HOOFDSTUK IV.

„Ik ben in de Kaapstad geweest, in de Kaapkolonie,” gaat hij voort met nadruk, „en ik heb waargenomen, dat de verzoening, die ik bedoel, in de Kaapkolonie een voldongen feit zal worden. Neen, sterker nog, die verzoening zal een verbroedering worden, en de gezegende dag zal aanbreken, dat Efraïm Juda niet meer zal benijden. Vindt ge die beeldspraak ongepast? Schudt ge daarom het hoofd, Reinard Jansen? Weet ge dan niet, dat de Boeren en de Engelschen ten slotte uit denzèlfden, Germaanschen stam zijn gesproten? Zouden wij ons dan niet verblijden in de verzoening van de twee blanke rassen in dit zuidelijk wereldrond, op wier schouders de almachtige God zoo'n heerlijke en gewichtige taak heeft gelegd? Afrikaansche Boeren! Ik noem u mijne broeders, en ik hef dit glas op gevuld met den edelen Afrikaanschen wijn—laten wij klinken op den man die meer dan iemand anders het grootsche ideaal tracht te verwerkelijken: verzoening tusschen Engelschen en Afrikaanders—ik bedoel den hoogbegaafden eersten minister der Kaapkolonie—ik bedoel Cecil Rhodes!”

Het woord is er uit.

Lena verbleekt.

Nog altijd staat Marling met het opgeheven glas, doch niemand verroert zich.

Er heerscht een drukkende, benauwende stilte—de stilte, die storm en onweer voorafgaat.

En dat onweer komt reeds opzetten. Reeds zwelt de blauwe ader op langs de rechterslaap van Reinard Jansen, doch bij Charles Marling komt de Engelschman boven.

„Is er niemand?” vraagt hij met verheffing van stem, „die met mij drinken wil op Cecil Rhodes, dan zal ik het alleen doen—op Cecil Rhodes! op den grootsten man van Zuid-Afrika!” en hij drinkt het glas leeg in éénen teug.

Maar Reinard Jansen springt op, en slingert den stoel, waarop hij gezeten had, tegen den muur.

„Laatiker op antwoorden,” zegt hij, doch Dirk Kloppers, die reeds was opgestaan, wenkt hem, om te zwijgen.

Aller oogen zijn nu beurtelings op Dirk Kloppers en den Engelschman gevestigd.

„Jonge man,” zegt de grijsaard op bedaarden toon, en zijn blauwe oogen rusten met waardigheid op Charles Marling, „wij hebben uwe woorden gehoord, en het spijt mij meer, dan ik zeggen kan, dat gij ze hier, bij een familiefeest, hebt gesproken. 't Is een wanklank in ons feest!”

„Oom Kloppers,” antwoordt de Engelschman met die christelijke bescheidenheid, die zoo weldadig aandoet, „het was niet mijne bedoeling, om een wanklank te brengen in dit feest.”

„Ik weet het,” zegt Dirk Kloppers, „maar gij moogt u geen oordeel aanmatigen over toestanden, waarvan gij nauwlijks een oppervlakkige kennis hebt. Gij spreekt van verzoening—zeker, wat is schooner dan verzoening? Doch als er van verzoening sprake is, dan behoort toch ook het onrecht weggenomen te worden of erkend, dat aan die verzoening in den weg staat—vindt ge niet? Wie was hier in Afrika steeds de verongelijkte en de vertrapte? Kent gij de geschiedenis van de vijf Afrikaansche Boeren, die opSlachtersnekhun vonnis zouden ontvangen? Zij hadden een staatkundige dwaasheid begaan, ik erken het, een dwaasheid, maar er kleefde aan hun handen geen bloed, en zij hadden den strop niet verdiend. Toch werden zij tot den strop veroordeeld, maar de barmhartige God had erbarming met die ongelukkigen en liet de galg breken. De vrouwenen de kinderen der ongelukkigen smeekten op hun knieën om vergiffenis,—zeg, Charles Marling, toen had Engeland het groote woord van genade en vergiffenis moeten uitspreken, meent ge niet? Maar weet ge, hoe de Engelsche genade en verzoening er uitziet? Als de galg, die op dien dag ten tweeden male op Slachtersnek werd opgericht, waaraan, voor het oog van handenwringende vrouwen en snikkende kinderen, de vijf ongelukkigen ten tweede male werden opgehangen!”

De oude Kloppers is warm geworden; die rijzige gestalte schijnt nog te rijzen. Toorn, droefheid en verontwaardiging flikkeren uit die blauwe oogen. En terwijl zijn woord een machtig echo vindt in de harten der gasten, staat Charles Marling daar, beurtelings bleek en rood. Hij bijt zich op de lippen, dat het bloed te voorschijn komt, en hij heeft een gevoel, alsof al de beschuldigingen, tegen Engeland uitgesproken, opzijneschouders worden neergelegd.

Hij stut zich met de hand aan de tafel, om niet te bezwijken.

„Verzoening—'t is een liefelijk woord,” begint de grijze voortrekker opnieuw, „doch wie heeft de arme Emigranten-Boeren in 1835 genoodzaakt, om vreemde landen in te trekken, onder wilde beesten en nog wilder kaffers? Wie heeft Natal ingepalmd, het wettig eigendom der Boeren? Wie beroofde ons in 1877 van onze vrijheid, en gaf ze ons eerst terug, toen wij de Engelsche huurlingen van den Amajuba hadden gehaald? Wie anders dan Engeland?”

„Ge noemdet daar Cecil Rhodes,” gaat hij voort op langzamer toon. „Zeker, Cecil Rhodes is een man met een ijzeren wil en groote gaven, doch als zulke menschen den verkeerden weg opgaan, dan zijn zij dubbel gevaarlijk.”

Marling kijkt even op; hij schijnt een opmerking te willen maken, doch hij houdt ze in.

„Dubbel gevaarlijk,” herneemt baas Kloppers, „en het oude spreekwoord heeft nog niets van zijn beteekenis verloren:

Als de vos de passie spreekt,Boer, pas op je ganzen.

Als de vos de passie spreekt,Boer, pas op je ganzen.

Hij, Cecil Rhodes, is een sluwe vos. Reeds heeft hij onze Afrikaansche broeders in de Kaapkolonie in het slagnet gevangen, dat hij zoo listig heeft gesteld. Doch wij, Boeren van over de Vaal, die de voorhoede vormen van het Afrikaansche leger,wij, die in kruitdamp en oorlog zijn opgegroeid,wij, die ruim baan hebben gemaakt voor het Hollandsch-Afrikaansch element, wij kènnen de vossensluwheid van Cecil Rhodes. Aan hem hebben wij het te danken, dat Stellaland en het land Gosen, die bij onze Republiek behoorden, aan de Kaapkolonie zijn gehecht. En door ten Noorden van ons land het rijk der Matabelekaffers voor zijne Gecharterde Compagnie op te eischen, heeft hij onze Republiek in ijzeren kluisters vastgelegd en een slagboom laten vallen, dien wij niet straffeloos kunnen overschrijden.

Wij kunnen niet meer trekken.Wij zijn door Engeland omsingeld als het edele wild door een schaar groote honden.

Doch dit is nog niet genoeg. Luistert, vrienden, naar hetgeen ik u zeg: Cecil Rhodes is op dit oogenblik in Engeland, maar hij zal wel terugkomen, en niet tevreden zijn, alvorens hij de vrijheid van de Zuid-Afrikaansche Republiek onder zijn voeten heeft vertreden, en zijn haan koning kan kraaien op de goudvelden van den Witwaterrand.”3)

„En op dezen man zal ik klinken en drinken?” roept hij met dreunende stem. „Zoo waarachtig als ik leef, ik zal hetnietdoen. Maar dezen wensch spreek ik uit, dat de almachtige God, Die het schild en het betrouwen is van alle oprechte Afrikaansche Boeren, de raadslagen van dezen Engelschen Achitofel moge verijdelen en verbrijzelen, zooals ik dit glas verbrijzel!”

Hij neemt het glas, gevuld met den edelen, Afrikaanschen wijn, met vaste hand op, en werpt het met een harden slag tegen den vloer, dat het in duizend scherven vliegt.

1)Zie „Helden van Zuid-Afrika”.

2)Zeer.

3)In Zuidelijk Transvaal.

Charles Marling stond op het achtererf van Vredenoord, bij de schamele, ronde kafferhutten, en staarde verstrooid naar de kleine, zwarte kroeskoppen, die luid kraaiend in het mulle, gele zand lagen te wentelen.

Geen slaap had dezen nacht zijn oogen gelooken.

Nog hoorde hij het rinkelen van het glas tegen den harden, steenen vloer.

Hij moest zich bekennen, dat hij eerst sedert gisteravond een diepen blik had geslagen in den waren aard van den Afrikaanschen Boer, en onder die kalme, effen oppervlakte sluimerde een kracht en hartstocht, die, oprijzend, alle dammen en dijken moest scheuren.

Inderdaad, hij had een slecht voorbeeld gegeven van christelijke voorzichtigheid, door over een verzoening te spreken, waarvoor de tijd nog niet rijp was, en door hulde te brengen aan een man, wiens naam te noemen reeds voldoende was, om den vonk in het kruit te slingeren.

Doch het woord was er uit en niet meer te herroepen. En in begrijpelijke spanning hoopte Marling op het oogenblik, dat hij Lena, die hij sedert gisternamiddag niet had gesproken, zou ontmoeten.

Ook Lena had in dezen nacht geen oog gesloten, doch nu wist zij, dat zij Charles Marling liefhad. Reeds gisteravond wist zij 't, toen Charles daar stond, beurtelings bleek en rood, zich de lippen tot bloed bijtend, en zich vasthoudend aan de tafel, om niet te bezwijken onder den last der beschuldigingen, die haar grootvader opzijnschouders wentelde. Had Charles op dàt oogenblik zijn oog naar de zijde geslagen, waar Lena stond, dan zou hij hebben gezien, hoe die donkere wimpers waren opgeslagen en hoe uit die oogen hem een volheid van medegevoel—maar ook van liefde had tegengeblonken.

En had maagdelijke schuchterheid haar niet weerhouden, zij zou zich naast hem hebbengeplaatst, en met luide stem hebben geroepen: „Afrikaansche Boeren, Charles Marling heeft een dwaasheid begaan, door van verzoening te spreken, doch ik acht hem hoog, omdat hij den moed had, die dwaasheid te begaan!”

Hij was voor zijn christelijke overtuiging uitgekomen, zonder angstig te wikken of te wegen, zonder aarzelen, een ridder zonder vrees of blaam—„mijn ridder!” zeide zij in zoet gepeins.

Zeer zeker, zij stond onverdeeld aan de zijde van haar grootvader, waar hij vol toorn en verontwaardiging de politiek van Engeland geeselde, maar dat hinderde toch niet, om het hoog en heilig beginsel te erkennen, dat Charles Marling had gedreven om te spreken.

Zij had hem lief—nu wist zij het. Niet alleen met die zusterlijke liefde,waarvan zij tot hém had gesproken, maar ook met die andere liefde, waarvan hij tot haar had gesproken; niet met het spotbeeld der liefde: die ziekelijke, overspannen hartstocht, die in dwaasheid wortelt en in dwaasheid uitbot, die met vergoding begint en met verguizing eindigt, neen, maar met die andere, gezonde, sterke, kuische liefde, die onmisbaar is in een huwelijk, waar schaduwen en zonneschijn wisselen, en waar, ach! zoo dikwijls de zonneschijn door de wolken wordt onderschept; met die liefde, die met elkanders zwakheden rekent, die goedertieren is, verstandig en bedachtzaam; die koestert en warmt; die groot is en uitblinkt in al wat edel is, groot bovenal in christelijke zelfverloochening....

Charles Marling ontroerde, toen hij Lena zag naderen—frisch als de dauw, die in de kelken der bloemen parelde, en vlug als de hinde op de bergen van Afrika....

Zij legde de hand op Marling's schouder, keek hem in de droeve oogen, in het bleek en somber gelaat, en terwijl er tranen opwelden in haar oogen, kwam er toch een heldere zonneschijn op haar gelaat, toen zij zeide: „Charles—Charlie!”

„Lena,” zeide hij, „ik heb gisteravond een groote dwaasheid begaan.”

„Ik ben er blij om, dat gij die dwaasheid hebt begaan,” zeide zij op een eigenaardigen toon.

Hij verstond die raadselachtige woorden niet.

„Hoe zoo?” vraagde hij.

Maar zij antwoordde niet op die vraag.

„Kom,” zeide ze, „we zullen Grootvader opzoeken.”

„Waarom?” vraagde hij.

„Waarom—” herhaalde ze. „Moet ge dát nog vragen?”

Er ging een plotselinge lichtstraal door zijn ziel—hij greep haar hand.

„Stil,” zeide ze, „Grootvader vervult voor mij de plaats van mijn vader, en ik doe niets zonder zijn toestemming.”

De plotselinge lichtstraal verbleekte in Marling's ziel.

„En als uw grootvader geen toestemming geeft, Lena?”

„Dan zult gij van Vredenoord gaan met de verzekering, dat ik aan u in trouwe vriendschap zal blijven denken mijn leven lang.”

„En meer niet, Lena?”

Zij schudde het hoofd.

„Meer niet,” zeide zij.

„Maar het loopt misschien beter af dan gij vermoedt,” liet zij er op volgen, en zij zag Charles Marling aan met een blik vol hoop en moed.

Zoo gingen zij dan te samen den grijsaard opzoeken.

Met den ouden Staten-bijbel op een tafeltje voor zich, zat baas Kloppers te lezen in het priëel.

Hij zag het paar naderen, en sloeg den bijbel bedachtzaam dicht.

Mild en vriendelijk ontving hij den Engelschman.

„Is dat nu de ijzeren Voortrekker van gisteren avond?” dacht Charles en hij verwonderde zich.

Intusschen noodigde de grijsaard Marling uit, om op de andere bank plaats te nemen.

Deze gaf aan dien wenk gevolg, doch Lena zette zich naast haar grootvader.

En nu verhaalde Marling in korte, eenvoudige woorden de zaak,waaroverhet ging. En de oude Kloppers stutte het breede, hooge voorhoofd met zijn rechterhand, zooals hij placht te doen, wanneer hij voor een moeilijk vraagstuk stond. Hij staarde de opening uit van het priëel, en slechts éénen keer wierp hij een vluchtigen blik op zijn kleindochter.

Nu zweeg Charles Marling, en wachtte vol innerlijke spanning het antwoord af.

Hij vreesde een uitbarsting van toorn, omdat hij, de Engelschman, het oog durfde opslaan op de kleindochter van Dirk Kloppers, maar die uitbarsting bleef weg.

Het gelaat van den grijsaard bleef mild en vriendelijk als deze zomermorgen, die vol vrede zich uitstrekte over het landschap.

Baas Kloppers wachtte eenige oogenblikken, alvorens hij antwoordde.

Toen stond hij op en zeide tot Lena: „Durft ge met dezen Engelschman de reize aan door de woestijn van het leven?”

„Ja,” zeide ze, „ik durf het.”

„En waarom durft gij het?” vraagde hij ernstig.

„Omdat ik hem liefheb,” zeide ze.

„Maar is dat genoeg?” vraagde hij.

„Neen,” zeide ze, „dat is niet genoeg, maar wij belijden hetzelfde geloof.”

„'t Is een moeilijke bezwaarlijke reis, een reis door dewoestijn—ze zal u niet meevallen, Lena,” zeide hij nu bezorgd.

„Wij zullen hand in hand reizen, Grootvader,” zeide ze, „en als de ééne moede wordt, dan zal de andere hem verkwikken, en zoo zullen wij samen reizen bergopwaarts, naar Jeruzalem, hetwelk is ons aller moeder.”

De grijsaard wendde zich tot Marling, en keek hem aan met dien scherpen, vorschenden blik, die hem eigen was, wanneer hij een mensch wilde doorgronden tot in de diepte van zijn ziel.

„Hebt gij uw hart goed onderzocht, Charles,” vraagde hij, „toen gij tot dit meisje van liefde spraakt?”

„Dat heb ik, oom Kloppers,” antwoordde Marling met een vrijmoedigen opslag van zijn oog.

„Er is goud en er is verguld blik,” zeide de grijsaard ernstig: „liefde en schijnliefde. De liefde kan tegen de beproeving, en ze wordt gelouterd in de hitte van het vuur. Doch de schijnliefde is wuft en ijdel, en verstuift bij den eersten tegenspoed als kaf voor den dwarrelwind!”

Hij maakte een korte pauze, doch Charles noch Lena zeiden een woord.

„Hier in Afrika,” ging de spreker voort, „dringt alles tot een staatkundige crisis, en hoe zwaar het onweer zal zijn, dat boven onze hoofden zal losbarsten, weet God alleen. Maar dit is wel zeker, dat die storm niet ongemerkt aan uw huwelijksscheepke voorbij zal trekken. Hij zal uw scheepke schudden en slingeren—moge het voor schipbreuk bewaard blijven!”

„Hoe zwaarder het onweer is, hoe dichter wij bij elkaar zullen schuilen,” meende Lena met omfloersde oogen, doch Marling stond op en zeide: „Wat God samengevoegd heeft, dat scheide de mensch niet!”

„Ja waarlijk, dat is goed gezegd!” riep de grijsaard. „Wat God samengevoegd heeft—maar zijt gij er zeker van, Charles, dat God u beiden samenvoegt?”

„Ik geloof het!” zeide Marling.

„Moge het waar zijn!” hernam Kloppers. „Maar het is een groote zaak, om Gods leidingen te verstaan. Ik ben een oud man, en heb meer ervaringen dan gij—ge zult me dat op mijn woord wel willen gelooven—maar hoe dikwijls moet ik nog vragen: Waar ligt de weg, dien ik behoor in te slaan? Hebt gij in deze zaak het aangezicht des Heeren gezocht? Hebt gij van Hem licht en wijsheid gevraagd?”

„Ik heb het gedaan,” antwoordde Marling bescheiden doch vrijmoedig.

„Ik wou, dat gij een Afrikaander waart!” zuchtte de grijsaard.

„Ik kan het niet helpen, dat ik een Engelschman ben,” zeide Marling.

„Ik verwijt het u ook niet,” hernam Kloppers met iets als een glimlach op zijn gelaat, „maar,” voegde hij er aan toe met een flikkering in zijn blauwe oogen, „waart gij een Engelschman, dien ik niet kende—gij kreegt mijn kleindochternooit!”

„O Lena,” zeide hij, „mijn veldbloemke! Ik had gehoopt, dat ge in het vrije veld zoudt blijven, en de wakkere huisvrouw worden van een rechtschapen Afrikaanschen Boer, maar ik laat u vrij—ge kunt zelf beslissen. Wilt ge echter waarlijk met dien Engelschman mee? Zult ge niet verkwijnen in de muffe lucht van de goudstad?”

„O neen, oom Kloppers,” zeide Marling met warmte; „zij zal niet verkwijnen in de goudstad. Ik zal over uw veldbloemke de wacht houden, en het beschutten voor de hitte van den dag en de koude van den nacht. En gij komt elk jaar inJohannesburgeenige weken logeeren, en gij zult u verkwikken aan den glans van uw veldbloemke!”

Maar de oude Voortrekker schudde het hoofd.

„Langer dan een dag zou ik het in Johannesburg niet uithouden,” zeide hij. „De vrije lucht van het open veld, die wil ik ademen, zoolangik leef!”

Toen staarde hij Lena weer aan.

„Mijn veldbloemke,” zeide hij, terwijl zijn oude handen liefkoozend heengingen over haar dicht, gitzwart haar, „mijn lief veldbloemke!”

Maar Lena kon zich thans niet meer goed houden.

Zij stond op, sloeg de armen om den hals van haar grootvader en kuste hem.

„Ik heb u lief, mijn kind,” zeide de grijsaard met de teederheid van een vader, „en daarom ben ik zoo vol zorgen!”

„O Grootvader,” snikte zij, „bid voor ons; voor mij en voor Charles!”

„Dat zal ik doen,” zeide de grijsaard mild en zacht.

Toen staarde hij naar de lucht en zeide: „Er is onweer op til.”

Hij wendde zich naar de woning, doch het jonge paarwandelde langzaam naar den hoogen heuvel, vanwaar men een ruim vergezicht had. Reeds was het licht der morgenzon onderschept door een groote, grillig gevormde wolk, en in het westen, boven de bergen, pakten zich nu donkere wolkgevaarten samen.

Peinzend staarde Lena het westen in.

Dacht zij bij het staren naar die onweerswolken aan de donderkoppen van dat andere onweer, waarvan grootvader Kloppers had gesproken?

Marling vermoedde het.

„Hoe zwaarder het onweer, hoe dichter wij bij elkander zullen schuilen,” zeide hij teeder, haar eigen woorden van daar straks herhalend.

„Wij zullen elkander liefhebben, niet waar Charles?” zeide zij, „en op den Heere vertrouwen, opdat wij geen schipbreuk lijden?”

Doch Marling werd bedroefd, omdat zij van schipbreuk sprak.

„Liefste,” zeide hij, „twijfelt gij aan mijne liefde?”

„Neen,” antwoordde zij warm en innig, „gij zijt mijn Charles—mijn Charlie!”

„Maar waarom beeft uwe stem dan?” vraagde hij bezorgd, „ge staart naar de verte als een schuw vogelke, dat onheil ducht—heeft het woord van uw grootvader zoo'n indruk op u gemaakt?”

„Ik weet het niet,” zeide ze, worstelend tegen de bange voorgevoelens, die haar ziel bestormden.

„O Charles,” riep ze uit, „mijn liefde behoorde u gelukkig te maken, en ze begint, met uw hart week te maken!”

„'t Is slechts een schaduw,” zeide hij troostend,„een wolk voor de zon, die snel voorbijdrijft, en dan zult gij mijn nachtegaal zijn en morgenster!”

„Ach ik ben eenonverstandigschepseltje,” zeide zij nederig, „maargijzult mijn leermeester zijn,” en zij hief het lieftallig gelaat vol vertrouwen tot hem op.

Zij reikte hem de hand, en hand aan hand wandelden zij den heuvel af naar huis.

Doch zij moesten zich haasten, want reeds vielen de eerste zware regendruppelen, en een plotseling opgestoken stormwind gierde over het open veld en zweepte de reusachtige gomboomen op baas Kloppers' erf. De hemel verduisterde zich, en een machtige donderslag rolde als deheraut van het naderende onweer vol majesteit hoog boven Vredenoord heen.

Aan de huisdeur stond de oude Kloppers het paar reeds op te wachten.

„Hebt ge 't al gehoord?” riep hij; „hebt ge 't al gehoord? Cecil Rhodes is op de terugreis naar Afrika!”

„Geen ander man in de wereld zou mij hebben overgehaald, om met hem de diamantmijnen te ontginnen, doch Cecil Rhodes heeft een overwicht op de menschen, en hij bewoog mij, om bijna alles te doen, wat hij wilde. Hij palmde mij in zooals hij iedereen inpalmde. Natuurlijk, ik wil niet ontkennen, dat ik door hem goede zaken maakte, doch ik was altoos zoo gekant geweest tegen de diamantmijnen, dat ik er zelf over verbaasd stond, dat hij mijn tegenzin had kunnen overwinnen. Doch zoo is Rhodes' manier. Gij zijt onmogelijk tegen hem opgewassen, en ten slotte merkt ge, dat gij er voordeel bij hebt—zijn zin te doen.”

Dat is het oordeel van den koelberekenenden millioenenkoning Barnato4), die, menschen en zaken beoordeelend, steeds met den éénen voet op het goud stond en met den andere op de diamanten.

CecilRhodesiseen buitengewoon man. Ge ziet het bij den eersten oogopslag aan dat breede, hooge voorhoofd, dat verstand en vernuft, aan die scherpe, doordringende oogen, die geestkracht, aan die haviksneus, die sluwheid verraadt.

't Is een stevige, sterke man in de kracht van zijn jaren: gloeiend van eerzucht, doortastend en practisch—een man, die een groot geluk of een groote ramp brengt over demenschheid een zegen—of een vloek voor Zuid-Afrika!

Bijna spelenderwijs is hij langs de staatkundige ladder opgeklommen tot eerste minister der Kaapkolonie, en een Vereenigde Statenbond van Zuid-Afrika met hem op den presidentszetel—'t was zijn droom, en is het nòg.

Eene zelfstandige Zuid-Afrikaansche Unie, even machtig zich ontwikkelend als de Amerikaansche Unie, en evenals deze met een Engelschen stempel—hij heeft dat idee gekweekt en gekoesterd.

En als er ooit een man in staat was, om dat doel te bereiken, dan was hij het, want er ligt iets in dezen man, dat de menschen betoovert en begoochelt.

Jaren lang zwierf hij als jager door Zuid-Afrika, werd een beroemd scherpschutter, raakte met de toestanden volkomen op de hoogte en werd op en top een Afrikaander.

Ten minste zoo scheen het.

Hij vestigde zich te Kimberley, waar de rijke diamantmijnen zijn. Aan die diamantmijnen heeft Kimberley het te danken, dat het van den Oranje-Vrijstaat werd afgescheurd, en aan de Engelsche Kaapkolonie werd gehecht.

Zonder die diamantmijnen zou de streek, waar thans Kimberley ligt, nog wel tot den huidigen dag tot den Oranje-Vrijstaat hebben behoord. Kimberley is den Oranje-Vrijstaat ontstolen.

Cecil Rhodes' rustelooze geest sloeg intusschen zijn slag. Hij wist de verschillende maatschappijen, die uit de mijnen van Kimberley het kostbare edelgesteente opdolven, tot ééne Maatschappij, „de Beers-Maatschappij”, te versmelten, en hij werd tot levenslangen directeur benoemd.

Hier legde hij den grond voor zijn reusachtig, vele millioenen tellend vermogen, en thans begon hij zijn vleugels uit te slaan naar het groot staatkundig doel, dat hem voor oogen zweefde.

Neen, dat reusachtig kapitaal, dat hij had opgelegd, was niet het doel van zijn leven, maar slechts het instrument, de brug, die hem moest brengen in het rijk zijner idealen. Niet dehebzucht, maar deeerzuchtdeed het hart van dezen geldkoning sneller kloppen, en dit veelzeggend woord is eens in een onbewaakt oogenblik over zijn lippen gekomen: „Ieder mensch is te koop, maar de prijs verschilt.”

Met dit woord heeft hij echter zijn eigen vonnis geveld.

Toen hij tot lid van het Kaapsche parlement werd gekozen, wist Cecil Rhodes ter dege goed, dat het Hollandsch-Afrikaanscheelement in de Kaapkolonie een overwegenden invloed heeft.

Hij rekende er mede.

Hij streelde de Afrikaanders; hij lokte en vleide hen, en voor hun verbaasden blik stak hij een vuurwerk af van schitterende beloften.

„Het is onzin,” riep hij uit, hard genoeg, dat heel Zuid-Afrika het kon hooren, „het is onzin, dat de Kaapkolonie van uit Londen, zesduizend mijlen ver, zou worden bestuurd. Het is ongehoord. Wij moeten een eigen bestuur hebben, doch een eigen bestuur is niet voldoende. Ge moet markten hebben voor uw produkten, en bij de uitbreiding uwer bevolking nieuwe boerenhoeven voor uwe zonen. Wel nu, wij zullen de grenzen der Kaapkolonie uitbreiden naar het noorden, en gij zult voortdurende markten vinden voor uwe produkten en grond voor uwe kinderen tot aan de rivier de Zambezie toe, die ver in het noorden stroomt.”

Was het wonder, dat deze taal als muziek in de ooren der Kaapsche Afrikaanders klonk? Stal Rhodes niet het hart van het volk, gelijk Absalom weleer het hart der kinderen Israëls?

Hij spande den Afrikaander-bond voor zijn zegekar, en zelfs de schranderste der Kapenaren, Jan Hendrik Hofmeijer, wist zich aan den invloed van dien machtigen geest niet te onttrekken.

Rhodes voegde de daad bij het woord.

De Matabele-kaffers van Lobengula deden een strooptocht, en Rhodes gelastte den Kaffervorst, zijn onderdanen onmiddelijk terug te laten trekken.

Dit geschiedde, maar Lobengula's afgezanten werden tegen alle volkenrecht in gedood, en de terugtrekkende Kaffers konden niet zoo hard loopen als de paarden van Rhodes' soldeniers, en werden bij tien- en honderdtallen neergelegd.

Zoo veroverde Cecil Rhodes Bechuanaland, Matabeleland en Mashonaland, en sloot de Zuid-Afrikaansche Republiek volkomen in.

Hij deed meer.

Hij werd de wig, die den Afrikaanschen volksstam in tweeën spleet, het mes, dat de band, die de Afrikaanders der Kaapkolonie met de Afrikaanders van de Transvaal en van den Oranje-Vrijstaat vereenigde, doorsneed.

Hij zaaide wantrouwen, achterdocht en bitterheid, en deAfrikaanders raakten verdeeld in twee vijandelijke kampen, waarvan het ééne den rijkbegaafden, eerzuchtigen Cecil Rhodes, en het andere den niet minder begaafden, stroeven Paul Kruger als staatkundig hoofd erkende.

Als een trouwe schildwacht stond Paul Kruger op zijn post, en hij was één der weinigen, die Rhodes' spel doorzagen. Maar omdat hij de eerste man was in de zich krachtig ontwikkelende Zuid-Afrikaansche Republiek, wierp zijn stem een groot gewicht in de schaal, en al wie niet verblind was door den glans, die uitstraalde van den diamantkoning van Kimberley, schaarde zich om den geliefden Staatspresident.

Als een voorzichtig stuurman vermeed Oom Paul een botsing met den avonturier, en al was het met een bitter wee in de ziel, wijze bedachtzaamheid dwong hem, om meer dan eens toe te geven. Zoo kwam de Swazieland-conventie tot stand, die een onoverkomelijken slagboom liet vallen tusschen de Transvaal en het noorden, en zwijgend duldde Kruger het, dat Jameson in 1891 een trek van Transvaalsche Boeren over de rivier de Limpopo met geweld opkeerde.

Hij kon niet anders, want de Kaapsche Afrikaanders bewierrookten Cecil Rhodes, en een uitbarstende oorlog zou de velden van Zuid-Afrika hebben gedrenkt met broederbloed....

Slechts bleef de hoop, dat Cecil Rhodes met zijn ware bedoelingen te morgen of te avond voor den dag zou komen, en de blinddoek zou scheuren, die den Kaapschen Afrikaander voor de oogen was gebonden.

Het behoeft intusschen wel niet gezegd, dat Rhodes' pogingen, om Paul Kruger tot een tolverbond en nieuwe spoorwegtarieven over te halen, mislukten, want Rhodes had even goed kunnen probeeren, om het Drakengebergte van zijn plek te dragen.

De eenvoudige, ongeletterde Voortrekker liet zich door den geslepen vos niet beetnemen, en de voltooiing van den spoorweg, die het hart van zijn land met de Delagoa-baai zou verbinden, werd thans voor Paul Kruger een ware hartstocht.

Zijn ijzerenwilskrachtkreeg er dien spoorweg ook door, en nu begon hij de sporen van Cecil Rhodes te dwarsboomen, waar hij kon. En daar de band met het grootere vaderland—Zuid-Afrika—op dit oogenblik was verbroken,waakte hij te zorgvuldiger voor de belangen van zijn enger vaderland—de Transvaal of Zuid-Afrikaansche Republiek.

4)In 1897 sprong Barnato, Rhodes' boezemvriend, op zijn terugreis naar Engeland in een plotselingen aanval van waanzin over boord, en vond zijn graf in den Atlantischen Oceaan.

In het zuiden des lands ligt „Waterfontein”, de hoeve van Reinard Jansen.

Jansen heeft acht kinderen; vijf zonen en drie dochters. Drie zijner zonen zijn reeds gehuwd, terwijl een vierde samenboert met een gehuwden zoon. Er zijn dus nog vier kinderen thuis: een zoon met drie dochters.

Frits is de oudste der nog tehuis zijnde kinderen, en telt thans negentien jaar. De drie dochters zijn jonger.

De vrouw van Jansen is ongeveer 45 jaar: eene godvreezende vrouw, die stil haar weg bewandelt.

Behalve de familie Jansen telt het huisgezin nog een onderwijzer.

Men noemt hem in de wandeling gewoonlijk het meesterke: zijn herkomst is onbekend.

Op zekeren avond laat huiswaarts keerende, hoorde Reinard Jansen, bij een tweesprong gekomen, een geschrei. Hij meende, dat het geluid afkomstig was van het één of ander roofdier, en wilde doorrijden. Doch een sterker schreien deed hem twijfelen; hij wendde het paard en steeg af. Bij het heldere maanlicht was de omtrek goed te onderscheiden en onder een doornstruik vond hij een klein, kermend wicht, in armoedige doeken gewonden.

Jansen was in den omgang een strak en streng man, van wien men niet veel meewarigheid zou verwachten, doch achter de ruwe schors klopte eenhart. Hij nam het schreiende wicht voorzichtig op, plaatste het voor zich op het zaâl en reed snel naar huis.

Het kindje werd door moeder Jansen met liefderijke zorg opgenomen, en daar niemand anders vraagde naar den armen vondeling, bleef hij op „Waterfontein.”

Het was een zwak, teer wurmpje, die vondeling. Hijgroeide heel langzaam, bleef zwak en tenger, en vormde een heele tegenstelling met Jansen's forsch opgeschoten, van gezondheid blozende kinderen.

Hij was een achterblijver, en de jongens keken hem aan met een mengeling van medelijden en verachting.

Nu had hij een teergevoelig hart ontvangen, en reeds als kind dronk hij uit den beker van het lijden. Zwak en ziekelijk als hij was, kon hij niet tegen de andere jongens op, en aan hun spelen kon hij niet deelnemen, want hij was kortademig en licht vermoeid.

Daarbij kwam een nieuwe ziekte, waaruit hij wel genas, maar om voor altijd een stijf been te houden. Bittere tranen werden door het kleine ventje geschreid, want nu was de kloof tusschen hem en zijn makkers naar zijn meening niet meer te overbruggen.

Tevens werd de sluier, die over zijn verleden hing, voor hem allengs in zoover weggetrokken, dat zijn door het lijden vroeg gerijpte geest het begon te verstaan, wat het zeggen wil, als een vondeling en een verschoppeling in de wereld te komen.

Doch bij moeder Jansen vond het gewonde kinderhart steeds rust en schuiling. Meer dan eens, als hij snikkend bij haar zijn toevlucht zocht, troostte zij: „Mijn jongen, al hebben uw vader en uw moeder u verlaten, de Heere zal u niet verlaten.” En dan kuste zij hem op het voorhoofd, en zeide tot hem, zoover als zijn kinderlijk begrip het vatten kon, dat God hem misschien later zou willen gebruiken, om vele tranen te droogen, daar hij zoovele tranen moest storten. En daarop gaf zij hem dan gewoonlijk den bijbel, waaruit hij voor haar het een of ander treffend hoofdstuk moest voorlezen.

Nu lezen, dat kon hij. Trouwens in 't leeren muntte hij uit. Dat was zijn gebied, zijn domein; daar versloeg het fijne, teêre ventje al zijn makkers.

„'t Is een mirakel, zooals het ventje leeren kan!” zeide Jansen meer dan eens; „hoe krijgt hij 't in zijn hersens!”

„Ik denk, dat bij onze jongens de hersenpan te dik is,” meende een buurman; „de geleerdheid kan er niet door.”

Intusschen was Franske (zoo noemde men het ventje, want hij moest toch een naam hebben) zestien jaar geworden, en baas Jansen verklaarde, dat hij onderwijzer moest worden, omdat hij zoo ijselijk knap was. En Franske hader niet op tegen, want leeren, onderzoeken, studeeren was zijn lust en zijn leven.

Op zekeren dag nu nam Jansen Franske mee naar de stad, kocht in den voornaamsten boekhandel de boeken, die de aanstaande onderwijzer verklaarde noodig te hebben, om zich zelve verder te ontwikkelen, en zeide, toen zij weer thuis kwamen: „Zie zoo, Neefje, nu begin je aanstaanden Maandag school te houden!”

Er was in den omtrek, waar „Waterfontein” lag, inderdaad een groote behoefte aan een onderwijzer, en het was van baas Jansen nog zoo'n domme zet niet, om den armen vondeling schoolmeester te maken.

De vorige onderwijzer, een gewezen kleermaker, die bij gebrek aan werk zijn scheepke bijtijds bij baas Jansen de veilige haven had binnengeloodst, was reeds sedert een jaar vertrokken. De stilte en de eentonigheid van het Afrikaansche veld was den onrustigen kleermaker namelijk onverdragelijk geworden, en op een goeien dag was hij met een voorbij trekkenden ossenwagen meegegaan naar Johannesburg, om in de goudmijnen zijn „geluk” te beproeven.

Nu, er was aan dien kleermaker-onderwijzer niet veel verloren, want zijn onderwijs was beneden de meest bescheiden eischen gebleven.

Franske moest nu zijn plaats innemen, en met angst en vreeze begon hij zijn taak voor een twintigtal Transvaalsche jongens en meisjes, die elken morgen uit de omringende boerenplaatsen te paard kwamen aanstuiven, om door het meesterke in nuttige wetenschappen te worden onderwezen.

Het schoollokaal bestond uit eene met ruwe planken afgetimmerde ruimte in Jansen's achterhuis, met één raam, dat uitzicht gaf op den boomgaard, terwijl eenige verweerde landkaarten en twee zwarte borden aan den muur hingen.

Voor de gladgeschaafde maar ongeverfde, zeer primitieve banken stond een half vermolmde lessenaar, en achter dezen lessenaar was de gewone standplaats van het meesterke.

De jongens waren in het eerst verbaasd, doch vonden het ten slotte koddig en grappig, door zoo'n teer, bleek ventje te worden onderwezen, en het lijden van den armen vondeling kreeg thans, bij deze veelbeteekenende wending in zijn leven, een nieuwen vorm.

Natuurlijk, onderwijzen was zijn lust, maar zijn aangeboren schuchterheid en schroomvalligheid beletten hem, om onder die wilde levenslustige republikeinen het noodig ontzagen respect te handhaven. Zij meenden het wel niet zoo kwaad met het meesterke, maar het jeugdige bloed, gedrenkt en bedauwd met de frissche Afrikaansche berglucht, prikkelde hen, en de onderwijzer werd dikwijls de dupe van hun grappen.

Natuurlijk werden die voorvallen door de aanvallige jeugd uitgegierd van pret, maar het meesterke stond het schreien nader dan het lachen.

Er waren er misschien twee of drie, die goed leerden, omdat zij het wilden, doch de andere jongens keken met souvereine minachting neer op de wetenschap, en beschouwden paardrijden, jagen en schieten de hoofdpunten van het Afrikaansche leven.

De tranen kwamen het meesterke meer dan eens in de oogen, doch in dezen nood kwam er plotseling redding van een zijde, waarvan hij het niet had verwacht.

Frits namelijk, Jansen's jongste zoon, een jaar ouder dan het meesterke, had iets van het verdriet van het meesterke begrepen, en een edele trek in zijn karakter spoorde hem aan, om voor den zwakke partij te trekken. Drie keeren, telkens als de school in een Poolschen landdag dreigde te ontaarden, kwam hij plotseling tusschenbeide, pakte de ergste belhamels met zijn gespierde vuisten aan, en gaf hun een geduchte aframmeling.

Dat hielp; nu kwam er orde.

Frits bracht er den schrik in, en daar de jongens nooit wisten, of de nieuwbakken schoolopziener niet op den loer lag, verging hen de lust, om rumoer te maken.

„Kijk meesterke,” zeide Frits, „ge moet die rakkers maar eens goed op de huid komen, dan worden ze wel handelbaar!”

De Zaterdagen en Zondagen had het meesterke vrij, en die dagen waren oasen in zijn leven.

DesZaterdags placht hij bij mooi weer, met een boek in den zak, naar het bosch te wandelen, dat drie kwartier van Jansen's woning was verwijderd, doch tot Jansen's woning behoorde.

Midden in het bosch stoeide een driftig beekje over rotsen en klippen zijn water naar de diepte, en op een der bekoorlijkste plekjes bij die beek had Frits voor het meesterke een houten bank getimmerd, en hier, in de vredige en plechtige stilte van het woud, was het meesterke gewoonzich neer te zetten en te lezen. En had hij geen lust meer om te lezen, dan strekte hij zich languit neder op het gras, staarde met zijn zachte, weemoedige oogen naar de toppen der boomen, die langzaam werden bewogen door den wind, en naar het diepblauwe firmament, dat zich majestueus boven de hoogste boomen heenwelfde, of blikte in het kristalheldere water van het beekje, dat zonder ophouden, rusteloos voorbijstroomde, rusteloos als ons leven, dat geen stilstand kent....

En meer dan eens was het gebeurd, dat een dorstig hert, het water zoekend, met zijn schoonen kop nieuwsgierig over de schouders van het meesterke had heengegluurd, of dat een haas met snelle sprongen over hem was heengegaan.

Des Zondags echter was het meesterke niet in het bosch, want dan rustte op hem de eervolle taak, in het ruime woonvertrek voor de familie Jansen een preek van den een of anderen geliefden, ouden schrijver voor te lezen, want de kerk was veraf, en slechts bij bizonder plechtige gelegenheden, vier of vijf maal per jaar, haalde Jansen den stevigen wagen uit den schuur, spande er acht juk sterke ossen voor en ging met de familie naar de kerk. In den regel was er met zoo'n reis, heen en terug, een week gemoeid, en daarom was er geen denken aan, de kerk geregeld te bezoeken.

De familie Jansen had intusschen in het meesterke een uitstekenden voorlezer, want hij las natuurlijk, duidelijk en met gevoel, en tante Martje, Jansen's huisvrouw, die weinig zeide, placht, toch wel eens tot haar man te zeggen: „Dat meesterke, dat meesterke! Hij leest als een dominé!” waarop Jansen dan gewoonlijk antwoordde: „'t Is een mirakel, dat zoo'n nietig ventje zoo lezen kan!”

De heer des huizes zat bij de godsdienstoefeningen gewoonlijk in een hoek van het vertrek, de uitgedoofde pijp naast zich op de vensterbank, het stevige hoofd eerbiedig ontbloot, en nu en dan een strengen blik werpend op zijn kinderen, wanneer zij naar zijne meening niet oplettend luisterden.

Bij een pauze in de preek werd een psalmvers gezongen. Het meesterke nam dan plaats voor een harmoniumorgel, werkelijk een uitstekend Amerikaansch fabrikaat, en sloeg met zijn tengere vingers de toetsen aan.

Hijsprakdoor die toetsen; hijgootzijn zieluitin die toonen, en waar de inhoud van het vers het meebracht,kon zijn voorspel zoo roerend en aangrijpend zijn, dat men tusschen de toonen door het klagen en het lijden, het snikken en het worstelen van een arm menschenhart meende te hooren.

Was de huisgodsdienst afgeloopen, dan vleide het meesterke zich gewoonlijk neder in de schaduw van den boomgaard, of ging naar het schoolvertrek, nam den bijbel of een godsdienstig boek, en las en peinsde tot het avond werd.

Zoo leefde het meesterke met en in de familie Jansen mede, en alles ging zijn gewonen, regelmatigen gang, totdat de wonderboom, die Cecil Rhodes werd genoemd, en die van Kaapstad uit zijn schaduw wierp tot aan de rivier de Zambezie toe, zijn onheilspellende schaduw begon te spreiden over Waterfontein.

De boerderij vanHenryWilliams lag slechts een half uur van Waterfontein verwijderd.

Williams was in de Kaapkolonie uit Engelsche ouders geboren, en had eenige jaren geleden, om zijne maatschappelijke positie te verbeteren, deze boerderij gekocht, die even als Waterfontein drie duizend morgen groot was.

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de staatkundige ideeën van Williams en van Jansen ver uiteen liepen, doch overigens was Williams een rechtschapen man en een goede buur. Waar Jansen en Williams elkander konden bijstaan, daar deden zij 't. Viel een paard van Williams in den sloot, dan haalde Jansen, was hij in de nabijheid, het er uit, en bleef Jansen's ossenwagen in een der driften5)steken, dan was Williams steeds gereed, om met tien span ossen dien wagen op den oever te trekken.

Frits Jansen en Jack Williams, een van Henry Williams' zonen, waren kameraden.

Had Frits dien Jack nooit ontmoet, dan zou hij zich en zijn ouders waarschijnlijk veel bitter harteleed hebben bespaard, doch zulke dingen ziet men gewoonlijk eerst van achteren. Trouwens oppervlakkig bekeken, pasten zij wel bij elkander. Ze waren van denzelfden leeftijd, gezond, gespierd, en beiden voortreffelijke scherpschutters en uitstekende ruiters.

Ook bij een andere vluchtige kennismaking viel die Jack nog niet tegen. Hij had iets innemends, plooibaars, vleiënds over zich; hij wist zich te schikken naar de omstandigheden. Frits was ronder, meer open, doch beliep daardoor juist de kans, om bij een eerste kennismaking minder aangenaam te zijn.

Zoo kreeg het wel den schijn, alsof Jack meer gevoel, meer ridderlijkheid bezat dan Frits, en toch was niets minder waar dan dat.

Onder dat schoone masker was wreedheid verborgen en valschheid. Reeds als jongen had hij er behagen in geschept om kleine dieren te plagen, en de Kaffers kon hij met de lange, buffelleeren zweep slaan, dat de bloedige striemen duidelijk zichtbaar werden op hun naakte ruggen.

Een beleediging vergat hij nooit, en hij had een wraakzuchtig karakter.

Ook was hij eerzuchtig. Hij kon het eigenlijk moeielijk verkroppen, als Frits bij eenschietwedstrijdmet den hoogsten prijs ging strijken, en hij beet zich van jaloerschheid het bloed uit de lippen, toen het hem bleek, dat de hengst van Frits sneller kon loopen dan zijn rijpaard.

Doch zulke gewaarwordingen liet hij zoo min mogelijk uit; zijn bedekte natuur schuwde de openbaarheid. Evenmin kende men zijn staatkundige gevoelens. Zijn vader en zijn broers staken het onder geen stoelen of banken, dat de Engelsche taal verdiende de wereldtaal te worden, en dat nergens welvaart kon gedijen, waar de roode Engelsche vlag niet wapperde. Jack was het daar zeer zeker mede eens, doch hij liet het niet merken; daarvoor was hij te voorzichtig. Frits had er geen flauw besef van, met welk een verachting Jack eigentlijk neerzag op die „domme” Transvaalsche Boeren in hun pilowsche broeken, en juist daarom was hij niet op zijn hoede. Hij hield van Jack; hij bewonderde zijn „vriendelijk” karakter, en zou voor hem door het vuur zijn gegaan.

Het ontbrak Frits Jansen nog aan ervaring en menschenkennis,en niets deed hij liever dan met Jack dagenlang over de jachtvelden te zwerven, achter den buffel en den vluggen reebok, en het was een lust, die twee ruiters over de golvende grasvlakte te zien heensuizen, snel als de wind der prairiën.

Want al kon de bruine van Jack het paard van Frits niet bijhouden, het was toch een uitstekende renner, een edel, prachtig dier.

Maar welk paard kon het ook uithouden tegen den koolzwarten hengst van Frits!

Als veulen had Reinard Jansen het dier voor zwaar geld gekocht, en het aan Frits op zijn verjaardag gegeven. En Frits had het veulen met teedere zorg opgekweekt, en zoo veel hield hij van het paard, dat hij niet slapen kon, als het dier iets mankeerde. Hij had het Cesar genoemd, en het allerlei vaardigheden geleerd. Maar hij was voor zijne zorg ook beloond geworden, want het dier hing aan zijn jongen meester met de trouw van een waakhond.

Cesar kende zijn meester aan den klank van zijn stem, aan den stap van zijn voet, en kwam Frits in den stal, dan spitste hij zijn ooren, en legde Frits den arm om zijn hals, dan schuurde het edele dier den ruigen kop tegen zijn borst, sloeg de slanke voorpooten uit en hinnikte.

Neen, zijns gelijke was niet te vinden, op honderd mijlen afstands niet.

Intusschen trok Frits zich het diep ingrijpend staatkundig verschil, dat tusschen de familie Jansen en de familie Williams bestond, niet bijzonder aan. Integendeel nam dat verschil in zijn oog al geringer afmetingen aan, ja hij waande de kloof reeds overbrugd. Hij begon te lachen om dat verschil; hij begon het te beschouwen voor een even dwaas als nietig misverstand. Door den omgang met de familie Williams dronk hij de staatkundige lucht der Kaapkolonie in, en ademde den wierook, die opsteeg voor den grooten Napoleon van Kaapstad—Cecil Rhodes.

In deze gevoelens was Frits Jansen slechts versterkt geworden, sinds hij verleden jaar met Jack Williams een reis had gemaakt naar de Kaapstad. Hij had bij die gelegenheid met Jack ook den eersten minister der Kaapkolonie bezocht op diens buitenplaats „de groote Schuur”, vroeger de woning van den gouverneur van der Stelt, toen de Kaapkolonie nog bij Nederland behoorde.

Met die betooverende hartelijkheid, die hij ten toon kon spreiden, had Cecil Rhodes de jonge Boeren ontvangen, had hun zijn kostbaar Zuid-Afrikaansch Museum laten zien, en bij het vertrek had hij Frits vertrouwelijk op den schoudergeklopten tot hem gezegd: „Niet waar, neef? Wij blanken hebben wel iets beters te doen dan ons onderling te verteeren in een onvruchtbare rassenstrijd?”

„Dat is een man!” had Frits Jansen bewonderend uitgeroepen tot Jack, toen zij de „Groote Schuur” achter den rug hadden.

Het woord klonk hem nog van daag in de ooren!

Waarvoor die haat, die onvruchtbare rassenstrijd?

Hadden de blanken niet iets beters te doen?

Wis en zeker!


Back to IndexNext