Tweede Deel

Tweede DeelMaudIIk herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan.Dat was het begin van wat de Amerikanen “Fall” of “Indian Summer” noemen.Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staatals ’t ware nog te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of fonkelend-oranje tegen ’t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht.Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug naar het gedrocht toekeerde enstroomopwaartsliep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen ’t ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in dien wilden chaos neergesleept,en dat brak dan op de rotsen dat men ’t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in ’t groot wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de “Whirlpool Rapids” krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ikmeer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie.O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er overheen gewelfd! ’t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. ’t Was iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken toe.Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoordehaar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel “dreupelfs” ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering van den dollar heengekomen was.IIIk wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het waseen harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van ’t woord voor hem en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.’s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die rijke Amerikanen.Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: “Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in ’t land gekomenen nu is hij vijftig miljoen dollar waard.”Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo’n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. ’t Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn “office” om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,—de eerste en de grootste van wat?—en om de kleinere, zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo’n man werd niet oud. Zoo’n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,—de eenige weeldedie hij zich voortaan mocht veroorloven,—mede te betalen.Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van ’t geld, heb ik het geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! “Le trésor de l’humble!”Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren.Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel opzichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen.Dat geeft aan ’t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken; ’t is of er oorlog heeft gewoed.Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende wereldwonderen, maar aan veelintieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten.Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in ’t oneindige. De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheidonder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op ’t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan ’t houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers ging uitdeinen.IIIWat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou vanschaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.Laat ik het dus probeeren.Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van ’t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche “blizzard.”Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde ik daar wonderen bij.De “blizzard” had als ’t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa’s, waar ik dikwijls omheen wandelde,lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als ’t ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven en begraven in de sneeuw. ’t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag.Wat was het daar nu prachtig in die ongerepteblankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en ’t uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op ’t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest.Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort “mirage” liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in ’t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen in de dolle vaart van ’t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn voeten, met haar sleedje omkantelde enhals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij instinctmatig deed en zei.Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van ’t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie....Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had.Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes.Daar stond ik. Had ik nu niets meer tedoen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij “Auntie” noemde; en meteen was ik vergeten, o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke lucht van viooltjes....Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.Zij gingen naar ’t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand,mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met cake; en ook ik bestelde thee met cake.Er was met haar, behalve ’t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij “Auntie” noemde, nog een dame met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren.Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht evenaanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van ’t kasteel en voelde als ’t ware ’t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden.De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over ’t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenente roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa’s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, “Auntie” met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en ’t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen ’t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden ’t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok.Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in ’t voorbijgaanaan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen ’t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze den naam van ’t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa’s, of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daarergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in ’t gezicht te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achtereen boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en ’t zong in mij, van hoop en schoonheid.Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om liefst de boot te nemen.’k Wasin een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en ’k glimlachte, heel teer, heel zacht.Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoegprikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa’s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van ’t haardvuur, in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat wasTieldekenvan Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hinger als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige “skyscrapers.”De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en ’t gewoel der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was ’t mij te moede alsof diestrijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen voor tien, naar Martin’s en liet mij daar royaal bedienen.Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan ’t tafeltje; en samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, gespeeld op een podium, door zwartharige,olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten mede naar ’t verleden, naar ’t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op ’t ijs en voerde hij zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan ’t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan ’t knoeien zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van ’t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde inmij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij derekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota’s op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, verlammende schimbeelden uit ’t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.IV—Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook ’s winters op den vijver schaatsgereden werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en ’k durfde niet.Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke dagen, ter veroveringvan den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.Ik merkte, of, beter gezegd, ik “voelde,” zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:—The ball is up!The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als ’t maar geen valsch bericht is! Mijn oogen priemden in ’t verschiet tusschen de villa’s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op ’t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over ’t ijs en zwierde....Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. ’t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,dacht aan niets anders. ’t Was als een soort van dronkenheid. Ik trokeenpaar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan ’t probeeren met figuren, doch ’t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch was ’t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op ’t ijs.Toen zag ik haar, háár, eensklaps!Ik zag haar heel op ’t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszinsbeschermend, begeleidend bij de hand hield.Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende haar,glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich ’k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even ’t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op ’t ijs. Ik trok enkelekrullen. Het ging wel, maar onbewust als ’t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, metmijnbeenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij ’t overige van mijn physiek wezen pasten.Daar kwam ze weer terug, met ’t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.—Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende ’t bij-de-hand gezicht van “Auntie,” die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar “Auntie” zich met haar familieleden in ’t heerlijk zonnetje zat te koesteren.“Auntie” stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de “old country,” in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.—België.... is dat in “Germany?” vroeg “Auntie” met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.—Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met “Germany” te maken heeft.Ik glimlachte en knikte, bevestigde datinderdaad België niets met “Germany” te maken had. “Auntie” vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar man gelijk had.Maud en ’t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot ’t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij naar het kleintje wees:—Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.—Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.—Nou dan, zei ik.Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde ’k weet niet welke kunsten en figuren uit.—How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde ’t, struikelde, strekte een hand uit, die inmijnbevende hand terecht kwam.Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend naar de bank toe:—Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.—Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei “Auntie.”Ik gaf “Auntie” en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met ’t opgetogen kleintje rond.Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul gemaakt moest worden.Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.—Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.Zij herbegon, maar het ging nog niet. “Auntie” mengde zich in de les, riep, van op de bank: “naar achter, naar achter, het linkerbeen naar achter.”—Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.—Mag ik u soms even vasthouden?vroeg ik.—Graag, antwoordde zij.Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend stutten en droegen.—Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud’s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken.Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan zeggen: “O, ’t is te veel, meneer; ’t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!” Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in ’t lekkerwarm restaurant, bij een dergroote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan.Zijn “line” was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, “that he should sell out his business” om rustig buiten te gaan leven.Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in ’t gesprek.—Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van ’s ochtends tot ’s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in “society” brengen.Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een “self-made man,” dat zei hij zelf, en misschien wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder: “dat zij de kinderen in “society” moest brengen. Society!.... dat warendiners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in “society” uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef, zoo machteloos!Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, danishij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan “society-life” niet te besteden.—O, vader! vader! riepen de dames verbolgen.Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en ’t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van “Auntie,” gansch opgewonden door de prikkelende discussie.Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. ’t Is ’n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat ’t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de “old country” waren. “Pas nu op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.” Ik keek, als geïnspireerd, door ’t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:—Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van Europa’s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika’s fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Ditzeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog.Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en “Auntie” jubelden, terwijl een zachte gloed van geestdrift even in Maud’s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, “Auntie” had het nog eens over België en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in “Germany” lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar “Auntie” liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet in “Germany” lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat België wèl in “Germany” lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde ik beweren dat België niet in “Germany” lag, dan verbeurde ik de sympathie van “Auntie,” en, dit voeldeik héél sterk en instinctmatig, “Auntie” met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat België’s bestaan als eigen koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide.Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk in de rede en zei,genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen.—U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots.Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.—O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.—Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.Of ik ook tijd had! In werkelijkheid hadik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij niet van mijn “business” mocht afhouden, daar ik een flink “American” moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had.De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.—Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen.De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, alshet eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorensonzeliefde vast aan elkaar geklonken was.Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en “Auntie.” De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in ’t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in.Wij keuvelden over diverse dingen. “Auntie,” die nog steeds veel belang in de “old country” stelde, wilde o. a. weten hoe de welgestelde menschen aldaar ’s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.—Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende “Auntie.” En zij deelde mij mede dat zij ’s zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen, en dan naar Saratogain de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en “smart” was.“Society” sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: “Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!”Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met Violet aangekuierd kwamen.Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en ’t kwam mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en ’t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde,alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.Het stoomde als ’t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik èn de aanlegplaats der “ferry’s” èn het station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York terug, niet meetellend mijn moeheid en denafstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde.Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in ’t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van ’t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mijkende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in ’t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantismeen ideaal terstond op ’t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een “bar” van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den “barkeeper” of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.—Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste “drinks” werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Hadik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ookmijnhome was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van ’t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de deur van ’t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar ’t was de zeer prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen.Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.

Tweede DeelMaudIIk herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan.Dat was het begin van wat de Amerikanen “Fall” of “Indian Summer” noemen.Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staatals ’t ware nog te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of fonkelend-oranje tegen ’t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht.Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug naar het gedrocht toekeerde enstroomopwaartsliep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen ’t ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in dien wilden chaos neergesleept,en dat brak dan op de rotsen dat men ’t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in ’t groot wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de “Whirlpool Rapids” krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ikmeer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie.O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er overheen gewelfd! ’t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. ’t Was iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken toe.Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoordehaar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel “dreupelfs” ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering van den dollar heengekomen was.IIIk wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het waseen harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van ’t woord voor hem en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.’s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die rijke Amerikanen.Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: “Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in ’t land gekomenen nu is hij vijftig miljoen dollar waard.”Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo’n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. ’t Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn “office” om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,—de eerste en de grootste van wat?—en om de kleinere, zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo’n man werd niet oud. Zoo’n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,—de eenige weeldedie hij zich voortaan mocht veroorloven,—mede te betalen.Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van ’t geld, heb ik het geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! “Le trésor de l’humble!”Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren.Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel opzichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen.Dat geeft aan ’t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken; ’t is of er oorlog heeft gewoed.Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende wereldwonderen, maar aan veelintieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten.Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in ’t oneindige. De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheidonder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op ’t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan ’t houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers ging uitdeinen.IIIWat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou vanschaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.Laat ik het dus probeeren.Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van ’t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche “blizzard.”Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde ik daar wonderen bij.De “blizzard” had als ’t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa’s, waar ik dikwijls omheen wandelde,lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als ’t ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven en begraven in de sneeuw. ’t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag.Wat was het daar nu prachtig in die ongerepteblankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en ’t uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op ’t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest.Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort “mirage” liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in ’t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen in de dolle vaart van ’t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn voeten, met haar sleedje omkantelde enhals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij instinctmatig deed en zei.Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van ’t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie....Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had.Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes.Daar stond ik. Had ik nu niets meer tedoen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij “Auntie” noemde; en meteen was ik vergeten, o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke lucht van viooltjes....Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.Zij gingen naar ’t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand,mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met cake; en ook ik bestelde thee met cake.Er was met haar, behalve ’t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij “Auntie” noemde, nog een dame met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren.Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht evenaanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van ’t kasteel en voelde als ’t ware ’t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden.De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over ’t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenente roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa’s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, “Auntie” met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en ’t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen ’t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden ’t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok.Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in ’t voorbijgaanaan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen ’t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze den naam van ’t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa’s, of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daarergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in ’t gezicht te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achtereen boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en ’t zong in mij, van hoop en schoonheid.Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om liefst de boot te nemen.’k Wasin een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en ’k glimlachte, heel teer, heel zacht.Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoegprikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa’s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van ’t haardvuur, in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat wasTieldekenvan Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hinger als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige “skyscrapers.”De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en ’t gewoel der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was ’t mij te moede alsof diestrijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen voor tien, naar Martin’s en liet mij daar royaal bedienen.Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan ’t tafeltje; en samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, gespeeld op een podium, door zwartharige,olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten mede naar ’t verleden, naar ’t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op ’t ijs en voerde hij zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan ’t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan ’t knoeien zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van ’t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde inmij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij derekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota’s op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, verlammende schimbeelden uit ’t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.IV—Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook ’s winters op den vijver schaatsgereden werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en ’k durfde niet.Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke dagen, ter veroveringvan den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.Ik merkte, of, beter gezegd, ik “voelde,” zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:—The ball is up!The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als ’t maar geen valsch bericht is! Mijn oogen priemden in ’t verschiet tusschen de villa’s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op ’t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over ’t ijs en zwierde....Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. ’t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,dacht aan niets anders. ’t Was als een soort van dronkenheid. Ik trokeenpaar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan ’t probeeren met figuren, doch ’t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch was ’t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op ’t ijs.Toen zag ik haar, háár, eensklaps!Ik zag haar heel op ’t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszinsbeschermend, begeleidend bij de hand hield.Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende haar,glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich ’k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even ’t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op ’t ijs. Ik trok enkelekrullen. Het ging wel, maar onbewust als ’t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, metmijnbeenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij ’t overige van mijn physiek wezen pasten.Daar kwam ze weer terug, met ’t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.—Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende ’t bij-de-hand gezicht van “Auntie,” die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar “Auntie” zich met haar familieleden in ’t heerlijk zonnetje zat te koesteren.“Auntie” stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de “old country,” in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.—België.... is dat in “Germany?” vroeg “Auntie” met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.—Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met “Germany” te maken heeft.Ik glimlachte en knikte, bevestigde datinderdaad België niets met “Germany” te maken had. “Auntie” vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar man gelijk had.Maud en ’t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot ’t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij naar het kleintje wees:—Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.—Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.—Nou dan, zei ik.Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde ’k weet niet welke kunsten en figuren uit.—How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde ’t, struikelde, strekte een hand uit, die inmijnbevende hand terecht kwam.Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend naar de bank toe:—Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.—Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei “Auntie.”Ik gaf “Auntie” en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met ’t opgetogen kleintje rond.Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul gemaakt moest worden.Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.—Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.Zij herbegon, maar het ging nog niet. “Auntie” mengde zich in de les, riep, van op de bank: “naar achter, naar achter, het linkerbeen naar achter.”—Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.—Mag ik u soms even vasthouden?vroeg ik.—Graag, antwoordde zij.Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend stutten en droegen.—Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud’s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken.Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan zeggen: “O, ’t is te veel, meneer; ’t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!” Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in ’t lekkerwarm restaurant, bij een dergroote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan.Zijn “line” was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, “that he should sell out his business” om rustig buiten te gaan leven.Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in ’t gesprek.—Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van ’s ochtends tot ’s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in “society” brengen.Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een “self-made man,” dat zei hij zelf, en misschien wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder: “dat zij de kinderen in “society” moest brengen. Society!.... dat warendiners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in “society” uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef, zoo machteloos!Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, danishij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan “society-life” niet te besteden.—O, vader! vader! riepen de dames verbolgen.Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en ’t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van “Auntie,” gansch opgewonden door de prikkelende discussie.Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. ’t Is ’n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat ’t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de “old country” waren. “Pas nu op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.” Ik keek, als geïnspireerd, door ’t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:—Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van Europa’s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika’s fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Ditzeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog.Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en “Auntie” jubelden, terwijl een zachte gloed van geestdrift even in Maud’s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, “Auntie” had het nog eens over België en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in “Germany” lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar “Auntie” liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet in “Germany” lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat België wèl in “Germany” lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde ik beweren dat België niet in “Germany” lag, dan verbeurde ik de sympathie van “Auntie,” en, dit voeldeik héél sterk en instinctmatig, “Auntie” met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat België’s bestaan als eigen koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide.Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk in de rede en zei,genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen.—U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots.Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.—O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.—Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.Of ik ook tijd had! In werkelijkheid hadik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij niet van mijn “business” mocht afhouden, daar ik een flink “American” moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had.De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.—Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen.De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, alshet eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorensonzeliefde vast aan elkaar geklonken was.Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en “Auntie.” De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in ’t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in.Wij keuvelden over diverse dingen. “Auntie,” die nog steeds veel belang in de “old country” stelde, wilde o. a. weten hoe de welgestelde menschen aldaar ’s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.—Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende “Auntie.” En zij deelde mij mede dat zij ’s zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen, en dan naar Saratogain de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en “smart” was.“Society” sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: “Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!”Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met Violet aangekuierd kwamen.Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en ’t kwam mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en ’t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde,alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.Het stoomde als ’t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik èn de aanlegplaats der “ferry’s” èn het station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York terug, niet meetellend mijn moeheid en denafstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde.Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in ’t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van ’t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mijkende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in ’t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantismeen ideaal terstond op ’t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een “bar” van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den “barkeeper” of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.—Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste “drinks” werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Hadik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ookmijnhome was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van ’t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de deur van ’t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar ’t was de zeer prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen.Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.

IIk herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan.Dat was het begin van wat de Amerikanen “Fall” of “Indian Summer” noemen.Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staatals ’t ware nog te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of fonkelend-oranje tegen ’t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht.Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug naar het gedrocht toekeerde enstroomopwaartsliep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen ’t ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in dien wilden chaos neergesleept,en dat brak dan op de rotsen dat men ’t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in ’t groot wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de “Whirlpool Rapids” krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ikmeer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie.O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er overheen gewelfd! ’t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. ’t Was iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken toe.Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoordehaar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel “dreupelfs” ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering van den dollar heengekomen was.

Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.

Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan.

Dat was het begin van wat de Amerikanen “Fall” of “Indian Summer” noemen.

Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.

Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staatals ’t ware nog te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.

Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of fonkelend-oranje tegen ’t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.

Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht.

Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug naar het gedrocht toekeerde enstroomopwaartsliep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen ’t ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in dien wilden chaos neergesleept,en dat brak dan op de rotsen dat men ’t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.

Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in ’t groot wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de “Whirlpool Rapids” krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ikmeer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie.

O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er overheen gewelfd! ’t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. ’t Was iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken toe.

Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoordehaar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel “dreupelfs” ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering van den dollar heengekomen was.

IIIk wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het waseen harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van ’t woord voor hem en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.’s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die rijke Amerikanen.Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: “Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in ’t land gekomenen nu is hij vijftig miljoen dollar waard.”Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo’n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. ’t Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn “office” om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,—de eerste en de grootste van wat?—en om de kleinere, zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo’n man werd niet oud. Zoo’n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,—de eenige weeldedie hij zich voortaan mocht veroorloven,—mede te betalen.Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van ’t geld, heb ik het geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! “Le trésor de l’humble!”Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren.Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel opzichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen.Dat geeft aan ’t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken; ’t is of er oorlog heeft gewoed.Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende wereldwonderen, maar aan veelintieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten.Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in ’t oneindige. De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheidonder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op ’t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan ’t houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers ging uitdeinen.

Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het waseen harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van ’t woord voor hem en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.

’s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die rijke Amerikanen.

Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: “Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in ’t land gekomenen nu is hij vijftig miljoen dollar waard.”

Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo’n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. ’t Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn “office” om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,—de eerste en de grootste van wat?—en om de kleinere, zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo’n man werd niet oud. Zoo’n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,—de eenige weeldedie hij zich voortaan mocht veroorloven,—mede te betalen.

Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van ’t geld, heb ik het geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.

Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! “Le trésor de l’humble!”

Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren.

Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel opzichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen.

Dat geeft aan ’t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken; ’t is of er oorlog heeft gewoed.

Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende wereldwonderen, maar aan veelintieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten.

Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in ’t oneindige. De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheidonder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op ’t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan ’t houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers ging uitdeinen.

IIIWat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou vanschaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.Laat ik het dus probeeren.Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van ’t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche “blizzard.”Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde ik daar wonderen bij.De “blizzard” had als ’t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa’s, waar ik dikwijls omheen wandelde,lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als ’t ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven en begraven in de sneeuw. ’t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag.Wat was het daar nu prachtig in die ongerepteblankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en ’t uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op ’t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest.Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort “mirage” liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in ’t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen in de dolle vaart van ’t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn voeten, met haar sleedje omkantelde enhals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij instinctmatig deed en zei.Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van ’t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie....Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had.Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes.Daar stond ik. Had ik nu niets meer tedoen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij “Auntie” noemde; en meteen was ik vergeten, o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke lucht van viooltjes....Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.Zij gingen naar ’t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand,mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met cake; en ook ik bestelde thee met cake.Er was met haar, behalve ’t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij “Auntie” noemde, nog een dame met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren.Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht evenaanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van ’t kasteel en voelde als ’t ware ’t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden.De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over ’t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenente roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa’s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, “Auntie” met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en ’t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen ’t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden ’t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok.Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in ’t voorbijgaanaan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen ’t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze den naam van ’t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa’s, of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daarergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in ’t gezicht te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achtereen boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en ’t zong in mij, van hoop en schoonheid.Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om liefst de boot te nemen.’k Wasin een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en ’k glimlachte, heel teer, heel zacht.Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoegprikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa’s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van ’t haardvuur, in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat wasTieldekenvan Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hinger als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige “skyscrapers.”De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en ’t gewoel der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was ’t mij te moede alsof diestrijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen voor tien, naar Martin’s en liet mij daar royaal bedienen.Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan ’t tafeltje; en samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, gespeeld op een podium, door zwartharige,olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten mede naar ’t verleden, naar ’t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op ’t ijs en voerde hij zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan ’t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan ’t knoeien zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van ’t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde inmij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij derekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota’s op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, verlammende schimbeelden uit ’t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.

Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou vanschaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.

Laat ik het dus probeeren.

Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van ’t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.

Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche “blizzard.”

Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde ik daar wonderen bij.

De “blizzard” had als ’t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa’s, waar ik dikwijls omheen wandelde,lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als ’t ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven en begraven in de sneeuw. ’t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.

Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag.

Wat was het daar nu prachtig in die ongerepteblankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en ’t uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op ’t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.

De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.

Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.

Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest.

Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort “mirage” liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in ’t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen in de dolle vaart van ’t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn voeten, met haar sleedje omkantelde enhals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.

Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij instinctmatig deed en zei.

Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van ’t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie....

Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had.

Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes.

Daar stond ik. Had ik nu niets meer tedoen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij “Auntie” noemde; en meteen was ik vergeten, o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke lucht van viooltjes....

Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.

Zij gingen naar ’t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand,mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met cake; en ook ik bestelde thee met cake.

Er was met haar, behalve ’t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij “Auntie” noemde, nog een dame met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren.

Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht evenaanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van ’t kasteel en voelde als ’t ware ’t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden.

De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over ’t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenente roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.

Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa’s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, “Auntie” met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en ’t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen ’t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden ’t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok.

Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in ’t voorbijgaanaan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen ’t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze den naam van ’t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.

Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aanTieldekenvan Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.

Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa’s, of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.

Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daarergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in ’t gezicht te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achtereen boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.

Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en ’t zong in mij, van hoop en schoonheid.

Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om liefst de boot te nemen.

’k Wasin een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en ’k glimlachte, heel teer, heel zacht.

Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoegprikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa’s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.

De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!

Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van ’t haardvuur, in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat wasTieldekenvan Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.

De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hinger als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige “skyscrapers.”

De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en ’t gewoel der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was ’t mij te moede alsof diestrijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.

In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen voor tien, naar Martin’s en liet mij daar royaal bedienen.

Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan ’t tafeltje; en samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, gespeeld op een podium, door zwartharige,olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten mede naar ’t verleden, naar ’t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.

Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op ’t ijs en voerde hij zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan ’t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan ’t knoeien zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van ’t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde inmij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij derekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota’s op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, verlammende schimbeelden uit ’t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.

IV—Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook ’s winters op den vijver schaatsgereden werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en ’k durfde niet.Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke dagen, ter veroveringvan den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.Ik merkte, of, beter gezegd, ik “voelde,” zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:—The ball is up!The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als ’t maar geen valsch bericht is! Mijn oogen priemden in ’t verschiet tusschen de villa’s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op ’t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over ’t ijs en zwierde....Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. ’t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,dacht aan niets anders. ’t Was als een soort van dronkenheid. Ik trokeenpaar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan ’t probeeren met figuren, doch ’t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch was ’t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op ’t ijs.Toen zag ik haar, háár, eensklaps!Ik zag haar heel op ’t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszinsbeschermend, begeleidend bij de hand hield.Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende haar,glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich ’k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even ’t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op ’t ijs. Ik trok enkelekrullen. Het ging wel, maar onbewust als ’t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, metmijnbeenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij ’t overige van mijn physiek wezen pasten.Daar kwam ze weer terug, met ’t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.—Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende ’t bij-de-hand gezicht van “Auntie,” die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar “Auntie” zich met haar familieleden in ’t heerlijk zonnetje zat te koesteren.“Auntie” stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de “old country,” in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.—België.... is dat in “Germany?” vroeg “Auntie” met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.—Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met “Germany” te maken heeft.Ik glimlachte en knikte, bevestigde datinderdaad België niets met “Germany” te maken had. “Auntie” vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar man gelijk had.Maud en ’t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot ’t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij naar het kleintje wees:—Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.—Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.—Nou dan, zei ik.Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde ’k weet niet welke kunsten en figuren uit.—How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde ’t, struikelde, strekte een hand uit, die inmijnbevende hand terecht kwam.Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend naar de bank toe:—Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.—Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei “Auntie.”Ik gaf “Auntie” en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met ’t opgetogen kleintje rond.Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul gemaakt moest worden.Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.—Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.Zij herbegon, maar het ging nog niet. “Auntie” mengde zich in de les, riep, van op de bank: “naar achter, naar achter, het linkerbeen naar achter.”—Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.—Mag ik u soms even vasthouden?vroeg ik.—Graag, antwoordde zij.Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend stutten en droegen.—Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud’s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken.Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan zeggen: “O, ’t is te veel, meneer; ’t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!” Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in ’t lekkerwarm restaurant, bij een dergroote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan.Zijn “line” was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, “that he should sell out his business” om rustig buiten te gaan leven.Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in ’t gesprek.—Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van ’s ochtends tot ’s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in “society” brengen.Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een “self-made man,” dat zei hij zelf, en misschien wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder: “dat zij de kinderen in “society” moest brengen. Society!.... dat warendiners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in “society” uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef, zoo machteloos!Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, danishij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan “society-life” niet te besteden.—O, vader! vader! riepen de dames verbolgen.Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en ’t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van “Auntie,” gansch opgewonden door de prikkelende discussie.Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. ’t Is ’n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat ’t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de “old country” waren. “Pas nu op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.” Ik keek, als geïnspireerd, door ’t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:—Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van Europa’s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika’s fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Ditzeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog.Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en “Auntie” jubelden, terwijl een zachte gloed van geestdrift even in Maud’s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, “Auntie” had het nog eens over België en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in “Germany” lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar “Auntie” liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet in “Germany” lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat België wèl in “Germany” lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde ik beweren dat België niet in “Germany” lag, dan verbeurde ik de sympathie van “Auntie,” en, dit voeldeik héél sterk en instinctmatig, “Auntie” met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat België’s bestaan als eigen koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide.Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk in de rede en zei,genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen.—U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots.Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.—O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.—Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.Of ik ook tijd had! In werkelijkheid hadik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij niet van mijn “business” mocht afhouden, daar ik een flink “American” moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had.De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.—Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen.De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, alshet eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorensonzeliefde vast aan elkaar geklonken was.Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en “Auntie.” De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in ’t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in.Wij keuvelden over diverse dingen. “Auntie,” die nog steeds veel belang in de “old country” stelde, wilde o. a. weten hoe de welgestelde menschen aldaar ’s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.—Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende “Auntie.” En zij deelde mij mede dat zij ’s zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen, en dan naar Saratogain de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en “smart” was.“Society” sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: “Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!”Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met Violet aangekuierd kwamen.Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en ’t kwam mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en ’t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde,alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.Het stoomde als ’t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik èn de aanlegplaats der “ferry’s” èn het station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York terug, niet meetellend mijn moeheid en denafstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde.Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in ’t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van ’t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mijkende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in ’t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantismeen ideaal terstond op ’t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een “bar” van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den “barkeeper” of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.—Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste “drinks” werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Hadik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ookmijnhome was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van ’t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de deur van ’t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar ’t was de zeer prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen.Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.

—Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook ’s winters op den vijver schaatsgereden werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.

De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en ’k durfde niet.

Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke dagen, ter veroveringvan den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.

Ik merkte, of, beter gezegd, ik “voelde,” zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:

—The ball is up!

The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.

The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als ’t maar geen valsch bericht is! Mijn oogen priemden in ’t verschiet tusschen de villa’s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!

Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op ’t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over ’t ijs en zwierde....

Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. ’t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,dacht aan niets anders. ’t Was als een soort van dronkenheid. Ik trokeenpaar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.

Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan ’t probeeren met figuren, doch ’t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch was ’t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op ’t ijs.

Toen zag ik haar, háár, eensklaps!

Ik zag haar heel op ’t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszinsbeschermend, begeleidend bij de hand hield.

Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.

Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende haar,glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich ’k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even ’t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.

Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op ’t ijs. Ik trok enkelekrullen. Het ging wel, maar onbewust als ’t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, metmijnbeenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij ’t overige van mijn physiek wezen pasten.

Daar kwam ze weer terug, met ’t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.

—Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.

Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende ’t bij-de-hand gezicht van “Auntie,” die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.

Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar “Auntie” zich met haar familieleden in ’t heerlijk zonnetje zat te koesteren.

“Auntie” stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.

Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de “old country,” in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.

—België.... is dat in “Germany?” vroeg “Auntie” met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.

—Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met “Germany” te maken heeft.

Ik glimlachte en knikte, bevestigde datinderdaad België niets met “Germany” te maken had. “Auntie” vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar man gelijk had.

Maud en ’t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.

Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot ’t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij naar het kleintje wees:

—Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.

—Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.

Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.

—Nou dan, zei ik.

Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde ’k weet niet welke kunsten en figuren uit.

—How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.

Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.

Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde ’t, struikelde, strekte een hand uit, die inmijnbevende hand terecht kwam.

Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend naar de bank toe:

—Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!

Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.

—Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei “Auntie.”

Ik gaf “Auntie” en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met ’t opgetogen kleintje rond.

Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul gemaakt moest worden.

Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.

—Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.

Zij herbegon, maar het ging nog niet. “Auntie” mengde zich in de les, riep, van op de bank: “naar achter, naar achter, het linkerbeen naar achter.”

—Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.

—Mag ik u soms even vasthouden?vroeg ik.

—Graag, antwoordde zij.

Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend stutten en droegen.

—Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!

Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud’s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken.

Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan zeggen: “O, ’t is te veel, meneer; ’t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!” Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in ’t lekkerwarm restaurant, bij een dergroote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.

Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan.Zijn “line” was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, “that he should sell out his business” om rustig buiten te gaan leven.

Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in ’t gesprek.

—Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van ’s ochtends tot ’s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in “society” brengen.

Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een “self-made man,” dat zei hij zelf, en misschien wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder: “dat zij de kinderen in “society” moest brengen. Society!.... dat warendiners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in “society” uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef, zoo machteloos!

Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, danishij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan “society-life” niet te besteden.

—O, vader! vader! riepen de dames verbolgen.Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en ’t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van “Auntie,” gansch opgewonden door de prikkelende discussie.

Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. ’t Is ’n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat ’t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de “old country” waren. “Pas nu op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.” Ik keek, als geïnspireerd, door ’t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:

—Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van Europa’s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika’s fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.

Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Ditzeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog.

Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en “Auntie” jubelden, terwijl een zachte gloed van geestdrift even in Maud’s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, “Auntie” had het nog eens over België en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in “Germany” lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar “Auntie” liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet in “Germany” lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat België wèl in “Germany” lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde ik beweren dat België niet in “Germany” lag, dan verbeurde ik de sympathie van “Auntie,” en, dit voeldeik héél sterk en instinctmatig, “Auntie” met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat België’s bestaan als eigen koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide.

Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk in de rede en zei,genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen.

—U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots.

Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.

—O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.

—Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.

Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.

Of ik ook tijd had! In werkelijkheid hadik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij niet van mijn “business” mocht afhouden, daar ik een flink “American” moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had.

De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.

Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.

—Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.

Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen.

De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, alshet eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorensonzeliefde vast aan elkaar geklonken was.

Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en “Auntie.” De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in ’t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in.

Wij keuvelden over diverse dingen. “Auntie,” die nog steeds veel belang in de “old country” stelde, wilde o. a. weten hoe de welgestelde menschen aldaar ’s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.

—Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende “Auntie.” En zij deelde mij mede dat zij ’s zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen, en dan naar Saratogain de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en “smart” was.

“Society” sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: “Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!”

Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met Violet aangekuierd kwamen.

Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.

Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en ’t kwam mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en ’t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde,alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.

Het stoomde als ’t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik èn de aanlegplaats der “ferry’s” èn het station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York terug, niet meetellend mijn moeheid en denafstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde.

Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in ’t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van ’t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mijkende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in ’t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.

Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantismeen ideaal terstond op ’t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een “bar” van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den “barkeeper” of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.

—Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste “drinks” werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.

Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Hadik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ookmijnhome was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van ’t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de deur van ’t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar ’t was de zeer prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen.

Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.


Back to IndexNext