Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze natuurlijk nooit. Ze hadden ’t over de nieuwe Beurs.
Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van ’t eerste succes. Zóó, verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft — als wijn in den mond — de stemmingen die ’t maken hem geven zal.
Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur wou komen in een zeker laantje — hij duidde ’t haar nauwkeurig uit — een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom.
En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den sleutel van „de zaak” aan den boekhouder en verzocht hem voor ’t sluiten te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs naar ’t station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen.
Hij was in dezelfde stemming als gisteren, straken helder als de blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling.
’t Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in ’t laantje. ’t Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen ’t plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer dan mans-hoog.
Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en soms even, tusschen de boomen, ’t weiland over, dat frisch-wijd-uit in ’t helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar in ’t rustige wachten — hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou — ging dat over.
’t Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider voorbij en mompelde ’n groet. Anders was ’t stil. Wat gonzen van insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof, gedempt....
’t Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als ’t was.... Hij dacht even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte stil-weemoedig, soezerig starend langs ’t laantje.
Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó zou hij ’t juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; ’t zeggen, zooals ’t in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....
En toen hij haar in-eens — ’t was nog vóór vieren — den hoek omkomen zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom, abstract en dof....
Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds — den grooten stroohoed in de hand — zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op ’t strakke zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen, geluk-glanzenden blos hem aankijken....
Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. „Hier ben ik, Bernard,” hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt, beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend, zoekend naar zijn woorden: „Heel lief van je om hier te komen,.... ik dank je wel,.... vond-je ’t niet gek, dat briefje?....”
„Gek.... Nee!.... Maar wat is er?” vroeg ze. En ook in haar stem hoorde hij de onrust, den angst dat ’t niet dàt zou zijn, maar.... iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even half-bewust van genoot en ’t plan in hem opkwam er nog geen eind aan te maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij ’t weer, dat wufte spelletje; ’t gaf hem wat nieuwen wrevel....
Even was er stilte....
Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en helder-rustigen glimlach, zei hij: „Je weet best, wat er is,.... je begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!....”
Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: „Lucie,.... mijn lieve Lucie,.... mijn vrouw!....”
En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem. „Wil je me?” vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. „Ja,” fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om haar heen. Toen lei ze ’t warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op ’t strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag, beschermend tegen zijn borst.
Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij ’t niet goed aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te zien. Maar ze schudde ’t hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep ’t niet, dat lange snikken.
Maar in-eens hief ze ’t hoofd op, veegde met de linkerhand een paar tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van ’t huilen, lag nu zoo’n wijd-zachte zaligheid, zoo’n groot en innig geluk, dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht, op ’t voorhoofd. „Je zult ’t wel vreeselijk gek van me vinden, die huilbui, hè,” zei ze met een zenuwachtig lachje, „ja, ik vind ’t eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe ’t kwam in-eens.... Maar ’t is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo overweldigend....En ’k heb zóó lang naar je verlangd....” Langzaam, fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van innigheid.
„Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden,” vroeg hij met hoog-blijde verbazing.
„O! dadelijk! dol!” zei ze met extase. „Ik weet ’t nog precies. Ik had je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist ’t dadelijk, toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb ’t vroeger zelf nooit willen gelooven, dat ’t mogelijk was, en als ik ’t las in boeken heb ik er wel ’s om gelachen, en toch was ’t zoo, toch is ’t zoo!.... Van ’t eerste oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel, zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!....”
„Lieveling!” zei hij, „vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht tot-ie kwam?....” En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid, zacht-voorzichtigjes op ’t voorhoofd, en drukte haar hand.
„Ja.... natuurlijk....,” fluisterde ze.
En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. „En jij,” vroeg ze toen, zalig glimlachend, „wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je houdt toch van me, hè?.... Je hebt ’t me nog niet eens gezegd!....”
„Hoeft dat dan wel,” vroeg hij.
„’k Zou ’t je zoo graag hooren zeggen,” zei ze, en ze leunde weer tegen hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: „Zeg ’t ’s!.... Bernard!.... Heb je me lief?....”
„Ja,.... ik heb je lief....,” fluisterde hij toen, zijn oogen even sluitend. Weer waren ze een poosje stil.
„Hoe komt ’t toch dat je nu in eens van me bent gaan houden,” vroeg ze weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. „Op die partij toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag ’t wel!.... Heb je haar later niet meer ontmoet?”
„Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch....”
„En was je toen weer niet verliefd op haar?”
„Nee, o! heelemaal niet!”, zei hij lachend.
„Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je hield?”
„Een beetje....”
„Ja, ik dacht ’t wel,” zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor zacht stralenden blik, „’t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!.... En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je te bespreken!....”
„Maar als we nu ’s naar je moeder gingen,” opperde hij.
„Hè?.... Nu al?....” zei ze, met een vleiende stem, „toe, laten we nog wat hier blijven!.... ’t Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?....”
„Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze ’t dadelijk goed vinden?”
„Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt ’t zeker bijna net zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou.... O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin, altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een heerlijk laantje, zeg! Ik kende ’t heelemaal niet!.... Toe, laten we nog even blijven!....”
Ze vroeg ’t met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij zei ’t haar. Hij moest nu in ieder geval naarhaar moeder gaan en haar vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook wel even naar oom en tante gaan en ’t die zeggen....
„O! weten die er nog niets van,” vroeg ze.
„Wel nee! niets!” zei hij. „En ’t zou toch te gek zijn als ze later hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch niet!”
„Wèl nou maar, ik weet goed raad,” zei ze, „je blijft natuurlijk bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante.... Nee, nee, dat ’s waar, dat gaat ook niet,” viel ze zich zelf teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, „je dient ze daar wel even op voor te bereiden, hè?”
„Ja, natuurlijk!” zei hij, „dus moet dat allemaal een beetje gauw gebeuren.... Maar ’t kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je moeder gaan, en dan loop ik nog even voor ’t eten naar oom....”
„Ja,” zei ze, „goed!....” En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm, waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje stil, blijkbaar vond ze ’t niet prettig dat alles nu zoo haastig moest gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden maken, en de kleine uitstapjes ’s Zondags, en dat wond haar op tot een stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes doorging, zei ze even met een bezorgde stem: „Ja!.... ’t is natuurlijk altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we zullen wel zien!”
„Wel ja,” zei hij, zonder daarover na te denken,„dat zal wel terecht komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar ’s met je heen te vliegen....”
Toen ze dicht bij ’t villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste stem en blik?
Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met een boek voor zich. Lucie ging vooruit. „Ma-tje, hier is meneer Bernard Bandt, die komt u wat vragen,” zei ze met een opgewonden-hooge, zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward weer.
„Wat is dat?.... Wat is dat?....” zei de moeder, quasi-niet-begrijpend, met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. „Dag, meneer Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie! kindje! wat is er nu in-eens?....”
Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem: „Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu hopen we maar dat u ’t ook goed vindt,.... dat we trouwen....”
Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker hand streelde ze Lucie’s hoofd, dat in haar schoot lag,terwijl ze de rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige goedhartigheid.
„Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt,” zei ze eindelijk met een piepende, gebroken stem, „maar ik weet hoe m’n kind van je houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel goeds van je verteld....”
En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard, en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening.
Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte. „O! Bernard,” zei ze glimlachend, „als je wist hoe dat kind van den winter....” „Sst, sst! stil toch ma,” viel Lucie haar blij-blozend in de rede, „ik moet ’m dat nog allemaal vertellen....”
Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, ’t Was al laat genoeg! Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter voor zijn neef en pupil.
„Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!....” zei de moeder, „’t zal me aangenaam zijn.” Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch wel tegen op te zien.
„Dan komt je tante zeker mee,” vroeg Lucie.
„Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien....”
Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie; zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.
Ze waren op ’t punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde ’t werk op waar ze aan bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen zeBernard zagen, zoo onverwacht, midden in de week.
„Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?”
Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. “Ja,” zei hij, driftig zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel. „Gaat u ’s even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel, waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En met de moeder is ’t ook al in orde!”
Met open monden en groote oogen hoorden ze ’t aan.
„Hè?.... wàt?....” vroeg tante. „Wat ’s dat nou in-eens?” vroeg oom.
Toen zei hij ’t nog ’s heelemaal, wat langzamer, wat kalmer.
En tante, ’t eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen geven, en feliciteeren met tranen in de oogen.
Oom pruttelde. „Nou ja.... hoor ’s even!.... dat kan je nou wel zoo ’s effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet ’s eerder over gesproken!....”
„Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent ’t meisje immers toch niet!.... En als ’t anders geloopen was dan had ik ’t heele zaakje maar kalm voor me gehouden.”
„Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou je trouwen, heertje?....”
„Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet ’s feliciteeren?” verweet tante. „Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig natuurlijk!.... Breng je ze ’s gauw hier?”
„Hé!.... wacht nou ’s even!” zei oom, „feliciteerenwil ik je wel, jongen, — ofschoon ik ’t meisje nog niet eens ken —, hier! geef me ’n hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!....”
„Wel ja, oom,” zei Bernard, „dat moet u nou natuurlijk maar net doen, zooals u ’t goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel ’s een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast ’s kennis.
„Hm!.... Nou.... dat ’s goed,.... dat ’s goed!”
„Afgesproken,” zei Bernard, „dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan kunt u beiden er intusschen nog ’s over denken.... en over praten!.... Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!....”
En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog vragend of ’t een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die dingen.
Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. „Nou?.... wie heeft er nu gelijk gehad,” vroeg ze. „Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!.... Ik merk zulke dingen altijd dadelijk....”
Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van zijn andere handelsvrienden. Zoo’n juffertje Tadingh!.... Dat zou natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in zulke dingen....
„Ik vind je niets aardig,” zei tante. „Daar net ook al! Waarom feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met je berekeningen!....”
Maar ’s avonds kwamen ze, en Lucie, met haargroote, eenvoudige goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in. Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken. Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer ’t een beetje te kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en liet „de kinderen” zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.
Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!....
Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als een drukke droom....
Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust.
Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest’s middags in Amsterdam zijn, menschen spreken, en ’s avonds werk inhalen wat al was blijven liggen. ’t Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij ’t natuurlijk aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem hartelijk de hand. „In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet ’t zelf maar weten,” zei hij.
André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig. Hendrik stootte Bernard aan: „Die denkt: ’k wou dat ik al zoo ver was,” fluisterde hij. Maar André, die ’t gehoord had, bromde „verrek!” en dronk zijn borrel uit in één teug.
Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had, kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij ’t erg druk om al dien verloren tijd weer in te halen. En ’s Zondags werd er visite gewacht, buren en familie en de beste vrinden.
Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij ’t liefst dat ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld had ’t zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit starend. Hij zag haar nog niet, hij „lette niet op haar.” En langzaam, met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem ’t begrijpen van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewendenblik in één handbewegen, geschapen had.
Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. „Wat ben je ernstig, is er wat?” vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: „Wel nee, lieveling, niets,” en kuste haar op ’t voorhoofd of op ’t haar. En hij ging vroolijk met haar praten. Maar ’t medelijden in hem werd grooter, met scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen zich aantrok, of ’t hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen geslagen....
Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd. Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo ’n echt simpel buitenmeisje, ’n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.
Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren. Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was ’t den heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh’s eenvoudig buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.
’s Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie over haar moeder. „Ze schijnt wel héél zwak te zijn,” zei hij. „Dat is ’t,” antwoordde Lucie, „de minste inspanning pakt haar zoo aan.En ik weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar op te beuren.... Je kunt ’t zoo goed....”, zei ze, met een lief lachje. Maar even daarna, angstig weer: „Hoe zullen we toch later met haar doen,.... als we trouwen?....”
„Ja,” zei hij, „daar heb ik ook al over gedacht.... ’t Best zal zijn haar maar bij ons in huis te nemen, hè....”
„Ja,” zei ze,.... „zou je dat willen?....”
Ze zei ’t op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze ’t toch zeker wel ’t liefste zoo hebben zou....
„Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?” vroeg hij.
„Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen....” „Ja! och,” zei hij, „dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?.... Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen.”
„Ja!....” zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar ze richtte zich op, met een schokje. „Je bent mijn goeie vent, hoor!” zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.
Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer. Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden in Utrecht en in den Haag, en „’t jonge paar”werd uitgevraagd op dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag aan de oogen wat ze er van dachten, ’t was heel ergerlijk en vervelend, vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een heelen avond zoo ’n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos. En dan in-eens zoo’n kriebelige lust, een vloed van vloeken en kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring, dat was een temptatie.
Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden, alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van ’t succes van zijn plannen, van die stichtende voldoening....
Maar Lucie scheen ’t niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde ’t niet. Want dat was immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag ’t immers aan hem, zooals zij ’t gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond ’t een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij zag ’t zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten. Lucie scheen ’t nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden blik....
Misschien kon ’t haar ook niet schelen!....
Dikwijls als hij met haar praatte had hij ’t met stugge minachting over „de menschen.” De menschen geloofden dit, de menschen deden dat altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging ’t haar blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze ’t in-eens ronduit, dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met „de menschen.” Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk, zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!....
Ze vond ’t wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?
Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend — en schaamde zich een beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend, om ’t haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.
Dat gebeurde meest op wandelingen, in ’t maklijk voortgaan, naast elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde en gevoeld had. Heel bescheiden — als een vluchtig liedje in hooge eenzaamheid gezongen — klankten haar weinige woorden, en toch waren ze voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of diepte. En als hij haar daar iets van zei, met eenlicht ontroerde stem van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een dom schaap was, niet waard zoo’n knappen man. Wat zou hij van haar kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was ’t omdat ’t hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles, alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit ’t hoofd te praten!.... Maar hij beproefde ’t toch, sprekend over de oneindigheid van dingen, die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie.... ’t Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....
Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in, behalve ’s Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan, ofschoon ’t moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor ’t eten. Ze was altijd aan ’t station.
Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher, zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat ’t gelukt was tot nog toe en dat ’t ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk was dan, vaag-zweverig — iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders op als hij ’t merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was gelukkig, zijnLucie, zijn meisje. Hij voelde ’t telkens als hij haar zag staan, onder de wachtende menschen aan ’t station, hem dadelijk en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher, gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig waar te nemen, hij begon eindelijk „op haar te letten....”
En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden.
Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. „’t Komt alleen omdat jij van me houdt,” zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even stilstaan om hem een zoen te geven.
Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd tegen haar aanleggen zou, „om uit te rusten.” En dan keek hij naar haar, dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in ’t lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen. Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit ’t kapsel gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, ’t kleine moedervlekje aan de kin. En hij keek naar ’t stille bewegen van haar gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij ’t zijne. Hij zag dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook in die mysterieus onbewuste plooiingen waren.
En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar rank-soepel vrouwelijf warm tegenzijn oude beenige borst, knakkend de strakke hardheid van ’t heerige overhemd, dan kwam, — als lekkere lucht van zomer in April — malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust. En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte haar vaster tegen zich aan.
En dikwijls als hij op kantoor zat, of ’s avonds op zijn kamer, verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten, zóó, met haar....
Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken over haar en over hun verhouding. ’t Stond nu eenmaal vast, hij was niet verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken negeerde hij nog die koortsige aandoeningen.
Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo’n Zondag te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan ’t zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke, deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig waren begaan. De moeder had ’t goedgevonden, ze mocht die meelijdende dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de juffrouwen, die dol op „’t aardige jonge paar” waren, wisten niet wat ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met ’t vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar ’t beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.
Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard.Ze vond ’t heerlijk, dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan, zoo’n heelen dag, zoo’n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat ze weer te tobben had gehad met haar moeder.
Als ze van haar sprak was ’t altijd met hetzelfde teere medelijden, en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar hij zag ’t en hij ging ’t begrijpen door goed te letten op de moeder zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening die ’t gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van „haar kind”, en zei dat ook ontelbare malen, maar dat was vooral — leek ’t wel — om nog meer recht te hebben op liefde en vertroeteling, en „’t kind” zorgde dan ook voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar ’t maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel en deed ’t er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtigopgebeurd te worden, daar was ’t haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar goedig beklagend nu en dan, met stille vereering.
Die Zondagmorgens dan, als ’t mooi weer was, dan kwam Bernard met een heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan ’t station. En dan dat wegwandelen, Bussum uit, ’t Gooi in: naar Hilversum, of ’s Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren, met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn; Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen, frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was ’t heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, ’t hoofd ietwat naar achteren, met een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze ’t zoo verrukkelijk vond.
Soms scheen ’t haar bijna te machtig te worden, ’t alleen zijn met haar liefde in de bloeiende zonnelanden, en ’t vrij zijn, ’t mogen doen wat ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht, en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit, dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of haar hoed afwoei, verfomfaaiend ’t thuis zoo netjes strak getrokken kapsel. En hij holde haar achterna. ’t Was hem vreemd, hij had ’t sinds zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond ’t eigenlijk een beetje bespottelijk, en hij zei dat hij ’t niet graag deed, dat hij er zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze ’n beetje en keek hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen lach, en op een afstand riep ze: „Kom ’s hier, kom ’s kijken! Gauw! gauwdan, anders is ’t weg!” Dan draafde hij er heen en dan was ’t niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad, glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar in te halen en af te straffen....
Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen. Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij ’t eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange wandeling in de morgenlucht.
En ’s middags gingen ze lui-soezerig ergens in ’t bosch liggen, of ze liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen.
Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt wat rond te zwerven, had ze weer zoo’n echte, dol-uitgelaten bui. Ze kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze waren in ’t bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou ’s zien of hij dat nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken aan dat fluitje en ’t was af — toen riep hij: „Ben je daar?.... Lucie!....” Maar er kwam geen antwoord, ’t geluid van zijn stem stierf kort in ’t dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij liep en hoorde ’t kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen. En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in zijnkeel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend, soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak antwoorden; „Bernard!” hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. „Ik kom!” riep hij. Hij struikelde telkens, in ’t driftige loopen, viel op een knie maar was dadelijk weer op. En op ’t punt een weg over te steken zag hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend, overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig verlangen in haar stem: „Bernard!” Toen liep hij haastig naar haar toe, en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen, telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen, en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had.
En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist den wegterug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk gedacht, dat hij haar wel vinden zou.
Zóó — stil gaande — kwamen ze in een mooie laan van gelijke laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En fluisterend genoten ze.
Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht, aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou ’t toch nog komen?.... Werd hij nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou ’t zalig zijn!....
Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens. En dat ergerde hem volstrekt niet, maar ’t maakte hem vroolijk, onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar ’s avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil dwepen....
Den daarop volgenden dag, ’s morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig, dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen.... ’t Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken. En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend, sniklachend. Maar eindelijk kwam ’t: „Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil me toch hebben!.... Hoe vindt je ’t, vindt je ’t niet bespottelijk?.... Zoo’n vent als ik!.... Zeg!... Zoo’n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je ’t?”
Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem mee, zenuwachtig, en zei dat hij’t ook eigenlijk bespottelijk vond, en ze proestten ’t allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn vrind, ’t was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe ’t gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens alle menschen.
En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach van intieme verstandhouding, alsof hij ’t kende, dat allemaal.... Dat hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel ’s, als hij dacht aan liefde tusschen Betsy en André.
Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk, hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar ’t haar te vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was, want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had ’t niet aardig gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn alles....
En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm. Hij dacht aan haar, aanhun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht, zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde ’t koortsig verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door ’t met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde ’t nu, in zijn overspanning: zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment naderde; straks zou hij ’t grijpen en zalig zijn....
Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag warm-soezerig tegen de nare weekheid van ’t fluweelige trijp. Want als een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk, had hij ’t visioen weer gezien van dien nacht in ’t bordeel, van dat week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon hij ’t nu niet vergeten! ’t Was nog alleen in zijn herinnering, waarom kon hij ’t niet daaruit weg doen nu, zoodat ’t heelemaal niet meer bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort voordat zij kwam!
Maar toen, langzaam — hij voelde ’t al, vaag, voor hij ’t dorst te aanvaarden — kwam ’t verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te rukken, ’t los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij ’t eenmaal had aanvaard, groeide ’t, als een volksopstand tegen langeverdrukking, en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, ’t had uitgediend, hij wilde ’t niet langer, hij verachtte ’t nu, hij trapte en spuwde er op. Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten, ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot een hooger, wijder, lichter leven!....
Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen, stil; hij zag voor ’t eerst haar fijn profiel in ’t maanlicht, op een eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde haar warmen adem. En fluisterend had hij ’t over later, over de zaligheid van ’t altijd-samen zijn, ’t zich heelemaal geven de een aan den ander. Hij hoorde ’t rythmisch opgolven van haar gelukkigen lach. „En kwam mama dan bij ons inwonen,” vroeg ze in-eens, zacht, leuk-guitig.... „Waarachtig niet!” zei hij, en ze lachten beiden met stille schokjes en intiem gefluister. „Nou ja!” zei hij, „ik dacht toen nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders voor haar vinden, wàt?....” En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde en geluk.
’t Was in den nazomer, op een mooien dag in ’t laatst van Augustus. Ze waren ’s morgens naar Beverwijkgespoord, daar hadden ze koffie gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn meisje — en dan keek ze hem ook altijd aan! — voelde dat ze, zoo zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de juiste woorden. ’t Was of ’t praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat hoog-opbloeide in ’t emotievolle zwijgen.
Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan ’t groote genot van de liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten. Met bewondering had hij ’t in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw leven, al ’t andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer ergerlijk....
Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als dezen dag. Hij wist niet waar ’t door kwam, een prikkelend bevreemden verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde verwachting, vage begeerte....
Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan ’t strand tuurden ze lang in de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar ’t diepe geruisch, dat gedurig vulde de hooge lichte lucht.
Over ’t gladde strand waarlangs ’t ebbende waterwas weggevloeid, met vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer bleven ze staren in zee en luisteren naar ’t eeuwig geruisch.
En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee ’t hooge duin op, en verder ’t eenzaam duinenland in, de stille valleien van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.
Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt, over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.
En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. ’t Was of hij haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!.... O! ’t genot van weten, dat ’t geen droom was maar tastbare werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief had en van hem was....
En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over ’t strakke blauw....
Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in ’t bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach. Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen aangetrokken! Toch beteekende ’t minieme feitje niet veel meer dan, nog watlanger geleden, dat liegen toen op school — of eigenlijk was dat liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord, verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster, had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....
Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon ’t eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....
Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van ’t teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond, haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem liefkoosden.
Lang bleven ze nog liggen daar, in ’t stille duindal, terwijl de wind suizend over de toppen streek.
Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige wolken gingen, midden in ’t heilige zonneland, en daar om heen was de wereld, wijd-rondom.
Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar ’t breede strand, dat aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van ’t strand af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-’t water.
Toen liepen ze langzaam terug naar ’t verre badplaatsje, hand in hand....
Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.
En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan ’t sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en ’t meisje was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.
Amsterdam, 1895—’97.