5)Ondiepe overgangen of veeren der rivier.
Baas Jansen stond in de schaduw, buiten de schuur, den ossenwagen te repareeren.
Met gespierde hand hanteerde hij den zwaren, ijzeren hamer, en met krachtige slagen dreef hij den spijker in de loslatende schotten.
Frits kwam juist van Williams, naderde zijn vader en zeide: „Morgen komt er een koopman, of liever een agent, om uw plaats „Elandsvallei” te koopen.”
„Zoo,” zeide zijn vader, den arbeid ijverig voortzettende.
Hij keek niet eens op van zijn arbeid.
„Ge kunt er veel geld voor maken,” zeide Frits.
„Van wien weet ge 't?” vraagde Jansen bedachtzaam.
„Meester Williams heeft het mij zoo even verteld,” zeide Frits.
Jansen fronste even zijn zware wenkbrauwen.
„Voor wien komt de agent?” vraagde hij plotseling.
„Voor een Engelsche Maatschappij,” antwoordde Frits.
De plooi tusschen Jansen's wenkbrauwen werd dieper.
„Nu ja, een Engelsche maatschappij—is dat zoo erg?” vraagde Frits.
„Ik verkoop aan geen Engelschman mijn land,” zeide de oude Jansen kortaf.
Hij wierp den hamer weg en nam de nijptang, om een verbogen draadnagel uit de plank te halen.
„En waarom aan geen Engelschman?” vraagde Frits.
„Omdat wij Transvaalsche Boeren eigenaren moeten blijven van den grond,” zeide Jansen met nadruk.
Hij had er den draadnagel uitgetrokken, en nam opnieuw den hamer.
„'t Zou me wat kunnen schelen, als ik goed werd betaald!” riep Frits luchthartig, doch 't ware beter geweest, zoo hij deze woorden had ingehouden.
Boer Jansen liet den hamer vallen en wierp een toornigen blik op zijn zoon.
„Is het zoover met je gekomen,” zeide hij langzaam, „dat het je koud laat, of ons land aan een Transvaalschen Boer of aan den Engelschman toekomt? Die reis van verleden jaar naar Kaapstad heeft je geen goed gedaan—waarlijk niet!”
„Zijn de Engelschen dan onze vijanden?” wierp Frits in het midden.
„Zouden dat onze vrienden zijn, die er op loeren, om onze duurgekochte vrijheid te morgen of te avond te vernietigen?” was de verontwaardigde wedervraag.
Frits antwoordde niet.
„Die drukke omgang met de familie Williams doet je kwaad; je zuigt er het Engelsche vergif in.”
„We kunnen nog genoeg van de Engelschen leeren,” meende Frits.
„Dat geloof ik ook,” zeide Jansen met een schamperen lach; „bij voorbeeld, om door list en bedrog zwakke volken onder de knie te krijgen!”
„Maar ik waarschuw je,” liet hij er dreigend op volgen—„wees op je hoede!”
En zijn zoon den rug toekeerend, nam hij opnieuw den zwaren ijzeren hamer.
Ontstemd verwijderde zich Frits.
Neen, het ging niet goed tusschen vader en zoon. Tante Martje, de stille goeie ziel, had het reeds sedert verleden jaar zien aankomen; het had haar al tranen en zuchten gekost.
Laat in den namiddag van den volgenden dag, van het veld huiswaarts keerende, ontmoette Frits drie van zijns vaders Kaffers, bezig, om de beesten aan een beek te drenken.
„Jonge baas,” riep de eerste, de naakte, zwarte armen opgewonden in de hoogte stekend, „hebt ge reeds gehoord van het verschrikkelijk ongeluk?”
„Wat is er gebeurd?” vraagde Frits onthutst, den teugel van Cesar inhoudend.
„De ouwe baas heeft een Engelschen koopman in de lucht geslingerd,” riep de Kaffer;„hij heeft hem door de ruiten gesmeten, en 't is zonde, dat ik het dure woord zeg: het roodbaatje was in eens morsdood.”
„Zoo dood als een pier,” vulde de tweede Kaffer aan.
„De ouwe baas is ook vreeselijk sterk,” zeide de derde Kaffer, met zijn witte tanden grijnzend.
„Hij slingerde het roodbaatje als een aap door de ruiten, en hij kwakte als een buffel,” hernam de eerste Kaffer, die van beeldspraak hield.
„Het roodbaatje brak den nek,” verduidelijkte de tweede Kaffer.
„Ja, 't is een ijselijkheid,” zeide de derde opnieuw met zijn witte tanden grijnzend.
„Van wien weet ge 't?” vraagde Frits, die wel wist, dat de Kaffers van overdrijving houden.
Nu, zij hadden 't uit een vertrouwbare bron.
Raversbol, die op de kalveren paste, had het van Bonaparte, en Bonaparte van Zaterdag, en Zaterdag van Spoelkom, en Spoelkom had het uit den eigen mond van Kil de kaffermeid.
Kil was bezig geweest aan het uitwieden van den bloementuin, toen plotseling de Engelschman, die zij een uur geleden door de voordeur naar binnen had zien gaan, door de ruiten naar buiten vloog. In 't eerst had zij nog gedacht aan een nieuwe Engelsche uitvinding, omdat de Engelschen zoo glad zijn in 't uitvinden, maar toen hij bleef liggen, begreep zij, dat er wat anders achter stak dan een Engelsche uitvinding, en zij had bijna een beroerte gekregen van schrik, toen zij merkte, dat hij daar lag met gebroken nek en morsdood.
Frits gaf zijn paard de sporen en snelde naar huis.
In de voordeur stond zijn vader.
Hij rookte bedaard zijn pijp, en staarde naar de avondwolken,die als reusachtige vogels met uitgespreide vleugels langzaam voorbij dreven aan het hooge firmament.
„Vader, wat is er gebeurd?” vraagde Frits vol spanning; „wat is er gebeurd met dien Engelschen agent?”
Wat was er gebeurd?
Heden voormiddag was een deftig mijnheer, gekleed naar den nieuwsten smaak, met een pakje onder den arm, een rotting in de hand en een gouden lorgnet op den neus, op „Waterfontein” gekomen.
Baas Jansen was juist bij de knechten geweest, die bezig waren eenige ossenhuiden te looien, en zat thans de jas uit, in zijn hemdsmouwen heel gemoedelijk zijn pijpje te rooken in de voorkamer.
Door het raam had hij over den bloementuin heen een vrij gezicht op zijn landerijen, en hij genoot bij het gezicht van den rijken oogst, die zijn velden beloofden.
Daar werd aan de deur geklopt.
We weten, dat het temperament en het karakter van den mensch een neiging heeft, om zich in al zijn handelingen te weerspiegelen.
De driftige klopt forsch, haastig, brutaal.
Hij schijnt te willen zeggen: „Doe je gauw open of moet ik de deur intrappen?”
De tik van den schuchtere klinkt bescheiden, aarzelend, vreesachtig—mag ik of mag ik niet?
Komt u iemand om een aalmoes vragen, dan hoort ge 't reeds aan dat vragend, klagend, smeekend kloppen, en een vertoornde, die je een standje wil schoppen, bonst tegen de deur.
Een predikant tikt weer anders dan een schoenmaker, en een horlogemaker doet hetvoorzichtigerdan een smid.
Den man van zaken kunt ge onmiddellijk herkennen aan zijn kloppen—één, twee drie; den eersten keer zacht, den tweeden keer wat sterker, den derden keer beslist en krachtig.
Reeds in zijn kloppen wil hij zeggen: „Ik kom over geen beuzelingen praten; ik wil spijkers met koppen slaan.”
Zóó was dan ook het getik van onzen Engelschen agent: één—twee—drie!
„In!” riep de boer met forsche stem.
„Mijnheer Jansen, als ik vragen mag?” zeide de reiziger met een diepe buiging.
De stoere Boer knikte zonder op te staan met den stevigen kop, en het stompje pijp, dat hij in zijn hand had, wees naar een stoel.
Dat stompje pijp scheen te willen zeggen: „Jij kunt gaan zitten, als je wilt, maar je kunt ook blijven staan voor mijn part.”
De gewikste reiziger koos het eerste, nam een stoel en zette zich in de nabijheid van den Boer, die hem met schuine blikken opnam.
Hij trok doodbedaard de witte handschoenen van zijn blanke handen, en deelde in welgekozen woorden het doel en streven mee der landbouw-maatschappij voor welke hij thans werkte.
Nu, dat doel was even practisch als schoon. De maatschappij wilde aan hare aandeelhouders een veilige geldbelegging met billijke rente verzekeren, en tevens de belangen van arme Transvaalsche Boeren behartigen, door aan hen tegen zeer matige huur landerijen af te staan, die de Maatschappij van plan was in de Transvaal te koopen.
„'t Is een bescheidene maar ernstige poging,” zeide de welbespraakte, „om de sociale kwestie uit de wereld te krijgen,” en hij draaide zelfbewust de punten op van zijn bruinen knevel.
Doch het doelwasniet zoo mooi, als de agent—de agent van Cecil Rhodes—den eenvoudigen Boer zat voor te liegen.
Deze Engelsche christelijk-philantropische landbouw-maatschappij was maar een schepping van Cecil Rhodes' ondernemingsgeest, en de op te koopen landerijen werden uitsluitend gezocht in de nabijheid van den weg, die van het Engelsche fort Mafeking (op de Transvaalsche grenzen) naar Johannesburg liep. Immers op deze landerijen konden pleisterplaatsen en voorraadschuren worden opgericht voor Rhodes' ruiterij, als zij bij een inval in het Transvaalsche grondgebied zich in verbinding trachtte te stellen met Johannesburg, waar de brandstoffen voor een revolutie reeds voorzichtig en behoedzaam werden bijeenvergaderd.
Van dewarebedoeling der Engelsche Maatschappij wist Jansen intusschen niets af, maar zijn gezond boerenverstand zeide hem toch, dat de mooie voorspiegelingen van den gladden prater daar voor hem, zeker, niet waar konden zijn.
Hij liet dus den welbespraakte uitpraten, sloeg het rechterbeen over het linker, en zeide: „Ik heb er geen zin in, om Elandsvallei te verkoopen; ik verkoop je geen land.”
„Wil u mij geen land verkoopen?” riep de welbespraakte op den toon der hoogste verbazing. „Maar mijnheer Jansen, is het mogelijk, dat u op die manier uw eigen geluk met voeten wilt schoppen? Mijnheer Jansen, ik reis voor een Maatschappij, die, waar het een soliede geldbelegging geldt, met een zeer matige rente tevreden is, en op geen vijftig pond kijkt. Wel mijnheer, bedenk toch eens! vraag geld—weet u niet, hoeveel u vragen zult? Ik zal het u gemakkelijk maken—zie daar, ik bied u drie honderd souvereinen6)! Schudt u van neen?—wel nu, men zegt niet onmiddellijk zijn laatste woord—dat zal u ook niet doen, als u een paard koopt. Ik bied u nog twintig pond er boven. Heeft u me goed begrepen, mijnheer Jansen? Ik bied u drie honderd twintig zegge drie honderd twintig blanke gouden souvereins. Geen mensch, die 't er u voor bieden zal—geen sterveling! Want lieve schepsel, wat is Elandsvallei? Een stuk woestijn—de ware Sahara!”
De welbespraakte staakte zijn rede een oogenblik, wierp een onderzoekenden blik op het breede gelaat daar voor hem, en sloeg met de witte handschoenen naar de vliegen, die hem plaagden.
Doch dat gelaat bleef onbewegelijk, en terwijl baas Jansen machtige rookwolken blies uit zijn korte pijp, rustten zijn grijze oogen met klimmenden achterdocht op den welbespraakte.
„Een stuk woestijn is het—de ware Sahara!” herhaalde de agent van Cecil Rhodes met den gloed der overtuiging—„mij den hals af, als het meer waard is dan twee honderd vijftig pond!”
Hij nam het gouden lorgnet van den neus, veegde het af met zijn handschoenen en zette het met een gracieuse beweging op nieuw op den neus.
„Dan ben je een zot, om meer te bieden dan het waard is,” zeide baas Jansen droogjes.
„Er zit muziek in, mijnheer Jansen, muziek!” antwoordde de welbespraakte.
„Ik begin het ook te gelooven,” meende Jansen, terwijl hij de uitgerookte pijp naast zich neerlegde op de vensterbank.
„Ja, maar in een anderen zin dan u waarschijnlijk bedoelt, mijnheer Jansen,” ging de ijverige reiziger voort. „Ikbied namelijk—op mijn eigen risico—honderd twintig pond meer dan ik besteden mag. Maar het geldt een weddenschap, mijnheer Jansen, een weddenschap!”
„Zóó,” zeide Jansen koeltjes.
„Ik heb namelijk een weddenschap van tweehonderd pond aangegaan, dat ik „Elandsvallei” zou koopen, terwijl mijn tegenstander, met wien ik de weddenschap aanging, verzekerde, dat u „Elandsvallei” niet zou willen verkoopen. Wanneer ik u honderd twintig pond boven den prijs bied, dien ik mag besteden, dan steek ik met de weddenschap toch nog tachtig pond in mijn zak, en onze belangen gaan dus dezen keer samen. Gelooft u mij niet, mijnheer Jansen? Kijk mij eens flink in de oogen—zie ik er uit als een bedrieger?”
Inderdaad kon een pas geboren kind er niet onschuldiger uitzien dan deze handige agent, doch boer Jansen zeide op ruwen toon: „Zulke lompe leugens moet je een ander vertellen, maar niet aan Reinard Jansen.”
„Je denkt misschien, dat je met een kind bezig bent?” ging hij voort, terwijl zijn grijze oogen onheilspellend begonnen te flikkeren.
De welbespraakte, wiens welsprekendheid en brutaliteit grooter waren dan zijn menschenkennis, had toch zooveel begrip, dat hij de weddenschap verder wijselijk liet rusten.
„Mijnheer Jansen,” zeide hij, „vraag dan eens geld!”
„Ik vraag niets,” antwoordde de boer.
Zijn geduld raakte uitgeput.
„Vraag driehonderd vijftig pond!” zeide de welbespraakte.
„Ik vraag niets!” herhaalde Jansen met klem.
„Nu, dan bied ik het u!” riep de onverschrokken man plotseling, oprijzende van zijn stoel, met vervaarlijke stem. „Drie honderd vijftig pond bied ik—sla in, mijnheer Jansen, sla in!”
Hij deed een poging, om de groote, ruwe hand van den landeigenaar te grijpen, maar deze poging mislukte hem volkomen.
„Ben je nu uitgepraat?” vraagde Jansen koeltjes.
„Nog niet,” zeide de welbespraakte, en hij ging waarlijk weer zitten.
Hij haalde een sierlijken sigarenkoker uit zijn zak.
„Een sigaar aansteken?” vraagde hij minzaam; „echte Havanna?”
Jansen maakte een afwerende beweging.
„Ik vraag je, of je nu uitgepraat zijt?” zeide hij toornig.
„Als de koop gesloten is—ja,” zeide de agent met bewonderenswaardige volharding; „heb ik „Elandsvallei”—ja of neen?”
Jansen zeide geen woord, en de welbespraakte ging voort:
„U krijgt vijftig souvereins als handgeld tegen de onderteekening van een klein koopcontractje.”
Hij haalde een handvol goudstukken voor den dag, en begon ze neer te tellen op deeikenhoutentafel.
Maar de stoere Boer sloeg thans met zijn harde vuist op de tafel, dat de prachtige goudstukken rammelden, en barstte los: „Ik bewonder mijn eigen geduld, dat ik jou, sinjeur, nog niet de deur heb uitgesmeten.”
„Steek dien rommel op—daar is de deur,” riep hij met een gebiedend gebaar.
De Engelsche agent was wel genoodzaakt, om het geld weer op te steken, maar hij dacht nog niet aan heengaan.
Was hij vroeger in kwaliteit van wijnreiziger op den wenk van een lastigen, ouden heer door diens bediende niet twee keeren al de trappen afgegooid, en had hij er later toch nog geen zaken gedaan? Had men hem in de dagen, toen hij sigarenhandelaar was, niet eens de voordeur voor den neus op het nachtslot geworpen, en was hij niet door de achterdeur weer binnengeslopen, en tot zaken gekomen? En zou hij 't nu tegen zoo'n Boer moeten afleggen, tegen zoo'n ongelikten beer?
„Mijnheer Jansen,” zeide hij met waardigheid, „maak u niet driftig. Laten wij als verstandige menschen met elkaar praten. Ik bied u driehonderd vijftig souvereins, zegge drie honderd vijftig, al is het schandelijk veel. Denkt ge, dat er misschien een goud- of koperader door Elandsvallei loopt? Wel nu, we zullen in het koopcontract de bepaling inlasschen, dat alle mogelijke ertsen in den bodem uw eigendom blijven—wat wilt u nog meer?”
„Er uit!” bulderde Jansen.
De welbespraakte stond op, nam zijn grijzen cylinderhoed van de tafel, draalde een oogenblik, en—ging weer zitten.
„Ik zal dien brombeer nog wel klein krijgen,” dacht hij in zijn buitensporig zelfvertrouwen, maar het was een vreeselijke vergissing.
Jansen stond op, ging naar de deur, draaide ze op slot en stak den sleutel in zijn wijden broekzak.
Reinard Jansen en de Engelsche reiziger.Reinard Jansen en de Engelsche reiziger.
De blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op, en slechts met moeite bewaarde hij zijn zelfbeheersching.
Hij zette de handen in de zijden en zeide: „Roodbaatje, ik heb je verzocht de deur uit te gaan, maar je wildet niet, nu moet je dièn kant uit.”
„Welken kant?” riep de welbespraakte, in groote verbazing.
„Dièn kant!” zeide de Boer, in een bepaalde richting wijzend.
„Door dat raam?” vraagde de agent twijfelend, maar hij schepte moed en dacht aan een grap.
„'t Is altijd nog beter dan door den schoorsteen,” zeide hij en lachte.
„Ik denk het ook,” zei Jansen—„vooruit!”
Nu keek de welbespraakte den Boer weer aan door zijn gouden lorgnet—zou het toch meenens zijn? Of leed de Boer aan vlagen van tijdelijken waanzin?
„Nu, ga je of moet ik je een handje helpen?” zeide Jansen.
„Help me maar een handje,” zeide de agent van Cecil Rhodes, die voor den eersten keer van zijn leven de kluts totaal kwijt was, en niet meer wist wat hij zeide.
Daar had je 't!
De gespierde Boer greep met zijn armen van staal den welbespraakte, en slingerde hem—de beenen vooruit—met een bewonderenswaardige vaardigheid door de rinkelende, kletterende glasruiten den tuin in.
Langs denzelfden weg volgde het pakje, de rotting en de cylinderhoed.
„Die komt vooreerst niet terug!” meende de Boer.
Neen, dat zou waar zijn!
De reiziger werkte zich omhoog, zocht het gouden lorgnet op, dat hem van den neus was gevlogen, nam zijn verdere bezittingen tot zich, en holde met lange stappen, zonder om te kijken, het erf af.
Doch toen hij aan het houten hek, aan het einde der oprijlaan, was gekomen, keek hij nog eenmaal om en brulde: „Stikken kan hij voor mijn part—hij kan stikken, de rekel!”
En met deze even onbetamelijke als onchristelijke uitdrukking verliet hij Waterfontein, om er nooit terug te komen.
6)Een souverein of een pond = ƒ 12.
Frits was innig verheugd, dat het verhaal, door de Kaffers opgedischt, vreeselijk overdreven was, en hij moest om de geschiedenis zelf hartelijk lachen, doch de „onpartijdige” blik, dien hij aan de familie Williams had te danken, liet den lach spoedig verstommen. Immers ware de agent een Afrikaansche Boer geweest, zijn vader zou hem niet door de ruiten naar buiten hebben geloodst. O neen, een Afrikaansche Boer kon op Waterfontein geen kwaad doen. 't Is waar, de Engelsche agenten konden iemand door hun onuitstaanbaar gezanik het bloed uit de teenen halen, maar een Afrikaansche Boer deed er ook zijn tijd over, als hij op Waterfontein een klepper ging koopen of een paar struisvogels of een koppel schapen.
Doch dat hinderde niet. Zoo'n Afrikaansche Boer moest de pijp stoppen, koffie drinken, mee deelnemen aan het middagmaal, en al bleef hij veertien dagen, het zou den ouden Jansen niet verdrieten.
Geen gastvrijer huisheer was er te vinden tusschen den Atlantischen en den Indischen oceaan dan baas Jansen, wel te verstaan als de gast een Afrikaander was. Bij zoo'n bezoek ontdooide het strak en streng gelaat van Reinard Jansen, en iets als zonneschijn begon te schemeren op dat door de zon verbrand gelaat.
Een Engelsche Boer—dat kon er ook nog zoo wat mee door, maar in den Engelschen koopman zag baas Jansen den spion, den verrader, die het land ging verkennen voor Engeland. Hij was voor baas Jansen een tollenaar, een Samaritaan, een heiden, met wien hij geen gemeenschap wilde hebben.
Maar dit standpunt van zijn vader vond Frits partijdig, bekrompen en onbarmhartig, en terwijl bij den ouden Jansen de evenaar doorsloeg naar den Transvaalschen kant, sloeg hij bij zijn zoon door naar den Engelschen kant.
Zoo werd het verschil tusschen Frits Jansen en zijn vader bij den dag grooter, en zij konden elkander niet meer verstaan. Heftige tooneelen hadden er plaats, en baas Jansen uitte ernstige bedreigingen, waarnaar Frits niet luisterde.
Jansen behandelde zijn zoon met klimmend wantrouwen, wat dezen prikkelde tot ongepaste uitdrukkingen, doch ten slotte werd over de brandende kwestie niet meer gerept.
Zwijgend gingen vader en zoon elkander voorbij, en spraken met elkander niet meer dan hoog noodig was met het oog op de boerderij.
Doch daardoor werd de treurige verhouding nog slechter; het verschil werd een kloof—een afgrond....
Als een ban lag deze wanverhouding op al de huisgenooten. Tante Martje ging stil haars weegs, zuchtende en biddende, en het meesterke sneed het door de ziel, dat in de familie, waaraan hij zooveel te danken had, de demon van den tweedracht zijn intrek had genomen.
Natuurlijk was deze tweedracht geen geheim gebleven voor den omtrek. Praatzieke kaffermeiden hadden meer dan eens met hun groote ooren tegen het sleutelgat van de deur staan luisteren, als er hooge woorden vielen, en in hun babbelzucht het verteld aan wie het hooren wilde.
Zoo werd de familie Williams met den twist bekend, en het kon wel niet anders, of de Williams' trokken luid en warm partij voor Frits. Doch daardoor kreeg zijn ontevredenheid voortdurend nieuw voedsel, en de toestand op Waterfontein werd onhoudbaar.
Nu gebeurde het op zekeren dag, dat Frits naar zijn gewoonte Jack Williams ging opzoeken, en bij hem, aan den kapstok in den gang, eene militaire uniform zag hangen.
„Wat is dat?” vraagde Frits.
„Eene militaire uniform der vrijwilligers in Rhodesia,” antwoordde Jack.
„Die onder Jameson dienen?”
Jack knikte bevestigend.
Frits bekeek de eenvoudige maar practische kleeding.
„Hoe kom je daaraan Jack?”
„Van mijn neef te Buluwayo,” antwoordde de aangesprokene.
Buluwayo was de nieuwe hoofdstad van Rhodesia,7)door Rhodes gesticht op de puinhoopen van koning Lobengula's kafferkralen, en telde 4000 inwoners.
„Wat moet je er mee doen?” vraagde Frits, die al maar naar die militaire uniform keek.
„Wel, mijn neef heeft me een heel rooskleurigen briefgeschreven, noodigt mij uit, om ook een jaartje vrijwilliger te worden en zendt mij al vast een pak.”
Frits bekeek het pak opnieuw.
„Trek het eens aan,” zeide Jack.
Frits liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij deed het. Het pak stond hem als aangegoten.
„Neem jij 't voorstel aan van je neef, Jack?”
„Ik denk er ernstig over—ga je mee?”
Als een lichtstraal viel deze vraag in het gemoed van Frits.
„Ja,” zei hij kort en bondig; „ik ga mee.”
De vrouw van Williams was een verstandige vrouw, en dit gesprek aanhoorend, zeide zij: „Frits, doe het niet! Het zal je vader verbitteren!”
„'t Is beter, dat ik ga,” zeide Frits na een oogenblik nadenkens. „Verbitterd is mijn vader toch reeds, en kom ik over een of twee jaren terug, dan wordt de verhouding van zelf weer gezond.”
„Ik weet het niet,” zeide vrouw Williams twijfelend en ging weer aan haar huiselijk werk.
Frits ging nu naar huis; in het gezelschap van Jack.
Tante Martje was bezig aan het kousen stoppen, en het meesterke, dat er sterker uitzag dan vroeger, trad, daar de namiddagschool juist uit was, tegelijk met Frits en Jack het woonvertrek binnen.
Van buiten kwam het getrap en gestamp van paardenhoeven en de luide kreten der Transvaalsche jeugd, die hun paarden bestegen en onder een groot lawaai naar huis reden.
„Moeder, ik ga naar Rhodesia,” zeide Frits zoo kalm mogelijk.
„Frits!” zeide zijn moeder verbaasd en bedroefd, „naar Rhodesia?”
„Nu, wat zou dat?” zeide hij zoo luchthartig mogelijk.
„In dienst van Cecil Rhodes?” vraagde zij in stijgenden angst.
Hij knikte met het hoofd.
„O mijn jongen,” smeekte zij, „doe dat niet!”
„En waarom niet?” vraagde hij.
„Omdat het verraad is aan uw eigen vaderland,” zeide zij ernstig.
„Daar heb je 't weer,” riep hij wrevelig. „Nu kan ik wel zeggen, dat het geen verraad is, doch wat schieten we daarmee op?”
Het meesterke sloeg het geschiedkundig boek, waarin hij las, dicht, en richtte zijn zachte weemoedige oogen op Frits.
„Wilt ge ons verlaten?” vraagde hij droevig.
„Ja, meesterke,” antwoordde Frits eenigszins scherp; „ik ga voor een of twee jaren dienst nemen. Daar behoef je nu zoo bedrukt niet voor te kijken, want met zuchten en huilen, zooals jij doet, kunnen we ook niet door de wereld komen.”
„Over een jaar ben ik misschien al weer terug,” zeide hij iets vriendelijker.
„Als alles goed gaat,” liet hij er op volgen.
„Als alles goed gaat,” zeide zijn moeder zuchtend.
„Natuurlijk, als de hemel instort, dan zijn we allemaal dood,” lachte Jack.
Doch deze onverschillige lach was nog pijnlijker dan de geprikkelde toon van den jongen Jansen. Die geprikkelde toon was trouwens te verklaren.
De stem van zijn geweten zeide hem, dat hij een verkeerd pad insloeg, en dat geweten kreeg bijstand in het stille verwijt, dat er in de woorden van zijn moeder en van het meesterke lag. Maar dat stille verwijt maakte hem wrevelig en ontstemd, want hij wilde zijn plan niet opgeven.
„Cecil Rhodes schenkt aan elken vrijwilliger drie duizend morgen land als zijn wettig eigendom,” begon hij opnieuw; „dat moet je niet uitvlakken.”
„Cecil Rhodes is een vijand van ons volk,” zeide tante Martje, en door de woorden der zachte vrouw klonk toorn.
„Dat zegt Vader tenminste,” meende Frits, maar zich omkeerende zag hij zijn vader achter zich staan.
't Was nog geen acht dagen geleden, dat baas Jansen terug was gekeerd van een reis naar het noorden, waar wij hem ontmoetten op het familiefeest bij zijn ouden oom Dirk Kloppers. En aan de wijze raadgevingen van den grijsaard was het wel te danken, dat Jansen de laatste dagen spraakzamer was geworden. Vooral van daag was hij in een mildere stemming, en huiswaarts keerend van het veld, had hij na een ernstig gebed het voornemen opgevat, om zich met zijn kind te verzoenen.
Met deze goede voornemens bezield, trad hij het woonvertrek binnen, en hoorde het plan van zijn zoon. Doch sneller kan de wreedste hagelslag de heerlijkste bloesems niet vernietigen, dan hier de bloesems der verzoening werden vernietigd.
De oude Jansen was zoo bleek geworden als de gekalkte muur.
„Wilt ge naar Cecil Rhodes,” zeide hij met schorre stem, „ga dan maar op staanden voet!”
Reeds hief hij den arm op en wees naar de deur.
„Vader!” riep Frits.
„Noem mij geen vader meer,” riep hij vol toorn, „want ik schaam me voor mijn volk, dat ik zulk een zoon heb verwekt!”
Het meesterke nam zijn boek, ging naar het thans ledige schoollokaal, knielde bij den ouden lessenaar neer en bad tot God om uitkomst.
„Heb ik dan een moord op mijn geweten?” riep Frits.
„Ja,” zeide zijn vader, „een moord—een moord aan je vaderland! Gij zijt in mijn oog een Engelschman—een verrader!”
„Een verrader?” riep de zoon, „een verrader?”
Hij stond thans recht voor zijn vader, en moeder Jansen heeft later wel eens aan haar man gezegd,datzij in dit vreeselijk oogenblik werd getroffen door de zeldzame overeenkomst tusschen vader en zoon. Zij hadden beiden de handen tot vuisten gebald van pijn en toorn; diezelfde onverzettelijkheid en strakheid lag op hun gelaat, die oogen vlamden van denzelfden toorn, en evenals bij zijn vader werd de blauwe ader aan de rechterslaap bij Frits zichtbaar.
Er volgde een angstwekkende pauze.
Jack draaide, niet wetende of hij gaan of blijven zou, zijn hoed rond tusschen zijn handen.
„Wel nu,”zeide Jansen plotseling, „wat wilt ge? Hier blijven als een gehoorzame zoon, en ik zal er niet verder over spreken, of wilt ge gaan? Ge moet kiezen—kies tusschen mij en Cecil Rhodes!”
Frits scheen te aarzelen; luide sprak zijn geweten. Doch daar viel zijn oog op Jack, en hij zag een spotlach op die lippen.
Die spotlach besliste.
„Ik ga naar Rhodesia,” zeide hij.
„Is dat je laatste woord?” vraagde de oude Jansen.
„Ja,” zeide hij met harde stem.
„Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat de Heere, uw God, u geven zal!” zeide tante Martje met plechtige stem, doch haar woord verwaaide in den storm der hartstochten als het woord in de wijde wildernis, waar het geen echo vindt.
„Dan er uit,” riep Jansen, „en kom niet meer onder mijn oogen!”
Reeds strekte hij de hand uit naar zijn zoon, maar deze wendde zich haastig om, en terwijl hij luide riep: „Dat geeft een ongeluk!” verliet hij Waterfontein in hittigheid des toorns.
Jack wilde hem na, doch Reinard Jansen keerde hem op.
„Ik wil je nog even zeggen,” zeide hij op gedempten toon, tusschen de tanden door, „dat ik jouw spotlach wel heb opgemerkt, en het hindert me vreeselijk, dat Frits meer ontzag heeft voor jouw spot, dan voor mijn vaderlijk woord. Jij,jijbent zijn ongeluk, zijn Judas—zijn duivel! Jij hebt mij een kind armer gemaakt—jij huichelaar!”
Jack, door deze uitdrukkingen in zijn hoogmoed diep beleedigd, antwoordde op onbeschoften toon:
„Ik heb met jouw praatjes niks te maken; laat me door!”
„Kijk,” zei baas Jansen met snijdenden hoon, „zoo hoor ik je liever dan met die vriendelijke woordjes, die je toch niet meent. Maar gij zijt tienmaal slechter dan Frits, ja tien- en twintigmaal slechter, wantgijhebt hem verleid. En jij verdiende met de ossenzweep afgeranseld te worden, zooals jij je Kaffers afranselt, maar ik zal mijn handen niet aan je vuil maken. Hier—maak dat je weg komt! En kom nooit meer over mijn drempel!”
Hij greep Jack bij den schouder, en slingerde hem, onder de oogen van eenige Kaffers, die in den boomgaard bezig waren met vruchten te plukken naar buiten.
„Nooit weer over mijn drempel!” riep Jansen nog eens.
„Neen,” zeide Jack Williams met een grimmigen vloek, „over dien drempel zal ik nooit meer komen—dat zweer ik!”
Er zat geen vroolijk gezelschap aan het avondeten.
Tante Martje had roodgekreten oogen, en op het gelaat van baas Jansen lag een diepe plooi van smart en verontwaardiging.
De twee oudste dochters bedienden zwijgend, nu en dan tersluiks een bezorgden blik werpend op hun ouders, de tafel, en de kleine Cornelia vermaakte zich met den grooten Sultan, dien zij nu en dan een stuk brood in den breeden muil wierp.
Toen het avondeten was geëindigd, zette het meesterkezich aan het orgel, om zooals gewoonlijk een psalmvers te spelen, doch niemand zong mee.
De tafel was spoedig afgeruimd. Baas Jansen ging nog even naar buiten, keek om het huis, of alles in orde was, en schoof den zwaren grendel voor de huisdeur.
Reeds vroegtijdig ging men ter ruste.
Het was, alsof er een doode was uitgedragen....
De schaduw van Cecil Rhodes viel op Waterfontein....
7)Rhodesia is genoemd naar Cecil Rhodes.
Er was misschien een uur verloopen—Jansen noch zijn vrouw hadden nog een oog gesloten—toen luid en angstig het geroep van „brand, brand!” over het erf weerklonk.
Onmiddelijk rees Jansen overeind, schoot eenige kleedingstukken aan en liep naar buiten.
Reeds in den gang merkte hij walm en rook.
Nu was hij buiten.
In de nabijheid stonden een paar Kaffers, hieven de handen weeklagend omhoog en riepen: „O baas, nu brandt Waterfontein af.”
Het rieten dak stond in brand, en hulde het huis als in een reuzenmantel van vuur.
Uit het achterhuis sloegen de vlammen reeds hoog uit.
„Haalt de ossenwagens uit de schuren, en rijdt ze op het open veld!”beval Jansen aan de Kaffers, terwijl hij hen voorbijsnelde, terug naar het voorhuis.
Zijn vrouw kwam hem reeds tegen, met eenig huisraad in haar handen.
„Zijn onze kinderen in veiligheid?” vraagde Jansen.
Tante Martje knikte bevestigend.
„En het meesterke?”
„Ja,” zeide zij.
Toen ijlde Jansen in groote sprongen naar de stal, vanwaar het angstig gehinnik der paarden hem tegenklonk.
De staldeur was van binnen gesloten. Met één voettred had hij ze ingetrapt. Hij sprong naar binnen, op den voet gevolgd door Eliëzer, zijn meest vertrouwden Kaffer.
De paarden gingen vreeselijk te keer; zij sloegen met de pooten, rukten wild aan hun helsters, en de rook en de neervallende vuurvonken maakten hen razend van angst.
Met levensgevaar drongen baas Jansen en zijn knecht tusschen de paarden in, sneden de helsters met hun zakmessen door en joegen de woest geworden dieren naar buiten.
Met buitengewone snelheid greep het vuur intusschen om zich heen. Het had in geen weken geregend, en het gebouw was kurkdroog. Een regen van vonken daalde neder en maakte den naasten omtrek onveilig. De vlammen sprongen over op twee kleinere schuren en bedreigden het wagenhuis, terwijl de met stroo gedekte, achter op het erf staande Kafferhutten bij een gering draaien van den wind een prooi moesten worden van het vernielende element.
Er heerschte op het erf, verlicht door den rossigen gloed der stijgende vlammen, een onbeschrijfelijk tooneel.
De uit de kralen8)losgelaten beesten joegen, loeiend en bulkend, schuimbekkend van angst, voorbij, in hun loop gestuit door wild geworden paarden, die met wijd opgesperde neusgaten en rillende flanken telkens tegen het vuur indrongen. Daartusschen klonk het geblaat van schapen, het gegil van kleine Kafferkinderen, het luid geschreeuw der Kaffers en de knal der lange ossenzweep.
Baas Jansen had intusschen geen oogenblik zijn koelbloedigheid verloren, en boven het geschreeuw der Kaffers en het knetteren der vlammen klonk zijn geweldige stem.
Daar naderden een achttal Transvaalsche boerenzonen. Zij waren op den terugweg van een schietwedstrijd, en hadden in de verte den brand bemerkt.
Ofschoon hun weg niet langs Waterfontein liep, hadden zij toch onmiddelijk den teugel gewend, en waren dwars over het open veld in den snelsten draf op het vuur aangereden. Aan de windvrije zijde van de brand hadden zij op behoorlijken afstand hun paarden vastgebonden, en kwamen nu, om baas Jansen in zijn nood bij te staan.
Dat was gewenschte hulp, en helder straalde het oog van baas Jansen, toen hij die wakkere jongens in het gezicht staarde.
„Ziet de schuur te houden!” zeide hij, op het wagenhuis wijzend.
Reeds had ze vuur gevat.
Twee man klauterden het dak op, en de anderen droegen het water aan uit den nabij gelegen vijver.
Een zee van vonken daalde neder op de moedige Boeren, maar zij gaven het niet op, doofden het vuurvattende riet met water, of sloegen de beginnende vlam uit met lange stokken, en kropen, toen hun kleeren begonnen te smeulen, als waterratten in den vijver.
„Zoo gaat het goed—uitstekend!” riep baas Jansen moed scheppend, doch plotseling pakte hem de angst.
„Waar is mijn vrouw?” vraagde hij aan een in de nabijheid staanden Kaffer.
„Ik wilde u juist zeggen,” antwoordde deze, „dat zij zoo pas het voorhuis is ingegaan en nog niet is teruggekomen.”
Op dit oogenblik kwam Kasper, een der jonge Boeren, aanloopen.
„Oom,” zeide hij, terwijl hij zich het zweet van het gezicht veegde, „het wagenhuis kunnen we houden, en er zijn nu manschappen genoeg—hebt ge nog iets voor mij te doen?”
Doch baas Jansen hoorde het niet.
Juist rende Eliëzer voorbij.
„Eliëzer, hebt gij mijn vrouw niet gezien?” vraagde hij in klimmende ongerustheid.
„Is ze nog niet terug uit het voorhuis?” vraagde de knecht.
„Ik kan ze niet vinden,” zeide Jansen.
Ook zijn kinderen wisten niet, waar zij was.
„Dan zal ik ze halen,” zei Jansen vastberaden; „zij moet in het voorhuis zijn.”
Reeds lekten de vlammen aan de deurposten.
Op dit oogenblik trad Kasper den Boer in den weg.
„Laat mij uw vrouw zoeken,” smeekte de dappere jongen, doch Jansen schudde het hoofd.
„Ik ken uw huis evengoed als gij,” zeide Kasper.
Baas Jansen keek hem aan en zeide met bewogen stem: „Neen, mijn jongen, dat moogt ge niet doen. Ik zal het doen.”
Tegelijkertijd ijlde hij reeds den gang in, die vol rook was. Doch die rook hinderde hem nog niet zooveel, daar deze de eigenschap heeft, omhoog te stijgen, en de Boer kruipende zijn weg zocht.
Op den tast vond hij de trap naar het slaapkamertje, waaronder de kelder was.
„Martje,” riep hij, „Martje!” doch hij kreeg geen antwoord.
Hij zocht het kamertje al tastende af, want zien was onmogelijk.
Daar greep hij een bundel kleeren, en daarnaast—de kleeren in den arm—lag zijn bewustelooze vrouw.
Baas Jansen had wel een juichkreet kunnen slaken, want hij voelde het kloppen van haar hart.
Snel nam hij haar op, om van deze gevaarlijke plek te komen. Reeds vielen stukken vuur op hen neer; slechts met moeite kon hij de vuurvattende kleeren dooven.
Nu was hij weer in de gang.
Nog eenige stappen en—hij was gered.
Daar hoorde hij boven het geruisch der vlammen uit een vreeselijken angstkreet, en de waggelende voormuur stortte voor zijn verbijsterden blik tegen den grond.
Waar anders de deur was, gloeide en vlamde nu een zee van vuur. Hij moest terug, om de gangdeur van het woonvertrek te vinden, daar het raam van het woonvertrek gelegenheid bood om naar buiten te komen.
Hij bereikte de gangdeur en opende ze.Doch hij had zich in de deur vergist, en staarde in het achterhuis, van waar de vlammen hem in het gezicht sloegen.
Hij sloeg de deur dicht en verbrandde zich de handen aan het reeds smeulende hout.
Doch ook in dit vreeselijke oogenblik behield hij zijn tegenwoordigheid van geest. Kruipend tastte hij met de vrije hand langs den muur—rechts—de rook dreigde hem thans te verstikken—maar hij bereikte de gewenschte deur.
Zij was op de klink en gauw geopend.
En dáár was het reddende raam!
Maar zijn gedachten begonnen zich thans te verwarren; hij begon te duizelen.
„Almachtige God, help mij!” kwam het steunend uit zijn breede borst.
De dichte rook dreigde hem het bewustzijn te ontnemen; hij voelde zijn krachten verlammen, doch twee sterke handen grepen thans van buiten in de houten spijlen van het raam, en rukten hen uit hun sponningen.
In het volgende oogenblik hadden die handen baas Jansen en zijn kostbaren schat gegrepen, en Jansen en zijn vrouw waren gered.
De ijzersterke natuur van den Boer was door de buitenlucht weer onmiddellijk op haar verhaal, en hij staarde zijn redder in het gelaat.
„Kasper,” zeide hij bewogen, „God zal het je loonen, ja, dat zal hij!” en hij reikte hem de hand.
Nu bracht de Boer zijn vrouw in veiligheid, die spoedig haar bewustzijn terug had. Hij wierp een blik op de kleeren, die hij bij haar had gevonden—het waren de kleeren van haar zoon Frits, waarvoor zij haar leven had gewaagd.
Jansen riep zijn vertrouwden knecht.
„Eliëzer,” zeide hij bedaard, „ik denk, dat binnen vijf minuten het buskruit in het achterhuis vuur zal vatten. Het is wel gedekt met zware ossenhuiden, doch die huiden zullen niet langer weerstand kunnen bieden.”
„Ik heb er daar straks nog vier ossenhuiden over heen gesjord,” antwoordde de Kaffer.
„Laat me je handen eens zien,” zeide baas Jansen.
Eliëzer liet ze zien—ze waren bedekt met brandwonden.
Zelfs zijn haar was verschroeid.
Toen strekte baas Jansen zijn eigen verschroeide handen omhoog en riep: „Zoo waarachtig als ik leef, Eliëzer, ik zal dezen nacht en jouw trouw niet vergeten!”
Nu gaf hij bevel, dat alle man zich van het erf terug zou trekken.
„Als het dak instort,” zeide Jansen, „dan gaat het buskruit ook!”
Men verzamelde zich achter in den boomgaard; moeder Jansen rustte op een snel in gereedheid gebracht bed in een ossenwagen, door haar dochters opgepast.
Zwijgend gingen eenige minuten voorbij.
Daar stortte het dak van Waterfontein in....
Er volgden twintig seconden van ademlooze spanning, en daar—daar kwam een slag, alsof de aarde zou barsten en de hemel zou scheuren—tien duizend vlammende vuurgarven schoten omhoog—de gansche omtrek baadde zich in een zee van licht—Waterfontein was herschapen in een vuurfontein—en luid donderend antwoordde de echo der bergen!