anders maar zònder verlof!
Wibbe en Hesse konden natuurlijk ’s nachts geen dienst doen! Die hadden den notaris te dicht bij zich.
Er zat dus niets anders op, dan dat Henk, Jan en Kees er de straf voor over hadden en dien nacht weg bleven....
Hesse kreeg er zijn voorstel nog door: „Zooveel mogelijk hulp halen als ’t werk op ’t veld afgeloopen was. Dan stormloopen!”
Mislukte die aanval, goed, daarna kon de insluiting beginnen.
Dit voorstel werd aangenomen!
Elk gewapend met ’n schild nam ’n post in bij den toren. Met verschrikkelijke gezichten liepen ze heen en weer en stoorden zich niet aan de tartende kreten van de wolven.
Wacht maar!....
Flip, de aanvoerder hield met z’n mannetjes krijgsraad, want ze begonnen te mopperen.
Ze vonden ’t een vervelende boel!
Er gebeurde niets en door dat schildwachtje spelen van de ridders begonnen ze lont te ruiken.
„Ze willen ons insluiten,” meende Geert, „daar dank ik voor, want ik heb ’n honger als ’n paard.”
Vandaar dat Flip hen suste door ’t volgende voorstel: „We wachten ’t goede oogenblik af en dan kruipen twee van ons door ’t gat en halen brood....”
„Brood?” vroeg Geert, „doen we ’t dan zonder middageten? En wou je ons hier den heelen nacht laten blijven? Ik zou je danken. Ik wil op tijd thuis zijn.”
Nog ’n paar andere wolven waren ’t met Geert eens.
Toen zei Flip: „Gaan jullie dan weg! Wij zullen ’t zonder jullie ook wel klaar spelen.”
Nijdig draaide hij zich om, vast besloten nu vol te houden.
Geert smoesde met ’n paar anderen en hij sprak methenaf, om tegen vijven ongemerkt door ’t gat te ontsnappen....
Onverstoorbaar hielden de ridders de wacht.
Om de beurt verdween er één!
Die ging op hulp uit en zoo kregen ze ten minste de belofte van boer Peggers, dat hij na ’t werk en na ’t eten met enkele knechts eens zou komen kijken.
Maar ’n hoop klein goed hoopte zich bij den toren opeen, nieuwsgierig naar ’t einde.
Omstreeks half vijf trachtte Geert door ’t gat te kruipen na heel lang geloerd te hebben. Maar Kees kreeg ’m dadelijk in ’t oog. Hij gilde ontzettend en met vereende krachten dreven ze Geert terug.
Ze stonden er alle vijf van te kijken!
Daar was nu ’t gat, waarzijzoo hard voor gezwoegd hadden.
Dadelijk werd de opening sekuur dicht gestopt en de bewaking ging nog scherper voort!
Geert was woedend, omdat hij er niet uit kon. Hij begon al te praten van overgeven....
Flip wilde er niet van hooren en dus bleven ze zonder brood op post.
’t Ging spannen!
Werkelijk verschenen er later ’n aantal boerenarbeiders en ook boer Peggers zelf.
Deze liet zich de zaak uitleggen.
Toen trad hij in ’t gezicht van de wolven naar voren en riep: „Kom er gauw uit! Dan zullen we je stil weg laten gaan, maar anders krijg je een pak rammeling!”
Zeer nieuwsgierig naar ’t antwoord naderden de ridders, voorzien van hun schilden den toren.
Eensklaps klonk er ’n rauwe gil....
Hesse greep Wibbe met ’n fellen ruk beet.... z’n oogen staarden angstig naar boven.... „Dodo! Rip!....”
Allen keken naar den torenrand en—op den afgebrokkelden kant onderscheidden ze ’t aapje.... en iets verder Rip!....
De wolven hielden ze vast.... ze zagen den hond probeeren zich los te wringen en ’t aapje schreeuwde....
Daar klonk de stem van Flip en ze hoorden: „Laat ons dóór, of anders smijten we ze allebei naar beneden!”
Dat werd ’n moeilijk oogenblik!
Alle hoofden gingen bij elkaar....
„Beloof ’t!” schreeuwde Flip weer.
Konden ze toen wel anders doen dan de wolven ongehinderd den toren doen verlaten? En was ’t trouwens niet de eenige bedoeling?
Hesse gilde opeens: „We beloven!”
Flip schreeuwde: „Die mannen óók!”
Hesse stootte boer Peggers aan, en deze riep: „Schiet maar op, ’t is goed!”
Enkele minuten later verschenen de wolven en natuurlijk lieten ze hen vrij uitgaan....
Geen tien tellen daarna of Hesse vloog de torentrap op en daar vond hij Dodo en Rip, kermend van pijn en bloedend op ’t platje liggen....
Hesse werd doodsbleek!
’t Eerst nam hij ’t aapje in z’n armen en toen pas liet hij ’n vreeselijke gil los....
Wibbe was ’t eerst boven!
In ’n ommezien overzag hij den toestand en dadelijk belastte hij zich met de verzorging van Rip.
Ook de andere ridders verschenen en groot was de verontwaardiging over de laffe daad van dewolven. Ze wilden zelfs in woeste drift de wreedaards achterna rennen om ze te tuchtigen.... ’t was te laat!
Hesse en Wibbe droegen hun beschermelingen naar huis, de drie andere ridders bleven nog ’n poos op den toren.
Boer Peggers beloofde hun alle mogelijke steun als er soms ’n nieuwe overval dreigde.
Flip en z’n helpers volgden den weg naar de stad. Ze voelden zich verslagen en vonden maar weinig troost bij de gedachte, hoe ze hun vijanden beet genomen hadden en in de vreugde over de woede van de ridders als ze dien aap en dien hond half dood vonden.
„Toch zullen zij den toren óók niet hebben!” raasde Flip omdat hij met z’n slechten aanleg den nederlaag niet kon verkroppen.
„Ik zal net zoolang denken tot ik ’n middel weet om ons te wreken.”
De andere wolven, gewend om Flips bevelen altijd op te volgen, verklaarden zich bereid om hem te helpen.
Werkelijk deed ’t hoofd van de wolven de volgende dagen niet veel anders dan plannen maken en—lezen.
Lezen is ’n mooi ding!
’t Is maar de vraag wàt je leest.
Flip las boeken, die ’n slechten invloed op hem hadden! Gewone jongensboeken vond hij flauw en kinderachtig. Hij las verhalen, die niet eens voor grooten goed waren, verhalen, waar verstandigemenschen om lachten, al vonden ze ’t lezen er van wel leuk.
Maar Flip vatte alles in die vreeselijke geschiedenissen als ernst op, net als de verschrikkelijke voorvallen in de bioscoop, waar hij zoo graag naar toe ging.
Hij droomde er ’s nachts van en hij zou ’t buitengewoon heerlijk vinden om bij die moordpartijen, brandstichtingen, inbraken en zoo meer tegenwoordig te zijn.
Hij vond misdadigers flinke dappere kerels en bedriegen, rooven en dooden leek hem niet zoo verkeerd als je maar vrij liep.
Op allerlei manieren wist Flip aan die gevaarlijke boeken te komen en die las hij stilletjes.
’t Kwaad doen leek er zoo gewoon in, heelemaal niet erg en Flip wilde later ook geweldige dingen doen: in auto’s ontvluchten, op ’n trein springen, z’n vijand er uit gooien, met revolvers schieten, hu! om te rillen!
Flips verbeelding begon te werken en omdat hij zich zoo vernederd voelde door dien nederlaag, rijpte er in z’n hoofd ’n plan, ’n gevaarlijk plan....