De volgende dag was een Zaterdag. Op ’t kantoor van Vermeet & Co. was dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap, veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helderdenkleven, bij de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als ’t even in je opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.
Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen, werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies zooals hij haar voor ’t eerst had gezien, met dat pikante, dat verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen, dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten.... haar te vragen....
Maar ’t was ook maar een oogenblik.
Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit kunnen, onmogelijk!.... En ’t zou ook immers allerdwaast zijn en trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet lief,.... och, wel neen, daar had ’t niets van....
Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkrachtte stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning — maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen, als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden angst voor ’t ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar ’t avontuur en een minachting voor zijn angst.
Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....
’t Werd hem niet helder. En ’t was hem een welkome afleiding, toen hij in ’t koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond, een schoolkameraad, nu medisch student, al van ’t zesde jaar, in Leiden. Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken, had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde. De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops, zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven. Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar door het leven. ’t Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet ’t hem niet merken, luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander, daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat ’t toch zoo jammer was, dat hij, Bernard, ook niet was gaanstudeeren, waarop Bernard, licht blozend, glimlachte en zei: „Ja!.... ja!.... och, maar dat ging nou niet!.... En misschien zou ’k er toch ook niet voor gedeugd hebben.... Ik weet niet of ’k wel een studiekop heb,.... ’k geloof ’t eigenlijk niet....” Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij zei dat ’t er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op aan dat zijn vrind, die plan had ’s middags naar Leiden terug te gaan, aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel geschikte kanapee.
De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep haastig naar de Beurs, want ’t was weer laat geworden.
Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen ’t al zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen, en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op ’t Leidscheplein.
Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog een broer van André, zijn broer die aan ’t Ministerie van Binnenlandsche Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag totMaandag om, zooals hij zei, de peentjes ’s op te scheppen in Amsterdam, om ’s los te zijn, vrij en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet je dan geen goed in je carrière.
Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad. ’t Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-’t-gesprek, maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij ’t modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op. Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van wantrouwende rancune tegen Sam.
Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere van de gasten. En zij gingen ergens anders hun koffie en cognac drinken, ergens waar je in gemakkelijke lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. ’t Was een niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken, met donker behang en een hooge donkere lambriseering en halfsleetsch bruin leer op de stoelen en kanapeetjes. Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht geglans, rustig op de halfliggende lijven van heeren die hun koffie dronken. ’t Was er vol. Overal van die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofdener om heen en een gegons van mannestemmen en nu en dan zwaar mannengelach. En in die zwoele atmosfeer, vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig van uur tot uur leven, zonder zorgen en zonder diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij voelde zich behagelijk. Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende vergeten, hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om niet van op te staan en van de gezelligheid en de lekkere koffie en de goed voorgedragen studentenmoppen. Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche schandaal-verhaaltjes, de pikante portretjes van een gansch andere wereld dan de zijne, van een wereld waar hij zich ver van voelde, die hij minachtte, maar toch wel curieus vond om de ambitie en de eerzucht, die ’t leven daar nog scheen te geven aan sommige menschen.
Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal pratend, twee aan twee, soms luisterend naar een, die een verhaal deed of een ui debiteerde. André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen, in onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die hem met koddige quasi-afschuw terecht wees. Hendrik blies genoegelijk kringetjes voor zich uit, ze naoogend met een leuk air van zich kalm door de anderen te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder was, die al een lang jonge-heerenleven achter den rug had, was haast altijd klaar om velerlei inlichtingen te verschaffen omtrent de menschen, die in ’t gesprek werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig omgaand met iedereen, zonder ooit ruzie te maken, grinnekend om ieders aardigheden, waardeerend ieders levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje een vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou met een langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid.
De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend hoe gezellig hij ’t vond in Amsterdam, en dat’t „bij ons” zoo’n stijve boel was. Hij gaf voor, zijn stadgenooten en vooral zijn collega’s, de ambtenaars te haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van nabootsing en schoot nu en dan op uit zijn vadsige houding om zijn chef na te doen, die een typische oude bureaucraat scheen te zijn. En dat die ambtenaars-vrouwen, en -dochters zulke mooie kleeren dragen, wat ze uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij bespottelijk! Dat den fijnen meneer uithangen en thuis hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in vage termen, op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je eenige amusement als jongmensch in den Haag, zie je, maar wat je een leelijken bom duiten kost, en als dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek ’t altijd weer ’t zelfde aardige snoetje te zijn, waar hij ’t over had, en dat hij met kinderlijke trouw en goedkoope broches en armbandjes scheen na te loopen.
Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom op en liepen de Kalverstraat in, slenterend langs de lichte winkels, telkens van elkaar afrakend in de volte, in de nimmer-eindende optochten van donkere mensch-figuren, die in de straat-engte elkaar voorbij togen. Woelige Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen de huizen-muren. Het gieren van meiden en straatjongens, ’t eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend gekrijsch van venters, ’t ergerlijk aanmatigend hei-geroep en brutale lachen van troepen opgeschoten jonge-kerels, die, aaneengesloten tot dichte drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge gapingen stootend in de lam-meegevende volte, wijde gapingen van naakt asphalt, die dadelijk weer volliepen als de geul die een schip maakt in ’t water. En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich mengend met de warme walmen die uit de lage winkels sloegen, waar de gasvlammen stonden te gloeien, fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen, waar de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrooken de dampen van allerlei drank, met golven naar buiten drong, telkens als de deur openging.
Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere, soezige stemming van zorgeloos voortleven. Drukke volte in een nauwe straat benauwde hem altijd, maar vooral ’s avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en laag hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets geheimzinnig-dreigends in dat nachtelijk gekrioel van wildbewegende menschenlijven, in die brutale luidruchtigheid, zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze zwart. ’t Gaf hem een voorgevoel van naderend onheil. Het drukte hem, maakte hem stil.... En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot koffiehuis voor in de straat te gaan, hij verlangde naar een wijde ruimte vol licht, naar overvloed van warm avondlicht om zich heen.
Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar ’t donker was, zoodat de menschen, die daar zaten zich konden amuseeren met kijken naar de bewegende volte in de schemerig verlichte straat, gingen ze door; ze gingen achter het groote, zware gordijn in ’t eigenlijke van ’t koffiehuis, in de hooge lichte hal tusschen de wijde wanden, hel gekleurd, blinkerend en schitterend door ’t buffet vol glaswerk en veel spiegels overal; maar in ’t midden lag als een stralend centrum van warme gezelligheid de groote groene leestafel met de rustig-groen-gekapte lampen er op en de stapels kranten en tijdschriften in donkere porte-feuilles met koperen knoppen, en er om heen de lezende en pratende mannenhoofden, rossig verlicht. ’t Was vol aan de leestafel en vol aan bijna al de andere tafeltjes, die stonden door de zaal verspreid en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten ging prettig praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder rumoer.
Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltjevrij was. Gerrit werd in ’t voorbijgaan door een kennis aangeklampt, een luidruchtig man met een ruwe stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij gebruiken zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging met den Hagenaar een partij biljarten, achter, in de biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan dat tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe sigaren op, en Hendrik en André, die in dezelfde branche van handel waren, begonnen samen over zaken te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee ambassade-attaché’s, waarbij veel werd gefluisterd en geknipoogd en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl zaten Bernard en zijn oude vriend, zich terugdenkend in hun samen-zijn op het gymnasium, herinneringen op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden of gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten en waar die nu allemaal gebleven zouden zijn. Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of weg.... of dood....
Bernard kwam niet meer terug in die stemming van zorgeloos, gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich toch weer op zijn gemak. Hij was wat soezig; hij dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand de aangename indrukken van ’t weelderige avondlicht en de gezelligheid in de zaal en om hun tafeltje en van den hartelijken vrindentoon en de opgewektheid van den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op zijn tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn schoolmakkers.... Toch was er ook iets, dat hem drukte, heel licht en onbestemd, maar hij had geen tijd om zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor moest hij praten of luisteren. Maar dat was ’t juist, voelde hij later; hij had wel graag na die oude herinneringen even gezwegen in stil gemijmer, en dat ging niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn vriend den student.
Toen ’t zakengesprek hem begon te vervelen steldeAndré voor, een partijtje te whisten en de anderen vonden ’t goed. En een tijdlang waren ze nu verdiept in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende denkgezichten, in stille houdingen, dan weer loskomend in druk gepraat en gelach over een vergooide kaart of een mislukte invite, over snijden of renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers, de Leidenaar vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard had er gauw genoeg van. Hij werd warm en suffig, ’t spel vorderde te veel inspanning van hem, hij voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen wegzakken uit zijn warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd van de indrukken van licht en gezelligheid, hij kon ze niet meer opnemen; ’t geroes om hen heen, ’t lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden hem hinderlijk. Hij voelde zich lam-loom worden, warm, vol en overvoldaan, en nu en dan kwam even een vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht en ’t melancholisch-rustige half-duister van een leege straat met lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet in-eens opstaan en wegloopen kon. Dus trachtte hij zich maar weer te dwingen tot beter opletten en speelden ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij toen Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en de kaarten weer weggedaan werden.
Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar voor den gek met zijn „beroerde manier van trekken” en de ander had zijn eigenwijze bemerkingen op ’t Amsterdamsche biljarten.
Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht zijn kennis mee, dien hij voorstelde. ’t Was een schilder. Een boom van een kerel, met een rood-robust openluchtsuiterlijk.
Dus zaten ze er nu met z’n achten.
Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld en ’t losse gepraat begon weer, ’t levendige gooien met woorden door de lauwe wolk van sigarenrook, heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffetafel-met-glazen, ’t gebabbel en gelach om allerlei voorvallen en allerlei menschen, en de verhalen van vroegere fuiven en van slimme zetten en bofferij en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een zekere distinctie door zijn beschaafde uitspraak, door de détails van zijn verhalen bedaard en geduldig te verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met allerlei koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een kinderlijk dol-plezier in had. Maar André, die altijd alleen maar wachtte op de pikante pointe van de mop, vond dat flauw. Hij had ’t hoogste woord met zijn luidruchtige uitroepen van overdreven ingenomenheid of walging en met zijn aanstellerige breede gebaren van onafhankelijk, ongegeneerd man.
De meeste schuine moppen waren van den schilder. Die lei dan zijn ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen satyrkop met den kroesenden puntbaard naar voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden zijn verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend met zijn zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen lekkerbek. Hij gebruikte platte termen, ruwe volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij niet, dat er zoo iets als heerentaal bestond, onverschilligweg, even soms met iets leuk-spottends in zijn oogen kijkend naar den student en den Hagenaar, zich kennelijk stil-verlustigend in hun verblufte verbazing.
André schoof een poos op zijn stoel heen en weer van plezier en ging eindelijk zoo ver mogelijk achteruit zitten om lekker te kunnen lachen, wat den schilder deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms even aan en begonnen dan te lachen, onder elkaar pret hebbend om „dien lolligen vent”, dien Gerrit meegebracht had. „Vind-je ’m niet typisch”, fluisterde Gerrit Bernard toe, met kleingetrokken oogen van heimelijk, inwendig genot.
Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke pret in hun oogen, hij hoorde ’t verborgen heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde de atmosfeer van stilletjes-genieten-’t-lekkere-verbodene hangen om hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde den band, die daardoor was ontstaan tusschen hen, als waren ze samenzweerders tegen ’t kuische. En dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend, aanvullend, paraphraseerend de schouwheden, die dweilden over de vuile tafel. Dat hij wel moest meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap, want dan zou zijn ziel naar boven komen, en op zijn zwijgend gezicht zouden zij zien wat niemand zien mocht. Zoo was ’t, maar hij schaamde zich omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen kon zat hij die weg te redeneeren, zich beduidend dat hij er wèl aan deed mee te doen. Dat dit zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat hij gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken dat ze wat aan hem hadden. Dat hij zich niet moest verbeelden dat hij er niet bijhoorde. Wat een nonsens!.... Waarom zou hij er niet bijhooren?.... Was hij soms een dichter, een genie?.... Die schilder daar was veel meer dan hij!.... Hij was immers maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje net als al die anderen, André en Sam en Hendrik!.... Niets beters!.... Zich dat te verbeelden was malle aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke overgevoeligheid, kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie was de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan toch ook in een koffiehuis niet praten over philosophische kwesties.... of over de liefde.... of over ’t leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel van een pikante mop!.... wel waarachtig!....
Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor mee, zoo natuurlijk dat de anderen niet beter wisten of ’t ging van harte; hij lachte hardop en dronk achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep:
„Kijk, Bert heeft lol!” Hij debiteerde zelf ook nu en dan een mop, maar hij droeg ze slecht voor, de helft vergetend, zich telkens in de rede vallend en verwarrend ’t eene verhaal met ’t andere.
Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend aankeek en hem toeriep; „Zoo.... zit je weer te vuilbekken?” En toen tegen Gerrit, vertrouwelijk: „Luister toch niet naar dat varken, Volle, je compromitteert je!....”
Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen antwoord, vertelde rustig door, met tintelende oogjes.
Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en ze aten ook wat, een slaadje of brood met spiegeleieren, en ze kregen allemaal warme, roode hoofden, en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden en begon bij wat hij zei met zijn vlakke hand op tafel te slaan, zoodat de kelners en de menschen aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk ging ’t ook André, die nu alle houdingen op zijn stoel geprobeerd had, vervelen in ’t groote, fatsoenlijke koffiehuis. „Kom jongens,” zei hij, na een schaterlach, „nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben vreemdelingen over!....”
„Goddome ja!” zei de Hagenaar, „daar moeten we nog naar toe!”
„Ik ben er ook in geen jaren geweest,” zei de student.
En dus begonnen ze, de een na den ander, af te rekenen met den kelner en lieten zich hun jassen opgeven en liepen zwaar-loom ’t koffiehuis uit. En langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig troepje, luid pratend en lachend, trokken ze de nu leeger en donkerder geworden Kalverstraat uit en den Dam over.
Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar ze heengingen. Toch, op dat plein, terwijl hij de wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde, en den grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hijzich, ’n beetje soezerig van drinken, voelde loopen in den nacht, den grooten geheimzinnigen nacht, en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en de nacht — als hij zoo even naar boven keek en de kille, ijle lucht opsnoof — al wijder en stiller en geheimzinniger, toen vond hij er iets onwezenlijks, iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze nu naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol van zatheid en gemeene brooddronkenheid en liederlijke pan. En — weer met onvolkomen succes — beduidde hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze in de Kalverstraat gezeten hadden en nu naar de Nes gingen, wat een climax was van mannenplezier in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral als je menschen uit de provincie over hadt.
Op den Vijgendam was ’t nog vrij druk. Er was een standje met de politie er bij, voor een koffiehuis. En hier en daar stonden, wachtend, loerend, armoedige sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje, bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan met hoonende liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon te schelden in plat-jordaansch, vermakelijk vond Gerrit.
En toen sloegen ze den hoek om en trokken de nauwe Nes in.
Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die uit waren, een relletje in de Nes. Vooraan waren al de winkeltjes nog open en straalden schel licht uit over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar en veel bewegelijke groepen meiden met verloopen kerels en poenige slungels. En dáár waren ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants. Maar verderop werd ’t donkerder. Daar waren geen winkels meer, maar tusschen de rossig-grauwe, gesloten huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar wijven in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan de deur stonden, die de heeren fleemend inviteerden om binnen te komen, met lijmerige uithalen uit ’rvette speekselmonden, en hen najouwden als ze lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en lawaai uit als een tjingeltjangel-portier in zijn versleten livrei een deur opensmeet en uitschreeuwde met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten was. Ze liepen door tot in het heel stille, donkere gedeelte en keerden toen weer om en gingen een van de onaanzienlijkste café-chantants in, een vunzige, lage pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis.
Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend met den pianist. Op ’t kleine, bontbelapte tooneeltje, in een halve cirkel, zes meiden, erg gedecolteerd, beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en te kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke tricot-beenen hangen tegen ’t planken-vloertje.
Maar ’t binnenkomen van de heeren bracht er wat leven in. De pianist — een bleeke lummel met een pervers-poenig gezicht — begon op de oude piano te hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch versleten geluid. En van ’t stinkende buffet achterin kwam een magere, viezige kelner mee naar voren sloffen, luiig, vooroverloopend. „Acht spuit!” kommandeerde André. En de meiden op ’t tooneel zetten zich in opgewekter houdingen, als karikaturen van elegance, op hun matten koffiehuisstoelen, en één kwam naar voren, en ging een duitsch liedje aframmelen, accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene gebaren. De anderen begonnen te lonken en kinderlijk naïef te doen en te gichelen en met oogen en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet op voordat ze allemaal wat hadden, glaasjes stout of ander bocht, en André tracteerde er een op champagne, waarvoor ze van ’t tooneeltje kwam en naast hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar grinnikte van innig plezier. André deed beschermend tegen haar, vaderlijk bijna.
De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes af, duitsche en engelsche.
En toen moest die van André de danse du ventre voor hem dansen, hij wist dat ze die kende. André gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld moest worden. En de oude, verloopen kerel, die met den pianist had zitten fluisteren, begon te schreeuwen en te kwijlen van genot toen hij die dans zag. Strak-idiotig tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen, rood-ontstoken. Hij bleek dronken te zijn, dronken van glaasjes gemeene, heete pons, die hij ’t een na ’t ander naar binnen lebberde. En na de danse du ventre klommen André en de schilder op ’t tooneel, en André beval den pianist een polka te spelen, en toen begonnen ze, ieder met een meid, — terwijl de andere vier met elkaar dansten, — te polkeeren dat ’t houten vloertje kraakte en de vette, puisterige kastelein naar voren kwam om te zeggen dat ’t uit moest zijn.
Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken, soms een beetje pratend met Sam, die ook kalm was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee alleen van al ’t miserabele om hem heen. Hij voelde wel iets van medelijden met die ’r vleesch-uitstallende jonge vrouwen op ’t tooneel, met den kelner en den pianist. Maar ’t was ook maar een klein beetje en zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in een hem vreemd gedenk, in trotsch-onverschillige, koel-cynische overpeinzingen. Hij dacht met hardheid, met steenen minachting over zich zelf en zijn omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming gevonden, waarin hij zwijgen kon zonder angst. Hij had een glimlach, een rustige glimlachsplooi gezet op zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat hij zich ook amuseerde en de minachting niet merken. Hij was zich bewust dat hij hen bedroog. Hij wist dat hij alleen was en sterk.
Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op dat alleen-zijn, werd hij bevangen door zoo’n wee-golvende walging, dat hij onwillekeurig opstond enzei: „Kom, gaan jelie mee?” En hij liep ’t lage zaaltje uit, en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend: „Nou!.... hé! Wacht even.... Blijf nou nog even!...” stonden nu toch ook op en kwamen bij hem.
„Waar gaan we nou naar toe,” vroeg de Hagenaar, opgewonden.
„Ik ga naar huis — ’k ga naar bed,” zei Bernard, stroef.
„Jasses!” riep André, „wordt jij weer vervelend?”
Maar Bernard gaf ’m geen antwoord. „Ga je mee,” vroeg hij aan zijn Leidschen vrind, „of willen we nog ergens anders gaan zitten?”
De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich en antwoordde niet dadelijk. En de schilder schaterde ’t luid uit en riep: „Hij wil, geloof ik, nog wel ’s naar de meisjes, wat?.... Hahaha....”
„God ja!” zei André, „dat ’s een idée!” En hij noemde den naam van een van de bekendste bordeelen. „Laat we daar ’s naar toe gaan!”
En alsof ’t van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen werd, liep hij door, zonder verder te luisteren naar de anderen, die slenterend volgden.
Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard opnieuw aan den student: „Nou? hoe is ’t?.... Wou je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel geven, want dan ga ik naar huis.”
De anderen bleven staan.
„Nee....” zei de Leidenaar, „dan ga ik natuurlijk met jou mee!”
„Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op,” zei de schilder met een vloek en lachend liepen de anderen door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn vrind den kant van ’t Rokin opgingen.
Zwijgend liepen ze ’n poosje naast elkaar.
Toen begon de Leidenaar met een stem en een glimlach waarin teleurstelling en een minachtend wantrouwen: „Doe jij er niet ’an?”
„Wat meen je?” vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen, zonder hem aan te kijken.
„Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat ’k bedoel!....”
„O!.... dat!.... nee!.... daar doe ’k niet an!”
„Kom!” zei weer de student met dienzelfden glimlach van geërgerd ongeloof.
„Verdomd!” riep Bernard, met een driftigen stamp op den grond, „wil-je me nijdig maken?”
„Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!.... ik wist niet dat je ’t zoo ernstig meende.... Maar waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen: ’t is niet goed!.... ’t is niet gezond, geloof me!”
En toen begon hij een ernstig betoog, met veel geleerde termen, over de ongezondheid van Bernard’s onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en met overtuiging, autoriteiten aanhalend.
En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten op- en afgaan naast zijn hoofd en slikte ’t zwijgend, ernstig kijkend voor zich uit.
„Je zoudt ten slotte gek worden!” besloot zijn vrind.
Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!.... Dat woord schoot hem als een visioen door ’t hoofd, gek worden, sterven misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw.... „Goed,” zei hij dof, „’k zal ’t afwachten....”
De ander haalde zijn schouders op. „Je moet ’t zelf weten,” zei hij.
En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard’s hoofd ’t somber-cynisch gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder, blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal.
En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als ’s morgens aan de koffietafel. Ze voelden wel allebei dat erwat tusschen hen was, maar ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem pratend over kleinigheden, en toen werd ’t bed van den student opgemaakt op Bernard’s kanapee.
Onder ’t uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. ’t Was laat, ze waren moe.
Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht was uit.
Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.
„Nou.... wel te rusten,” zei toen Bernard, om er ’n eind aan te maken.
„Slaap wel,” zei zijn vrind.
En de stilte groeide......
Al gauw hoorde Bernard ’t snurken, ’t goedig-onbewuste geknor van zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als „zij” niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil.
Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in slaap.
Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat ’t Zondag was, draaide hij zich nog ’s om en zonk dadelijk weer terug in rustigen slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit, zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in de ongewone omgeving.
„Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!....”
„Morgen!....”
„Goed geslapen?”
„Best.... jij ook?”
„Uitstekend.... Geen hoofdpijn?”
„Nou, ’n klein beetje!....”
Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets opzag. Maar hij wist niet wat ’t was, en hij duwde dat gevoel weg in zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest. Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.
De juffrouw — een tanige, oude burgerjuf — bracht ’t ontbijt, koppen thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad, dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had bruinige paviljotten in ’t grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig, half-klagend, of meneer nog iets noodig had.
„Nee.... dank u!” zei Bernard.
En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend, maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna staken ze sigaren op en gingen uit.
’t Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijnzwaar hart en helderend zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei herhaaldelijk: „Wat ’n lekker weer, wat ’n heerlijk weer!” En de Zondagsmenschen, ’t stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde ’t stomme genot van dat langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de lamme plooien van ’t suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan weer naar huis, en dan de jas uit en ’t lijzige zitten in overhemden aan de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan ’s middags de bitter en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde ’t contrast van dat Zondagsleven met ’t roezige werkleven van allen dag en ’t idiote tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen ’t komisch-domme, ’t hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan te veranderen, ’t scheen hem dwaas je ’r aan te ergeren; sentimenteel vond hij ’t nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.
Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar eerst wandelden ze nog even wat om — ’t Rokin af en het open Damrak langs — kijkend naar ’t zonne-schitteren in ’t water en in de ramen van de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels. Ze liepen een eindje Prins Hendrikkadeen toen langs het Y. Bernard genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den blijen alom tintelenden zonneschijn.
Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. ’t Was toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door. Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging van geuren, muffig, bedompt.
Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, — soms alleen zag en voelde hij ’t in-eens heel scherp — ging zijn post zitten nakijken, maar zijn vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf er uit. „’t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn hebt”, zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. ’t Was een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat succes, waar zijn oom weer zoo’n plezier in zou hebben, las hij gauw ook zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: „Nou, laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je ’n beetje restaureeren!....”
En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was ’t heel anders nu. In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren, die vreugde van ’t elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid. Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn jaloerschheid op ’t leven van den student. Weg was nu dat allemaal. In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging, dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een paar woorden, — want een twist was ’t niet ééns geweest — of was daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun beider zielelevens, of lag ’t toch niet alleen daaraan maar aan honderd kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer doorheen dringen kon. ’t Was vreemd en ’t was triestig. Want er was toch altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieperof niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden ’t gevoeld. ’t Was wel vreemd. En zou ’t dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou ’t altijd zoo gaan misschien, dat menschen als ze ’n poosje samen zijn weer verlangen naar scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat ’t zoo ging altijd.... Wel triestig was ’t!....
Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij kon ’t niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij ’t koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij ’t ook in de stem van zijn vrind en hij zag ’t in diens oogen. Hij voelde dat ’t ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt doorpraatten.
Na hun dejeuner bracht hij den student naar ’t station. Ze kwamen er te vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op ’t perron heen en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar ’t hokte telkens. Ze liepen de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, „om een goed plaatsje te hebben.” En langzaam vulden de coupé’s zich verder. ’t Was niet druk.
In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn horloge.
Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de student zich uit ’t raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind ’t ook voelde, den weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.
„Adieu!.... ’t ga je goed!”
„Adieu!.... zien we je weer ’s?....”
„Ja.... ja!”
En ’t hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam ’t station uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel, alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij niet vroolijk meer. Hij voelde ’t met ergernis, met een heel lichte aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij gezelschap had!
Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had ’t mooie weer geen genot meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid, die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige, smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk, leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met ’r glimmende groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair, grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend, sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop. En dan ook — niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid — de klerken en ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies en tegen de Zondags-uitgaande meiden in ’r onhandig nagemaakte dameskleeren.
In een verdrietige stemming, zonder wil of doel,slenterde Bernard den Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was ’t fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de Zondagsmenschen in de volle straat nog ’t bitter- en biervolk in de koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit ’t gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was het brandpunt van ’t vadsige Zondagsleven van een kleine „groote stad” zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er ’s wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol, zweeterig, klef, kleverig café.
Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was netjes „aan kant,” ’t raam stond open, maar hij schoof ’t dicht, wars nu van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie zich tot geregeld lezen te zetten.
O ja!.... hij wou wel ’s weten of er nog iemand geweest was. Sam misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in: „Juffrouw!.... juffrouw!”
Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof,het gerinkel van de trambel en menschenstemmen buiten.
Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan „wandelen” met haar man.
Nog eens: „juffrouw!”
Maar ’t bleef stil.
Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof ’t raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel, achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen bij den lichtenden zonovervloed.....
Eigenlijk had hij al in ’t begin van de week plan gemaakt dezen Zondag, als ’t mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had ’s morgens willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat plan laten varen. Maar die was nu weg.... en ’t was wel wat laat, maar.... ’t was in Amsterdam zoo’n nare Zondagsdrukte.... en hij had geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn hoekje, turend door ’t intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte, met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid, teruggetrokken in de geheimzinnige schemeringvan zijn zielehuis, zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de namiddagtinten spiegelden van ’t landschap en den hoogen hemel, zonder dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.
En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde kwajongen die uitfluit wie ’n ernstig gezicht tegen hem trekt. Daarom.... was ’t maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij ’t niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om ’t gevaar hunkerde hij naar ’t avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.
Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door ’t raampje naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?.... neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten, wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was ’t? Van zoo’n rij boomen in ’t oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had wat ze zei, maar nu herinnerde hij ’t zich.... Ja, ’t was mooi, zacht-weemoedig-mooi,die rij boomen.... ’t Was als een verre horizon in je ziel waar ’t mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen kunt, omdat je ’r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver onbereikbaar verlangen was die rij boomen......
Lucie!.... zoo’n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan, zoo’n zuster hebben, dat zou een steun zijn....
In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de trein en stond te hijgen. „Naarden-Bussum!.... Bussum!....” werd er geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte ’t station uit, en krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van zijn oom. ’t Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood, met onbegroeide waranda’s en pretentieuse torentjes en fratserige piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig, alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij deed ’t piepende hekje open en stapte ’t knarsende schelpweggetje over, zich in haast voorbereidend op ’t ontmoeten van oom en tante, met een wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in ’t verzamelen van zijn gedachten.
Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op ’t geluid van zijn stem — in de wijde marmeren vestibule — daar kwam zijn oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje, levenslustig gekleed en met een joviaal air. „Héérejé!.... Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat ’s nog ’s mooi van je!....Hoe gaat ’t? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is mevrouw, Keetje?.... Zeg ’s gauw dat de jonge meneer er is!....”
Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed, zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....
„Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat ’s een gemakkelijke, moet je ’s probeeren,.... die heb ik er pas bij gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!....”
En tante kwam binnenruischen, vol en breed, ’t dikke hoofd ietwat achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van zware zij, met breede gitten spelden in ’t nog niet geheel grijze haar, dat zwart geweest was.
„Zoo Bertje!.... ben je daar! dat ’s heel lief van je!.... geef me ’n zoen!.... hoe gaat ’t?”
Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van ’t statige hoofd, de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed ’t, eerbiedig en voorzichtig, en zei dat ’t hem best ging. Nu, oom en tante ging ’t ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa, die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige lieve menschen; en toch was ’t er vrij; je stoorde je niets aan elkaar, o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren kennen; nee! zoo’n allerliefste man was dat nu toch!....
„En Bertje, wat wil je ’s van me hebben?.... ’n glas sherry, ’n glas port?....”
Bernard zei, dat hij ’t nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn oom overzaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden, koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst blijkbaar niet te vragen, maar deed ’t dan toch maar, in-eens, een beetje verlegen: „Zeg!.... vertel dat nog ’s even als je wilt.... Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de bewoordingen?”
En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje, en begon van vroegere zaken — van hem en van zijn vader, — van aardige meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.
Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal — terwijl oom zijn sigaar aanstak of zijn neus snoot — vlug ’t een en ander weten mee te deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al open, — wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, — maar dan begon oom weer over wat anders — altijd over zaken — en sloot ze den mond weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten, was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende stem zei ze: „Je laat mij ook geen oogenblik om ’s met Bernardte praten!.... Ik wil toch ook wel ’s wat weten!.... Je hoort hier ook anders nooit ’s iets!....”
„Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!.... De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!....” En lachend verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en troonde Bernard mee.
Buiten werd ’t zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo, door den neef met geduld en reverentie en ’n beetje plezier door den terugslag. Was ’t een oogenblik stil, dan groeide in Bernard ’t stille genot van de avondstemming om hem heen, ’t zachte klagen van de avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den hemel, den gloed in ’t westen, die lange schaduwen vaagde over den rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: „Wat is dat weer mooi!....” „Ja zeker, zeker is dat mooi,” zei oom dan, ook even stilstaand en rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, „maar wat zei je daar over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht, hoor!....”
Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer — zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond — en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een statig-tevreden glimlach in ’t prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt kwam.
En al onder de soep begon ’t. Ze moest alles weten van de partij. Wat Bernard zich niet herinnerde van ’t menu en van de toiletten, dat vulde ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: „Ja, ja! dat was ’t, geloof ik.” Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest waren, over familie-bizonderheden of in ’t oog vallende karaktertrekken. Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteitvan een van die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer geregeld verder en ’t scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.
Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten aan ’t souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes koel-bedaard op, sprak ook Mimi’s naam uit zonder eenige uiterlijke ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over Lize. Dat was nu toch zoo’n aardig vroolijk meisje geworden, zoo’n lief meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht te trekken, en zei: „Zou dat niets voor jou zijn, jongen?”
„Hoe bedoelt u,” vroeg Bernard droog-weg, „om te trouwen?.... wel nee! ’t is immers nog zoo’n jong ding!.... Wie weet wat ’n nuf ’t nog wordt.”
Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen. Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje; daar hield ze niet van; ’t had soms juist een glad verkeerd effect, dat had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van ’t geheime moest blijven bestaan.
Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. ’t Was bijna heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. ’t Werd rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten wilden, ze hadden weer genoeg om eenpaar dagen rustig over te soezen en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor ’t theeblad, dicht onder de lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.
’t Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms ’t rommelen van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was ’t heelemaal nacht en ’t werd koeler.
„’t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee drinken,” zei oom, traag-sprekend, „’t is vandaag een bizondere dag, morgen zal ’t wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we midden in ’t najaar!”
Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer bewegend onder zijn neus.
„Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet,” vroeg tante.
„Ja,” zei Bernard,.... „heel lief!.... heel mooi!....”
En ’t was weer stil, ze raakten nu alle drie aan ’t soezen. Bernard gaf toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom: „Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?”
„O ja!” zei Bernard langzaam, „’t is een heel geschikte kamer,.... gemakkelijk overal dichtbij....”
„En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?”
„Dat gaat wel,.... ’n beetje zeurig....”
„En je eet nog altijd daar op ’t Leidscheplein, hè?”
„Ja oom!”
En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar ’t haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder opzien — haar stem klonk vreemd-hard door ’t lange zwijgen: — „Dat moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-levenen dat eten in zoo’n café,.... je moest toch werkelijk ’s gaan trouwen, Bertje!”
Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om zijn hoofd bleef hangen.
„Hebt u soms een meisje voor me op ’t oog, tante,” vroeg hij met een poging om de zaak maar gauw in ’t gekke te gooien, een poging, die hij hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei ’t te scherp en te vlug.
„Hè?.... och wel nee!” zei tante, die ’t hartelijker bedoeld had dan Bernard vermoedde, een beetje geraakt, „een meisje op ’t oog!.... Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... ’k Zou me schamen!”
Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze ’t haakwerk in den schoot vallen en verzette al de kopjes op ’t blad met kleine bonsjes. „Nou ja.... nou ja....” zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend, „Nee jongen,” zei oom toen ook, „dan begrijp je tante verkeerd, hoor! We hebben ’t er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo ’n lang jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen.... maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!....”
Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen, zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende, dat wanhopige van ’t banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen in zijn ziele-omgeving van allen dag.
„Je vader zou ’t je zeker geraden hebben,” begon oom weer.
„En je goede moeder ook,” zei tante.
„Ja,” zei oom, hoofdschuddend, „die arme menschen!”
„Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar,” vulde tante aan, haar haakwerk weer opnemend, „’t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En dat op ’t eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? ’s Middags werden ze aan elkaar voorgesteld en ’s avonds waren ze geëngageerd.”
Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend als hij zijn sigaar uit den mond nam.
Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en moeder. Maar altijd weer deed ’t zijn gansche gemoed ontroeren, was hij blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken, allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die ’t geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op ’t eerste aanschouwen, dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie volkomen, die als een zon rijst aan de kim van ’t leven en niet meer ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is ’t eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar als ’t leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare dingen verteert.
Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uurvan liefde een menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was! Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd, doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je ’t voelt liggen je hoofd, zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als ’t kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan, wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....
Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat ’t geluid van zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon ’t niet langer uitstellen.
„Als u ’t ernstig meent met dat trouwen van mij,” zei hij eindelijk, „spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen zijn.”
Meer zei hij er niet over. Hij vond ’t eigenlijk al te veel. Dat driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.
’t Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en ’t licht ging op. En ’t duurde niet lang meer of ze zaten aan ’t gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over ’t ruilen, over ’t tegenspelen van „sans prendre’s” en zoo meer. Hij spande zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat ’t kwam door Lize, dat aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet ’s te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was ’t zeker nog niet met zich zelfeens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet storen.
De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg. ’t Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen; liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de week ook ’s in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij ’t gerust over kon laten, dat was ’t niet, hoor!
Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den donkeren weg naar ’t station op met een warm gevoel van vriendschap en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch, zooals zoo veel ouders ’t niet doen voor hun kinderen....
Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de villa’s in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van menschen, die „uit zijn” en rekken hun roes van plezier, opgewonden negeerend ’t einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel, bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren, die twinkelden bij honderden tegen ’t diepe intense zwart, zag hij den nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En ’t was hem of hij dat nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van. Een gevoel dathij anders nog alleen gekend had — een enkele maal — bij ’t hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel gevend aan ’t genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo’n sterken indruk van, dat ’t hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam ’t dat hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een wijd en vaag-smartelijk verlangen....; ’t was of de nacht hem helpen kon om hen te vinden....