VDe dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud’s familie, was aangebroken.’t Was stralend mooi weer, nog mooierdan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. ’t Was als een winterfeestdag in de reine lucht.Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde ’t eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar ’t maakte mij wat dik; ’t voldeed mij niet.Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! ’k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar ’t miste niet een zekere, sobere distinctie.Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op ’t menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou “iets” krijgen en mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor ’t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige “lobster-salad” en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op.De familie was reeds druk aan ’t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maudwas met inspanning de krul aan ’t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en ’t kleintje, Violet, kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan ’t knoeien en aan ’t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan ’t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om ’t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte ’t, zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en “Auntie” op de bank moest gaan zitten.Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waaralles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als ’t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in juveniel geluk van ’t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en “Auntie” eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten.Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar ’t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde ’t instinctmatig, hààr “home” wezen moest.Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei:—We zijn er.Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom ’t huis liep.Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten.In ’t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op ’t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.Naar de oosterkim was ’t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de dieptede prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen ’t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige “ferries” die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan ’t einde van den horizont, naar ’t Zuiden toe, was ’t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.Ik stond daar, en ’k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig als de overweldigende,bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar “Auntie” kreeg het koud, “Auntie” was bang voor “chills” en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.Hij draaide aan een knopje en in de “hall” ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in ’t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. ’t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. ’t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde ’t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al ’t schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid van de koude te voelen.—O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.Maar Papa deed zenuwachtig en als ’t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien.De schilderijen! ’t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten,zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen.Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als ’t ware uitgewischt. ’t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:—Look now! zei hij.Ik keek....Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op ’t eerste gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.Het waren in de eerste plaats portretten;en ik herkende Papa en Mama en “Auntie” en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men ’s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. ’t Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.Papa zette ’n hooge borst op, kuchte, kreunde als ’t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie’s felle oogen flikkerden en Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:—Oh yes, they are very lovely, indeed.Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten.Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig “sous-bois” konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij ’n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:—En dit is ’t fijnste wat ik heb.Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd als een chromo; ’t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegennaar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij ’t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke land te gaan bezoeken.Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de “old country”, zoo heel dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en “Auntie” en ook Maud, doch nu in al hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van, wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde ’t heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele hartstochtsnevel vóór mijn oogenschemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet’s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud’s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. “Is dat ook een zoon van u?” vroeg ik aan Papa. “No, a friend,” antwoordde hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor ’t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia.Op een schrijftafeltje bij ’t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige, als ’t ware beheerschte bewondering:—Dit is ’n aardig dingetje, zei ik.Ik zag het vuur over Maud’s wangenkomen en ’k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen.—Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte ’t, zwellend van vaderlijken trots.Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan.—’t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.Papa jubelde:—En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.—Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij gerichte oogen van “Auntie” even met eeneigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken.Ik weet ook niet, of ik voor dan na ’t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, vóór of na ’t bezoek op het boudoir.Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de “hall” kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging.’t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in ’t geval dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op ’t eerste trapportaal duwde zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en ’t geurde er bedwelmendnaar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed.Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En ’k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon.Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op fellevlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijkeramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden blik van “Auntie;” maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.Bij ’t afscheidnemen drukten wij elkaarde hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid; en ’t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van watik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.De gansche wereld woelde als ’t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van ’t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in ’t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.’t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu heelemaal overstuur en gek?Ik trad een “bar” binnen. Ik was ernauwelijks of reeds speet het mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan ’t schoone Vlaanderen, aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van ’t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn wangen vloeiden....Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.VIKunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog ennobelboven de kleinzielige sleur van ’t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van ’t woord.Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud’s ouders volgden.Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,—’t spreekt van zelf,—aan de Zuidpool en omgeving; en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,—schrijnende emblemenvan alle vergankelijkheid,—nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en ’t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,—en in ons beiden: in Maud en mij,—de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op.Dat was aldus gekomen door ’t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa’s huis en vooral door ’t bezoek op Maud’s boudoirtje en het bewonderen van haar aquarellen-album.Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en ’t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in ’t algemeen, van dien ontroerenden tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,—wàt al weet ik niet meer,—dingen, die het geloof in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn verregaandebescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte.Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit de “old country;” van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; zij stelde zich wonderen voor van ’t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aandie bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk’s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van ’t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen.Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte.Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van ’t lichte boudoirtje,ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft.Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou.Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag!Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, houje stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij telkens denken aan ’t gezicht van “Auntie” met haar felle spot-oogen; en ’k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: “En vooral, maak je niet belachelijk!”Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in ’t veld was afgeloopen. Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in ’t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als ’t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haarmiddel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van “Auntie,” die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op “oystersoup.” Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetselden dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.—Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.—Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.—Laat u ’t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn.—Neemt u ’t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden ’t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie’s oogen flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo “funny” die groote meneer, die nog geen “oystersoup” kon eten!Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een zware dobber. Papa strekte zich met desigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over “business” te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte hij over “business.” Het woord “dollar” klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als ’t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, dat slechts door ziekte of door ’t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillendegenadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.—In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en ’t was voor mij als ’t komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa’s gebusiness en gedollar. Maud’s oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama’s grijze haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie’s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij heteinde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door ’t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van ’t jong meisje; en ’t zong in mij, o, ’t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. ’t Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. “Auntie” herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen “gewoon” aan en gaf ze mij “gewoon” dehand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en ’t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.VIIMaar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als ’t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve ’t gewone verblijf aan zee en te Saratogagedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op ’t programma. En ’t was reeds half April.Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar ’t geduchte “society-leven” vast aan mij verbinden zou.Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in ’t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en “Auntie!”Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.Ik had ’t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden letters slechts de voornaam “Véronique”geschilderd en op het andere raam het woord “Modes.”Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie’s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl “Auntie”-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat ’n chance “Auntie” daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijngevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en den trots van na.Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als ’t ware in ’t harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde.Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheiden zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd “matelotje” met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze “tirty dollàr” zooals ze ’t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde “Auntie” was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgehevenarmen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, om mij te omhelzen.Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,—dat was gewilde eenvoud, ter wille van de deftige distinctie,—maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aanwie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En ’t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en de knieën van vermoeidheid knikten.Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog ’t matelotje bij: dat van “Tirty dollàr.”Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets leuk-ondeugends als van heimelijkeverstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en ’t blonde meisje begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, daar wij in de buurt van “Sherry’s” kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.Het was er “chic,” het was er “smart,” nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op dendrempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.Hier heb je nu een stuk “society,” zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als ’t ware, van wat deze, die ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.—U kent hier zeker weinig menschen? vroeg “Auntie” die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.—Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.—Er komen hier veel lui, die wij ook ’s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde “Auntie” mij mee. ’t Is nogal aardig, begrijpt u; het wordt zoo’n beetje als één groote familie.Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jongemeneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.—Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en “Auntie,” alsof ’t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.—Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij “Auntie,” op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:—’n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!—Dat zou u niet zeggen als u hem walsenzag! antwoordde “Auntie” snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante’s woorden.Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de “society,” hààr “society,” waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en “Auntie” met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg:—Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en “Auntie” mij, en daarna ook elkander aan.—Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.—Ik vind het dol, dól! jubelde “Auntie” met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.—Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin’s, als u ’t verkiest, of Waldorf Astoria, ’t is mij eender.—Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte “Auntie.”Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als ’t ware midden in háár kring, in de “society” en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een oogenblik,terwijl wij opstonden om Sherry’s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en ’t deed mij goed dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.In de zachtroze lenteschemering, die ’t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud en “Auntie” tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
VDe dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud’s familie, was aangebroken.’t Was stralend mooi weer, nog mooierdan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. ’t Was als een winterfeestdag in de reine lucht.Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde ’t eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar ’t maakte mij wat dik; ’t voldeed mij niet.Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! ’k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar ’t miste niet een zekere, sobere distinctie.Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op ’t menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou “iets” krijgen en mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor ’t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige “lobster-salad” en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op.De familie was reeds druk aan ’t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maudwas met inspanning de krul aan ’t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en ’t kleintje, Violet, kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan ’t knoeien en aan ’t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan ’t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om ’t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte ’t, zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en “Auntie” op de bank moest gaan zitten.Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waaralles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als ’t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in juveniel geluk van ’t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en “Auntie” eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten.Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar ’t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde ’t instinctmatig, hààr “home” wezen moest.Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei:—We zijn er.Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom ’t huis liep.Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten.In ’t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op ’t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.Naar de oosterkim was ’t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de dieptede prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen ’t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige “ferries” die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan ’t einde van den horizont, naar ’t Zuiden toe, was ’t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.Ik stond daar, en ’k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig als de overweldigende,bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar “Auntie” kreeg het koud, “Auntie” was bang voor “chills” en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.Hij draaide aan een knopje en in de “hall” ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in ’t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. ’t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. ’t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde ’t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al ’t schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid van de koude te voelen.—O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.Maar Papa deed zenuwachtig en als ’t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien.De schilderijen! ’t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten,zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen.Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als ’t ware uitgewischt. ’t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:—Look now! zei hij.Ik keek....Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op ’t eerste gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.Het waren in de eerste plaats portretten;en ik herkende Papa en Mama en “Auntie” en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men ’s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. ’t Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.Papa zette ’n hooge borst op, kuchte, kreunde als ’t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie’s felle oogen flikkerden en Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:—Oh yes, they are very lovely, indeed.Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten.Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig “sous-bois” konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij ’n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:—En dit is ’t fijnste wat ik heb.Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd als een chromo; ’t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegennaar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij ’t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke land te gaan bezoeken.Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de “old country”, zoo heel dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en “Auntie” en ook Maud, doch nu in al hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van, wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde ’t heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele hartstochtsnevel vóór mijn oogenschemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet’s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud’s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. “Is dat ook een zoon van u?” vroeg ik aan Papa. “No, a friend,” antwoordde hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor ’t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia.Op een schrijftafeltje bij ’t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige, als ’t ware beheerschte bewondering:—Dit is ’n aardig dingetje, zei ik.Ik zag het vuur over Maud’s wangenkomen en ’k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen.—Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte ’t, zwellend van vaderlijken trots.Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan.—’t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.Papa jubelde:—En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.—Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij gerichte oogen van “Auntie” even met eeneigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken.Ik weet ook niet, of ik voor dan na ’t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, vóór of na ’t bezoek op het boudoir.Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de “hall” kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging.’t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in ’t geval dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op ’t eerste trapportaal duwde zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en ’t geurde er bedwelmendnaar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed.Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En ’k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon.Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op fellevlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijkeramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden blik van “Auntie;” maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.Bij ’t afscheidnemen drukten wij elkaarde hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid; en ’t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van watik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.De gansche wereld woelde als ’t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van ’t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in ’t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.’t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu heelemaal overstuur en gek?Ik trad een “bar” binnen. Ik was ernauwelijks of reeds speet het mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan ’t schoone Vlaanderen, aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van ’t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn wangen vloeiden....Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.VIKunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog ennobelboven de kleinzielige sleur van ’t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van ’t woord.Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud’s ouders volgden.Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,—’t spreekt van zelf,—aan de Zuidpool en omgeving; en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,—schrijnende emblemenvan alle vergankelijkheid,—nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en ’t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,—en in ons beiden: in Maud en mij,—de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op.Dat was aldus gekomen door ’t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa’s huis en vooral door ’t bezoek op Maud’s boudoirtje en het bewonderen van haar aquarellen-album.Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en ’t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in ’t algemeen, van dien ontroerenden tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,—wàt al weet ik niet meer,—dingen, die het geloof in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn verregaandebescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte.Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit de “old country;” van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; zij stelde zich wonderen voor van ’t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aandie bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk’s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van ’t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen.Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte.Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van ’t lichte boudoirtje,ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft.Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou.Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag!Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, houje stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij telkens denken aan ’t gezicht van “Auntie” met haar felle spot-oogen; en ’k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: “En vooral, maak je niet belachelijk!”Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in ’t veld was afgeloopen. Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in ’t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als ’t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haarmiddel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van “Auntie,” die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op “oystersoup.” Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetselden dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.—Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.—Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.—Laat u ’t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn.—Neemt u ’t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden ’t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie’s oogen flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo “funny” die groote meneer, die nog geen “oystersoup” kon eten!Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een zware dobber. Papa strekte zich met desigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over “business” te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte hij over “business.” Het woord “dollar” klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als ’t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, dat slechts door ziekte of door ’t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillendegenadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.—In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en ’t was voor mij als ’t komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa’s gebusiness en gedollar. Maud’s oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama’s grijze haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie’s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij heteinde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door ’t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van ’t jong meisje; en ’t zong in mij, o, ’t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. ’t Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. “Auntie” herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen “gewoon” aan en gaf ze mij “gewoon” dehand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en ’t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.VIIMaar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als ’t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve ’t gewone verblijf aan zee en te Saratogagedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op ’t programma. En ’t was reeds half April.Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar ’t geduchte “society-leven” vast aan mij verbinden zou.Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in ’t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en “Auntie!”Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.Ik had ’t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden letters slechts de voornaam “Véronique”geschilderd en op het andere raam het woord “Modes.”Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie’s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl “Auntie”-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat ’n chance “Auntie” daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijngevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en den trots van na.Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als ’t ware in ’t harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde.Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheiden zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd “matelotje” met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze “tirty dollàr” zooals ze ’t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde “Auntie” was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgehevenarmen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, om mij te omhelzen.Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,—dat was gewilde eenvoud, ter wille van de deftige distinctie,—maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aanwie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En ’t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en de knieën van vermoeidheid knikten.Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog ’t matelotje bij: dat van “Tirty dollàr.”Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets leuk-ondeugends als van heimelijkeverstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en ’t blonde meisje begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, daar wij in de buurt van “Sherry’s” kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.Het was er “chic,” het was er “smart,” nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op dendrempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.Hier heb je nu een stuk “society,” zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als ’t ware, van wat deze, die ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.—U kent hier zeker weinig menschen? vroeg “Auntie” die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.—Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.—Er komen hier veel lui, die wij ook ’s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde “Auntie” mij mee. ’t Is nogal aardig, begrijpt u; het wordt zoo’n beetje als één groote familie.Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jongemeneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.—Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en “Auntie,” alsof ’t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.—Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij “Auntie,” op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:—’n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!—Dat zou u niet zeggen als u hem walsenzag! antwoordde “Auntie” snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante’s woorden.Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de “society,” hààr “society,” waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en “Auntie” met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg:—Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en “Auntie” mij, en daarna ook elkander aan.—Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.—Ik vind het dol, dól! jubelde “Auntie” met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.—Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin’s, als u ’t verkiest, of Waldorf Astoria, ’t is mij eender.—Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte “Auntie.”Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als ’t ware midden in háár kring, in de “society” en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een oogenblik,terwijl wij opstonden om Sherry’s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en ’t deed mij goed dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.In de zachtroze lenteschemering, die ’t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud en “Auntie” tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
VDe dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud’s familie, was aangebroken.’t Was stralend mooi weer, nog mooierdan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. ’t Was als een winterfeestdag in de reine lucht.Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde ’t eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar ’t maakte mij wat dik; ’t voldeed mij niet.Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! ’k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar ’t miste niet een zekere, sobere distinctie.Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op ’t menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou “iets” krijgen en mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor ’t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige “lobster-salad” en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op.De familie was reeds druk aan ’t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maudwas met inspanning de krul aan ’t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en ’t kleintje, Violet, kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan ’t knoeien en aan ’t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan ’t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om ’t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte ’t, zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en “Auntie” op de bank moest gaan zitten.Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waaralles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als ’t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in juveniel geluk van ’t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en “Auntie” eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten.Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar ’t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde ’t instinctmatig, hààr “home” wezen moest.Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei:—We zijn er.Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom ’t huis liep.Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten.In ’t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op ’t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.Naar de oosterkim was ’t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de dieptede prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen ’t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige “ferries” die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan ’t einde van den horizont, naar ’t Zuiden toe, was ’t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.Ik stond daar, en ’k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig als de overweldigende,bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar “Auntie” kreeg het koud, “Auntie” was bang voor “chills” en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.Hij draaide aan een knopje en in de “hall” ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in ’t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. ’t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. ’t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde ’t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al ’t schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid van de koude te voelen.—O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.Maar Papa deed zenuwachtig en als ’t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien.De schilderijen! ’t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten,zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen.Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als ’t ware uitgewischt. ’t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:—Look now! zei hij.Ik keek....Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op ’t eerste gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.Het waren in de eerste plaats portretten;en ik herkende Papa en Mama en “Auntie” en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men ’s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. ’t Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.Papa zette ’n hooge borst op, kuchte, kreunde als ’t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie’s felle oogen flikkerden en Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:—Oh yes, they are very lovely, indeed.Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten.Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig “sous-bois” konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij ’n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:—En dit is ’t fijnste wat ik heb.Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd als een chromo; ’t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegennaar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij ’t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke land te gaan bezoeken.Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de “old country”, zoo heel dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en “Auntie” en ook Maud, doch nu in al hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van, wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde ’t heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele hartstochtsnevel vóór mijn oogenschemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet’s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud’s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. “Is dat ook een zoon van u?” vroeg ik aan Papa. “No, a friend,” antwoordde hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor ’t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia.Op een schrijftafeltje bij ’t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige, als ’t ware beheerschte bewondering:—Dit is ’n aardig dingetje, zei ik.Ik zag het vuur over Maud’s wangenkomen en ’k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen.—Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte ’t, zwellend van vaderlijken trots.Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan.—’t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.Papa jubelde:—En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.—Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij gerichte oogen van “Auntie” even met eeneigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken.Ik weet ook niet, of ik voor dan na ’t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, vóór of na ’t bezoek op het boudoir.Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de “hall” kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging.’t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in ’t geval dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op ’t eerste trapportaal duwde zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en ’t geurde er bedwelmendnaar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed.Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En ’k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon.Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op fellevlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijkeramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden blik van “Auntie;” maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.Bij ’t afscheidnemen drukten wij elkaarde hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid; en ’t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van watik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.De gansche wereld woelde als ’t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van ’t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in ’t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.’t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu heelemaal overstuur en gek?Ik trad een “bar” binnen. Ik was ernauwelijks of reeds speet het mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan ’t schoone Vlaanderen, aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van ’t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn wangen vloeiden....Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.
De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud’s familie, was aangebroken.
’t Was stralend mooi weer, nog mooierdan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. ’t Was als een winterfeestdag in de reine lucht.
Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde ’t eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar ’t maakte mij wat dik; ’t voldeed mij niet.
Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! ’k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar ’t miste niet een zekere, sobere distinctie.Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.
Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op ’t menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou “iets” krijgen en mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor ’t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige “lobster-salad” en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op.
De familie was reeds druk aan ’t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maudwas met inspanning de krul aan ’t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en ’t kleintje, Violet, kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan ’t knoeien en aan ’t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan ’t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om ’t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte ’t, zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en “Auntie” op de bank moest gaan zitten.
Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waaralles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als ’t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in juveniel geluk van ’t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.
Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en “Auntie” eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.
Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten.
Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar ’t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde ’t instinctmatig, hààr “home” wezen moest.
Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei:
—We zijn er.
Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom ’t huis liep.
Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten.
In ’t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op ’t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.
Naar de oosterkim was ’t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de dieptede prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen ’t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige “ferries” die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan ’t einde van den horizont, naar ’t Zuiden toe, was ’t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.
Ik stond daar, en ’k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig als de overweldigende,bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar “Auntie” kreeg het koud, “Auntie” was bang voor “chills” en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.
Hij draaide aan een knopje en in de “hall” ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.
Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.
Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in ’t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. ’t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. ’t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde ’t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al ’t schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid van de koude te voelen.
—O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.
Maar Papa deed zenuwachtig en als ’t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien.
De schilderijen! ’t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten,zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.
Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen.
Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als ’t ware uitgewischt. ’t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:
—Look now! zei hij.
Ik keek....
Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op ’t eerste gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.
Het waren in de eerste plaats portretten;en ik herkende Papa en Mama en “Auntie” en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men ’s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. ’t Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.
Papa zette ’n hooge borst op, kuchte, kreunde als ’t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie’s felle oogen flikkerden en Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:
—Oh yes, they are very lovely, indeed.
Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten.
Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig “sous-bois” konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij ’n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:
—En dit is ’t fijnste wat ik heb.
Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd als een chromo; ’t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegennaar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij ’t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke land te gaan bezoeken.
Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de “old country”, zoo heel dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en “Auntie” en ook Maud, doch nu in al hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van, wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde ’t heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele hartstochtsnevel vóór mijn oogenschemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet’s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud’s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. “Is dat ook een zoon van u?” vroeg ik aan Papa. “No, a friend,” antwoordde hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor ’t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia.
Op een schrijftafeltje bij ’t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige, als ’t ware beheerschte bewondering:
—Dit is ’n aardig dingetje, zei ik.
Ik zag het vuur over Maud’s wangenkomen en ’k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen.
—Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte ’t, zwellend van vaderlijken trots.
Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan.
—’t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.
Papa jubelde:
—En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.
—Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.
Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij gerichte oogen van “Auntie” even met eeneigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken.
Ik weet ook niet, of ik voor dan na ’t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, vóór of na ’t bezoek op het boudoir.
Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de “hall” kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging.
’t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in ’t geval dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op ’t eerste trapportaal duwde zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.
Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en ’t geurde er bedwelmendnaar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed.
Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En ’k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon.
Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.
Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.
Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op fellevlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.
Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijkeramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden blik van “Auntie;” maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.
Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.
Bij ’t afscheidnemen drukten wij elkaarde hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid; en ’t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.
Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van watik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.
De gansche wereld woelde als ’t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van ’t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in ’t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.
’t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu heelemaal overstuur en gek?
Ik trad een “bar” binnen. Ik was ernauwelijks of reeds speet het mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.
Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.
Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.
Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan ’t schoone Vlaanderen, aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van ’t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn wangen vloeiden....
Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.
De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.
Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.
VIKunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog ennobelboven de kleinzielige sleur van ’t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van ’t woord.Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud’s ouders volgden.Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,—’t spreekt van zelf,—aan de Zuidpool en omgeving; en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,—schrijnende emblemenvan alle vergankelijkheid,—nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en ’t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,—en in ons beiden: in Maud en mij,—de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op.Dat was aldus gekomen door ’t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa’s huis en vooral door ’t bezoek op Maud’s boudoirtje en het bewonderen van haar aquarellen-album.Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en ’t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in ’t algemeen, van dien ontroerenden tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,—wàt al weet ik niet meer,—dingen, die het geloof in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn verregaandebescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte.Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit de “old country;” van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; zij stelde zich wonderen voor van ’t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aandie bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk’s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van ’t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen.Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte.Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van ’t lichte boudoirtje,ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft.Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou.Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag!Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, houje stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij telkens denken aan ’t gezicht van “Auntie” met haar felle spot-oogen; en ’k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: “En vooral, maak je niet belachelijk!”Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in ’t veld was afgeloopen. Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in ’t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als ’t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haarmiddel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van “Auntie,” die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op “oystersoup.” Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetselden dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.—Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.—Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.—Laat u ’t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn.—Neemt u ’t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden ’t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie’s oogen flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo “funny” die groote meneer, die nog geen “oystersoup” kon eten!Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een zware dobber. Papa strekte zich met desigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over “business” te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte hij over “business.” Het woord “dollar” klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als ’t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, dat slechts door ziekte of door ’t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillendegenadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.—In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en ’t was voor mij als ’t komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa’s gebusiness en gedollar. Maud’s oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama’s grijze haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie’s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij heteinde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door ’t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van ’t jong meisje; en ’t zong in mij, o, ’t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. ’t Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. “Auntie” herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen “gewoon” aan en gaf ze mij “gewoon” dehand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en ’t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.
Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog ennobelboven de kleinzielige sleur van ’t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van ’t woord.
Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud’s ouders volgden.
Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,—’t spreekt van zelf,—aan de Zuidpool en omgeving; en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.
De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,—schrijnende emblemenvan alle vergankelijkheid,—nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en ’t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,—en in ons beiden: in Maud en mij,—de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op.
Dat was aldus gekomen door ’t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa’s huis en vooral door ’t bezoek op Maud’s boudoirtje en het bewonderen van haar aquarellen-album.
Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en ’t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in ’t algemeen, van dien ontroerenden tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,—wàt al weet ik niet meer,—dingen, die het geloof in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn verregaandebescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte.
Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit de “old country;” van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; zij stelde zich wonderen voor van ’t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aandie bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.
Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk’s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van ’t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.
Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen.
Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte.
Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.
Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van ’t lichte boudoirtje,ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft.
Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou.
Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag!
Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, houje stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij telkens denken aan ’t gezicht van “Auntie” met haar felle spot-oogen; en ’k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: “En vooral, maak je niet belachelijk!”
Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in ’t veld was afgeloopen. Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in ’t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als ’t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haarmiddel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van “Auntie,” die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op “oystersoup.” Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.
Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetselden dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.
—Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
—Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
—Laat u ’t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn.
—Neemt u ’t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden ’t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie’s oogen flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo “funny” die groote meneer, die nog geen “oystersoup” kon eten!
Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een zware dobber. Papa strekte zich met desigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over “business” te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte hij over “business.” Het woord “dollar” klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als ’t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, dat slechts door ziekte of door ’t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillendegenadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.
—In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.
Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en ’t was voor mij als ’t komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa’s gebusiness en gedollar. Maud’s oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama’s grijze haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie’s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij heteinde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door ’t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van ’t jong meisje; en ’t zong in mij, o, ’t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. ’t Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. “Auntie” herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen “gewoon” aan en gaf ze mij “gewoon” dehand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en ’t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.
VIIMaar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als ’t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve ’t gewone verblijf aan zee en te Saratogagedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op ’t programma. En ’t was reeds half April.Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar ’t geduchte “society-leven” vast aan mij verbinden zou.Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in ’t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en “Auntie!”Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.Ik had ’t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden letters slechts de voornaam “Véronique”geschilderd en op het andere raam het woord “Modes.”Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie’s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl “Auntie”-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat ’n chance “Auntie” daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijngevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en den trots van na.Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als ’t ware in ’t harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde.Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheiden zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd “matelotje” met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze “tirty dollàr” zooals ze ’t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde “Auntie” was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgehevenarmen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, om mij te omhelzen.Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,—dat was gewilde eenvoud, ter wille van de deftige distinctie,—maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aanwie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En ’t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en de knieën van vermoeidheid knikten.Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog ’t matelotje bij: dat van “Tirty dollàr.”Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets leuk-ondeugends als van heimelijkeverstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en ’t blonde meisje begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, daar wij in de buurt van “Sherry’s” kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.Het was er “chic,” het was er “smart,” nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op dendrempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.Hier heb je nu een stuk “society,” zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als ’t ware, van wat deze, die ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.—U kent hier zeker weinig menschen? vroeg “Auntie” die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.—Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.—Er komen hier veel lui, die wij ook ’s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde “Auntie” mij mee. ’t Is nogal aardig, begrijpt u; het wordt zoo’n beetje als één groote familie.Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jongemeneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.—Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en “Auntie,” alsof ’t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.—Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij “Auntie,” op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:—’n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!—Dat zou u niet zeggen als u hem walsenzag! antwoordde “Auntie” snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante’s woorden.Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de “society,” hààr “society,” waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en “Auntie” met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg:—Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en “Auntie” mij, en daarna ook elkander aan.—Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.—Ik vind het dol, dól! jubelde “Auntie” met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.—Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin’s, als u ’t verkiest, of Waldorf Astoria, ’t is mij eender.—Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte “Auntie.”Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als ’t ware midden in háár kring, in de “society” en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een oogenblik,terwijl wij opstonden om Sherry’s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en ’t deed mij goed dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.In de zachtroze lenteschemering, die ’t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud en “Auntie” tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als ’t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.
Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve ’t gewone verblijf aan zee en te Saratogagedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op ’t programma. En ’t was reeds half April.
Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar ’t geduchte “society-leven” vast aan mij verbinden zou.
Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in ’t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en “Auntie!”
Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!
Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.
Ik had ’t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden letters slechts de voornaam “Véronique”geschilderd en op het andere raam het woord “Modes.”
Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie’s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl “Auntie”-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.
Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat ’n chance “Auntie” daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijngevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.
Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en den trots van na.
Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als ’t ware in ’t harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde.
Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheiden zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd “matelotje” met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze “tirty dollàr” zooals ze ’t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.
Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde “Auntie” was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgehevenarmen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, om mij te omhelzen.
Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.
De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,—dat was gewilde eenvoud, ter wille van de deftige distinctie,—maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aanwie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.
Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En ’t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en de knieën van vermoeidheid knikten.
Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog ’t matelotje bij: dat van “Tirty dollàr.”
Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets leuk-ondeugends als van heimelijkeverstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en ’t blonde meisje begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.
Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, daar wij in de buurt van “Sherry’s” kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.
Het was er “chic,” het was er “smart,” nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op dendrempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.
Hier heb je nu een stuk “society,” zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als ’t ware, van wat deze, die ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.
—U kent hier zeker weinig menschen? vroeg “Auntie” die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.
—Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.
—Er komen hier veel lui, die wij ook ’s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde “Auntie” mij mee. ’t Is nogal aardig, begrijpt u; het wordt zoo’n beetje als één groote familie.
Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jongemeneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.
—Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en “Auntie,” alsof ’t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.
—Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij “Auntie,” op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.
Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:
—’n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!
—Dat zou u niet zeggen als u hem walsenzag! antwoordde “Auntie” snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante’s woorden.
Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de “society,” hààr “society,” waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!
Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en “Auntie” met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg:
—Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?
Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en “Auntie” mij, en daarna ook elkander aan.
—Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.
—Ik vind het dol, dól! jubelde “Auntie” met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.
—Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin’s, als u ’t verkiest, of Waldorf Astoria, ’t is mij eender.
—Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte “Auntie.”
Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als ’t ware midden in háár kring, in de “society” en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een oogenblik,terwijl wij opstonden om Sherry’s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en ’t deed mij goed dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.
In de zachtroze lenteschemering, die ’t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud en “Auntie” tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.