Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat terugzien en weer omgaan met hen. Of ’t nu vandaag of morgen gebeurde wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....
Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan ooit hun makker, een van hunslag. Dat zich heimelijk eenigszins boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier van kunnen hebben....
Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar, aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe ’t werkte van binnen, verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn suffe hoofd in.
En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk dat die twee ’t ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in ’t geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk, leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer.
Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden zou.
En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer.
Hij stak er ’t licht niet aan, hij bleef in ’t donker liggen op zijn kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de hardheid van ’t hout, die pijn gaf aan ’t beenige achterhoofd. Maar gauw werd ’t te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen ’t broeiige trijp. En willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf, was hij gauw in een doffen slaap.... weg....
Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat ’t bij tienen was. Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in zijn hals.
Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven; mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in ’t water weerkaatste flikkering langs ’t plafond, en in den eenen hoek streepte zwak ’t armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij hoorde ’t gebel van de tram die de flikkering wierp in ’t water. Maar in zijn kamer was ’t stil.
En nu steeg in-eens in zijn hoofd, — dof-treurend als uit de verte gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, — het volle bewustzijn van wat er in hem was vernield.
En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was ’t mogelijk!.... Hoe was ’t mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen verscheurd, door zijn voeten vertrapt. Enuit zijn wijd-openstaande oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme handen van eenzaamheid.
Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind....
En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet in de kille duisternis, ze waren in ’t licht, in ’t diepe-stralende licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood, in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen door ’t leven.
Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit. ’t Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij voelde dat ’t niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang, langs ’t koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. ’t Ging niet. Dan zou hij ’t doen, ’t lafste, ’t laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen stijgen tot hen in ’t licht, in ’t pure licht, maar hij zou daar blijven liggen, rottend in ’t zwarte slijk, als een verdoemeling.
Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij ’t wist was hij weer op zijn kamer.
En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in ’t alkoof, met moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen, de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar’t deed hem toch goed. Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat God hem hooren kon.
De rust na ’t uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een plan voor de toekomst. ’t Was een lange, kale weg, dien hij voor zich zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan ’t eenige. Werken van ’t opstaan tot ’t naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen, waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als ’t zwakke schijnsel van ’t groote licht dat hij niet meer hopen dorst te zullen zien.
Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu tot zijn levensdoel te maken ging hij den volgenden morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij zich voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen als waren ze nieuw voor hem en ten hoogste belangwekkend, met volle aandacht, de zaken breed overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de voltooiende finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang alle storende gedachten, aldoor krachtig in zich opstuwend dien wil om zich van nu af heelemaal te wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen, correcten stijl in zijn brieven — zich juist en duidelijk uit te drukken in weinig woorden — en naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij kweekte ’t stil.
Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden, eenvoudig-kameraadschappelijk. Die vrees van gisteren dat ze wat weten konden was weg. Dat was natuurlijkonzin geweest, een hersenschim. Zulke toevalligheden, dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor. Ze wisten niets van zijn leven buiten ’t kantoor, ze letten er niet op, ’t kon hun niet schelen. Ze kenden hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een doorgaans nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer niets.
Hij werkte ’s morgens, ’s middags en dikwijls ’s avonds ook nog. De drukke tijd duurde lang dit jaar. April uit en bijna de heele maand Mei was er veel te doen. En meer en meer boeide ’t hem en merkte hij den bedarenden zegen van ’t werken.
Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel, was dan bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over zijn drukte, over de bergen werk die hem wachtten, om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen. Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn zuster, zag hij een paar maal. Eens ging hij er eten en een anderen keer kwam zijn vrind ’s avonds op zijn kamer om ’s ouderwets te praten. En beide ontmoetingen stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw dat hij nog altijd hield van Edward en graag alles voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige intimiteit tusschen hen kon zijn.
Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging veel uit, maakte nieuwe kennissen, kwam van den een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer was hij bijna voortdurend aan ’t woord. Hij had ’t over Mimi en over andere meisjes, die hij ontmoet had in de laatste weken. Ze hielden hem erg bezig, al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven, maar hij kon ze toch allemaal niet vragen en de eene was zoo mooi, en de andere zoo geestig en een derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen nemen om ’t geld!.... Maar och, er was toch ook wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral in Indië, daar hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruitwou komen, carrière maken.... En dan, ’t was ook een allerliefst meisje, bepaald eengoedmeisje,.... en ze had ook wel een aardig gezichtje....
Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en sprak wat tegen, en werd niet gestoord. Hij zat met kalm genoegen naar Edward te kijken, te luisteren naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk allemaal zat te vertellen, dat wist hij niet precies.
Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat was een vreugde voor oom en tante. Ze begrepen eigenlijk niet goed hoe ’t kwam, dat Bernard nu wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens een of andere verhindering had. Maar ze wilden er niet over spreken, want ze vonden ’t veel te prettig zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo opgeruimd. Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn en voor zich uit staren, en dat kregele, licht geraakte en scherpe. Hij was veel zachter. Wel scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd ouder geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak dat tante nooit dorst vragen hoe ’t nu eigenlijk zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op ’t punt gestaan van hem daar ’s over aan te spreken, maar ze was altijd een beetje bang dat hij haar dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en toch niets loslaten. „De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs geworden,” zei ze eens tegen oom, maar toen die leuk-weg antwoordde, dat hij daar nog niets van had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen: „Nou ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies heeft.... Dat heelemaal niet!.... hij is bescheiden genoeg.... Alleen, hij kan soms net kijken of hij ’t eigenlijk allemaal al lang weet, wat je ’m zit te vertellen....”
Oom haalde zijn schouders op, „’k Begrijp niet, wat je bedoelt,” zei hij.
Bernard wandelde veel ’s Zondags in Bussum. Liefst alleen, maar ook dikwijls met oom, die danliep te praten uit zijn ondervinding van zaken en menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen en de lucht en de huisjes aan den weg. En hij genoot stil van het mooie, het teere, het fijne. Maar vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan ’t genot van ’t zien, ’t bespieden van de dingen buiten, dan was hij stil-blij en bijna gelukkig. Als hij liep in ’t bosch en zag de zwartige takken en takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid, en hij zag het teer-reine lichtgroen van de eerste blaadjes, en hier en daar een kastanjeboom, die al verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de hooge lucht, die al dieper begon te blauwen en de blank-glanzende witte wolken, die geluidloos dreven in de zoete koelte, en als hij hoorde ’t zuiver gefluit, de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene vogels — als waren er nimfen in ’t woud, die lachten en kusten elkaar op de koele ruggetjes — en dan daaronder ’t intiem-dichtbije gekrak van zijn stap op ’t droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend kwamen rijzen in zijn hooggedragen hoofd, dan werd ’t lichter, zijn hoofd, en als doorruischt van zuivere liefelijkheid, was ’t zorgen-leeg en vrij van lijden, van menschelijk getob.
Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg, op den bruin-zwarten grond, zoodat de vochtige koelte van de aarde begon te huiveren in zijn lijf, en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren van voorjaarswind en vocht van weeke aarde. Hij genoot meer van de natuur dan ooit vroeger in zijn leven; veel was er wat hij nu voor ’t eerst pas merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording van hooger leven in hem, een plotseling heel diepe, suizende stilte van denken aan ’t leven. En met lange teugen ademde hij de lucht van ’t vrije buiten.
En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld,uit de ongekende diepten van zijn gemoed — die waren als stille grotten, waarin de boschklanken echo riepen — een heimelijk sidderen van hoop en blijde verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten in zich zelf, als hij terug wandelde naar ’t druk-modieuse villa-gebouw, waar ze hem wachtten met een chic-gedekte koffietafel, opziend tegen ’t moeten scheiden van zijn stil zijn in ’t plechtige buiten, en hij zei: laat ik daar nu toch niet aan toegeven, dat is toch allemaal bedrog! laat ik nu blijven leven, stil, met ’t genot van de dagelijksche dingen, met me werk en ’t goed zien van alles om me heen, laat ik nu tevreden zijn, leven in me zelf zonder hoop op geluk van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens, altijd even onverwacht, en maar half bewust was ze er weer, die kloppende ontroering, van iets groots, moois, eindeloos begeerlijks, dat glansde, even boven zijn blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er naar kijken wou, er denkend naar zocht.
Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn eenzame wandelingen door de Mei-natuur, en maakten hem soms weer triestiger, week neerslachtig en moe, met lust lang uit-te-huilen.
In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor weekheid, met enkel frissche verliefdheid op natuur, zocht hij daar de boomen, en als hij de boomen niet zag keek hij naar ’t water en naar de lucht, naar de heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs in de Warmoesstraat zien kon. Hij stond meestal vroeg op ’s morgens en liep een eindje om voor hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen en zag de malsch-buigende twijgjes, waar ’t jonge groen uitschiet en vrij zich ontplooit en naar de zuivere zon richt ’t ongerepte glanzen van zijn blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en bloeien, kort boven de bevuilde klinkertjes en de bonkige keien, die daar lagen in eindelooze regelmaat samengestampt, de vale vloer van de stad.
Maar ook van de met handen gebouwde stad, van de gevelrijen, van de hoogtorenende kerken en laagwelvende bruggen wilde hij ’t mooie zien en hij zag ’t ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er van genoot, iedren morgen en ook ’s avonds, als hij lui-langzaam liep te dwalen langs de grachten, in de schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had het sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd, had hij altijd verlangd naar ’t volkomen-donker, als de lantaarns werden aangestoken, op de stille grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die wazig streep-straalden voor de klein getrokken oogen, wiegend heen en weer met ’t wiegende hoofd, en als in de wijde winkelstraten een intieme huiselijkheid kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om de haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij van de schemering en rekte met loom bewegen van zijn lijf ’t genot er van in zijn wijd kijkende oogen en luisterende ooren. ’t Wegkrimpen van ’t daglicht tusschen de breed-gekruinde grachtboomen en de hellende gevels van de oude huizen gaf hem een eigen en innig genot van weemoed, vredigende melancolie, waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren naar ’t stille klagen van den avondwind, hoog in de toppen van de drukke straten in ’t hart van de stad, de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten.
Want op de grachten was ’t stil, de enkele voorbijgaande menschen spraken met gedempte stemmen, zonder luidruchtigheid of harden lach....
Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde wegen van de stad, tot de hemel al lang zwart was en de maan opkwam, heilig mysterie van koel groen licht in den diepen nacht....
Als hij dan — nu en dan huiverig, rillend — aankwam op zijn kantoor, ging hij zitten lezen onder zijn lamp, mijmerend boven de stille glanzing van de bladen van zijn boek.
Hij was stil en rustig....
En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd bevangen door hittige prikkeling van zinnelijke begeerten, die brandden in zijn droge keel en klopten in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen, zich moe loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten tegen de straatsteenen, net zoo lang tot hij bezweet en door de inspanning half versuft alleen nog naar rust verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij dikwijls week en slap van vermoeienis, maar de kwelling was weg.
Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de eenige manier was om zoo’n verlangen weg te krijgen, als je er niet aan voldoen wou.
En dat wou hij nu eenmaal niet.
Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht in zijn vredigend-melancholische stemming. Hij vond op-zich-zelf niets slechts of leelijks in zulke begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend, plat, banaal en wee waren de eenige middelen waarmee hij ze bevredigen kon. Eens had hij dat platte aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan, die er op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste gebracht. Hij verweet zich dat nu niet meer. ’t Was noodig geweest, dat begreep hij nu. ’t Was helaas noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem ’t belachelijke van zijn vroegeren hoogmoed, van zijn malle, verwaande illusies te doen voelen. ’t Was noodig geweest om hem te brengen in ’t leven van tegenwoordig, ’t bescheiden, stille leven van dag op dag, ’t eenige op den duur mogelijke.
Maar die eene avond beteekende verder heel weinig in zijn lange leven. Dikwijls, als hij er nu aan dacht, scheen hem die avond een droom of iets ergens gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen dat hij al niet lang wist, dat alleen een leven zooals hij nu leidde, zonder illusies, maar ook zonder zorgen — want waarom zorgen? — de wanhoop werenkon. Hoe was ’t mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan verontrust had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende begeerten en mensch-verachtende gedachten. Alsof hij-zelf een gigant was en niet een menschje, even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren ook niet de giganten teruggeslingerd, in de diepte, te pletter?
Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje, uit de Warmoesstraat, zoo’n gewoon beurslummeltje, paste de hubris, de hooge over-moed.
En wat er overbleef van ’t bestaan, als je ’t opvatte gelijk hij nu deed, was toch nog wel de moeite waard. Als je maar wat zorgde voor afwisseling in de kleine vreugden en stille genietingen van allen dag, dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet voordat je oud bent en weet dat je dood moet. En zelfs dan bleef toch nog altijd ’t in-zich-zelf-schoone, dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van mooie dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken om te lezen, om in weg te zijn, weg van je zelf en het leven. Zulke genietingen maar stil aankweeken in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig aangelegden tuin vol vreemde heesters en bloemen in tallooze variëteiten — wel nergens wild, nergens grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite van ’t bewandelen waard. En de hof van je buurman is allicht weer een beetje anders, en als hij er geen heining omzet dan kun-je er ’s inkijken, dan heb-je ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel een klein-burgerlijk genot, je kunt ’t af op je pantoffels, maar als je nu eenmaal geen gigant bent.... en geen reus met zevenmijlslaarzen....
Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl hij stil zat te werken, en hij herinnerde zich dat hij als kind veel meer hield van dien vliegenden reus dan van ’t listige klein-duimpje....
O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder over hem zat en vertelde.... Even dwaalde zijn blikover zijn werk heen, kijkend zonder te zien.... Toen ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn hoofd bijhouden, ’t was de balans van ’t afgeloopen jaar, waar hij mee bezig was.
Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen langs ’t diep-liggende water van een breed-gewalde gracht, kwam hij Sam tegen, die daar in de buurt woonde, op een bovenhuis.
„Waar ga jij naar toe,” vroeg Sam.
„Zoo langzamerhand naar huis,” antwoordde Bernard, „ik heb maar een endje omgekuierd.”
„Ga met mij mee,” zei Sam, „laten we bij mij een kalm glaasje wijn gaan drinken.”
„Dat’s goed,” zei Bernard.
En ze liepen samen op.
Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk voor hem geweest, niet met daden of woorden, maar met blikken en houdingen en een stem van natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan samen alleen geweest, lang zwijgend beiden zonder hinder van de stilte, als goede, oude vrinden.
Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van den dag, stil-rustig en vertrouwelijk, en waren gauw in de mooie, groote zitkamer van Sam, die met veel luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed. Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid, te vermijden dat er fuiven, drukke drinkgelagen gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden, die dan in ruime, gemakkelijke stoelen kwamen te zitten, de voeten op een dik perzisch kleed van verwonderlijk mooie kleurschakeering. Ook nu weer was Sam bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was; hij schoof lage leunstoelen aan, en niet zijn licht cadanzenden stap vlug door de kamer gaande, bracht hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van den voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoobizonder op verlekkerd was, en die alleen met kalm-proevende aandacht, in stil-rustig samenzijn gedronken mocht worden.
Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen, lagen stoel; allengs vervuld van stille bewondering, zacht-innige vreugde in mooie dingen — alleen niet volkomen vrij van jaloezie — keek hij rond in de kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch opentrok en de glazen inschonk. De met veel zorg-volle vinding en een sterk-persoonlijken smaak geornamenteerde kamerwanden, vol schilderijtjes en slank-omlijste etsjes, in den avond meer vermoed dan gezien, en de eenvoud van ’t plafond en de gordijnen, die in rechte plooien neerhingen, innig schaduwend in ’t getemperde avondlicht, gaven een geheel van rustige harmonie, dat hem aandeed met een gevoel van weelde-genieten en stil benijden van den man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol de koele wijn in ’t glinster-heldere kristal van de glazen, geschonken met vaste hand, en werd de bestofte, zwarte flesch, nog rijk van edelen drank, terzij gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende weelde van ’t fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam zich, met een ernstige tevredenheid, in den anderen armstoel zakken en namen ze beiden hun glazen op, mompelden „prosit” en dronken, en Bernard roemde even den wijn, wat een glans van genoegen gaf in Sams goedhartige, blauw-groene oogen. Een poosje zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten.
„Weet je wel, waar André tegenwoordig ’s avonds zit,” vroeg toen Sam.
„Nee....,” zei Bernard vragend.
„Hij gaat minstens tweemaal in de week naar Frank,.... zoogenaamd om Hugo,.... maar je begrijpt dat ’t om ’t zusje te doen is.... Dat zaakje zal wel in orde komen, vermoed ik....”
„Zou je denken,” vroeg Bernard, „hij spreekt er nooit over, hè!”
„Daarom juist!.... Als ’t ’m geen ernst was, zou hij er wel over praten!....”
Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid op Betsy.... vier, vijf jaar geleden nu,.... die jonge tijd van lachen en stoeien en van zingen, uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door zijn hersenen varen als een van ver aanstrijkende lenteluwte. „Hij heeft gelijk,” zei hij ernstig, „’t is een goed meisje....”
Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht mompelen: „Gelijk!.... Hm!.... Betrekkelijk!....”
„Vindt-je ’t niet,” vroeg hij, een beetje verbaasd.
„Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat ’t voor hem maar ’t beste is dat hij trouwt....”
„Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van elkaar houden,” zei Bernard.
Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen naar voren stekend. Er was een uitdrukking van goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn gezicht, een uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij liet zijn hoofd naar achter zakken op de rugleuning van zijn stoel en sloot zijn oogen even, koeltjes vragend: „Ben je ’t er niet mee eens, jij,.... verstokte celibatair?”
Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch van zijn sigaar, en zei, zijn wenkbrauwen optrekkend, met quasi-deftige kraakstem: „Je weet, het celibaat is bij mij een tweede natuur.”
Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei: „Wees nou’s even niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk niet willen trouwen, al was je nog zoo verliefd?”
„Maar daar is immers geen gevaar voor,” zei Sam, „ik ben nooit zoo verliefd.”
„En kan dat dan ook niet komen?”
„Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... iklaat’t nooit zoo ver komen.... Ik wil eenvoudig geen vrouw.”
„Als ik ’t niet beter wist, zou ik denken dat je er al een hadt, dat je ’t niet weten wou....”
Sam lachte even: „Stel-je voor!.... We zijn hier niet in Parijs!.... We zijn gezeten Amsterdamsche burgers,.... deftighedentjes....”
„Maar wáárom wil je dan niet,” vroeg Bernard een beetje dringend.
„Wèl!.... Mijn God, kerel! ’t zou me eenvoudig veel te lastig zijn,.... al die soesa!.... ’t zou me heelemaal uit me gewone doen brengen, natuurlijk.... Zoo’n vrouw, die overal aanzit met ’r vingers!.... nee!.... dat ’s niets voor mij!....”
En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst, langzaam terugzakkend in zijn stoel.
Bernard lachte even, een beetje stroef.
„Ben jij soms ook weer ’s verliefd,” vroeg Sam.
„Ik?.... wel neen!....” zei Bernard.
„Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel van terugkomen op den duur, van dat kinderachtige verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed op weg.... je kunt dat immers heel goed vermijden als je wilt!.... M’n hemel, je kunt net zoo goed op ’t eerste ’t beste meisje verlieven als heelemaal nooit!.... Dat hangt er maar van af, of je er aan toe wilt geven of niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik heb niets tegen die lieve kinderen,.... integendeel!.... ze zijn altijd allemaal even lief en aardig voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,.... ik heb ’t altijd best overal waar meisjes zijn....”
Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid in Sams stem en zijn dom-weg voor-zich-uit zeggen van die korte zinnetjes hadden iets clownachtig-komieks. En ook voelde Bernard dat er een ongevaarlijke aard, een onverstoorbaar goed humeur voor noodig waren om dat zoo te zeggen.
„Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van ’n ouden vrijer, een goeien oom,....” zei hij lachend.
„Dat ben ik,” zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw komiek was. „Maar ik vind ’t heusch niets moeilijk!.... De verleiding is niet groot voor me....Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten zijn teleurgesteld.... Och, weet je waar ’t ze allemaal om te doen is? Ze willen gekoesterd worden, lekkertjes verwend, aldoor-maar-door.... Ze doen net als kindertjes die huilen om een koekje, en als de trommel leeg is zijn ze boos.... Mijn huishoudster zorgt heel voldoende voor me....”
Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams stuursche oude huishoudster. „Dus,” zei hij even later, „jij zult je geluk nooit zoeken in de liefde.”
Hij werd een beetje wee van de banaliteit van zijn eigen woorden; ’t gesprek begon hem tegen te staan.
„Geluk zoeken?” bromde Sam nog. „Ik weet niet waar je ’t over hebt!.... Ik ben zoo gelukkig als ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn zoo overdreven niet....”
Hij trok ’t zich volstrekt niet aan, dat hij geen antwoord meer kreeg, maar dronk langzaam zijn glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw in. En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend. Bernard voelde ’t wufte van zulk hol gepraat nadreinen in zijn ziel en hij merkte weer een kregele kriebeligheid van ergernis, als hij keek naar ’t kalm plooilooze hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust: Sam was hem tegengevallen, had hem teleurgesteld; hij had veel meer diepte vermoed achter die koele leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te rekenen op zoo wat los geklets onder een glaasje wijn. Dienden al die nuchtere frasen zijn vrind niet om gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?.... En scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd naar Sam, die over hem lag, bespiedde hij de uitdrukking van zijn starende oogen. Maar die waren dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd.
„Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht,” begon Sam weer. „Daar, in ’t midden!....Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets van zien.... je moet maar ’s komen kijken overdag.... ’t Is verrukkelijk mooi!.... Dat ’s nou mijn lust en mijn leven!....”
Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig aan. Zoo’n enthousiaste uitdrukking had hij nog nooit van hem gehoord.... En hij zag de dof-glanzende staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje.... Er was passie in dien blik.... En nu werd ’t Bernard helder.... Dat was ’t weer, altijd ’t zelfde!.... alleen verschil van hartstocht verdeelde de menschen.
Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat ’s ging ontwikkelen, zou ’t hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien ’t middel zijn om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd, zoo dat ’t eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming, waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen kunt, als je er ’s uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of ’t lijden van anderen.
Hij gaf toe aan dat plan, ’t rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch maken, zoodat niets meer stoorde....
Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf....
En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis....
Maar Sam blies kringetjes en zei: „Kom, drink toch ’s uit en beweer ’s wat.... Hoe gaat ’t in de zaken?”
Bernard zette zich recht. „Sam,” zei hij, „al wat je daar net gezegd hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!....”
„God, kerel!” zei Sam, glimlachend, „denk je daar nog over?.... ’t Is de moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik, niemand met m’n egoïsme!....”
Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna onverstaanbaar, bromde hij nog: „Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd hebben....”
„Maar ik vroeg,” zei hij dadelijk hard-op, „hoe ’t in je zaken gaat.”
En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan.
En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor ’t geluk van een ander, of voor een idee.
’t Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en ’t riet. ’t Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend in de zon, en liet zich lekker omgolven door ’t tintelende licht, en de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen,dartelend ’t zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes tegen, mompelend in ’t vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen, maar hij lette niet op hen....
Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude dame in ’t zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur, recht-op, in teere slankheid.
Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat ’t Lucie Tadingh was. Hij groette met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig van ja.
Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat was ’t nu ook weer?.... ’t Was iets aangenaams, iets rustigends, maar wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo’n kleur? En ze groette bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit.
Een vreemdsoortige ontmoeting....
Hoe was ’t toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan ’t souper.... o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van den Bosch hem nog overhaar gesproken.... Dat ze zoo’n lief, zacht meisje was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame.... haar moeder....
Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar nooit meer ’s tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had....
Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....
En neen, ’t was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was dat hij haar herkende.... Ja, zoo was ’t, dat drukte ’t best uit de herinnering, die hij er van gehouden had. ’t Was vreemd. Een meisje dat hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....
Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later.
Hij vond ’t al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van.
’t Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem om op te verlieven!.... Wat had hij in ’s hemelsnaam dat een vrouw kon bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon....
Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een knappe jongen was en dat in dien tijd — wat was dat lang geleden — bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy. Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op ’t gymnasium was. Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eenszeker geweten. Had ze van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en ’t nichtje dat logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge meisjes!....
Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs, onbevangens, een dichter in den dop....
Maar nu?.... Hij begreep ’t niet.
Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn tante: „Kent u hier een weduwe Tadingh?”
„Tadingh,” herhaalde ze, verwonderd, „Tadingh?.... Nee.... ’k Heb den naam wel ’s hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee....”
„Jawèl,” zei oom, „dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op de Prinsengracht.”
„Hoe dat zoo, Bert,” vroeg tante.
„Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende....”
„Nee,” zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond ’t blijkbaar gewichtig en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard interesseerde, en die zij niet kende. „Nee!.... wonen die hier?....”
„Ik weet ’t heusch niet,” zei hij, „’t is best mogelijk dat ze maar voor een enkelen dag zijn gekomen.”
’s Middags wandelde hij met oom. Maar hij waslang niet zoo rustig als anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte, wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend. Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij had ’t land aan zijn uiterlijk. ’t Was te vol en te blozend, het had iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde ’t heelemaal niet in harmonie met zijn innerlijk....
En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee.... onmogelijk....
Maar hij was aldoor onrustig. Na ’t eten liep hij al weer uit, tot teleurstelling van oom en tante. „Ik kom gauw terug,” zei hij, „nog even een luchtje scheppen!”
Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan.
Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want ’t was natuurlijk een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van terzij glurend in de tuintjes en waranda’s. Vruchteloos natuurlijk. ’t Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van ’t tuintje waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed denken. Was ze ’t? Hij luisterde even. Blijkbaar was ’t een meisje, dat met een hond speelde.
Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was ’t; ze zag hem ook en bloosdeweer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.
Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op ’t hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan, een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: „Dag, juffrouw Tadingh, hoe gaat ’t u?”
„Dag, meneer Bandt,” zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje.
„Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk,” zei hij.
„Jawèl,” zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, „u groette toch?”
„O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al even aangekeken voor ik groette....”
„Ik vond ’t juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende,” zei ze, „we hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en ’t is al zoo’n tijd geleden.”
„Ja....” zei Bernard, aarzelend, „ja.... dat ’s wel waar.” En er was een oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op ’t punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....
„Gaat u dien kant op,” vroeg hij, om wat te zeggen.
„Och,” zei ze, „’t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op met Hek,.... hier Hek!....”
En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij zei, ’t had hem verwonderd, dat hij haar nooit ’s was tegengekomen. Zij zei — even blozend — op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en eens op de tram.Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in comedies of zoo. ’s Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en ’s avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat villatje, waar ze daar juist uit gekomen was.
Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.
„Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek ’t veel erger geworden. Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.
„Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet waar?” vroeg Bernard met stillen eerbied.
„Ja,” zei ze dof, „twee-en-een-half jaar is ’t nu.” En even liepen ze zwijgend verder, met gebogen hoofden. „Kom!” zei ze toen in-eens, „ik moet naar huis.” En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand al uitstekend. „Mag ik u nog even terugbrengen,” vroeg hij.
„O!.... zeker!” zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen lachend, maar onmiskenbaar blij.
En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote, eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor ’t ranke meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond ’t offeren van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch vreemd, bizonder....
Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over ’t Gooi,.... ze hield dol van wandelen,.... ’t was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe was....
Bij ’t hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden elkaar goeden dag. „Tot weerziens, juffrouw Tadingh,” zei hij op vroolijk-hartelijken toon, „’k ben blij dat ik u weer ’s ontmoet heb.” En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging ’t krakende schelpenpad naar de waranda van ’t huisje op, terwijl hij langzaam, omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was ’t, haar slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij ’t huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag ’t.
En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger, in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe ’t kwam, wat haar in hem zoo beviel, begreep hij niet, maar ’t was duidelijk, dat ze hem heel graag zag, dat ze ’n beetje verliefd op hem was.... Wat een aangenaam-verwonderend,vreemd zacht-streelend idee was dat!....
Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo’n houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. ’t Zou nu veel te jammer zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar een beetje helpen in ’t opbeuren en steunen van die arme zwakke.... Zoo’n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster, dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil, gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid.
O! ’t Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....
Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar zei dat ’t lekker weer was, dat ’t hem altijd goed deed zoo’n avondwandeling.
En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. ’t Vulde de avonden zoo.
In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie. Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid, reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in ’t stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door ’t somber mooi van de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in ’t onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep, starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel ’s even of ’t toch niet verliefdheid was, of ’t niet passie zou kunnen worden wat hij voelde voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen. Maar nu was ’t of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter, wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door ’t licht van haar oogen. Zij wasnu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want dood was zijn hoog begeeren.
Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur. ’t Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te glimmen in ’t bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de dampen brak.
Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht de rhumatiekige armen en beenen te wrijven.
Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij — alsof dat heel natuurlijk was — regelrecht naar ’t zwarte weggetje waar Lucie woonde. Hij had zich zoo vereenzelvigd met ’t idee haar weer te zullen zien dien Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij ’t villatje stond, begon te begrijpen hoe vreemd ’t eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad was ’t nog wat anders, maar buiten kon dat best, want ’t samenzijn ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser, natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken.
Dus liep hij — licht schrikkend van ’t kraken van zijn stappen — ’t schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar moeder, stil oud-vrouwtje, ’t bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend. Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen.
Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei op vroolijken toon: „Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... ’k Heb ’t genoegen gehadkennis te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar ’s opzoeken.... en ook ’s kennis maken met u!....”
Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem: „O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even....” En ze liep naar binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere, bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: „Lucie!.... Lucie!....”
Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. „Maar, mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers wel komen.... Blijft u rustig zitten....,” zei hij luid en dringend. Hij begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. ’t Was weer echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!....
’t Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan, haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen terug. Hij zag zich alleen staan in ’t intieme warandatje. ’t Breiwerk lag neergegooid op ’t houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was ’t eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met ingehouden adem naar ’t fluister-gepraat binnen, maar hij verstond niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: „Mevrouw,” begon hij, „u is wel vriendelijk, maar....” Ze glimlachte nu bedaard. „Ze zal wel dadelijk komen,” zei ze, en ging weer zitten en nam ’t breiwerk weer op, den bril naar voren halend. „’t Is heelaardig van u, dat u ons ’s op komt zoeken, meneer Bandt....”
„Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en ’t niet brutaal van me vindt,” zei hij. „Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde....”
„Ja, ja!” knikte ze vriendelijk, „dat heeft ze me verteld.”
„En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u ’s een visite te komen maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld ’s Zondags in Bussum.... En ik heb niet veel kennissen....”
„Wij ook niet,” zei ze.
„Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?”
Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht in de oogen en ’t viel hem op, ’t deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende, ’t was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam ’t doordat Lucie op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen, maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en ’t hooge, blanke voorhoofd....
Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij ’s Zondags altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig, want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend, alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie....
Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. „Dag meneer Bandt,” zei ze, „hoe gaat het?....” Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze elkaar de hand.
Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een rustige, heldere blijdschap.Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt; een vroolijk-wit lintje was strak om ’t halsboordje gehaald en het zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong op ’t achterhoofd. Ze zag er frisch uit, ’t was of ze wat voller was geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren. Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan....
„Die Bussumsche lucht doet u goed,” zei Bernard, „u ziet er uitstekend uit....” Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde blijdschap, en over ’t oude gezicht met den stalen bril gleed een teere glans van innige, weemoedsvolle vreugde. „Ja, ja,” zei Lucie, „we knappen hier op, niet waar, moesje?” Die knikte weer. „Ja, ja, zeker!.... zeker!....” Maar daarna zuchtte ze. „’t Doet mama ook zoo goed, die lekkere lucht hier,” voegde ze er bij, zich weer naar Bernard keerend. „’t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht.”
En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat ’t er eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; ’t samen-zijn, ’t elkaar zien en hooren, dat was ’t enkel. De moeder ging, met stillen ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard.
Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan, als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijkwas en trotsch zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar werk.
Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,.... ontroerde.... En plotseling werd ’t hem te machtig, kon hij ’t niet meer verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn.... Midden in ’t gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest, dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten, en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag, verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie, blozend nu voor ’t eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot aan ’t hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde staan, en zijn oogen werden vochtig. „Ik kom gauw terug,” zei hij met een doffe, licht trillende stem, „adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie zeggen, nietwaar?....” „Graag!” zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, „doe je ’t heusch?.... ’t Zal mama ook zoo’n plezier doen!.... Dag Bernard!”
Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat een mooi woord maakte zij er van....
Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, ’t zwarte weggetje af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want’t was heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? ’t Was daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld, dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens met een weerzin aan ’t terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen weg, in stil gesoes....
En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze zich weer samen te voegen tot ’t gewone, lang gekende complex.
En toen merkte hij ’t in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, — was ’t zijn naam wel geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? — neen, dat had niets van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid, vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande, trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. ’t Was meer dan gewone vriendschap nu tusschen hen, ’t was zuivere, lichtende sympathie, ’t was een verliefdheid van zielen.... Maar, — of hij de gedachte al ontweek, ’t gaf niet, hij wist ’t toch, ’t was als ’t hoonend gegrijns van een duivel achter de rozenhaag van zijn geluk — hij kon haar aanzien zonder begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkendzag hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan ’t nobel welven van haar mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de begeerte in heete kussen wellust te drinken van ’t meegevende lippen-vleesch.
Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man, die koel, vast-emotie-loos zei: „Dit wordt uw vrouw.” Zou ’t zoo zijn? Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?
En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en begon opnieuw.
Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was op haar. Als ze ’t gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar oogen. Neen, ze had ’t zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat hij weer kwam, ’t had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel! Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd. Maar hoe kwam ’t dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden in haar, wier zieleleven van zoo’n stil-pralende pracht, van zoo’n weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem, bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep ’t niet, maar ’t was zoo en ’t streelde hem als zacht fluweel, ’t doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, ’t doorgloeide hem als zuivere zonnestralen, ’t bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in zoo’n vrouwenziel, en ’t hief hem op, ’t droeg hem door de lichte lucht, hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid te zullen zijn,zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend bewegen scheen en ’t leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat bewustzijn.
Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij ’t noodig had, nu dat het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet, nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood, verstikt, verdroogd?.... hij wist ’t niet, maar ’t was niet om uit te staan! ’t Was om dol te worden, om te gaan razen!....
Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond ’t zoo heerlijk, zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, ’t zou gemakkelijk genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat ’t niet gaan zou. Dat hij al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend.
Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan ’t recht hebben hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze ’t hem niet, hij voeldedat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de teleurstelling zien in haar oogen, ’t verdriet, de wanhoop misschien, en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!....
Maar wat dan?
Hij wist ’t niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een oogenblik speet ’t hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten, dat hij zoo’n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou toch voortaan zijn z’n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken weg. ’t Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij voelde ’t kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen. Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder ’t zich te verwijten. Hij moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk dan doen; hoe zou ’t moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan ’t werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij ’s ziek werd, als hij niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen....
Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor’t raam. Ze waren boos, ze bromden erg. Ze vonden ’t bespottelijk en heel verkeerd je zoo moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond dat ze groot gelijk had.
Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En ’s avonds in den trein kwamen al die gedachten van ’s middags terug en schenen hem nog ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij stond er den volgenden morgen mee op.
Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer over te tobben en ’s avonds kon hij nergens anders aan denken, was ’t een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen plan van handelen....
En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen ’t plotseling in hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan, dat was de hooge taak hem opgelegd. ’t Was of een witte duifzacht klapwiekend neergestreken op zijn schouder, ’t hem had ingefluisterd. In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar, met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde stilte als in een hooge kathedraal.