XII.

Even over vijven kwam Sam ’t café binnen. Toen werden de dominosteenen opzij geschoven en bleven ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en kijkend naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde ramen, naar de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa, het leger van Zondagsmenschen in saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren, onder ’t wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in loome groepen, waar nu en dan, slank en haastig een heer doorstapte, met een strak gezicht, wendend zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw, en tusschen de donkere huizengevels, boven de menschen, hing laag de schemer van den motregen.

De ontmoeting van Sam en Edward was heel bedaard geweest. Ook hadden ze elkaar vroeger maar weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met nieuwe menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en bleef toen, zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal gezicht dan den een dan den ander aan, rustig zitten luisteren naar wat zij zeiden, gezellig-tevreden, bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een man, schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf, toch gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard altijd om de volkomen geslotenheid van zijn ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den blik van zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van zijn prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen, beminnelijk-opwekkenden omgang.

Ook thans peinsde Bernard — naar hem kijkend nu en dan, al pratend intusschen met de anderen — over die altijd zoo door hem gewenschte, nooit heelemaal bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam erook wel ’s moeite mee had, hij vermoedde dat hij, onbewust van zijn eigen zielsvermogen, daar eigenlijk nooit over nadacht, dat hij nooit lust voelde zich te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was de schijn. Maar was ’t wel zoo? Bernard nam zich voor te trachten dat te doorgronden.

De neerschemerende namiddag vulde de hoeken van ’t café met een lugubere duisternis, waar de donkere manfiguren met brommende drankstemmen pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen en de laag-hangende, vaal-grijze rookwolken sloegen lauw-warm om de ros-heete, van binnenuit-verhitte hoofden, die samenkoppelden boven de glimmende tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde een schamplichtje op een borrelglaasje of op een bril. Bernard voelde zijn oogen steken en een doffe drukking van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor nu maar ’s te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden gaan in een duur restaurant daar ergens in de buurt, ter eere van Edward, en tot luidruchtige blijdschap van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze stonden dus op en gingen met moeite tusschen de donker-gejaste mannenkringen door naar de deur, en kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en glad, waar hun groep uiteen viel, in de onmogelijkheid van naast elkaar te blijven loopen. Ze liepen — ieder alleen — zoo snel als ’t ging door de traag gaande menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend, behendig manoeuvreerend met hun parapluies.

Want ’t regende al maar door, de lucht werd valer, donkerder, zich hullend in regendampen als in sluiers van stillen en onbegrepen rouw. Er was nu geen geschreeuw van straatventers, er was een roezig geploeter van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen, soms overtoond door een schel ruzie-geluid van een burgervrouw, die nijdig was omdat ’t droop vaneen passeerende parapluie op haar goeie-goed.

Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime vestibule in het rijke, rustige restaurant, van uit de kilmistige regenschemering in-eens in de zachte warmte, in ’t al vermooiende avondlicht, dat de dof-flonkerende, overdadige pracht van de zaal zich opdringen deed aan den klein-turenden, half-verblinden blik, stil-precies met een oneigenlijke duidelijkheid. Ze gingen zitten, zoo ver mogelijk van de schel-schitterende lichtkroon, in een hoek van warm-donkere gordijnen en behang, en ze aten veel en duur, bizondere schotels, met gedrild-strakken eerbied aangedragen door de deftig-arrogante kelners, en wisselden telkens van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste, zacht glanzende damast van hun tafel. Ze praatten eerst zacht, bijna fluisterend, evenals de andere menschen die hier en daar door de niet heel groote zaal zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon het eerst met hardop te praten, en al gauw bekommerden ze zich niet meer om die andere menschen — die naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en ergernis — en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk en opgewonden door den wijn en de weelde van de tafel.

Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke rijkheid groeien in zijn warm hoofd en loome leden. Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens, met onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van allen dag, zijn zorgen, zijn stervende illusies. Dan dronk hij schielijk zijn glas uit en schonk zich opnieuw in en animeerde de anderen om toch uit te drinken en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat, vol onzinnige dwaasheden, met Sam, zoodat de anderen ’t uitschaterden, en hij toostte op Edward, joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar zonder aandoening in zijn stem, en toen dronken ze ad fundum, en Edward toostte op hem, en ’t hinderdeBernard een beetje dat in Edwards stem wel even emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit van ’t drinken kwam — een sentimenteele dronk! — maar in zijn gemoed dreinde toch wat zelfverwijt, dat hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals aanstootend met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar daarbij even, vast, recht in de oogen keken, voelde Bernard ondanks zijn opwinding opnieuw met wreede duidelijkheid dat ’t niet meer dàt was tusschen hen beiden en dat ’t ook nooit meer dàt zou worden. Hun oogen hadden in dat moment met koele terughouding gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden.

Ook Sam dronk — een koddig-onsamenhangenden toost — op de vrindschap, en André begon, een beetje dronken, op Edward te toosten die zoo’n fideele, joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel, waar hij nog wel ’s meer mee uit wou, waarachtig!.... „en dan naar de meisjes ook, wat jij, zeg! Edward?” En zijn toost eindigde in een dol-uitgeschaterd: „Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!”

En Edward lachte ook en antwoordde met een schielijk vertelden, schuinen ui, waar André om proestte tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn stemming weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig te kijken naar de anderen, die nu, over de tafel gebogen, half-fluisterend, meer van die moppen gingen vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid kwam en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer doen kon; hij bestelde koffie en cognac en rekende af met den beleefd-serieuzen ober. Zoo merkte niemand dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep en gepraat van André in de nu leege zaal, en trokken in den stil-lichten, keurigen corridor hun klamme, van vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners, en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen, wachtend op de tram om naar ’t circus te rijden.Want daar wou Edward ’t liefste heen, hij was er nog niet geweest na zijn terugkomst.

Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, ’n beetje stil te houden, en ze kwamen aan ’t circus, en gingen op den eersten rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg, kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende oogen en opgewonden gebaren: „Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe de kerel dat doet?....” zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig, maar na een poosje — terwijl er geen notitie van hem genomen werd — viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard — die een beetje boos werd — om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden.

En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette, en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen. Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was ’t ergst dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar Bernard, jaloersch,dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis, naar de stille kamer op ’t Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal met zijn hoofd in ’t kussen lag, sliep hij, met een open mond achteroverliggend, bijna dadelijk in.

Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als ’t noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden vrind.

De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep ’t niet, hij vond alles vreemd, ’t was of ’t niet werkelijk was, die roezige nacht, dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... „Ik ben toch ook dronken,” zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed.

Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en moe, — Edward sliep nog, — en ’t was een morgen, dof-smartelijk van landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.

Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was keurig-netjes afgeborstelden hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek. Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over gisteren-avond. Bernard begreep ’t niet.

Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar ’t was een meisje, o!....

Bernard streek zich met de hand over ’t voorhoofd. Hij feliciteerde Hendrik, maar ’t feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!.... Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....

Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met den trein van één uur veertig.

Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem naar ’t station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk.

Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door ’t opschieten en ’t slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende, schijn-lichte leegheden aan ’t einde van den dag. Daarom werd maar veel gewerkt, ’s avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.Dat vulde, dan was ’t gauw weer tijd om te gaan slapen, om met ontspannen spieren weg te zinken in ’t onbewuste van den slaap, waarin alleen ’t mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde, gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke vreugde-ontroering bij ’t eerste ontwaken.

Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte ’t weemoedig, ’t gemakkelijk vindend, en ’t gaf ook een zekere voldoening van stil je plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen ’t komen logeeren van Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot weer en teleurstelling. ’t Was maar ’t verstandigst zoo te blijven voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen, misschien.... En zij.... zij!....

Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en liefdoende, en met heeren, die in ’t slungelige staan vergeefs naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke, bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje, zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in zijn lichte oogen, — die wat zwak nu schenen, — bleek van geluk,overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij ’t was die haar man zou worden.

En Bernard benijdde hem niet.

Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge menschenpaar tusschen bloemen en groen. ’t Zou min geweest zijn en dom, jaloersch te zijn. Maar hij was ’t ook niet, heelemaal niet; toen ze van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een beetje schuw, zoowat ’t tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.

Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in Amsterdam, en ’s avonds gingen ze naar ’t concertgebouw, Bernard zag aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en ’t speet hem een beetje dat hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn geest in klankenweelde.

Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij ’t weggaan haalde hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar ’t station te brengen, zich een beetje schamend later over die huichelarij, want ’t was enkel om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.

Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel eenuitnoodiging van den heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn vriend Edward van Laeken. Hij wist ’t al half; Edward zou Dinsdag in de stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk. Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo’n uitnoodiging haast altijd aan omdat er geen voldoende reden was om ’t niet te doen.

’s Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat ’t wel op een ordinair muziekavondje uit zou draaien en — ernstig liefhebber van muziek — had hij ’t land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.

En ’t was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten. Voor hij binnen kwam, gaande, ’t dienstmeisje achter zich, door de stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in ’t rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al ’t gedempte roezen van de stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In ’t midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met jonge meisjes. Die zware figuur was ’t eenige wat Bernard zag op zij van zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en ging toen zitten aan ’tlinksche eind van de gastenrij, kijkend nu de hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en Hugo en Edward — en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel. Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf. En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte groetend en glimlachte officieel.

Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven, koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij was blij-tevreden over zich zelf, dat ’t hem zoo gauw gelukt was zich meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten, een officieel leuterpraatje, met ’t meisje dat naast hem zat, en nam van tijd tot tijd een teugje thee.

En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette, zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André’s stem en zag hij, langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.

De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nogeen paar andere jongelui binnengekomen waren en ’t gezelschap nu blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en ging in een zwijgend-berustende houding naar ’t koel-stomme instrument, dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen, korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven ’t gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik naar de zoldering.

Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had ’t wel gezegd, ’t draaide uit op een muziekavondje.

Maar Bernard vond ’t eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer, daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt alleen maar even te klappen als ’t stuk uit was en tegen je buurvrouw te zeggen, dat ’t mooi was geweest.

Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een gedwongen houding, begon ’t hem te vervelen. Het was vooral ook dat zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo’n rijtje recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was datzitten kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd naar zat te luisteren, alsof ’t mooi was. Bernard voelde even driftige energie van ergernis. ’t Was toch eigenlijk te stom-idioot, ’t was om nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde verdraagzaamheid en rust.

Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw, die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn rechtop-gehouden hoofd — zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, — de gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te kijken, — maar je voelt hem toch langs je gaan, — de gedachten aan zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij ze wist. ’t Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag,dat de menschen hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen, lachende, pratende — een taal die hij niet verstond —, doende dingen waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken, en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan koffiehuizen-tegen-vier-uur en ’t geroep van sinaasappelenjoden. Dat was nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep, daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel, die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn torenwoning, dan zwijgen?....

Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden, witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten morgen. Hij wist, hij voelde ’t al hoe hij morgen dorsten zou naar wat hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al ’t geluk wat menschen tot nu toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, endat het ook zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, ’t eenige mogelijke. Hij wist dat,.... en ’t leven scheen hem lang en somber en de wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde, diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee en wijd verlangen?.... Hij wist ’t niet, hij zou ’t ook wel nooit weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor ’t goddelijke, voor ’t zuivere licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig waren, maar ze zeiden dat ze genoten van ’t leven. Hij had nog nooit genoten van ’t leven! Hij wist niet wat ’t leven was. Hij wist ook niet of de anderen ’t wisten, maar hij zag hen doen alsof ze ’t heel precies wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen die er zijn, die ’t onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze ’t berouw kenden en de zelfverachting. Hij zag ’t niet. En hij wenschte zoo’n ander te zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder lijden.

Al die gedachten gingen door Bernards hoofd,elkaar verdringend, en ze wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard werden, in ’t vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren, zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de stem van André in zijn oor fluisterend: „Zeg, zit toch niet zoo gek te kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om.” En als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen aankeek stierf ’t glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met Edward die zijn hoofd dicht naast ’t hare gebracht had. Ze letten blijkbaar niet op hem.

In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid, zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen ’t meisje naast hem, en hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat ’t alleen was geweest om zijn soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant. Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over ’t figuur dat hij sloeg zoo’n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem gemelijk, als ’t altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein kind dat over zijn slaap is. Hij kon ’t niet van zich zetten, hij voelde zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan zaten,luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan, alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te stampen op den grond en te krijschen van drift.

Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.

Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen, gebeurtenisjes van den dag, met ’t meisje dat naast hem zat, een praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven zitten, hij moest nu ook ’s opstaan en ’s iemand anders aanspreken. Hij deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe ’t haar ging en of ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij wilde ’t nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó, glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......

Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwamEdward er bij en vertelde hem, — kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen —, dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer ’s met haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste. „Dat moest jij nou ’s gaan vragen aan de gastvrouw,” zei hij tegen Bernard, „of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel gedaan....” „Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u ’t is,” zei ook Mimi op smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. „Ik geloof niet dat ik de rechte man ben om dat met ’t noodige „entrain” te vragen,” zei hij met glimlachende minachting, „maar doe jij ’t, Edward!....” en hij liep loom weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet ’s met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias, een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna niet meer gekend en — in die stemming van ’t oogenblik — gehaat om zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond te bezorgen. „Wat dunk je,” vroeg hij aan Bernard, „zullen we ze straks nog maar ’s laten dansen?”

„Wel jà, wel jà....” zei Bernard.

Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, — met verheffing van haar vrindelijk-deftige stem, — dat men eens een paar charades en action zou bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een indruk van alsof ze dat alleenmaar verzonnen had om hem nog meer te vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo’n tot idioot-wordens kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur slaan. Dan zouden ze plezier hebben. ’t Was een kwelling zoo’n avond. Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst ’m! Die gaat zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!

Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit. Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen, zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan. Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen ’t lijf liepen. Dit beduidde ’t spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door ’t jongste meisje van den Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.

Nu moest de andere helft van ’t gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om verbeeld te worden metbewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken. Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten loopen met de oogen toe.

Eén oogenblik kwam ’t in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen loopen, tastend, met kromme knieën, en hij ’t gedempte gelach en gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval meer mee te doen, maar ’t hoefde ook niet, want nu gingen Edward en Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te doen; loom ging hij toen naar ’t meisje dat naast hem gezeten had en walste met haar.

En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig. En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.

Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen, en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed, heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding, en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste, moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien, en tegen zich aan te drukken ’t weerstrevende lijf en te zoenen den wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg, in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden, liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en hoorde de stem van André die zei: „’t Schijnt jou te smaken!”

André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn mondhoeken. „Wat scheelt jou?” vroeg hij. „Och niets,” zei André, „gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!” En luid sprekend, bijna roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander meisje. Hij zag ook aan haar dat ze ’t land had, hij kende nog dat gemelijke wenkbrauwfronsenvan haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze elkaar niet aankeken.

Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.

Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf ’t hem wat voldoening, dat gevoel van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om een dans te gaan vragen — ze zouden nog één wals dansen — voelde hij zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde ouwelijkheid in zijn stappen.

En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....

De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen. Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook ’t rijtuig van Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden, zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier bedankten ze de gastvrouw en ook meneervan den Bosch, die na ’t dansen weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.

Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op ’t Rokin, dat altijd laat open was, waar ze meer kwamen ’s nachts na éénen. Bernard liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig. Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder zich er rekenschap van te geven hoe ’t kwam, dat hij hield van André. Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.

Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij ’t omgaan aan ’t slot van de lanciers. „Zóó.... zoo!....” zei Bernard glimlachend, „je schiet al op met ’r!” „O, kerel!” zei Edward met extase, „nee, zie je, ik vind ’r een verduiveld leuke meid, en ik vind ’r mooi ook,.... jij niet!” „Jawèl,” zei Bernard. „Waarachtig,” bromde zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een zenuwachtige proestbui, riep hij uit: „Wat zou ’k een furore met ’r maken bij onsin Batavia!....” „Nou, nou,” zei Bernard, „ik zou je toch raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!” „Waarom niet?” vroeg Edward. „Ik zou wel ’s willen weten waarom niet!.... Alles gaat!....”

Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in Indië. Want nu ging ’t immers niet anders — en hij had er een beetje zijn booze vreugde om — nu moest hij hem wel even ontnuchteren. „Wat ben je opgewonden van avond, Eddy,” begon hij, hem dien ouden naam gevend met zekeren spot. „Ik heb je toch immers al verteld, dat ik dien bal-avond al even ver met ’r was als jij nu. Ze gaf me net zulke hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent dat nou bij zoo’n geil dier van ’n meid!”

Maar ’t had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem op zijn schouder en zei: „Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch, heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?....”

„Nee,....” zei Bernard, „dat niet, maar....”

„Nou!” viel de ander in, „wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat dat maar aan mij over, hoor!....”

Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde, had spijt dat hij ’t gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo ondoordacht!.... ’t Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.

Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet hebben konden, dat hij zicheven rustig voelde, want dadelijk kon hij dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij ’t merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.

Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden ’t leven genoten, omdat hij ’t zelf niet kon. Want dat was ’t immers! Niets anders! Hij kón ’t niet, ’t leven genieten, hij had er ’t talent niet voor, ’t zout niet in zich zelf, — zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte. Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen, dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat hij was!

Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker steegje, en dan moest je ’t trapje op en dan weer een trapje af, in half donker, en dan was je in-eens in ’t drinklokaal, een langwerpig, laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen. ’t Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; ’t was alsof de mannen die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen verbonden waren door één in-’t-gniep den duivel dienend doel.

Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zittendrinken, want ’t was koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend was aan ’t helle avondlicht en de warmte, en geproefd had ’t lekkere sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden, los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in ’t overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.

Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten niet van weggaan.

Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo, terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren tegen Edward: “Zeg ga je nou ’s mee?.... je weet wel.... waar ik je laatst van vertelde?....” En Bernard begreep dat hij van een bordeel sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop. Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis, en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn rug, en met blikken beleedigd. En ’t stond in-eens in hem vast dat nu eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan. Waarom ook niet? Hij was wel ’s meer even mee ingeloopen in zoo’n gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat nou nog?....

Even later stonden ze buiten. „Nou, Bert,” zeiAndré, „wij gaan nog ’s even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee....” „Och, jawèl, dat ’s goed,” zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag ’t niet, hij keek voor zich. Even had hij weer erg ’t land, dat André ’t hem juist zoo gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was ’t niet te doen.

En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar André wel. Hij zei opgewekt: „O, dank u zeer!” en toen tegen de anderen: „Zoo’n tractaatje aan ’t ontbijt, dat mag ik wel,” en hij stak ’t ding in zijn zak en schelde aan.

Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig verlichte zaal. ’t Geluid van hun stappen werd gedoofd in ’t dikke kleed en rondom zagen ze roode sofa’s waar vrouwen op zaten, half-liggend de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen, kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over ’t heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van netwerk, zwart.

De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep, sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om zijn malligheid,maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend. Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten, grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning van zijn stoel. Hij huiverde even.

Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof ’t een kind was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd, te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.

André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof; veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan ergens ver-weg, op een tafeltje.

Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even later ging André diezelfde deur door met een andere.

Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa, vreemd-rustig en op zijn gemak.

Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren. Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodater een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant van ’t zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.

En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn lijden-door-zich-zelf hem door ’t moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd, om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te worden en plat-weg mee te smullen van ’t voor ’t grijpen liggende warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak, was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden glimlach.

Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van, alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en laat werken — als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje stroo — en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden verdoovend: Ik ben er van af....

’t Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde, dat ’t zoowat half zeven was, hij wist ’t niet precies. Met onbestemde verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten, kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen, die in de strakke puurheid van ’t eerste licht onwezenlijk-duidelijk waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp van vogeltjes, en nu en dan ’t dofdreigend gebrom van groepen gebogen ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. ’t Was hem of ze ’t wisten allemaal en hem verachtten.

Want ’t was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde ’t zich precies met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. ’t Was geen droom. ’t Was gebeurd.

Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door ’t onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van ’t eenmaal gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne, doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat ’t niet zoo was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen. Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende, onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig naargeestig,van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij ’t opstaan, aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van ’t betalen, ’t neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar, plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn klamme hand.

Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, ’t hoofd laag, schichtig stappend. Hij wist niet of ’t physieke pijn was die bonsde in zijn hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen, van binnen.

Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw, schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in ’t slot, en vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in, waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot.

Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen, die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok van ’t schuurgeluid dat ’t ding op de tafel maakte en liet ’t vallen op den grond, waar ’t dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijnover-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede, en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in ’t park, waar hij wist ’t diepe water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een stormvlaag....

En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende stof-lucht van ’t kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met zijn intieme dingen. En toen, in ’t vreemd gelende, zwart-schaduwende licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond. Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand scheppend ’t koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel, begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als ’t water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te klappertanden van de kou.

Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid, bedelend verlangen naarwarmte en physieke behaaglijkheid kwam boven. Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop van ’t uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin ’t lag.

Toen hij bijna klaar was zag hij dat ’t over half acht was. Zijn juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze ’t nu, zij ook al....

Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.

En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan — dat waren nog twee dingen die mee geweest waren, die ’t gezien hadden, zwijgende medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas — sloop hij voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in ’t slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw, die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en wrevelig, valsch-lieverig: „Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet ontbijten?.... ’t Is klaar!....”

Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij praatte nooit met haar als ’t niet hoog noodig was. Ze was een beetje schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord. „Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!” Goed zoo! zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te houden.

’t Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor tegaan; de werkvrouw zou er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en ’s morgens altijd ’t eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien.

Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten, zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post uit de bus halen, zei dankje, en liet ’t stapeltje naast zich liggen, quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen, nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, „Hier Bram,” zei hij, „dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!” „Ja, meneer,” zei Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. „Wat is er, wat is er?” vroeg hij ruw-driftig. „Niks, meneer,” antwoordde Bram verbaasd, „hoofdpost, meneer?” „Nee,.... breng ’m maar liever naar ’t station, maar loop vooral hard!” „Ja, meneer!” En Bram ging weg.

Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren. Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in ’t gezicht had willen smijten.

Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem heen; ze was niet gewoon datmeneer er bij was; ze mocht nu alles wel in de puntjes doen; ’t kon niet maar-zoo’n-beetje, zooals anders, onder een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte.

En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken.

Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen, zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat ’t gebeuren moest zooals hij zei.

En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet meer. Maar hij was de patroon en hij zou er ’t respect in weten te houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend.

Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken, stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen ’s een standje te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat, die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot klagen over hem gehad, en ’t was een beetje een protégé van zijn oom, omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hemwel blijven dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel, óf....

Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn? Dat overkwam iederen patroon wel ’s!

Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur, en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf.... En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend hoofd.

Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende. Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er, abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in ’t roezig geraas, werd zijn hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oudeboekhouder tuurde onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn werk.

Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf.

Hij ging weer zitten werken. En ’t slechte humeur en de ruzielust waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig wenkbrauwfronsen. Plotseling — ’t was om half vier zoowat — hoorde hij duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar maken naar den jongsten-bediende, die in ’t voorkantoor zat.

Hij stond op en vroeg hard-luid: „Wat is er, Bekker?” „Niets meneer,” zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. „Niets meneer!.... niets meneer!” herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en klimmende drift. „Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan Willemse hier?.... Kom hier!....”

Bekker kwam loom aanloopen. „Gauw wat! Kom hier!” riep Bernard. „Wat heb je te lachen, vlegel!” En hij gaf hem een harden klap in ’t gezicht.

„Au!” huilde Bekker, achteruit stuivend. „Verdomme!.... U hoeft me niet te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te werken, hier, aan de facturen!”

„Je liegt, vlerk!” schreeuwde Bernard, „je liegt, beroerde lummel!” En hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer.

Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. „Werken jelie maar door!” snauwde Bernard, „’t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier, vlegel!” En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam wat geld uit een laadje.„Hier is je salaris.... voor de heele maand, maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je hoed!.... Gauw dan, zeg ik!” Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen ’t geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af.

Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij — zijn bonzend hoofd steunend met zijn hand — terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om niet te wankelen.

Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht.

’t Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan — van tijd tot tijd — een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd. Buiten versomberde ’t straatrumoer in ’t vergrijzen van den dag; met klamme melancolie sloeg ’t geroep van een lorrenjood in de schimmige leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder vorm.

Voor ’t eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn schrijftafel stond, en liet ’t rolgordijntje naar beneden rommelen. En met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in ’t nieuwe, heldere licht weer flink aan ’t werk zetten. „Ik zou daar ook ’t licht maar aansteken,” beval hij zijn bedienden, „’t is vroeg donker van daag.” Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen op.

Maar ondanks ’t helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het geroep en kargerommel versomberen, al dieper.

En nu kwam ook ’t strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, .... misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op hem, den slechten patroon, den gemeenen man....

Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op ’t hel-lichte, koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet. Hij was de patroon. Hij moest ’t gezag handhaven in ’t belang van de zaken.

Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf. ’t Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te hebben zich zelf te beklagen.

Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet. Bernard voelde ’t.

Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde, sloot, en wegging. ’t Is nu eenmaal gebeurd.... ’t Kan toch niet meer ongedaan gemaakt worden.... En al kon ’t ook, al kon ’t ook!.... Wat bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld....


Back to IndexNext