8)Veestallen, van boven open.
Reeds is de morgenster verbleekt en de zon gaat op boven de verwoesting.
Een twintigtal mannelijke Kaffers—arbeiders en knechten op Waterfontein—staan bij de gehavende doch door het vuur gespaarde wagenschuur.
Baas Jansen heeft hen bij die schuur bescheiden, en hij zal gericht houden over zijn volk.
Langzaam nadert hij de groep.
Zijn gelaat is een tint bleeker dan gewoonlijk; zijn rosachtige baard is gezengd, en het grijzende hoofdhaar geschroeid.
Beide handen zijn met doeken omwonden.
„Jullie hebt den brand gezien, die Waterfontein heeft verwoest,” zegt hij; „wie kan mij de oorzaak aanwijzen van den brand?”
Niemand zegt een woord.
„De brand is niet van binnen in het huis aangekomen,” gaat hij nadrukkelijk voort, terwijl zijn blikken vorschend gaan over den groep daar voor hem.
„De brand is van buiten ontstaan,” zegt hij met groote zekerheid; „bij het achterhuis. Er is een—misdaad in het spel!”
Hij wacht even.
Twee, drie Kaffers staan met elkander te fluisteren.
„Zeg jij het,” zegt de ander.
„Doe jij het,” zegt de ander.
Doch terwijl Eliëzer zich omkeert, en hen aankijkt met zijn zwarte oogen, verstommen de fluisteraars.
Aan Jansen's scherp gehoor is dat gefluister echter niet ontgaan.
„Hector en Schaap, komt eens hier,” beveelt hij op strengen toon.
Zij naderen hem, doch voor zijn flikkerenden blik slaan zij de oogen neer.
„Wie heeft den brand veroorzaakt?” vraagt hij, en Hector antwoordt: „De jonge baas heeft het gedaan.”
„Frits?” vraagt de Boer, en Hector en Schaap antwoorden beiden: „Ja.”
Jansen houdt zich vast aan den stam van den kastanjeboom naast zich, die zijn verbrande en verkoolde takken spookachtig omhoog steekt.
Hij is van binnen als die boom—verbrand, verkoold, vernietigd.... en met ontzetting denkt hij aan het woord van Frits van gisteravond: „Dat geeft een ongeluk.”
Maar hetkanniet waar zijn.
„Kaffers, ge liegt het,” roept hij met ruwe stem, „ge zijt leugenaars!”
Inderdaad staan Hector en Schaap voor leugenaars bekend, doch Hector zegt: „Ouwe baas vraag het aan Eliëzer!”
Jansen wenkt den genoemde.
Met loome schreden nadert Eliëzer zijn heer, en op zijn donker gelaat ligt een groote droefheid.
„Eliëzer,” zegt Jansen, „vertel mij, wat gij er van weet!”
„Baas,” zegt de Kaffer, „als een voerman een jong, schichtig paard heeft, behoort hij dan niet naar zijn paard te kijken?”
„Ga voort,” zegt Jansen.
„En als hij niet naar dat jonge, edele paard kijkt, maar hij kijkt een anderen weg uit, en het jonge paard slaat aan 't hollen, en de wagen stoot tegen de klippen stuk—wiens schuld is dat dan baas?”
„Benikdie voerman?” vraagt Jansen.
Vol droefheid knikt de Kaffer.
„Dan behoef ik niet te vragen, wie hetpaardis,” steunt de Boer, en hij bedekt zijn gelaat.
Maar de Kaffers mogen zijn ontroering niet zien, en koel en strak richt hij zich op.
Met een gebiedend handgebaar heet hij de Kaffers heen te gaan, en slechts Eliëzer, Hector en Schaap laat hij blijven.
„Hoe laat was het, Eliëzer, dat Frits kwam?”
„Ik weet het niet precies, baas; reeds lang hadden de sterren getinteld aan het firmament. Het was misschien een uur of anderhalf nadat gij de rondte hadt gedaan over het erf. Ik bespeelde op den drempel van mijn hut mijn snareninstrument—gij kent het, baas.”
Jansen knikt.
„En Hector en Schaap zaten gehurkt in de nabijheid te luisteren. Ik had juistgeëindigden wilde naar binnen gaan, toen Hector fluisterde: „Ouwe Kaffer, daar heb je den jongen baas.” Ik verwonderde me, want ik wist—”
Eliëzer aarzelt om voort te gaan.
„Spreek door,” gebiedt Reinard Jansen.
„Ik wist, wat er gebeurd was tusschen den ouden baas en den jongen baas.”
„Van welken kant kwam Frits?” werpt Jansen er tusschen in.
„Ik weet het niet,” zegt Eliëzer.
„Van den linker kant,” meent Hector.
„Van den rechter kant,” meent Schaap.
„Laat dat maar,” zegt Jansen, „het geeft ook niet. Ga voort, Eliëzer!”
„De jonge baas schrapte eenige vuurhoutjes9)aan,—ik zag duidelijk, dat de houtjes vuur vatten—greep snel een bos tarwestroo in de nabijheid, stak de garf in brand en slingerde de brandende schoof op het lage dak.”
„Bleef Frits toen staan?” vorschte de Boer.
„Hij liep zoo gauw mogelijk weg,” zegt Hector.
„Gingt gij hem niet na?” vraagt Reinard Jansen.
„Eliëzer beval ons om eerst den brand te blusschen,” zegt Schaap.
„Het was ook het verstandigste,” zucht de Boer.
„Maar het vuur liep zoo snel over het dak als de reebok over de vlakte,” zegt Eliëzer,„en er was geen denken aan blusschen.”
„Waaraan hebt gij den jongen baas herkend?” vraagt Jansen opnieuw.
„Aan zijn slappen, lichtbruinen hoed met de haneveer er op, en aan zijn witten jas.”
„Kunt ge dat onderscheiden op dien afstand?” vraagt Jansen.
„Baas,” zegt Eliëzer, „het is een heldere nacht geweest, en de maan was nog niet onder. Het was bijna zoo licht als over dag.”
Baas Jansen vraagt nu niets meer, en hij gelast de Kaffers bedaard, om aan hun werk te gaan.
De Kaffers gaan heen; slechts Eliëzer blijft staan.
Eliëzer mag meer doen dan de andere Kaffers. Hij is vijf jaar ouder dan Reinard Jansen, en heeft reeds bij Jansen's vader gediend: bij den ouden strakken Lodewijk Jansen.
Hoe menigmaal heeft hij Reinard Jansen, toen deze nog een kleine jongen was, op zijn sterke schouders genomen, en met hem zoo snel over het veld gerend, dat de jongen het uitgierde van pret.
Maar ach, dat is lang geleden....
Hij staart zijn meester aan met zijn trouwe, zwarte oogen.
„Vloek uw zoon niet!” zegt hij, en hij heft zijn handen smeekend omhoog.
„Ik zal hem niet vloeken,” zegt baas Jansen op een eigen toon, „maar hij is een verrader geworden van zijn vaderland, en het huis van zijn ouders steekt hij in brand, terwijl zij zich te slapen hebben gelegd—ik ken hem niet meer; hij is voor mij voortaan een bastaard.”
Hij schijnt kalm en bedaard, terwijl hij dit zegt.
Het is een vreeselijke kalmte.
Hij rilt, alsof hij de koorts heeft, en hij voelt de koude tot in het merg van zijn gebeente.
9)Lucifers.
Frits Jansen en Jack Williams waren al maanden in Rhodesia, dat ten noorden der Zuid-Afrikaansche Republiek zich uitstrekt, ingedeeld bij de vrijwillige ruiterij, die feitelijk den wil van Cecil Rhodes had uit te voeren.
Het was een gemakkelijk, doch ook een tamelijk vervelend leven, dat beide jonge mannen hier leidden, en de eentoonigheid werd slechts afgebroken door plotselinge, kleine kafferopstanden, die uitsloegen als het vuur uit een smeulenden puinhoop.
Maar de arme Kaffers, die de dwaasheid hadden, om te rebelleeren tegen Rhodes' ijzeren vuist, hadden het zwaar te verantwoorden. Met hun eenvoudige speeren konden zij niet op tegen de goed gedresseerde, vlugge ruiters, die tevens scherpschutters waren, en met zijn snelvurende Maximkanonnen was Rhodes in staat, om binnen vijftien minuten een heelen kafferstam uit te roeien.
Het gevecht was dan ook in den regel maar een menschenjacht, en de zwarte, naakte ruggen der vluchtelingen boden een uitnemende schijf voor den scherpschutter.
Het was dan ook geen bluf, dat Jack Williams beweerde, dat zijn kogel reeds vijfentwintig zwarten had neergelegd, doch Frits Jansen was niet begeerig naar dien roem. Hij vond het wreed en onmenschelijk, om op die schepsels, die als afgejaagde herten over de vlakten renden, jacht te maken, en het vloekte met zijn rechtsbewustzijn, om menschen te dooden, als het niet was in wettige zelfverdediging.
Overigens was Frits een der kranigste cavaleristen, die luitenant Harreson, de zoon van een hooggeplaatst ambtenaar uit Schotland, onder zijn bevelen had, en door zijn open en rondborstig karakter stond hij zoowel bij zijn kameraden als bij den luitenant goed aangeschreven.
Het moest Jack wel hinderen, dat Frits Jansen zóó in de gunst stond, en inwendig kookte hij van jaloezie, toen Frits de streepen kreeg en tot onderofficier werd benoemd. En al was het een balsem op de wond, dat hij weinige weken later eveneens de strepen kreeg, het ergerde den eerzuchtige toch, dat Frits hem was voorgegaan.
In spijt van zijn bevordering viel het Frits echter niet mee in Rhodesia. De glorie, die het hoofd van Cecil Rhodes had omschitterd, verbleekte, en de hand van dezen geweldige had niet den zegen gebracht, waarvan Frits had gedroomd. Hij bevond, dat het voor wreed uitgekreten bestuur der Transvaalsche Boeren zacht was als een vaderhand tegenover het harde juk, dat Rhodes de zwarten op de schouders drukte, en hij begon te vreezen, dat de verbroedering der twee blanke rassen, indien Cecil Rhodes ze moest bewerken, zou uitloopen op een groote Engelsche leugen.
Toch gaf hij de hoop op die verbroedering, dien schoonen en heerlijken droom, nog niet op, en al was Cecil Rhodes voor zijn oog van zijn glanzend voetstuk gevallen, het woord door hem tot Frits Jansen in de „Groote Schuur” bij Kaapstad gesproken, behield toch zijn waarde.
Gelukkig was Frits Jansen niet.
De teleurstelling, die Rhodesia bracht, was nog het ergste niet. Er knaagde nog iets anders aan zijn hart—een worm, die hem pijn deed.
Met vlammende letteren stond het afscheid van Waterfontein hem voor den geest, en al luider kwam het verlangen en een schreiende zielekreet om verzoening met zijn vader bij hem op.
Hij kon het ten slotte niet meer uithouden, en op eender militaire tochten in het binnenland begon hij, terwijl zijn kameraden reeds sliepen, bij het sobere licht van een waskaars aan zijn ouders een brief te schrijven. En hoe langer hij schreef, hoe warmer het werd in zijn hart. Hij stortte dat hart uit in zijn brief, en hij kon niet eindigen met schrijven, alvorens de laatste, de achtste bladzijde, vol was.
Middernacht was lang voorbij, toen de brief gereed was, en Frits haastte zich naar de volgende tent, de tent van Jack Williams.
Hij wekte den slaper.
„Gij gaat morgen naar Buluwayo?” vraagde Frits.
„Waarom?” vraagde Jack, wiens voorzichtige en achterdochtige natuur hem de onhebbelijke gewoonte had aangeleerd, bij elke vraag, zelfs bij de nietigste zaken, bij beuzelingen, naar de reden der vraag te vorschen, alvorens hij bescheid gaf.
„Ik heb hier een brief aan mijn ouders,” zeide Frits, „en ik wilde je verzoeken, dien brief te Buluwayo voor mij op de post te doen.”
„Begint het zoontje naar Moeders pappot te verlangen?” zeide Jack geeuwend.
Frits voelde zich door deze uitdrukking, bovenal door den toon, waarop zij werd geuit, in zijn teederste gevoelens beleedigd, doch hij beheerschte zich en zeide schijnbaar bedaard: „Ik wil mij met mijn vader verzoenen, Jack!”
„Geef den brief maar,” zeide Jack iets vriendelijker, „ik ga heel vroeg naar Buluwayo.”
Ging alles voorspoedig en viel de brief naar zijn vurigen wensch in goede aarde, dan hoopte Frits binnen een achttal dagen een brief terug te hebben, en het trof wel bijzonder mooi, dat hij met eenige andere kameraden tegen dien tijd naar Buluwayo werd verplaatst. Hij zag er een beschikking des Hemels in, en met een kloppend hart ging hij naar het postkantoor.
Er was geen brief.
Nu, het kon nog moeilijk, en hij troostte zich, steeds hopende op de volgende post.
Doch er kwam geen brief.
Hij sprak er over met Jack.
„Gij zijt veel te heet gebakerd,” zeide Jack schouderophalend; „zijt gij dan vergeten, dat Waterfontein bijna eenhalve dagreis van het naaste postkantoor afligt, en dat er soms weken overheen gaan, voordat uw vader naar brieven laat informeeren op het postkantoor?”
Frits was weer eenigzins gerustgesteld.
„Gijdenkttoch om alles,” zeide hij hartelijk.
Een week later was er werkelijk een brief.
Het hart van Frits bonsde van inspanning, doch toen hij de hand zag van het adres, was hij diep teleurgesteld.
Het was een schrijven van een zijner kennissen uit de Kaapkolonie, die om eenige inlichtingen vroeg omtrent de vooruitzichten als vrijwilliger in Rhodesia.
„Ik hoor,” schreef hij in den brief, „dat jullie zoo'n lui en lekker leven hebt in Rhodesia, en zoo iets lijkt mij.”
Frits nam het papier en scheurde het in duizend stukken. Zijn hart versmachtte hier in Rhodesia en dat heette „een lui en lekker leven.”
Elken keer dat de post aankwam, hield hij intusschen vol om naar een brief te vragen.
Hij hield het tien weken vol.
Toen gaf hij het op.
„Jack,” zeide hij diep bedroefd, „mijnmoeiteis te vergeefs geweest.”
„Ik heb het wel gedacht,” lachte Jack; „je ouwe heeft een harden kop. Hij zou liever den nek breken dan jou terugzien—kom ga mee!”
„Waarheen?” vraagde Frits.
„Naar de kroeg van Tom—jenever is goed, om het verdriet te verzetten.”
„Gij zegt daar zoo wat,” meende Frits in plotselinge, onnatuurlijke luidruchtigheid, en hij volgde Jack Williams naar de kroeg, waaruit de afschuwelijke geur van jenever en tabakswalm hem reeds tegen kwam.
„Mij een borrel whiskey!”10)riep Jack tot den kroeghouder, een grooten Kaffer, die achter de toonbank allerlei grimassen stond te maken.
„Ik geloof, dat het luie schepsel leelijk aangeschoten is,” meende Jack, den borrel aannemend, en voor zich op een ruw tafeltje nederzettend.
„U ook een borrel, sergeant?” vraagde de kroeghouder.
„Een borrel? Neen, een bierglas vol en gauw wat!” beval Frits, „een groot bierglas—tot den rand gevuld!”
Jack keek zijn kameraad, die altijd zeer matig was, toch verwonderd aan.
„Je behoeft me niet zoo aan te kijken,” zeide Frits met een wilden lach; „wat helpt een borrel? Ik moet een bierglas vol hebben! We willen vroolijk zijn, Jack, en drinken en ons verdriet verdrinken!”
Zoo had Arthur Bremer ook gesproken, die uit Kaapstad was gekomen, en als vrijwilliger had dienst genomen.
Wat er eigenlijk aan hem haperde, wist niemand, maar dat hij dronk, om zijn verdriet te verzetten, dat was zeker.
En John Harvee, van wien men fluisterde, dat hij een moord op zijn geweten had, en die eveneens als vrijwilliger in dienst was gegaan, had ook zoo gesproken. En als die Harvee dan in lange teugen den whiskey dronk, begon dat strak en menschenschuw gelaat, waarop het Kainsteeken zichtbaar was, te ontdooien, en hij had dol pleizier tot hij stomdronken was, en als een meelzak tegen den grond sloeg.
„Een glas whiskey, een groot glas, en gauw wat!” riep Frits, terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg.
Tom, de dronken Kaffer, zocht een groot glas, doch kon het niet vinden. Maar ginds in die oude kast, die tegen den muur hing, had hij nog een paar blikken bekers liggen.
Hij zocht naar een sleutel, want de kast was op slot.
„Zul je voortmaken, Kaffer?” bulderde Frits.
„Geduld, baassie, geduld!” zeide de kroeghouder met dubbel slaande tong, „en pas maar op, dat je niet van je stoel valt, baassie! want jij zit te draaien met je stoel, en de tafel draait, en de kroeg draait en de heele ratteplan begint te draaien!”
Jack Williams schaterde het uit, en Frits lachte mede. De jenever, dien hij nog niet had geproefd, scheen al te werken.
De Kaffer had echter den sleutel eindelijk gevonden en zeide: „Nu zal ik je helpen, baassie, maar nu moet je nog even geduld hebben, want de ouwe kast draait ook. Kijk, nu zal ik den sleutel zoo lang voor het slot houden, totdat het sleutelgat vlak voor den sleutel gedraaid is, en dan steekt Tom er den sleutel dekselsgauw in.”
Hij had den sleutel eindelijk in het slot, grinnekte van pleizier, en haalde uit de ontsloten kast een blikken beker, dien hij met whiskey vulde en voor Frits Jansen neerzette.
„Nu, op je gezondheid,” riep hij, de dikke, vuile lippen aan zijn eigen glaasje zettend, „op je gezondheid, baassie!”
Frits nam den beker en deed een teug.
Hij moest al weer aan dien ongelukkigen Arthur Bremer denken, die ook jenever dronk, om het verdriet te verzetten. Maar het gelukte Arthur Bremer niet, want al dronk hij veel, hij kon toch de pijn van binnen niet meester worden, en op zekeren keer, midden in het gevecht, sprong hij vooruit met de armen omhoog tegen den vijand in, en drie kafferspeeren maakten een einde aan het kloppen van dat onrustig kloppend hart.
Maar John Harvee had er toch beter slag van, om zijn hart tot rust te brengen. Hij zorgde er voor, dat hij niet nuchter werd, en hij stierf indelirium tremens.
Frits had hem zien sterven—nu twee maanden geleden.
Hij had daar gelegen in zijn krib met gebalde vuisten, woest rollende oogen en schuimbekkenden mond—neen, 't was geen sterven! Hij wasdood gegaanals een wild beest!
En Frits nam den beker op, en slingerde hem met zijn afschuwelijk mengsel ver van zich, in den hoek van het vertrek.
„Wat doe je nu?” vraagde Jack verbaasd.
„Kan ik het vuur, dat hier binnen brandt, blusschen met vuur?” was de wedervraag van Frits Jansen.
Hij wierp den dronken Kaffer een geldstuk toe, en zeide tot zijn kameraad, die zijn gedrag onbegrijpelijk vond: „Blijf!” En de eenzaamheid opzoekend, zette hij zich midden in het open veld neder op een harde klip, en snikte, dat het een steen zou roeren.
Op den brief aan zijn ouders heeft Frits Jansen nooit een antwoord ontvangen.
Het kon ook niet.
Toen Jack met den brief van Frits te Buluwayo was aangekomen, had hij den brief niet in de bus gestopt, maar—in de kachel. In dezèlfde kachel, waarin hij eenige weken vroeger een brief van tante Martje, aan Frits geadresseerd, doch door Jack aan het postkantoor afgehaald, had laten verdwijnen.
En toen hij den tweeden brief aan het vuur had prijsgegeven, had hij bij zich zelve gezegd: „De vromen zouden het wel een bijzondere bestiering noemen, dat beide brievenin mijne handen terecht moest komen,” en hij had geschaterlacht.
10)Sterke jenever.
Cesar aan den teugel, kwam Frits de officierstent voorbij.
Er stonden een groep militairen: officieren, onderofficieren en gewone vrijwilligers. Natuurlijk ontbraken de Kafferbedienden niet.
Luitenant Harreson hield een jongen, bruinen hengst bij den kop. De kranigste ruiters hadden hun rijkunst op den hengst geprobeerd, maar hadden hem niet klaar kunnen krijgen. Luitenant Harreson evenmin als de anderen.
Frits ging zwijgend voorbij. Trouwens de opgewektheid van den vroolijken boerenzoon van Waterfontein was al lang verdwenen.
„Probeerjijdat beest eens,” riep Jack Williams.
Jack was ook tot een zandruiter gemaakt, en gunde aan Frits van harte dezelfde nederlaag.
Doch Frits schudde het hoofd en ging door.
Wat raakte hem dat paard?
„Hij durft niet!” sarde Jack, luid genoeg, dat al de omstanders het konden hooren.
„Niet durven?” vraagde Frits.
Die spot prikkelde hem toch.
Hij wenkte een Kaffer.
„Breng Cesar naar den stal,” kommandeerde hij.
Nu wendde hij zich tot luitenant Harreson.
„Mag ik het paard eens probeeren, luitenant?”
„Ga je gang,” zeide de luitenant, „maar pas op—het beest heeft leelijke nukken.”
Frits zat reeds in het zaâl, doch nauwelijks had de hengst den druk op zijn rug gevoeld, of hij wierp zich van achter wild omhoog, boog den nek, en de jonge Boer buitelde over den kop van het paard tegen den grond.
„Daar gaan de Transvaalsche Boeren!” spotte Jack Williams, en er klonk een luid en algemeen gelach.
Frits had zich weinig bezeerd, behalve dat hij met het voorhoofd op een scherpen, harden steen was gevallen.
Hij had een kleine, diepe wond opgeloopen; hij voelde die wond echter niet eens, maarwelvoelde hij het spottend woord van zijn kameraad, en een hem geheel vreemd, maar machtig en onweerstaanbaar gevoel greep hem aan en joeg het bloed door zijn aderen.
Toch, al was hij het zich nooit bewust geweest, dit gevoel had altijd gesluimerd in zijn borst. En de spot van Jack Williams had slechts teweeggebracht, wat de stormwind teweegbrengt, als het vuur, smeulende onder de asch, aanblaast tot lichtelaaie.
Hij keek Jack even aan met een flikkering in de oogen.
„Ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen; ook door jóu niet,” zeide hij met harde stem.
Vervolgens wendde hij zich tot luitenant Harreson.
„Luitenant, ik zal het nog eens probeeren!”
„Laat het maar,” zeide de officier op welwillenden toon; „het beestisniet te regeeren. Trouwens, Jansen, ge bloedt; ga naar de ambulance en laat je verbinden!”
„'t Is slechts een schram van de huid,” meende Frits, wien het bloed over de wang sijpelde.
„Nu,” zeide de officier, „à la bonne heure—zooals ge wilt!”
„Ik behoef hem toch niet te ontzien, luitenant?”
„Ga je gang maar—'t is een duivel!”
Frits zeide tot één der in de nabijheid staande Kaffers: „Ontdoe hem van zaâl en stijgbeugels!”
't Ging niet gemakkelijk, maar ten slotte gelukte het toch.
De hengst stond nu met snuivende, wijdgeopende neusgaten, de kleine ooren plat tegen den nek.
De zware, stalen gebitstang knarste tusschen zijn sterke tanden.
Frits klopte hem vriendelijk op den hals, en keek hem in de schuwe met bloed doorloopen wild fonkelende oogen.
„Koest bruine,” zeide hij met rustige maar vaste stem: „sta!”
Doch de hengst wierp den kop weerbarstig omhoog, steigerde en scheen den jongen Boer, die hem vasthield aan den teugel, van zich af te willen schudden.
Doch Frits begon thans warm te worden, en met een harden ruk trok hij het paard omlaag.
„Zooals ge wilt,” zeide hij tusschen de tanden door—„jij of ik!”
De kleine blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op; hij geleek in dit oogenblik weer sprekend op zijn vader, die wel breken maar niet buigen kon.
„Ik zou 't maar opgeven,” meende luitenant Harreson.
„Opgeven?” riep Frits Jansen, „opgeven?”
Met éénen sprong zat hij op den rug van het woeste beest.
„Uw karwats, als ik vragen mag!” zeide hij.
De luitenant wilde ze hem aanreiken, doch er was geen kans, want het dier scheen thans wel dol geworden. Drie keeren wierp het den kop omlaag, deachterpootenhoog in de lucht. Doch het miste zijn doel. De vermetele ruiter scheen vastgeklonken op zijn rug. Toen steigerde het op zijn achterpooten recht omhoog—het was een ijzingwekkend gezicht—de Kaffers stoven als kaf op zij.
„Daar komt een ongeluk van,” riep Harreson; „de hengst slaat achterover!”
Inderdaad verloor het paard zijn evenwicht, en ros en ruiter sloegen tegen den grond.
Frits was ongedeerd; snel was hij overeind, maar de hengst sloeg met vreeselijke kracht zijn sterkeachterpootenuit. Hij was blijkbaar van plan, om zijn tegenstander dood te slaan, en het scheelde weinig, of hij had hem geraakt.
Luitenant Harreson reikte aan Frits Jansen zijn karwats, eene uit zwaar buffelleer gevlochten, harde roede, en Frits sprong weer op den rug van het ontembare dier.
Een ritmeester naderde de toeschouwers.
„Wie is die jonge man?” vraagde hij belangstellend.
„De zoon van een Transvaalschen Boer,” antwoordde Harreson.
„Er zit staal in dien kerel,” zeide de ritmeester.
„Ik begrijp niet, dat hij 't niet opgeeft,” zeide een tweede luitenantje, een klein, pieperig ventje met een magere snor.
„De Transvaalsche dikkoppen zijn stijfkoppen,” meende een militaire arts.
„Binnen drie minuten heeft hij den nek gebroken,” beweerde een eerste luitenant, een groote kerel met een rooden baard, die zich bij de groep voegde.
„Dat zit nog,” zeide Harreson droogjes.
„Wedden?” vraagde de roodgebaarde;„vijftig pond tegen dertig, dat de Boer het binnen drie minutenmoetopgeven!”
Luitenant Harreson antwoordde niet; het spannend tooneel daar voor hem trok te zeer zijn aandacht.
Nogmaals trachtte de hengst zijn ruiter af te werpen,doch bij de eerste poging kwam de buffelleeren karwats met onbarmhartige kracht langs zijn zijden neer.
Het paard staakte zijn pogingen.
„Voorwaarts!” kommandeerde de ruiter.
De hengst bleef op de plek staan.
„Voorwaarts!” riep de ruiter nog eens, en terwijl zijn karwats door de lucht gierde, drukte hij de sporen diep in de zijden van het dier, dat het bloed te voorschijn kwam.
Daar deed de hengst een sprong—en nog een sprong—en daar suisde hij, met zijn onverbiddelijken ruiter op den rug, als een pijl uit den boog de vlakte op.
Gillend stoven de Kaffers op zij.
De hoed waaide den vermetelen ruiter van het hoofd—wat gaf die hoed?
Vol verbazing staarden de toeschouwers ros en ruiter na, totdat zij niets meer zagen dan een kleine stip.
Frits Jansen had het woeste dier thans volkomen in bedwang; het had zijn meester gevonden.
Hij trok aan den teugel, en liet het paard omkeeren, en toen hij weer bij de officierstent was gekomen, liet hij den hengst een grooten kring beschrijven: eerst langzaam, stapvoets; vervolgens in een matigen draf, en ten slotte in galop. Doch midden in den snelsten galop pareerde hij het paard vlak voor de groep officieren, en het gehoorzaamde met de stiptheid van een gedresseerd paard.
Maar het schuim spatte van zijn flanken, en het trilde over al zijn leden.
En terwijl officieren en omstanders vol bewondering losbarstten in een luid hoera, sprong de kranige ruiter van het paard.
Het golvende haar zat vastgekleefd aan zijn voorhoofd door het bloed, dat drupte uit de wond, en zijn wangen waren bleek. Maar zijn blauwe oogen schitterden, en met de hand salueerend, zeide hij met zijn heldere stem: „Mijne Heeren, ik dank u voor uwe vriendelijkheid, en,” voegde hij er bij, den vinger uitstrekkend naar Jack Williams, op dreigenden toon:„ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen door laffe spotters!”
Toen ging hij tusschen de omstanders door, die eerbiedig ruimte maakten, en hij verliet het terrein als een koning.
Van de school van het meesterke, de afgetimmerde ruimte in Jansen's achterhuis, was natuurlijk niets overgeschoten dan asch en gruis.
Ook de boeken en kaarten waren bijna allen verbrand.
Het meesterke was dus een kapitein geworden zonder schip, en de gedwongen werkeloosheid deed bij den anders zoo versaagden jongeling een stoute en moedige onderneming rijpen.
Moeder Jansen was bezig aan haar huiselijk werk, en zat in de schaduw van de gespannen tent, die tot tijdelijke woning dienst deed, toen het meesterke haar naderde met het verrassende plan: „Tante Martje, ik ga naar Rhodesia.”
„Naar Rhodesia?” vraagde moeder Jansen verwonderd.
„Ja,” zeide hij, „ik heb in het dorp het adres ontvangen van een Afrikaanschen Boer, die zich in Rhodesia heeft gevestigd en voor zijn kinderen een onderwijzer zoekt. Ik zal me daarvoor aanmelden en tevens Frits opzoeken.”
„Meesterke!” riep moeder Jansen in blijde verbazing, „durft gij die reis aan?”
„Ja,” zeide hij, „ik durf het, als Oom Reinard mij Jakob tot gids meegeeft.”
Jakob was een Kaffer, sedert eenige weken bij Jansen in dienst en afkomstig uit Rhodesia.
„Mijn man zal op mijn verzoek Jakob wel afstaan,” meende tante Martje, „maar ik verwonder me, dat ge die reis aandurft.”
Het meesterke sloeg de zachte weemoedige oogen op tot de vrouw des huizes.
„Ik doe het uit dankbaarheid en liefde,” zeide hij eenvoudig.
Zij drukte het meesterke de hand, en de heldere tranen kwamen in haar oogen.
Ach, het waren de eersten niet!
Er was geen dag voorbijgegaan, dat zij niet had geschreid, en dat zij niet in de eenzaamheid met roepen en smeeken zich had gewend tot God om haar kind!
Doch ge zoudt Reinard Jansen onrecht doen, wanneer ge meendet, dat hij het verlies van zijn kind minder gevoelde dan tante Martje. Hij had het in der daad nog moeielijker dan zijn vrouw, want geen traan bedauwde zijn brandende oogen en verlichtte zijn pijn. En als hij alleen was op het open veld, door niemand bespied, dan gebeurde het meer dan eens, dat hij het vest openscheurde boven zijn breede borst, om lucht te krijgen.
Nooit kwam de naam van Frits meer over zijn lippen, doch die naam brandde in zijn ziel: arbeidend of rustend, wakend of droomend, dag en nacht....
Intusschen zou het meesterke twee dagen nadat hij het plan had gemaakt, de reis aanvaarden.
De kleine, muisvale poney stond reeds gepakt en gezadeld, en Jakob zou dienen tot gids.
Reinard Jansen had het meesterke de reis niet aangeraden en niet afgeraden. Het scheen hem totaal onverschillig te zijn.
Hij was juist bezig in de wagenschuur, die door het vuur was gespaard gebleven, een loslatenden ijzeren tand te bevestigen in de zware egge, toen het meesterke kwam afscheid nemen.
„Het ga je goed,” zeide Jansen en reikte hem de hand.
Aarzelend bleef het meesterke staan en legde de hand op de egge.
„Hebt ge nog iets?” vraagde baas Jansen op zijn korte manier.
„Hebtgijnog iets?” was de moedige wedervraag.
„Neen,” zeide baas Jansen kortaf.
„Geen woord voor Frits?”
„Geen woord!”
„Het is uw kind!” smeekte het meesterke.
„Geweest!” riep Jansen met harde stem.
Bedroefd ging het meesterke heen, maar toen hij was vertrokken, ging de Boer naar buiten, tuurde hem na, totdat de kop van de kleine poney, waarop het meesterke reed, verdween achter de eerste heuvelkam, en sloot zich toen op in de wagenschuur, en at noch dronk den ganschen dag.
Ja, die Jansen was een stugge, onverzettelijke natuur, met een hart, dat breken maar niet buigen kon, en als God het niet verhoedde, dan zóu het breken om het wee over zijn eigen kind!
Het meesterke was met Jakob, zijn gids, al eenige dagen onderweg. Hij had de Transvaalsche grens reeds lang achter den rug, en was zoo gelukkig geweest, elken nacht een onderkomen te vinden onder het gastvrije dak van een Afrikaanschen Boer.
De hoop echter, dat hij nog heden avond de plaats van zijn bestemming zou bereiken, zou niet worden vervuld. Immers hij was volgens Jakob's verzekering, die het weten kon, nog verscheidene mijlen van het doel zijner reis verwijderd, en de avond begon reeds te vallen.
Er schoot dus niets anders over dan hier langs den grooten weg halt te houden en onder den blooten hemel te kampeeren.
Nu, voor den Afrikaanschen Boer is dat niet erg. Of het rieten dak van een boerenhuis of de schitterende sterrenhemel van Afrika zich welft boven zijn hoofd—hij maalt er niet om.
Doch het meesterke had een vreesachtige natuur, en het gehuil van een roofdier in de verte vervulde zijn hart met angst.
Hij maakte zich echter voorbarige zorgen, want juist de persoon, om wien hij bovenal dezen tocht had ondernomen, was in de onmiddelijke nabijheid.
Juist was de poney afgezadeld, toen de klank der trompet weerklonk, en een troep ruiters kwam aanrijden.
Het was een sterke patrouille van Rhodes' cavalerie, die onder aanvoering van luitenant Harreson een militaire tocht door het binnenland maakte.
Zoowel Frits Jansen als Jack Williams behoorden tot de patrouille, en heftig en luide klopte het hart van Frits, toen hij den kleinen, muisvalen poney zag grazen, en in het harde, spichtige gras, tegen den stam van een eenzamen wilgeboom, het meesterke gewaar werd.
Doch ook het meesterke had, in spijt van diens militaire kleeding, den zoon van baas Jansen herkend.
Onmiddellijk wendde Frits Jansen den teugel, en reed naar den bevelvoerder.
„Luitenant,” zeide hij, „ik zie daar een mijner kennissen; mag ik hem spreken?”
„Dat bleeke ventje daar?” lachte de Luitenant. „Ga je gang! Daar ginds op die heuvelen zullen wij ons kamp opslaan, en gij krijgt tot morgen vroeg verlof!”
Frits liet zich dit geen twee keeren zeggen, en haastte zich, om bij het meesterke te komen.
Het was een recht hartelijk, roerend wederzien, en de jonge Boer, die den weerbarstigen hengst zoo onbarmhartig had gestriemd, had al zijn zelfbeheersching noodig om meester te blijven van zijn gevoel.
„En hoe maakt het Vader?” was zijn eerste vraag.
„Hij is gezond,” antwoordde het meesterke.
„Heeft hij nog een boodschap voor mij meegegeven?” vraagde Frits aarzelend, maar vol spanning.
Het meesterke echter werd bij deze vraag bedroefd en schudde het hoofd.
Er volgde een korte, pijnlijke pauze, doch het meesterke legde zijn zwakke hand op Frits Jansen's breeden schouder, en terwijl hij hem aankeek met zijn zachte oogen, hernam hij: „Verzoen u met uw vader!”
„Datwilik!” riep Frits op hartstochtelijken toon.
„En vraag hem vergiffenis voor uw optreden op dien noodlottigen namiddag, toen gij van Waterfontein gingt!” zeide het meesterke.
„Ik wàs te heftig,” zeide Frits; „Ik vergat den eerbied, dien ik aan mijn vader ben verschuldigd, en het doet mij meer leed dan ik zeggen kan.”
„En al kunt ge Waterfontein niet meer uit zijn asch te voorschijn roepen—” zeide het meesterke.
„Wat bedoelt ge?” vraagde Frits Jansen met groote oogen.
„Ik bedoel die brandstichting,” zeide het meesterke schoorvoetend.
„Wèlke brandstichting?” riep Frits in klimmende verbazing.
„Wèlke brandstichting?” zeide het meesterke met zijn zachte stem, maar er lag een stil en klagend verwijt in zijn woorden: „Frits, hoe kunt ge dat vragen! Ik bedoel dat gij uw daad, de brandstichting op Waterfontein niet ongedaan kunt maken, doch gij kunt uw vader om vergiffenis vragen.”
Maar het gelaat van den jongen Boer was bij deze woordenzoo wit geworden als de witte kelk der veldbloemen aan zijn voeten.
„Ligt Waterfontein in de asch? En ben ik de dader?Ik?”
Hij sprak deze woorden niet uit,—hijschreeuwdeze uit.
Het meesterkesloegde oogen neer, en Jakob, die op eenigen afstand wat hout bijeensprokkelde, om een vuur aan te leggen, keek verwonderd op.
Doch Frits kwam allengs tot eenige kalmte.
„Wie heeft het gezien?” vraagde hij langzaam.
„Hector,” antwoordde het meesterke.
„Zóó—die leugenaar!” riep Frits met bittere verachting; „en die wordt geloofd!”
„Schaap heeft het ook gezien,” zeide het meesterke.
„Zóó—een tweede exemplaar van hetzelfde soort!” barstte Frits Jansen los met een wilden lach.
„En Eliëzer heeft het gezien,” zeide het meesterke.
„Eliëzer?” vraagde Frits met schrik: „Eliëzer?”
„Ja,” bevestigde het meesterke.
Toen bestierf de wilde lach op Frits Jansen's gelaat, en zijn brandende oogen staarden verbijsterd naar de verte.
Plotseling bleef hij, met gekruiste armen, voor het meesterke staan.
„Gelooft ge, dat er een God bestaat?” vraagde hij met heesche stem.
„Ja, dat geloof ik,” zeide het meesterke vol eerbied.
„En dat Hij almachtig is en rechtvaardig?”
„Ja,” zeide het meesterke: „almachtig, rechtvaardig en genadig!”
„En als ik nu die monsterachtige daadnietheb begaan, zal Hij dan mijn onschuld aan den dag brengen?”
„Ja,” zeide het meesterke met ernst en volle overtuiging,„dat zal Hij doen vroeg of laat, opZijntijd!”
„Ik geloof het ook,” zeide Frits met een bedaardheid, die wonderlijk afstak bij zijn hartstochtelijkheid van zoo even; „ik geloof het ook, en als ik het niet geloofde, dan nam ik den loop van dit geweer in mijn mond, en maakte aan de foltering een snel einde!”
„Dus gij zijt onschuldig aan den brand?” vraagde nu het meesterke, opzijnbeurt verbaasd, doch deze vraag drong den ongelukkige als een pijl in het hart.
„Moet gedatnog vragen?” zeide hij, nu niet wild, maar met een eindelooze smart in zijn stem: „meesterke, moetgijdat nog vragen?”
Deze uitroep echter ontroerde de ziel van het meesterke, en gevolg gevend aan een plotselinge ingeving, zeide hij: „Frits, mijn vriend, ga mee!”
Hij nam den ongelukkige bij de hand en leidde hem naar een kreupelbosch in de nabijheid. En het meesterke knielde neer, en ook Frits Jansen knielde neer. En het meesterke, dat kind der smarte, goot zijn ziel uit voor God en bad voor Frits Jansen. En dit zacht gesproken gebed was als balsem op de brandende wonde, en als olie op de hooggaande golven in Frits Jansen's gemoed.
Het wasnudonker geworden, en de sterren tintelden aan het firmament.
Jakobhad zich geweerd; een lustig brandend vuur vlamde de komenden tegemoet, en uit het verre kamp op de heuvelen klonk vroolijk trompetgeschal.
„Cesar, kom!” riep Frits Jansen, en het trouwe paard, dat liep te grazen, naderde zijn jongen meester.
Frits ontlastte het van den teugel, gebit, zadel en bagage. Het paard had nu zelfs geen helster aan. Waarom ook? Het gehoorzaamde zijn baas met de trouw van een hond.
Uit de bagage zocht de jonge Boer nu een ijzeren drievoeter, een kruik, een keteltje, een bus en een kommetje.
Hij plaatste den drievoeter boven het vuur, vulde het keteltje met water uit de kruik, en toen het water kookte, schudde hij er koffie in uit de bus.
„Nu zullen we koffie drinken,” zeide hij, „doch de melk is op.”
„Die heb ik,” zeide het meesterke, innig verheugd, dat zijn vriend wat kalmer was geworden.
„En ik heb nog iets beters voor je,” liet hij er op volgen; „een brief van je moeder.”
Met beide handen strekte Frits Jansen zich uit naar denbrief, en haastig het couvert openend, las hij, neen verslond hij de regels bij het schijnsel der grillige vlam.
Ach, dat was een brief, zooals slechts een moeder hem kan schrijven! Zoo ongekunsteld, zoo eenvoudig, en toch zoo roerend in zijn eenvoudigheid! Zoo vol liefde en erbarming!
En dan die schreiende moederkreet: „Mijn arm, verdoold kind, leg het moede hoofd neder aan het hart van uw moeder!”
Frits Jansen's oogen verduisterden zich, en zijn brandende oogen werden vochtig.
Niemand twijfelde er aan, dat hij de brandstichter was,niemanddan zij, die trouwe, die liefhebbende, die éénige moeder!
Het verwonderde hem echter, dat tante Martje sprak van een vroegeren, door haar geschreven brief.
„Dit is deeerstebrief, dien ik van Waterfontein ontvang,” zeide hij verbaasd.
„Toch is het detweede, dien uw moeder aan u schrijft,” zeide het meesterke; „ik heb zelf den eersten brief op de post gebracht.”
„Hij is nooit in mijn bezit gekomen,” zeide Frits op stelligen toon.
„Het verwondert mij eveneens,” ging hij nadenkend voort, „dat Moeder met geen woord vanmijnbrief melding maakt.”
„Hebt ge dan een brief geschreven?” vraagde het meesterke verrast.
„Wis en zeker,” verzekerde Frits.
„Tante Martje heeft elke week tweemaal naar het dorp gezonden, om naar brieven te vragen,” zeide het meesterke, „doch nooit een brief van u ontvangen. Dat weet ik zeker.”
„'t Is vreemd, heel vreemd,” mompelde Frits.
„De post zal misschien nog slecht geregeld zijn,” meende het meesterke.
„Ze is uitstekend geregeld,” zeide Frits.
„Licht kan er een brief vermist worden,” hernam het meesterke.
„Maar twee brieven—twee!” zeide Frits: „'t is onbegrijpelijk!”
Het meesterke haalde de schouders op; hij begreep het evenmin.
De koffie was intusschen gezet, en het kommetje ging tusschen de twee vrienden kameraadschappelijk rond.
Het meesterke verkwikte zich aan den bruinen drank. Het begon koel te worden, en de koffiemaaktewarm.
Frits Jansen's gedachten keerden intusschen terug tot dien noodlottigen brand.
„Heb ik bij mijn vertrek iets gezegd, dat aanleiding kon geven tot de vreeselijke verdenking?” vraagde hij.
Het meesterke knikte bevestigend.
„Zóó—ik zou wel eens willen weten, wat!” riep hij uit.
„Gij hebt gezegd: „Dat geeft een ongeluk.””
Frits Jansen sloeg zich voor het hoofd.
„Heb ikdatgezegd?” vraagde hij, en het meesterke zeide: „Ja!”
Dat kwam van die heillooze, onzalige drift? Hij wist niet eens meer, wat hij had gezegd!
„Waaraan meent Eliëzer mij herkend te hebben?” vraagde hij na een pauze, maar het meesterke wist het niet.
„Eliëzer beweert, je stellig gezien te hebben even als de twee andere Kaffers; meer weet ik er niet van.”
Nu werd Jakob geroepen, doch die wist het evenmin, want hij was pas eenige weken op Waterfontein.
Van denheuvel, waar Harreson's kamp was opgeslagen, werd de taptoe geblazen, en de signalen klonken vredig door den stillen nacht.
Jakob had op eenigen afstand een tweede vuur aangelegd, en zijn zwarte, blinkende huid stak wonderlijk af bij de grillige vlam.
Droomerig staarde hij in het vuur, en zong op gedempten toon een weemoedig, eentonig kafferlied, waarin de verdwenen glorie van zijn volk werd bezongen. En zijn klagende stem vermengde zich en smolt samen met het klagend geruisen van den nachtwind door het lange, schrale gras.
De kleine poney was gekluisterd, en had zich tusschen de twee vuren neergevleid, maar de twee boezemvrienden zaten met elkaar nog altijd te keuvelen.
„En waarom hebt gij mij toch eigentlijk opgezocht, meesterke?” vraagde Frits Jansen.
„Omdat ik je liefheb,” zeide het meesterke op zijn eenvoudige, bijna kinderlijke manier, terwijl hij den jongen Boer aankeek met zijn zachte, weemoedige oogen.
Frits drukte hem de hand.
„Gij zijt een goed meesterke,” zeide hij vriendelijk, „maar gij hebt in den regel geen courage genoeg.”
„Ge hebt me dikwijls moeten helpen met die wilde jongens,” meende het meesterke.
„Dat is waar,” antwoordde Frits; „waarom sloegt ge ze niet om de ooren?”
„Ik kan het niet,” zuchtte het meesterke.
„Ik geloof het,” zeide de jonge Boer; „er zit geen staal in je bloed, geen merg in je gebeente, meesterke. Ik zou me toch liever dood vechten dan me op mijn kop laten zitten!”
„Ik schijn voor het lijden geboren,” zeide het meesterke. „Als een verworpeling ben ik op de wereld gekomen, en uit den beker van het lijden heb ik gedronken tot op dezen oogenblik.”
„Ge zijt wel ongelukkig, meesterke,” zeide Frits Jansen, zijn eigen zielepijn vergetend, met hartelijk medelijden.
„Ongelukkig?” zeide het meesterke met zachten klem. „Al hebben vader en moeder mij verlaten, de Heere zal mij aannemen.”
Frits wierp nieuwe brandstof op het zwakker wordende vuur.
De gloed sloeg nu hoog uit en verspreidde een liefelijke warmte. Terwijl stopte de jonge Boer de kleine, houten pijp, en stak ze aan bij een brandende tak.
„God heeft mij lief, Frits—hoe kan ik dan ongelukkig zijn?”
„Weet ge 't zeker?” vraagde Frits.
„Ja,” zeide het meesterke met ongewonen nadruk. „Hij heeft mij lief.”
„En waarom hebt ge dan zooveel leed op aarde, meesterke?”
„Omdat juist dit lijden mij aandrijft, om te schuilen onder Zijne eeuwige vleugelen.”
Er volgde een pauze.
Cesar, die zich achter Frits Jansen had neergevleid in het gras, schuurde den ruigen kop tegen den schouder van zijn jongen baas, en de kreet van een voorbijtrekkenden nachtvogel werd gehoord.
In wonderbaren glans strekte, bij het licht der sterren, het nachtelijk landschap zich uit, en hoog aan den hemel beschreef een verschietende ster haar schitterende baan.
„God is mijn vader, en ik ben een zijner uitverkorenen,” begon het meesterke opnieuw, „hoe kan ik dan ongelukkig zijn? Zie toch, hoe machtig en heerlijk Hij is! Het firmamentheeft Hij gespannen, en de sterren zijn de gouden vonken van zijn kleed!”
„Gij spreekt als mijn moeder,” zeide Frits vol bewondering, „maar nog geleerder.”
„Is HijuwVader ook?” vraagde het meesterke met een opslag van zijn zachte, weemoedige oogen, doch de jonge Boer gaf op deze vraag geen direct antwoord en zeide: „Hoor eens hier, meesterke, als ikuitverkorenben, dan komt alles terecht, doch als ik niet uitverkoren ben, dan—”
Hij voleindigde den zin niet.
„Nu, als gijnietuitverkoren zijt, Frits, wat dan?”
„Dan zal al mijn pogen, om de eeuwige zaligheid te verwerven, vruchteloos zijn,” zeide Frits.
Het meesterke antwoordde niet dadelijk; peinzend staarde hij in het vuur.
„Gij schijnt dus te berusten in Gods raadsbesluit,” zeide het meesterke na een pauze op levendiger toon, „maar ik vrees, dat gij juist tegen denkernvan dat raadsbesluit inhandelt.”
„Hoe bedoelt ge dat?” vraagde Frits.
„Wat is de kern van Gods raadsbesluit?” zeide het meesterke; „is het niet de eer, de glorie van Gods Zoon? Reeds in het natuurlijke ziet men, dat de vader werkt voor zijn kind, voor zijn zoon; al zijn denken en streven bedoelt het welzijn van dien zoon. De vader heeft immers zijn kind lief; ièder vader; ook oom Reinard heeft zijn kind lief.”
„Gehàd,” zeide Frits Jansen en schudde droevig het hoofd.
„Neen, nog van daag,” hernam het meesterke op den meest stelligen toon.„Doch dit is slechts een zwakke schaduw van de liefde, die God koestert voor zijn Zoon, en indien gij in dien Zoon niet gelooft, dan acht gij het bloed des Nieuwen Testaments onrein, dan verwerpt gij dien zoon als uw Heiland, en handelt gij lijnrecht in tegen den kern, de pit, het hart van Gods raadsbesluit, dat de eer van zijn Zoon beoogt.”
Het meesterke was warm geworden; zijn oogen begonnen te tintelen.
„Gij kunt praten als een dominé,” zeide Frits Jansen in ongekunstelde bewondering.
„Zijt ge bekeerd?” vraagde hij plotseling.
Het meesterke zweeg even. Hij stutte het hoofd in de handen, en staarde in de vlam.
„Ik zal je wat vertellen,” zeide hij na een wijle metzekere plechtigheid in zijn stem. „Ik heb van God een teergevoelig hart ontvangen, dat dikwijls openscheurde aan de doornen en aan de distelen van dit leven. Ik vòelde die doornen, en ik vòelde al de bitterheid van mijn ongeluk. Hoe menigmaal verlangde ik, om te rusten onder een paar zware klipsteenen, in de koele aarde! Ik was zoo onuitsprekelijk moede, en ik wilde rusten—eeuwig rusten en slapen!
Maar er was iets dat erger was dan mijn ongeluk, namelijk mijn zonde, en ik leerde ze beseffen!”
„Werd ge toen wanhopig?” vraagde de jonge Boer.
„Neen,” antwoordde het meesterke, „maar ik versmolt van droefheid, omdat ik tegen dien God, Die zoo waardig is, gediend te worden, elken dag had overtreden.”
Frits Jansen schudde het hoofd.
„Ik weet niet, of het in de echte bekeering wel zoo toegaat,” zeide hij aarzelend.
„De wegen zijn verschillend,” meende het meesterke; „de schapen, die de schaapskooi zoeken, kunnen toch ook niet allen hetzelfde pad nemen, of zij zouden elkander vertreden.”
„Ga voort,” zeide Frits Jansen.
„Ik was zeer bedroefd,” zeide het meesterke, „en ik deed mijn best, om God te dienen, maar ik bedierf het elken dag al meer, en ik werd al bedrukter, omdat zoo'n zware schuldenlast op mij drukte, en omdat Gods eer voortdurend door mij werd gekrenkt. Toen riep ik den Heiland aan!”
„En kwam er toen uitkomst?” vraagde Frits.
Het meesterke schudde het hoofd.
De jonge Boer wilde een opmerking maken, doch hield ze terug.
„Het was een treurige tijd, maar toch bescheen de ster der lieflijke hoop mijn pad. En zoo kwam de gedenkwaardigste Zondagnamiddag in mijn leven.”
Frits Jansen borg zijn pijp weg, en staarde vol belangstelling naar den spreker.
„Ik zat in het schoollokaaltje, en las de woorden: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.”
Ik had dien tekst wel honderden keeren gelezen, doch nooit met dien aandrang als in dit oogenblik.
„Heere Jezus,” bad ik, „ik kom, maar ik kan u niet vinden!””
„En toen, Frits,” ging hij voort met gedempte stem, „toen zag ik Hem.”
„Wien?” vraagde Frits Jansen twijfelend en aarzelend, en het meesterke antwoordde, terwijl zijn stem zoo zacht werd als het fluisterend ruischen van den nachtwind in het gebladerte van den wilgenboom boven hen: „Jezus!”
„Jezus!” herhaalde Frits Jansen, en een eerbiedige huivering ging door zijn leden.
Het licht der vlam speelde op het gelaat van het meesterke, en duidelijk was zijn ontroering waar te nemen.
„Ik zag Hem,” ging hij voort, „met mijn geestelijke oogen even gewis, als ik u op dit oogenblik zie met mijn lichamelijke oogen. En ik wierp me tegen den grond, strekte mijn handen omhoog en riep: „Mijn Heer en mijn God!” Een zaliger oogenblik heb ik nooit beleefd.”
„Ik geloof het,” zeide Frits Jansen zelf geschokt.
„Maar ik zag nog veel meer,” begon het meesterke op nieuw. „Ik had gemeend in mijn blindheid, dat de Heere zich verre van mij hield, en nu zag ik, dat Hij steeds dicht bij mij was geweest. Hij had bij het schreiende wicht gewaakt onder den doornstruik; Hij was stap voor stap met mij medegegaan, en Hij had over het zwakke, dolende lam de wacht gehouden met de teederheid van den trouwen Herder. Ik had getast, gezocht, gezwoegd, en zou in mijne blindheid versmacht zijn in de schaduw der eeuwige Fonteinen. Maar nu zag ik het, want de blinddoek was van mijn oogen gevallen.”
Middernacht was al lang voorbij, en het meesterke, nu moede geworden, legde zich neder om te slapen.
Doch Frits Jansen kon niet slapen, en hij liet zijn oogen gaan over de eindelooze prairie, die zich uitstrekte als een beeld van stillen vrede.
Ook Jakob was ingeslapen; duidelijk hoorde Frits zijn diepe ademhaling.
Hij wendde den blik naar het meesterke, nam zijn ruitermantel en spreidde hem over den slapende heen.
„Moeder zegt, dat er een verborgen zegen op rust, als men Gods kinderen goed doet,” fluisterde hij.
Doch plotseling scheurde de wond weer open.
„Het meesterke noemde zich een verworpeling,” steunde hij, „maar de ware verworpeling en verschoppeling ben ik: weggejaagd van mijn vaders drempel als een verrader, gebrandmerktals een brandstichter—eenverworpelingen een vervloekte!”
Hij keerde zich af van het vuur, stutte het hoofd tusschen de handen, en heete tranen biggelden over zijn wangen.
Het eerste werk van den jongen Boer in den volgenden morgen was, om Jack Williams op te zoeken.
„Waarom hebt gij mij niet verteld, dat Waterfontein is afgebrand?” vraagde hij op scherpen toon.
„Is Waterfontein afgebrand?” vraagde Jack in groote verbazing—„Waterfontein?”
„Weet ge 't niet?” vraagde Frits Jansen vol argwaan.
„Ik weet er evenmin iets van als dat ik iets weet van den dag van mijn dood!” riep Jack met blijkbare oprechtheid.
„Wanneer zijt gij dan van huis vertrokken?”
„Denzelfden avond datgijgingt!”
„Ik meende, dat gij eenige dagen later wildet gaan.”
„Ik veranderde van gedachten,” zeide Jack.
„'t Is al heel vreemd!” meende Frits.
„Als je 't niet wilt gelooven, dan moet je 't laten,” zeide Jack brutaal.
Frits zweeg een oogenblik.
„De brief, dien jij voor mij te Buluwayo op de post zoudt doen, is nooit terecht gekomen,” begon hij opnieuw.
„Je wilt misschien zeggen, dat ik hem heb verdonkermaand,” vraagde Jack.
„Dat zeg ik niet,” antwoordde Frits, „maar 't lijkt er wel op.”
„En als jij mijn brief heb verdonkermaand,” liet hij er op volgen met klimmend wantrouwen, „dan zul je den brief van mijn moeder aan mij ook wel hebben verdonkermaand!”
„Ik heb met je praatjes niets te maken,” zeide Jack Williams op beleedigenden toon, en draaide hem den rug toe, maar Frits Jansen balde toornig de vuist en riep: „Voor jouw grofheden ben ik niet bang—wees voorzichtig!”
De breuk tusschen de twee vroegere vrienden was volkomen.