IV.

Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André en Hendrik Schot afgesproken. En hij nam Anna mee, Bernard aansporend met ’n: „kom, moet jij nu je dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je plezier, gauw ’n beetje!”

Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar toen in-eens ernstig wenkbrauwfronsend, richtte hij zich op, heel recht, en liep zoo naar Mimi toe, statigen met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct en zwijgend.

„Ik was al bang, dat u me vergeten zou,” zei Mimi, hem aankijkend van terzij, en alvast spotlachend om ’t complimentje dat ze verwachtte. Maar hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar, deftig stappend, naar de plaats waar de drie andere paren al wachtten.

En de quadrille begon. ’t Ging keurig in hun carré. Hendrik Schot alleen, die er niet veel van kon, vergiste zich dikwijls met zijn stijve stappen en de dwaze draaien van zijn houterig lichaam en deed de anderen lachen door ’t gekke gezicht waarmee hij ’t dan in zijn verlegenheid goed maken wou. „God, God! wat ’n hein! wat ’n hark!” hoorde Bernard Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste.

Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard’s blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes. Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand’ chaine. Keurig, als paardjes in een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen, elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi’s hand een oogenblik in Bernard’s hand. Maar elken keer, evenvoordat die handen uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond ’t brutaal, maar ’t streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze ’t durfde doen, maar ’t kostte hem inspanning koel en strak te blijven, zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in ’t voorbijgaan trof hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding.

Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich zijn aandoening niet meer meester, bij ’t „balancez à vos dames” vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi’s leest. Ze dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken van genot. ’t Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer last van had. „Nee, anders nooit,” zei hij. En zij lachte weer, met oogen die ’t begrepen.

Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend, optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou worden ter eere van het bruidspaar.

Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven, maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de zaal, beweeglijke zwarte groepen.

Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den oudsten zoonvan den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn rok zat hem slecht en hij was erg warm.

De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op ’t intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en harkerig deden op ’t kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, ’t vormelijk applaus ergerde hem ’n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal. Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van ’t presenteerblad, dat werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon Kees, lachend: „Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven.”

O God! dacht Bernard, die ook nog! „Zoo!”, zei hij, „zullen we ’t genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux hoop ik.”

„Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, ’t is een prachtig stuk, dat begrijp je; me zwager en ik hebben ’t zelf gefabriceerd.”

„Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen,” zei Bernard.

„Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet ’n beetje weten te schikken!” En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. „Je hebt daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè,” begon hij weer, na een paar teugjes, „hoe vind-je die?”

„Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... ’n Aardig meisje, geloof ik!.... Is ’t ’n vriendin van een van je zusters? ’k Heb haar nooit ontmoet bij jelie....”

Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn lippen. „Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me getrouwdezuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar ’t is een kat!” zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was.

„Hm!.... zoo!....” zei Bernard.

Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. „Pas op voor die meid, hoor!” fluisterde hij weer, snel en scherp. „Ze heeft ’t hier!” en hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog van zijn linkerarm. „Hm!” zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. ’t Begon hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal jaloezie, bromde hij in zich zelf. ’t Is een weergaasch aardige meid!.... ’n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met ’r armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!....

Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond haar. ’t Glansde als gepolijst rood-koper in ’t helle licht. Mooi haar toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en haar handdrukjes. ’t Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij ’s gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is ’t, mompelde hij, haar temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....

Maar in-eens hoorde hij ’n stem vlak bij zijn oor! „Zeg, wat doe je toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?”

’t Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en glimlachte toen, licht blozend. „Ik stond maar wat met mezelf te praten bij gebrek aan beter,” zei hij.

„Vervelende vertooningen, hè?” zei André, zijn hand door zijne bruine haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen.

„Nou!” zei Bernard.

„Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?.... Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?”

„Kindje?.... zeg maar gerust kind!”

„’k Geloof dat jij ’t leelijk te pakken hebt, ouwe jongen,” zei André, weer lachend.

Bernard trok een minachtend gezicht. „Geen kwestie van, hoor!.... Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor haar, zei hij, ze had ’t achter de mouw!”

Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór hem even omkijken.

„Sst?.... sst! kerel!” zei Bernard, zelf glimlachend.

„Hij is patent!” zei André. „Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op aan te kijken!.... Zijn rok zit ’m of ’t een gehuurde is!.... Hij is stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?”

Bernard gaf geen antwoord, maar na ’n poosje begon hij weer: „Wat zie ik jou weinig met Betsy van avond.”

„Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga ’k ’s met ’r dansen!.... kalm aan! kalm aan!....”

„Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik.”

„O! Wat dat betreft, ze is charming!” zei André met een gebaar als wierp hij Betsy een kushand toe. „Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar niet om zoo ’s een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit wandelen te gaan.... zooals die Mimi....”

„Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je wandelingetjes!”

„Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!”

„Met jou?” vroeg Bernard, spottend.

„Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?”

„Misschien wel,” zei Bernard.

„Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent,” plaagde André weer. „Maar je moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder ’t dansen heel wat vriendelijke oogjes gegeven en bij de grand’ chaine telkens een allerhartelijkst handdrukje....”

„Dat lieg je lekker!” zei Bernard, geërgerd.

„Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... ’t Is waarachtig waar.”

„Opsnijderij,” zei Bernard.

„Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet zijn, hoor! Er zijn er genoeg die ’s met ’r uit geweest zijn.”

„Verrek!” zei Bernard.

En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op.

Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen, leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige pret.

Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had Lucie Tadingh aan zijn rechterhanden Lize Schot aan zijn linker. Mimi zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten oude-vrijer, een cynischen aap van ’n vent, erg leelijk en coquetteerend met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy.

’t Was Bernard gelukt aan ’t slot der vertooningen Mimi te bereiken en hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met haar te kunnen soupeeren. En toen hij ’t kaartje met zijn naam had zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg teleurgesteld geweest. Mimi had ’t gezien aan zijn gezicht en ze had gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen Lize en Lucie.

Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in ’t eerst, soezig luisterend naar ’t stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te praten in zich zelf. ’t Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te spelen met zijn brood.

Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens — hij hoorde haar stem — aan dat oogenblik van verwarring toen Anna hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die zachte oogen.... ’n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hijmoest haar toch ’s aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-’t-behoort.

Hij deed ’t ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord, ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond ’t alleen maar niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk — zeker wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde — zei ze er bij dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel ’s hier en daar aan huis, maar natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg vertellen van zich zelf, en ’t geluid van haar stem herkennend met onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had. Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat vond ze erg treurig. Ze wist ’t wel wat ’t was zoo’n verlies, want ze had haar vader verloren twee jaar geleden. „Dat moet vreeselijk zijn,” zei Bernard,.... „ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem eigenlijk nooit gekend.” Ze schrok weer. „Heelemaal niet gekend?.... En is uw mama al lang dood?”

Haar stem veranderde bijna niet door ’t spreken over die treurige dingen. Er was niets in van ’t gewone teemend mede-lijden gehuichel, alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht.

„Ja!.... al lang!” zei hij. „Ik heb maar een heel vage voorstelling van me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... ’k Ben toen door ’n oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen,en die hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was....”

„Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?”

Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo’n gesprek gekomen aan ’n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze dat zoo.... Wat kon ’t haar schelen....

Maar hij vond ’t niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van sympathie in zijn gemoed.

„Wel!.... ik herinner me,” zei hij nadenkend, „dat we in een breede vensterbank zaten, zoo’n vensterbank met kussens, geborduurde kussens, vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik in den anderen. Ze had ’n lichtgroene.... ja, ’n doffe grijzig-groene japon aan,.... ze had ’n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht, zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik ’t eenige wat ik me goed herinner....” Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong, heel vroolijk meisje, — ze werd door de anderen geplaagd met haar opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn. Ze riep Bernard te hulp.

„Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?....” Bernard gaf haar volkomen gelijk en was dadelijk drukmee in ’t gepraat over dat rolletje. Hij had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op ’t tooneel, maar dat was natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan ’t souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam erkende dat zijn „aantijgingen” monsterlijk waren en werd gestraft met een poenitet, en ’t chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om ’t gepraat van André, wiens stem soms hoorbaar was als ’t algemeen gonzende geroes wat daalde.

„U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op ’t tooneel, juffrouw Tadingh,” begon hij toen weer.

„Nee,” zei ze, even lachend, „dat ’s niets voor mij.... Comediespelen vind ik iets verschrikkelijks....”

„Hoe dat zoo?.... Vindt u ’t zoo lastig ’n rol te onthouden.... of?....”

„Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen zeggen in ’t publiek!.... ik vind ’t altijd iets aanstellerigs, iets onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt ’t.... Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten....”

„Alleen ongewoonte!” zei Bernard.

„Mogelijk wèl, ja.... Maar ’k weet ’t toch niet, ’t zit geloof ik, ook in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo als-’t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken.... O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u ’t kent, dat gevoel....”

„Ja zeker,” zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie weer merkte, „dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar ik heb me altijd verbeeld, dat ’t eigenlijk niet mocht.... ’t Is, geloof ik, ook wel ’n beetje egoïstisch.”

„Vindt u?” zei ze, droomerig, wat verwonderd naar ’t scheen.

„Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen recht op je, dan moet je je ’n beetje geven.”

„Heel goed,” zei ze kalmpjes, „als ze dan tenminste wat aan je hebben, als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar....”

„O!” zei Bernard, „en dat is u allemaal niet?” Hij zei ’t ’n beetje ironisch, ’t bedoelend als gewone galanterie.

„Nee,” zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, „nee, heelemaal niet!.... dat zult u trouwens ook wel zien en merken....”

Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei ’t alles zoo zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij, eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde: Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote begrippen alleen, minachtend ’t kleine, maatschappelijke, en dat ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht: zoo’n zuster hebben, zoo’n zachte verstandige zuster om mee te praten over alles....

Maar Lize klampte hem weer aan. „Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft.”

„Wel nee!” zei Bernard, „’t is rossigblond, niet rood! Rood is heel anders.”

„Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u ’t, meneer van der Hoeven!”

En Bernard’s gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten. Hij vond haar profiel heel mooi. ’t Was misschien niet zuiver mooi, volgens deeischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in ’t donkerrood zijn, in een granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo’n wijde, met soepele plooien. Wat had ze ’t nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat monster....

Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en was er een poosje alleen ’t deftig-langzame preek-gepraat, ’t zeurige zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen ’t uit was een verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop naar ’t bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep.

Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even brutaal teruggaf.

„Bevalt de tafelschikking u nogal?” vroeg hij.

„Ja zeker,” zei ze, „u ook?” „Bizonder,” zei Bernard. Maar haastig keek hij even om of Lucie ’t gehoord kon hebben, want ’t bewustzijn hinderde hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats voelde hij Mimi’s blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest.

Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat met Lucie. Over boeken ging ’t. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had, of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van vertellen, wat ’t was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over een ander boek begon.

En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond indat ’t de plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak ’t Engelsch zuiver uit en hij vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht.

Toen kreeg ze ’n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze sprak ’t natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel......

„Integendeel, ik verzeker u, u doet ’t uitstekend!.... Ik weet ’t wel zoo’n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest....”

„Ja?” zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde kinderlijk-echte blijheid weer, „nou, dat doet me plezier!.... Ik houd ook veel van Engelsch....”

Dat laatste had Lize Schot gehoord. „O! ik ook,” zei ze dadelijk. „Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u ’t land ook? Bent u er geweest?”

„Nee,” zei Lucie, „ik ben er nooit geweest.”

„O, ik wel!.... ’n heerlijk land!.... ’t Eiland Wight, hè, verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene velden daar, tennis, crocket, football....”

„Nou, nou,” zei Bernard, „football zult u toch wel niet mee gedaan hebben!....”

„Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. ’t Is heerlijk!” En ze gingen in dien hoek zitten praten over football.

Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk doorpratend: „Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?”

„Nee, meneer, nooit!.... Maar ’t moet heerlijk zijn, dat geloof ik wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over ’n ander land beginnen.... Toch is ’t onze ook mooi, vindt u niet?.... O, ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en ’n wandeling naar ’t Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk....”

Bernard zei, dat hij ’t zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig tijd....

„Dat ’s jammer,” zei ze, „’t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan ’s middags om ’n uur of vijf, zes, als ’t wat koeler wordt en rustiger, als ’t water niet meer zoo in ’t volle zonlicht is, maar alleen van die smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek ’n groote wemelende schittering.... O, dan is ’t licht zoo mooi om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo verrukkelijk, vooral in ’t oosten, waar de lucht dan al grijzer en koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht....”

Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase in haar zachte, bijna fluisterende stem.

Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. ’t Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon ’t maar even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend met een air van onverschillige meerderheid.

Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.

Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij kreeg meer en meer ’t land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Eenander zou haar ’t hof gemaakt hebben — hij kon niet anders dan fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig, onzinplannen, romantisch a la opéra-comique — en ze lachte hem uit, natuurlijk!

Na ’t souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de tooneelzaal — er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach onder de heerengroepen — en toen gingen ze weer aan ’t dansen; de tafels waren weggenomen in dien tijd.

’t Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt. Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe — en zoo warm.

Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner, bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog hij.

Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; ’t was ’t genot van den dans, ’t lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie was weggegaan. „Och! weetje,” fluisterde de goedig-praatzieke oude dame hem in, „ze werd door een kruier gehaald, ’n beetje vroeger dan de rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat’s net iets voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet over praten, hoor!.... ’t Is anders ’n lief meisje, vindt-je niet?”

„Zeker,” zei Bernard, „zeker!.... Ze schijnt wat stil....”

„Ze is erg stil,” zei mevrouw van den Bosch, „ze is erg stil,.... maar heel lief.... en voor haar moeder moet ze ’n engel zijn....”

Bernard zag Samson zitten, in-z’n-eentje, lui-achterover op een sofa, en hij ging naast hem zitten.

„Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder,” zei Samson.

„Mijn dame is er van door,” antwoordde Bernard.

„Daar zijn er anders nog wel ’n paar disponibel,” zei de ander weer, met zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.

„Après vous,” zei Bernard.

„Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik houd van me gemak, weetje....”

„Ik mag ’t wel”, zei Bernard.

„Mág ’t wel! Mág ’t wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken dat je ’t voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... ’t Is natuurlijk alleen om ’s ’n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel....”

Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen ’t gewild lijmige, vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan altijd en hij ried,hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.

Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. „Kijk die vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou, die zal ’n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z’n vrouw ’s zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!....” Maar Bernard bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken.

Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret, een mooi, ’n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote donkerbruine oogen en ’n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post.

Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen; het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om ’t geeuwen te bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind.

En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend.

Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door ’t dansen en door ’t slagenvan ’t feest, niet wetend van uitscheiden, riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk speet ’t toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag komen.

„Mag ik ’t genoegen hebben, juffrouw van Keppel.”

„’t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met André.... met meneer ten Deen afgesproken....”

Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit moest hij er om lachen. Zoo’n handige bliksem, zei hij zacht in zichzelf, ze noemt ’m waarachtig al bij zijn voornaam.

Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen.

En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de wijde nachtstilte, opnieuw alleen. ’t Was nog altijd datzelfde weer, dat drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen van de leege, grijze gracht, en door een paaruitgestorven zijstraten, waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar ’t stille huis op ’t Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.

Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij ’t er gelaten had. ’t Was er rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu had hij er niets geen lust meer in.

Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren......

Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde ’t nog niet. ’t Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok, loom en rukkerig.

Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren ’t twee kamers geweest, maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat ’t nu één langwerpige ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In de achterkamer was de ingang voor ’t publiek.

Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export.

Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het was een oud, degelijk, soliede huis.

Het was ook nog zoo’n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo’n huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op ’t kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet soliede geweest. De patroons haddennooit een privé-kantoor gehad, hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had, bewoonde nu in Hilversum een pracht van ’n villa.

Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde, grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen, kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten en masten en zeilen, en in ’t midden met van die mooie krulletters [waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen.... Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van ’t vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen zakenrommel.

In een hoek stond een groote potkachel met eenrossigen ronden buik en een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep.

Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder, de eenige, die ’t weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en daar tusschen de lessenaars en ’t plafond en achter de kachel, was benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met frisschere stukken, die niet patroonden.

Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.

Dien morgen na ’t feest was „de jonge meneer” laat. ’t Was negen uur en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die dikwijls op zijn horloge keek en ’t aan zijn oor hield, twijfelend of ’t soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat. De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens.

Een van de „aankomende bedienden”, een jongmensch met dom-dik gezicht en blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op zijn katterigheid, op te snijden van ’t aantal glazen bier, dat hij den vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De „jongste bediende”,een klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil, angstvallig loerend, gebogen over ’t copieboek dat hij registreeren moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal.

In ’t schemerlicht van ’t achtervertrek — ’t was een donkere morgen — zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig, verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: „De Groote Iza” van Bouvier, gehuurd à één cent per dag.

„De baas is laat van morgen!” zei die met ’t blauwe hemd na een langen geeuw. „Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal ’t er nou zeker ’s van nemen!... Ja! dat kanhijdoen!....”

Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. „Daar heb je ’m?” riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te schrijven aan hun lessenaars.

„Goeiemorgen,” zei Bernard vrindelijk. „Morgen, meneer!” zeiden de bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden.

Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in zijn ooren, ’t was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen. Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting,de plichten, wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit. Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen de kantoorstemming, ’t bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te nemen, want ’t was al laat.... God! ’t was eigenlijk veel te laat, hij wist niet hoe hij nog klaar zou komen....

Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf beklagend, had hij zich langzaam ’t bed uitgeheschen. Maar toen hij een paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn handen in ’t koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige, behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje, een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam, niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand. Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn schoonen boord en manchetten. Hij herinnerdezich wel even met een gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was toch maar niet zoo’n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en in ’t koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch maar aardig!......

Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar zijn kantoor. Op straat, in ’t nuchter-heldere morgenlicht en de onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf, waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben, en een twijfel of ’t wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met ’m geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof ’t niets was geweest, een grap voor ’n avond.... En dat was ’t dan toch ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog ’s te ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog ’s met ’r dansen!.... God! wat ’n genot was dat!....

Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor de deur van zijn kantoor. Hij had ’t wel voorbijwillen loopen. Dat kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje.

Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van de post en besprak ’t werk met den correspondent en den boekhouder. Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar reizigers en liep rond en keek ’t werk na van de aankomende bedienden en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit. Hij was zelfs een tijd lang met zoo’n animo bezig, dat hij aan niets anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur geslagen had naast André, die zoo’n handige drommel was, zoo’n leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van ’n jongen met zijn losse manieren, vrij, op ’t brutale af, waar sommige meisjes zoo dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan een avond....

Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje, een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!....

Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot er nietmee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien hij kende, behalve de van den Bosch’en. En daar was ze nog niet eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen.... Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend.....

Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in ’t Concertgebouw te komen.

Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou ’t misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een afspraak met haar te maken of tenminste ’s gevraagd waar hij haar weer zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee! hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk altijd de kaas van ’t brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam altijd te laat!....

En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer....

Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar ’t stond hem vandaag al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van maak-dat-je-’r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van mannen in ’t zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen, die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om bofferij, dat zuur-zoetelachen om galgenhumor en galligen spot. Hij kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig, dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van vage treurigheid en onbestemd verlangen.

Na vier uur werd ’t heel stil op ’t kantoor. Allen zaten ze aan hun lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door ’t lange zwijgen. Alleen ’t jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard’s stem de stilte met een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd ’t van tijd tot tijd wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer hoe stil ’t om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet meer indenken, hij begreep ’t niet meer, dat hij nog zoo kort geleden uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken, soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden middag. Zoo’n bal was als een betoovering, hij zou ’t misschien voor een droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal. Daardoor wist hij dat ’t alles werkelijkheid was, Mimi en die handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in ’t adresboek, en zat er over te soezenwaar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!....

En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang en vervelend!

Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok, bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met een gevoel alsof hij op ’t punt gestaan had iets te verliezen.

En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde weer naar alleen te zijn.

Ze zaten in ’t café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam, Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te luisteren naar de anderen, die ’t druk hadden over een kwestie, den vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond. Hij had ’t tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met „Och, wel nee!.... dan heb je ’t niet begrepen!.... dat was heelemaal de kwestie niet!” En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie, Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren....

Toch hield hij van die vier menschen, wel ’t meestvan Sam, den beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder vertooning. En zoo ook, schoon wel ’t minst, Gerrit Volle. Want al was die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook ’s gelijk gaf, wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want — hij voelde ’t nu weer — hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O, als hij Edward maar hier had....

Ofschoon die kwestie, waar André ’t met Sam over had, nog niet opgelost was — of juist daarom misschien — keerde André zich in-eens naar Bernard met ’n luidruchtig, uitdagend vragen: „Zoo, jongeneer! heb-je goed geslapen na dien avond vol dansgenot?”

„Dankje,” zei Bernard koeltjes, „best, jij ook?....”

„Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die Mimi!....”

Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe, en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe ’t hem bevallen was gisterenavond.

„Zoo.... zoo...., matig!” zei Sam, „’t souper was nogal gezellig, vond ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed....”

„Nee! zoo’n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt,” viel Hendrik in, zijn glas neerzettend, „datbegrijp ik waarachtig niet! Dan zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, ’n potje te whisten of te domineeren, wàt jij, Gerrit?”

„Ik ga er nooit heen — ik bedank altijd voor zulke invitaties,” bromde Volle. „Je hebt er niets aan en ’t kost-je nog geld ook; ’n rijtuig, ’n paar handschoenen, ’n fooi, ’t komt je al gauw op ’n tientje, zoo’n avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!....”

„Betrekkelijk,” zei Sam, „als je nou houdt van dansen.... en je hebt niets beters te doen zoo’n avond....”

„Heb-jij soms weer niet d’een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke Sam,” vroeg Bernard.

Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn gesoigneerden knevel — een eenvoudig gebaar zonder fattigheid — en zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: „Ik?.... welnee!.... iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?....”

„Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?....”

„O, ’k dacht dat je dat bedoelde!.... ’k heb bij vergissing een verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer Van Daalen was, ’t stond er in,.... ’t was ook een hooge zijden en ik bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in den zak van me jas....”

Hendrik barstte in schaterlachen uit. „God ja!.... dat ’s waar ook!.... Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw uitgeknepen?.... Je hadt ’m moeten zien met dien hoed,.... hij was ’m een half hoofd te groot!....”

Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht opmerkte: „O maar,.... dat was niets!.... ’k Heb ’m netjes aangevuld met couranten!.... ’k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of hij somsbij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde of ik de mijne wel had......”

„En wat zei-die,” vroeg Gerrit.

„Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer.... En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb ’t ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de boodschap, dat hier meneer z’n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel kwam....”

„Poeh!.... dat ouwe nijdasje!” lachte Hendrik nog.

Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal, waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie en over de menschen van de partij, en over ’t nieuwe boek van Couperus, en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te langzaam was en volgens André’s dictatoriaal decreet geen fooi zou hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit, en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor den gek te houden en schuine moppen te tappen.

Sam ging ’t eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een soirée te gaan.

En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer. Hij stak er ’t licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend, met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al begonnen aan een interessant artikel in de „Nineteenth Century,” een artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen. Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in zijn zakken soezend voor zich zitten kijken.

Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe, warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos....

Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de partij en van de Beurs en van André’s druk gepraat dof, als op een afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... ’t Was hem of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had....

Op zijn kamer was ’t stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins.... wachtend.... wachtend....

Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen was drukte ’t hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde ’t hem bizonder, werd ’t als een last op zijn borst.

Ook buiten was ’t stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De sombere nagalm hing laag boven de huizen....

Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had ’t immers dien middag opgezocht in ’t adresboek....

Och nee, lezen! Hij kon ’t niet van avond....

Maar...., hij wou toch wel ’s zien dat huis waar ze woonde......

En hij stond op — licht schrikkend van zijn eigen gestommel — en trok zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend ging hij de trap weer af en naar buiten.

’t Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, ’t gerinkel van de trambel, ’t eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen, voeldehij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan naar haar.... Hij wist wel, dat ’t kinderachtig was en belachelijk, goed, ’t ging immers geen mensch aan, hij was alleen....

Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond ’t hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd, en zonder hooge-stoep. De naam „van Keppel” stond met krulletters op den post van de deur geschilderd. ’t Was een deur met traliewerk, waarachter matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een vroolijke melodie was ’t.

Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende door ’t zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep ’t zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan nog!.... ’t Was of hij de vrijer van de meid was!....

En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van zijn jas.

Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden van den avond.

En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en meteen onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding van alleen-zijn, naar ’t samen-zijn, ’t intiemste, met een vrouw, een vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden, toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele lieve lijf, ’t tengere, ’t slanke, ’t gladde, ’t dofglanzende, ’t week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. ’t Was er weer, droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één supreem moment. Maar telkens vlamde ’t zinnelijk begeeren boven zijn ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en tastten naar verruiming....

En ’t verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte....

En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de levensgeluiden doofde....

Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing.

Hij kwam weer op ’t Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op hem aanloopen en hoorde hij ’t geschuif van rokken vlak bij zich en kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitscheliefkoozingsnaampjes. Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en ’t deed hem aan met afschuw, dat dat kon, dat zoo’n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen hem!.... O ’t platte, o ’t leelijke, gemeene, dat gniepig uit de schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst.... en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de zwijgende dingen in ’t stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en ’t vijandige platte....

Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe....

Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn jongensachtig verliefd gesoes. ’t Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo’n boel anders, zoo’n boel wat je lezen moest, wat je weten moest......

Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij voelde ’t nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep dadelijk.


Back to IndexNext