HOOFDSTUK XVII.

Dàt is de stad.

Zeven jaar geleden—wij schrijven thans 1895—was hier niets te zien dan een golvende, eindelooze grasvlakte, en de stilte der wildernis werd slechts afgebroken door het gehuil van een jakhals, het gebrul van een tijger en den vleugelslag van een roofvogel.

En thans is hier een stad verrezen met paleizen en kerken; een echte wezenlijke stad met prachtige wijken en smerige achterbuurten. De slanke torens rijzen vol gratie opwaarts, en de koepels der paleizen schitteren in de blauwe, zonnige, Afrikaansche lucht.

Op den grond van een Transvaalschen Boer, daar is de stad verrezen. Toen de eerste schamele hutten in elkander werden gezet, zeide die Boer: „Ik zal deze plek noemen naar mijn zoon.” En hij noemde haar Johannesburg, en dezen naam zal de goudstad wel blijven dragen zoolang de wereld bestaat.

't Is een merkwaardige stad, dit Johannesburg. Ze is opgeschoten als een wonderboom.

De groote Pompejus zeide ééns: „Met mijn voet stamp ik de Romeinsche legers uit den grond,” en wat de groote Pompejus kon, dat heeft hier de kracht van het goud gedaan. Het heeft een stad van 70.000 inwoners uit den grond gestampt.

Zoo'n kracht heeft het goud.

Daar, bij Johannesburg, in de diepe schachten, 200 tot 400 voet onder den grond, waar zon noch maan met hun licht kunnen komen, daar loopen de metalen aders, en tusschen het harde erts fonkelen de goudatomen.

Dat harde erts, dat duizenden jaren heeft gesluimerd in den schoot der aarde, wordt door rappe, vlugge handen naar boven gebracht en onder den stoot van stalen reuzenstampers tot stof vermalen.

Uit dat stof weet de vindingrijkheid van den mensch het kostbare goud te verzamelen.

Dat goud heeft de menschen van Johannesburg aangetrokken. Het trekt de menschen aan als de magneet het ijzer, als de kaarsvlam den vlinder.

Uit de vier windstreken des hemels zijn de hongerige zielen te Witwatersrand11)komen aanhollen, om zich te verzadigen aan het goud.

Wat doet de mensch niet voor het goud?

Hij braveert de stormen en waagt zich in den cykloon; hij gaat door water en vuur; hij waagt zijn gezondheid, zijn leven, zijn eeuwige zaligheid voor dat goud.

Om het goud worden de ijzeren kerkerdeuren getrotseerd, en hoeveel moorden de gouddorst op zijn rekening heeft—wie zal het zeggen?

Saul versloeg zijn honderden en David zijn duizenden, maar de gouddorst telt zijn gesneuvelden bij millioenen!

Zij zijn overal te vinden, die gesneuvelden, die ongelukkigen: op de hoogte der bergen, in de diepte der zeeën, in het marktgewoel der stad, in de stilte der woestijn.

Doch niet alle menschen zijn door dien gouddorst aangetast.

Ik ken er: hooge, edele geesten, die met koninklijken tred en opgericht hoofd heenschrijden over het goud;die het kunnen gebruiken zonder het te misbruiken; die het kunnen bezitten zonder er voor te zwichten; die het in de hand kunnen nemen zonder zich te branden....

Maar ach—hoe velen zijn de slaven van het goud!

Het goud echter kan het niet helpen, dat de mensch er voor knielt.

Het goud is een gave, een goède gave, en het is niet de schuld van den Gever, dat de mensch van die gave zijn god maakt.

Is het goud niet een goede en groote gave? Kunnen handel en nijverheid, kunsten en wetenschappen bloeien zonder goud, zonder geld? Heeft het geld den driemaster niet getuigd en geladen, die vol trots de zeeën doorploegt? En laat het geld den drijfriem niet suizen over het vliegwiel? Verbindt het goud niet de volken? Slaat het geen bruggen over den oceaan, en vlecht het niet om de vijf werelddeelen een sterken stevigen band?

Neen, het goud is een goede gave, en kan het niet helpen, dat de menschen er voor knielen, evenmin als de stralende zon het kan helpen, dat de inboorlingen van Midden-Afrika haar aanbidden, en evenmin als het sobere kaarslicht het kan gebeteren, dat de vlinder zijn vleugels zengt in zijn vlam.

In een der voornaamste straten van Johannesburg, waar boven de breede geopende deur met groote letters: „C. Harley & Co. limited” staat, moeten we zijn.

't Is druk op dit kassierskantoor. Onophoudelijk stroomen de menschen in en uit. Daartusschen hoort ge het geritsel van papier, en het gekletter van goud en zilver op de harde, marmeren toonbank.

Zie die menschen toch eens aan, die daar komen en gaan; het loont de moeite.

De voorste daar, die zoo juist tien gouden souvereins opstrijkt met zijn vuile handen, is een Kaffer. Ge kunt het wel zien aan den bouw van dien schedel, die zoo hard is als de gepantserde rug van een schildpad, aan dat zwart, gekroesd haar, aan dat donkerkleurig, bijna zwart gelaat en dien stompen neus.

Hij is op zijn Europeesch uitgedost. De lange panden van den jas, dien hij van een reusachtigen koetsier, in dienst bij een der goudkoningen, die hier wonen, heeft geschacherd, raken bijna den grond, en terwijl de ééne broekspijp buitensporig laag hangt, werkt de andere met succes de hoogte in. Een smerig eindje pijp steekt tusschen zijn dikke lippen, op den neus prijkt een bril met slechts één glas, en onder den arm draagt hij—van daag een totaal overbodige weelde!—een blauw geruite regenscherm.

Neen, liever dan dien opgedirkten Kaffer zie ik dan toch dien man daar achter hem, gekleed in het kunsteloos gewaad der woestijn, in den wijden, witten mantel, die los over zijn schouders golft, en het hoofd omhuld met den witten doek. Uit dat door de zon verbrand gelaat schitteren twee zwarte oogen, en de houding van dezen man verraadt iets vorstelijks—hij is immers ook een kind van Arabië, een zoon van Ismaël!

Hij zou u wat kunnen vertellen, als die gesloten, vastberaden lippen wilden spreken!

Negen keeren is hij met de karavaan door die ontzettende woestijn getrokken, die de Sahara wordt geheeten, maar met recht een gloedoven en een vallei des doods kan worden genoemd.

Dag aan dag en jaar aan jaar brandt en gloeit en zengt de zon aan den koperen hemel, en dag aan dag en jaar aan jaar kaatst het heete, brandende zand onder den voet van den bezwijkenden reiziger die gloeiende hitte terug.

Geen grasscheutje kan er groeien; geen druppel waterwordt er gevonden. Wel kan het firmament plotseling worden verduisterd door zware wolken, doch het zijn geen wolken, die verkwikkenden regen geven; het zijn hoog oprijzende, door den Samum-storm opgewervelde en voortgestooten gele lawinen, stuivende zandbergen, die met de snelheid van den wind over de Sahara wentelen.

„Een check van zeshonderd pond op New-York!”

Onverschillig werpt de spreker, een zoon van het verre Westen, een lange knokige figuur met een echt Yankee-gezicht, een zak met goudgeld op de toonbank, en terwijl twee kassiersbedienden het geld natellen, houdt hij hen, met de handen in de wijde zakken van zijn gestreepte broek, en een Amerikaansch deuntjeneuriënd, met zijn vlugge oogen in de gaten.

China en de Vereenigde Staten ontmoeten elkander hier. Of zou die man daar vóór u—hij zet zich juist neder op de bank onder het vensterraam—geen zoon zijn van het Hemelsche Rijk?

Zonder twijfel. Gij kunt het zien aan de lange haarvlecht op zijn rug, aan die scheve oogleden, aan dat sluw, geel gelaat.

Dàt brutaal gezicht, daar naast dien Australiër, behoort aan een Engelschen Jingo. Wis en zeker, aan een Jingo.

Met een minachtend gebaar neemt hij door het gouden lorgnet de omstanders op; met een zekere onverschilligheid hangt hij den elpenbeenen knop van zijn rotting op in het derde knoopsgat van zijn jas, van boven af geteld, en een spotlachje krult zijn lippen, als een vreemde klank zijn oor treft. Hij vindt het onzinnig, dat er nog menschen bestaan, die er een andere taal op na houden dan de zijne, de Engelsche taal, en hij zou ze af willen straffen met de rotting, die in het derde knoopsgat hangt van zijn jas.

Neem hem bedaard en goed op; het is leerzaam.

Na vele jaren, als de macht van Engeland zal zijn gebroken, als de trots van de koningin der zeeën in het slijk zal vertreden zijn, zal de weetgierige leerling vragen aan zijn onderwijzer: „Wat was de oorzaak vanEngelandsval?”

En de onderwijzer zal antwoorden: „De Jingo was de oorzaak van Engelands val.”

En de leerling zal weder vragen: „Onderwijzer, wat verstaat gij onder den Jingo?”

En de onderwijzer zal met bedachtzaamheid antwoorden: „Onder den Jingo versta ik den man, die de Engelsche staatkunde in een verkeerde bedding heeft geleid, die met alle mogelijke middelen, zoowel geoorloofde als ongeoorloofde, het gebied van Engelands bezittingen poogde uit te breiden, en die ten slotte voor geen daden van geweld, list en verraad terug heeft gedeinsd, om dat doel te bereiken.”

En de leerling zal nadenken over deze gewichtige woorden en nogmaals vragen: „In hoeverre is de Jingo de oorzaak van Engelands val?”

En de onderwijzer zal antwoorden: „De Jingo begon de Engelsche politiek te beheerschen, en zijn waan kende geen grenzen, zoodat hij met het trotsche hoofd tegen de wolken stootte. Maar de rechtvaardige God, Die alleen groot is, wilde dien trotschen waan niet langer gedoogen, en Hij liet den toorn der volken los tegen de eilanden in het noorden, en Engeland viel, en zijn val was groot!”

En de weetgierige leerling zal over die woorden peinzen, en er wijze lessen uit putten voor zijn eigen leven.

Dat menschenkind daarbij den muur is een Kroaat.

Hij heeft de leeren pet zoo vast op het hoofd alsof zij er op vastgemetseld is, en dat zijn roode, borstelige bakkebaarden in geen twintig jaar met een kam in aanraking zijn geweest, is een feit.

Van werken houdt hij niet, wel van boksen en vechten, en dat hij den zachtmoedigenArmeniër, die daar naast hem staat, met moedwil op de teenen trapt, is enkel te verklaren uit zijn onweerstaanbare zucht om te bakkeleien.

„En u?” vraagt de chef van het kantoor.

„Een wissel op Triëst—dertig pond!” brult de strijdlustige zoon van de Julische Alpen.

Maar de chef is aan die ruwe uitroepen gewoon. Het maakt hem koud noch heet.

Met zijn scherpe oogen controleert hij zijn vier bedienden en de stapels kostbaar goud en de stapels nog kostbaarder wissels, die door zijn handen gaan.

Hij werkt met beleid, vlug, accuraat, zonder overhaasting. Hij let minder op de menschen dan op het geld. Voor die menschen is hij niet verantwoordelijk, wel voor het geld.

't Is verwonderlijk, hoe 'n haast de meeste menschen hebben.Maar die grijsaard ginds—hij staat heel achteraan—schijnt geen haast te hebben.

Hij neemt het geweer van den schouder, en zet het tegen den grond.

De linkerhand omklemt den loop.

't Is een prachtig geweer, een echt Henri-Martini, en de stalen loop schittert in de zonnestralen, die door de breede ruiten vallen.

De grijsaard staat recht op, en is minstens een halve voet langer dan de meeste omstanders.

Slechts de Noorweger, een zoon der blonde Gothen, die zoo even het kantoor verliet, was even groot.

Met belangstelling staart hij op het rumoerig tooneel daar voor hem, en een oogenblik rusten zijn blauwe, schrandere oogen op den trotschen Jingo.

Maar de aanloop begint te verminderen; over eenige minuten wordt het kantoor gesloten, en nu eerst ontdekt de chef, van zijn ingespannen arbeid opblikkend, den ouden Voortrekker.

„Wel grootvader Kloppers,” roept hij, met blijde verbazing, „dat is een verrassing! Kom toch gauw naar binnen!”

„Ik zal wachten tot ge klaar zijt,” zegt de grijsaard, Marling's toegestoken hand hartelijk schuddend.

Nu, Marling haast zich en is spoedig klaar. Het kantoor wordt gesloten, de bedienden verwijderen zich en Charles gaat Dirk Kloppers voor door den marmeren gang naar de huiskamer.

Een glazen deur, door een gordijn gedeeltelijk bedekt, geeft toegang tot die kamer.

„Wacht even,” zegt Marling fluisterend, „nu kunt ge uw kleindochter eens bespieden!”

„Wel ja,” meent de Voortrekker vroolijk, en gluurt door de gordijnplooien heen.

Lena heeft haar eerstgeborene, een allerliefst ventje van zes maanden, op den schoot.

Zij neemt hem op, heft hem hoog in de lucht, en de kleine kerel kraait het uit van plezier.

Zij legt hem weer op haar schoot, plaatst hem vlak voor zich en zegt: „Wiens ventje ben jij, Albert? Pa'ke's ventje? Pa'ke zegt, dat jij Moeke's neus hebt, maar Moeke zegt, dat jij Pa'ke's oogen hebt, hoor! Pa'ke's oogen, ja zeker!Maar de mond is van je Moeke, zegt Pa'ke! Zóó—goed zoet zijn, lieveling—”

„Kom vrouw,” zegt Marling lachend, met den ouden Kloppers binnentredend, „we zullen je moeten storen in je gewichtig onderhoud met onzen oudsten zoon. Ik heb hier een kennis van je meegebracht.”

„Grootvader!” roept de jonge vrouw met een stralend gezicht, den kleine in zijn wiegje leggend.

Zij snelt op den grijsaard toe en kust hem.

„Nu, dat is nog eens een kostelijke verrassing!” roept ze verheugd. „En hoe maken het Grootmoeder en Oom Jan en tante Geertrui en de kinderen en de andere familie?”

„Ik breng jullie hun hartelijke groete,” antwoordt de grijsaard, „en ze maken het allen uitstekend.”

„Nu wat zegt ge van uw veldbloemke?” vraagt Marling, op zijn vrouw wijzend.

„Mijn veldbloemke ziet er uit als een roos in den morgendauw,” antwoordt de Voortrekker, „en ik dank daarvoor mijn God.”

Nu neemt men plaats in de gezellige, prettige kamer, waarvan de openslaande deuren uitkomen op een werkelijk prachtigen bloementuin.

Terwijl is de vrouw des huizes bezig, om met bekwamen spoed de koffietafel gereed temaken, en de dreumes in zijn wiegje ligt het uit te kraaien van plezier, en pakt met de kleine vingers de mollige, bloote beentjes, en doet krachtige pogingen, om den grooten teen van zijn rechtervoet in het snoeperig mondje te steken, en over de geheele omgeving ligt zoo'n innig waas van gezelligheid, bevalligheid en huiselijk geluk, dat zelfs de ijzeren Voortrekker er door getroffen wordt.

„En hoe staat het u hier aan, nu ge ons voor den eersten keer in ons gedoe ziet?” vraagt Lena met een glimlach.

„'t Is haast te mooi,” zegt de grijsaard.

„Ik heb het niet gedroomd,” gaat hij voort, „toen ik nu zestig jaar geleden door de wildernissen zwierf en niets had dan een harden klipsteen, om er des avonds het hoofd op neer te leggen, dat nog eens mijn kleindochter mij in een pronkkamer zou ontvangen. Tusschen dag en nacht is een groot verschil, maar tusschen den ossenwagen van den voortrekker en een Johannesburger salon niet minder.”

„We mogen 't er wel van nemen met een dankbaar hart, als God het ons schenkt,” meent Marling.

„Zonder twijfel,” herneemt de grijsaard met hartelijke instemming, „maar,” gaat hij voort op ernstigen toon, „het is de vraag, of een geslacht, dat in de salons wordt opgekweekt, in tijden van nood en stormweer, die kracht, die taaiheid en die heldenmoed ten toon zal spreiden, die de kenmerken zijn van de echte zonen der wildernis.”

„We denken Albert niet te verweekelijken,” zegt Marling. „Als hij groot mag worden, dan hoop ik hem naar Vredenoord te zenden, en misschien zal zijn overgrootvader hem nog leeren, hoe het roer wordt gehanteerd, en de snelle klipbok geschoten in het gebergte.”

Maar de grijsaard schudt de sneeuwwitte lokken en zegt: „Dat zal ik niet meer beleven.”

Grootvader Kloppers zag in Johannesburg en in de omstreken van Johannesburg veel, dat hem nieuw was, vooral een der in exploitatie genomen goudmijnen, die hij bezichtigde, wekte zijne warme belangstelling.

Nu, zoo'n goudmijn is ook de bezichtiging waard.

Met een bak, lift genaamd, daalt men loodrecht in den donkeren schoot der aarde. Op elke 100 voet diepte wordt een mijngang door het graniet gehouwen, een zwaar werk, want het graniet is zeer hard, doch op 1000 voet diepte gekomen, worden de mijngangen op 200 voet afstands onder elkander gehouwen. Men heeft dus den tienden mijngang op 1000 voet en den elfden op 1200 voet diepte.

De mijngangen loopen honderd voeten ver, in alle windstreken, en volgen den goudrif, waaronder men verstaat de ader van gouderts, die gewoonlijk hoogstens twee voet dik en breed, door het zware graniet loopt.

Een mijn kan verscheidene riffen bevatten: een hoofdrif met vertakkingen, die zich allen uitstrekken naar de diepte der aarde, doch hoe diep, is tot nog toe voor de menschelijke wetenschap verborgen.

Het goudrif is van het graniet, waar het door heen loopt, onderscheiden door zijn grijswitte en gitzwarte plekken en in die grijswitte, doch vooral in die gitzwarte plekken zitten, fijn en verspreid, de gouddeeltjes.

't Is wel een groote zeldzaamheid, dat men stukken zuiver goud vindt. Toch kan het gebeuren. Zij worden nuggets genoemd, en een dier aan denWitwaterrandgevondennuggets, zoo groot als een lang wittebrood, vertegenwoordigde eene waarde van een millioen gulden.

In de harde granietwanden der mijngangen, boren de Kafferwerklieden de gaten voor het dynamiet, dat het goudrif breekt, terwijl in de mijngangen een spoor loopt, waarover zich onophoudelijk kleine karren (skips) bewegen, die het losgesprongen steen en gruis vervoeren naar een lift, die het naar boven brengt.

Natuurlijk wordt veel meer granietgruis dan gouderts naar boven gebracht, want de mijngangen zijn eene flinke manslengte hoog, en zoo breed, dat er op sommige plaatsen een dubbel spoor ligt.

Het naar boven gebrachte erts wordt intusschen vervoerd naar de Batterij, een sterk, houten gebouw van ontzachelijke hoogte, dat uit verschillende galerijen bestaat. In deze galerijen wordt het erts fijn gestampt, en ondergaat vervolgens verschillende zuiveringsprocessen door doorstroomend water, kwikzilver en cyanide, en wordt ten slotte in den smeltkroes geworpen, om gereinigd er uit te voorschijn te komen.

Één zaak verwonderde grootvader Kloppers, namelijk dat er in Johannesburg zoo veel Engelsch werd gesproken.

„Het lijkt wel een Engelsche stad,” zeide hij geërgerd, waarop Charles Marling lachend zeide: „De taal is vrij.”

Doch toen de oude Voortrekker voor de ramen der voornaamste boekwinkels de portretten van Cecil Rhodes in alle mogelijke grootten zag uitgestald, klom zijn ergernis tot toorn, en een plooi van verontwaardiging werd zichtbaar op zijn verweerd gelaat.

„Dat is de Achitofel van Kaapstad,” barstte hij los, „maar de Heere zal den raad van dezen man vernietigen!”

Maar Charles zeide hierop geen woord, uit eerbied voor de sneeuwwitte haren van den Voortrekker.

Vier dagen vertoefde grootvader Kloppers bij de familie Marling. Toen liet hij zijn schimmel halen, die hij bij een stalhouder had laten stallen, en de geliefde gast nam afscheid van zijn kleinkinderen.

Hij nam den kleinen Albert op zijn armen,kustehet lieve ventje en zeide: „De God uwer vaderen zegene u, mijn kind, en stelle u eens tot een sieraad voor kerk, volk en maatschappij!”

Met de vaardigheid van een jongeling sprong hij in hetzaâl, en zooals hij daar zat op den witten schimmel, den bandelier om de breede schouders, het geweer over den rug, den uit paardenhaar gevlochten, breeden hoed op het grijze hoofd, gekleed in het gewaad der wildernis, was hij de type van een verdwijnend geslacht—van den krachtigen, onversaagden Voortrekker.

11)Witwatersrand heet de goudstreek, die zich bij Johannesburg uitstrekt.

De oude Kloppers had van de zware ramp gehoord, die zijn neef Reinard Jansen had getroffen, en ofschoon hij slechts langs een omweg Waterfontein kon bereiken, dreef hem zijn deelnemend gemoed, om Jansen te bezoeken.

Waterfontein had nu al vele maanden in de asch gelegen, doch thans waren eenige blanken (timmerlieden en metselaars), voor zwaar geld door baas Jansen gedongen, alsmede een groot aantal Kaffers bezig om de verwoeste woning op te bouwen, en binnen eenige dagen zou het huis onder de kap komen.

Moeder Jansen ging juist de tent uit, om de struisvogels te voeren, toen Kloppers' witte schimmel de oprijlaan inboog.

Verwonderd keek zij op naar den schimmel en zijn berijder, en het was voor haar een liefelijke verrassing, toen zij haar oom herkende.

Vlug liep zij den hooggeschatten grijsaard tegemoet, maar hij sprong van het paard, en haar hartelijk de hand drukkend, zeide hij vol deelneming: „Nicht Martje, hoe gaat het hier?”

„De Heere handelt met ons in tegenheden,” antwoordde zij, „en Zijne hand rust zwaar op ons.”

„Ik heb het gehoord,” zeide hij, „en—ik zie het.”

Hij staarde op de tot een hoop gelegde verkoolde balken en de door het vuur geblaakte boomen, die hun naakte verdorde takken omhoog staken.

„Dit is nog niet het ergste,” zuchtte moeder Jansen.

„Ook dat weet ik,” zeide de oude Voortrekker.

„Maar ik geloof het niet,” zeide moeder Jansen.

„Watgelooft ge niet?” vraagde Dirk Kloppers.

„Dat mijn jongen den brand heeft gesticht,” zeide zij, doch haar oom bewaarde het stilzwijgen.

Beiden gingen nu de tent binnen.

„Mijn hart gaat open bij het gezicht van zoo'n tent,” zeide de Voortrekker op opgeruimder toon; „er gaat toch niets boven een tent.”

Hij dacht aan de zwerftochten door de groote wildernis.

„Doch waar is je man?” vraagde hij, een veldstoeltje nemend, en zich bij de eiken tafel nederzettend.

„Ik verwacht hem elk oogenblik,” zeide tante Martje, en nauwlijks had zij dit gezegd, of de breedgeschouderde gestalte van Reinard Jansen trad, het doek bij den ingang wegslaande, de tent binnen.

Met een blik vol deelneming en medelijden zag de grijze Voortrekker hem aan.

Reinard Jansen was oud geworden, sinds baas Kloppers hem den laatsten keer had gezien.

Zielepijn had haar diepe voren geploegd door dat verweerd gelaat, en die krachtige gestalte scheen gebogen onder een onzichtbaren doch zwaren last.

Met beleid en voorzichtigheid bracht Dirk Kloppers intusschen het gesprek op den brand van verleden jaar, en terwijl hij de aarden, van een hoornen roer voorziene pijp uit den zak haalde en bedaard stopte, vraagde hij: „Zijt ge er zeker van Neef, dat Frits het huis heeft afgestookt?”

Er ging een aarzeling over het stugge gelaat van Reinard Jansen, alvorens hij antwoordde. De naam van Frits was niet meer over zijn lippen gekomen sinds dien vreeselijken morgen na den brand, doch uit eerbied voor zijn ouden oom antwoordde hij: „Ik ben erzekervan.”

„Hebt ge 't met je eigen oogen gezien?” vraagde de Voortrekker.

Jansen schudde het hoofd.

„Wie zijn dan de zegslui?”

„Drie Kaffers, waarvan Eliëzer er een is,” antwoordde Jansen.

„Ik ken Eliëzer niet,” meende Kloppers.

„Zijn waarheidsliefde is onverdacht,” zuchtte tante Martje.

„Hij kan zich vergissen,” zeide Kloppers bedachtzaam.

„Hij heeft zichnietvergist,” beweerde Jansen.

„Hoe groot was de afstand tusschen hem en den brandstichter?” vraagde Kloppers.

„Een en veertig pas,” zeide Jansen.

„'t Was nacht,” wierp tante Martje er tusschen in.

„Maar de maan was nog niet onder,” zeide Jansen; „het was bijna zoo licht als over dag.”

„Ik ben nog niet overtuigd,” hernam baas Kloppers; „hoe oud is Eliëzer?”

„Hij moet vijf en vijftig jaar zijn,” zeide Jansen.

„Er zijn menschen wier oogen op dien leeftijd reeds verzwakken,” meende Dirk Kloppers.

„Eliëzers oogen kijken nog even scherp als dertig jaar geleden,” verklaarde Jansen op stelligen toon.

„Ik bennogniet overtuigd,” zeide de oude Kloppers.

„Welnu, ikzalu overtuigen,” hernam Reinard Jansen. „Twee avonden na den brand—het was even helder als in dien noodlottigen nacht—begaf ik mij tersluiks, terwijl Eliëzer, zooals zijn gewoonte is, op den drempel van zijn hut zijn snarentuig zat te bespelen, naar de plek, waar de brandstichter moet hebben gestaan. Ik stak een vuurhoutje aan, maar het had nauwelijks vlam gevat of Eliëzer riep verschrikt: „Baas, ouwe baas, wat gaat ge doen?” Hij had mij onmiddellijk herkend.”

Moeder Jansen zuchtte; baas Kloppers zweeg en staarde peinzend voor zich uit.

„Hoe laat verliet Frits de ouderlijke woning?” vraagde hij na een pauze.

„'t Was half vijf,” antwoordde tante Martje.

„En hoe laat brak de brand uit?”

„Ongeveer te tien ure,” zeide baas Jansen.

„In vijf en een half uur heeft de drift van een mensch tijd om te bekoelen,”meende de oude Voortrekker, „en acht gij Frits nu in staat, om na zoo'n tusschentijd in koelen bloede de ouderlijke woning af te stooken?”

„Het kan niet waar zijn,” riep het gewonde moederhart van tante Martje, doch Reinard Jansen barstte los: „Is het niet vreeselijk en verschrikkelijk? Is het niet monsterachtig en ongeloofelijk?”

„Ja,ongeloofelijk!” riep de grijze Voortrekker met klem.

„En toch is dat monsterachtige gebeurd,” zeide Jansen met een somberen klank in zijn stem.

Maarnogwas de oude Kloppers niet overtuigd.

„Frits ging om half vijf naar de familie Williams?”vorschtehij.

Jansen knikte bevestigend.

„En wanneer vertrok hij naar Rhodesia?”

„Dien zelfden avond, naar ik heb vernomen,” zeide Jansen.

„Dus hij moet onderweg teruggekeerd zijn, om Waterfontein in de asch te leggen?” vraagde de grijsaard.

Baas Jansen stutte het hoofd met de handen, en staarde strak naar den grond.

„Met de wetenschap, dat, vatte het buskruit in het achterhuis spoedig vuur, dat toch wel waarschijnlijk was, zijn ouders en zusters in de vlammen moesten omkomen!” ging de grijsaard voort. „Zoo iets behoort thuis op het terrein van den Satan!”

Jansen richtte het hoofd op, en staarde den grijsaard aan met een stommen, maar veelzeggenden blik.

De grijze Voortrekker begreep dien blik, maar den gefolterden man vol deernis aanziende, zeide hij: „Neef Reinard, ik vraag niet uit nieuwsgierigheid, maar ik tracht een uitweg te vinden uit dezen verschrikkelijken doolhof. Gelooft ge niet, dat uw ongeluk mij ter harte gaat?”

Hij behoefde het niet te vragen; Jansen kon het lezen in die oogen.

„Jack Williams was de kameraad van uw zoon?” vraagde Kloppers opnieuw.

„'t Was zijn Judas,” zeide Jansen vol toorn.

„Wanneer hebt ge Jack den laatsten keer gesproken?” vraagde Kloppers.

„Onmiddellijk nadat Frits de woning verliet, heb ik met Jack nog gesproken. Of liever ik had hooge woorden met hem, en heb hem de deur uitgegooid.”

Er scheen een voorbijgaande lichtstraal te flikkeren in de blauwe, vorschende oogen van den schranderen grijsaard.

„En is het u nooit in de gedachten opgekomen, dat Jack zich zou wreken?” vraagde hij, doch Jansen scheen door deze vraag niet verrast.

„Als de brandstichter niet was herkend,” zeide hij bedaard, „dan zou ik aan Jack hebben gedacht.”

„Ik heb hem eens in het gezelschap van uw zoon ontmoet,” hernam de oude Voortrekker, die een verwonderlijk sterk geheugen had.„Hij maakte op mij den indruk van een geslepen en gevaarlijk karakter te bezitten.”

„Wanneer is Jack naar Rhodesia vertrokken?” vraagde hij plotseling.

„Den morgen na den brand,” zeide moeder Jansen.

Weer werd de voorbijgaande lichtstraal zichtbaar in die vorschende, blauwe oogen.

„Welken weg nam hij? Ik meen, dat de gewone weg naar Rhodesia hier voorbij komt?” vraagde Kloppers.

„Had Jack den gewonen weg genomen, dan moest hij hier voorbij zijn gekomen,” zeide Moeder Jansen, „maar hij nam een anderen weg, een omweg.”

„Weet ge 't zeker?” vraagde de oude Voortrekker, terwijl op zijn gelaat een zekere spanning zichtbaar werd.

„Ik weet het zéker,” zeide tante Martje op stelligen toon; „Eliëzer heeft hem gezien.”

„Frits heeft ook een omweg gemaakt, toen hij dien avond vertrok naar Rhodesia,” zeide Reinard Jansen; „het staat gelijk.”

„Waarom maakte Frits dien omweg?” vraagde de grijsaard.

Jansen antwoordde niet.

„Omdat het hem na de harde woorden, die er gevallen waren, onmogelijk was, Waterfontein voorbij te rijden,” meende de grijsaard.

Er volgde een pauze.

„En waarom maakte Jack Williams den omweg?” vraagde de oude Kloppers opnieuw.

„Hoe kan ik dat weten!” zeide Reinard Jansen.

„Kon hij soms het gezicht der verbrande woning niet uitstaan?” zeide Kloppers.

„Als we het eens wisten,waaromhij dien omweg maakte!” riep hij uit met klem, en opstaande van zijn veldstoeltje aan de eiken tafel, staarde hij vol gepeinzen door de opening der tent naar buiten.

Hij was als de jager, die op een vertreden blad den indruk meent te bespeuren van de hoef van het wild, dat hij zoekt.

„Kom jullie nog wel eens met de familie Williams in aanraking?” vraagde hij plotseling.

„Ik heb sinds de laatste ontmoeting met Jack alle verbinding met de familie Williams afgesneden,” zeide Jansen.

„'t Is jammer,” meende de Voortrekker teleurgesteld.

„Ge vermoeit u met een hopelooze zaak,” zeide Jansen, maar de grijsaard luisterde niet eens naar die woorden.

„Eliëzer is toch nog in je dienst?” vraagde hij.

Tante Martje knikte bevestigend.

„Dan moet Eliëzer naar Rhodesia.”

„Wat moet hij daar doen?” vraagde Reinard Jansen met groote oogen.

„Frits opzoeken en spreken,” meende de Voortrekker.

„Gisteren is ons meesterke voor datzelfde doel reeds naarRhodesia vertrokken,” zeide baas Jansen. „Dat wil zeggen,” liet hij er op volgen,„ik heb hem niet gezonden, maar hij is uit eigen beweging gegaan.”

„'t Kan geen kwaad, dat het meesterke is gegaan,” zeide Dirk Kloppers, „maar het is niet voldoende.Eliëzer beweert in Frits den brandstichter te hebben gezien—wel nu, hij moet Frits trachten te spreken! Zoo alleen is er tot klaarheid te komen in deze vreeselijke geschiedenis!”

„Wat zal het baten?” zeide Jansen moedeloos.„Het feit wordt er niet door veranderd, en het slot zal zijn, dat ook mijne vrouw haar geloof in de onschuld van Frits zal moeten opgeven.”

„Dat zit nog,” zeide Kloppers.

De spanning in zijn gelaatstrekken was geweken, en hij zette zich weer bedaard neder op het veldstoeltje.

„Jack en Frits gelijken elkander in grootte en lichaamsbouw?” vraagde hij opnieuw.

„Zeker,” zeide tante Martje, die met de scherpzinnigheid van een moeder de vragen van den grijzen Voortrekker volgde.

„Ook in gang en houding?”

„Volkomen,” antwoordde zij.

„Baas, je ossenwagen is omgekanteld in de drift,” meldde op dit oogenblik een Kaffer, „en Hector heeft me gestuurd, om je te roepen.”

Baas Jansen stond op, en ging met den Kaffer mede.

Nu zaten Dirk Kloppers en tante Martje alleen, en Dirk Kloppers spon aan den draad, dien hij was begonnen en de oogen van de bedroefde moeder hingen met hoope en vreeze aan zijn lippen, maar toen hij had geëindigd, gleed heldere zonneschijn over haar zacht gelaat, en zij staarde vol bewondering in de blauwe oogen van den schranderen grijsaard, die door God met zooveel wijsheid was begiftigd.

Welgemoed heeft de oude Dirk Kloppers zijn reis voortgezet, en thans heeft hij Vredenoord bereikt.

Het verwondert hem echter, de oprijlaan inbuigende, dat zijne vrouw hem niet tegemoet komt.

Dat is toch haar gewoonte geweest.

In den regel placht zij tegen den dag, dat de baas van Vredenoord werd terug verwacht, door het raam der bovenwoning uit te kijken, en zag zij dan de witte, golvende manen van den schimmel, dan ging zij den naderende vlug tegemoet.

Doch dezen keer ziet de oude Voortrekker niets, en Vredenoord schijnt doodsch en verlaten. De groote kettinghonden liggen—het is een warme namiddag—met de tongen uit den breeden muil te doezelen naast hun hokken, en kafferliederennochkinderstemmen worden gehoord. Slechts een paar struisvogels stappen met lange pooten over het erf, en eenige kalveren hebben zich naast hun moeders neergevleid in de schaduw van het geboomte, dat de oprijlaan omzoomt.

Een angstig voorgevoel pakt den grijsaard, doch het is voor hem een verlichting, dat de kleine Sien komt aanloopen.

De kleine is geducht uit de kluiten gegroeid, sinds wij haar het laatst hebben ontmoet, en de mouwen van haar jurkje zijn veel te kort geworden.

„Dag Opa,” roept de kleine met vroolijke stem.

Die kinderstem verkwikt hem.

„Waar is Grootmoeder?” vraagt hij.

„Opoe is ziek,” antwoordt de kleine; „toe, Opa, zet me op den schimmel,”en zij strekt haar mollige armpjes omhoog. Doch nu de grijsaard hoort, dat zijn vrouw ziek is, haast hij zich, om uit het zadel te komen, snelt naar de huisdeur en opent ze.

Hij ontdekt niemand. Ook in het woonvertrek is niemand te zien.

Hij ontdoet zich haastig van geweer en bandelier, en door klimmende onrust aangegrepen, gaat hij naar de zijkamer.

Jan, zijn zoon, en Geertrui, zijn schoondochter, zitten daar, en beiden keeren zich naar de deur, waardoor de grijsaard thans binnentreedt.

Jan ziet er bedrukt uit, en Geertrui heeft beschreide oogen.

„Is hij er?” hoort hij een zwakke stem vragen.

„Ja, hij is er, Anneke!” zegt de grijsaard vol teederheid, buigt zich over de kranke heen, die in de groote, bruinegeverfde bedstee ligt, en kust haar op de drooge brandende lippen.

„Ge hebt je zeker verwonderd, Vaderke, dat ik je niet tegemoet kwam?” zegt ze.

Vaderke is zoo'n lievelingsuitdrukking van de oude.

„Zijt ge ziek, Anneke?” vraagt de grijsaard in groote bezorgdheid.

„Ja,” fluistert ze, „zeer ziek!”

Zij heeft het hoofd eenigszins opgericht, doch valt nu machteloos terug in het kussen.

Kloppers kijkt zijn zoon vragend aan.

„Moeder heeft een beslag gehad,” zegt Jan.

„Wanneer?”

„Van nacht. Gisteren klaagde ze reeds over duizelingen.”

De grijsaard steunt.

Wanneer een vrouw op twee en tachtigjarigen leeftijd een beslag krijgt, valt er niet veel meer te hopen.

De oude Kloppers weet genoeg.

„Is er tijding gezonden aan de familie, Jan?”

„Ik heb heden morgen vier boden afgezonden.”

„Als ze maar niet te laat komen,” denkt de oude man, doch hij zegt niets.

Hij zet zich neder op een rietmatten stoel naast het hoofdeinde der bedstede.

De zieke zoekt zijn handen en houdt ze vast.

„Wat ben ik blij, dat ik je nog mag zien!” zegt ze. „Ik vreesde, dat je nog te laat zoudt komen.”

„Denkt ge, dat het sterven zal worden?” vraagt hij.

„Gij denkt het ook,” zegt ze en staart hem aan.

De grijsaard antwoordt niet.

„Is het licht op uw pad?” vraagt hij na een wijle.

„Neen,” zegt ze, „donker—o zoo donker. Mijn hart en mijn ziel versmachten in een land, dor en mat, zonder water.”

„Vlak voor den morgen is de nacht het donkerst,” troost de oude man, „en de almachtige en genadige God kan de woestijn laten ruischen van water.”

„Ik wil het niet tegenspreken,” zegt ze op afgebroken toon, „maar ik heb er geen vat aan. Mijn ziel dwaalt rond in een wereld van verlatenheid.”

„Het kan nog veranderen,” meent de grijsaard.

„Ik vrees er voor,” zegt ze; „ik zal met de nachtschuit weg moeten, Dirk.”

„Nu, met de nachtschuit of op een triumfwagen—het einde zal toch vrede zijn,” zegt Kloppers. „Niet hetsterven, maar hetlevenbeslist over de eeuwigheid.”

Hij sprak zijn overtuiging uit. Hij wist, dat zijne vrouw was eene gekende des Heeren, en dat haar anker lag in het binnenste heiligdom.

De oude vrouw Kloppers was eene zwakgeloovige in tegenstelling met haar man, die sterk en krachtig was in het geloof, en bij wien de vezelen van zijn innerlijkst bestaan waren vastgegroeid in het eeuwige Woord van God, zoodat hij onbeweegelijk stond als een eik, welks wortelen zich hebben vastgeslagen in de scheuren en spleten der rots.

„Laten wij bidden,” zegt hij.

Met Jan en Geertrui knielt hij neder, en de stervende vouwt de handen samen, doch na het gebed klaagt de kranke: „Ik kan niet bidden, niet gelooven, niets! Ik voel me zoo moede en bezwaard!”

„Al kunt ge niet bidden,” troost haar man, „uwe trouwe Hoogepriester bidt toch voor u.”

Zij knikt met het hoofd, en er volgt een pauze.

„Wat klopt daar aan het raam?” vraagt zij.

Zij is nog in het volle bezit harer vermogens; zij richt zich zelfs een weinig op.

„Ach, dat zijn mijn duiven,” zegt ze. „Ze pikken tegen het raam, omdat de oude vrouw hun geen voeder heeft gegeven. Jan verzorg ze even!”

Jan haast zich, om aan dat verlangen te voldoen, en strooit wat maïs op het vensterkozijn.

De duiven pikken het voeder op, kijken nog even met hun vriendelijke kopjes door het raam, en vliegen klapwiekend weg, terwijl hun schaduw voorbij glijdt tegen den muur van de kamer.

Jan kijkt intusschen den grijsaard aan, die daar nog altijd zit in de bestoven kleeding, waarmede hij van de reis is gekomen.

„Vader,” zegt Jan, „neem wat rust; Geertrui en ik zullen bij moeder blijven,” doch de grijsaard schudt het hoofd.

„Gij zijt vermoeid van de lange reis,” smeekt Jan.

„Dat hindert niet,”antwoordtde oude man. „Uw moeder heeft voor mij zoo dikwijls de hitte van den dag en de koude van den nacht getrotseerd—licht, dat ik bij haar blijf in haar laatste uren.”

En zoo zit hij, de drie-en-tachtigjarige, van 's namiddagsvier uur tot den anderen morgen negen uur, volle zeventien uren, bij de sponde van de stervende, haar die kleine geriefelijkheden bewijzend, die men zoo gaarne aan zijne liefste betrekkingen bewijst.

Doch nu is zijn kracht ook op, en terwijl zijn zoon Jan zijn plaats inneemt, werpt hij zich gekleed te bed, om een korte doch verkwikkende rust genieten.

Hij had drie uur gerust—de zon had juist de middaghoogte bereikt—toen Jan den grijsaard wekte.

„Moeder verlangt naar u,” zeide hij.

„Hoe gaat het?” vraagde de oude man.

„Moeder is in eene buitengewone stemming.”

De grijsaard spoedde zich naar de ziekekamer.

„O Dirk,” riep de zieke, zijn beide handen grijpend, „ik zal niet met de nachtschuit vertrekken.”

Hij schikte haar kussen goed.

„Ik vertrek met volle zeilen,” riep zij met zeldzaam heldere, bijna juichenden stem: „met volle zeilen! in het licht der eeuwige zon.”

De grijsaard keek haar vorschend en bezorgd in de oogen, doch zijn bezorgdheid verdween als nevel voor den middagglans.

Er was geen spoor van overprikkeling in haar oogen—zij was nooit helderder van geest geweest, en de oude Voortrekker riep met bewogen maar krachtige stem: „God zij geloofd en geprezen!”

Van het erf hoorde men thans het getrappel van paarden, en vier van Kloppers' zonen traden binnen.

Het waren forsch gebouwde mannen met reeds grijzende haren, iets ouder dan Jan.

Zij waren midden in den nacht van huis gegaan, en hadden een rit van twaalf uur achter den rug.

„Ook dàt nog!” riep de stervende; „ik mag ook mijn kinderen nog zien!”

Zij vouwde haar handen en fluisterde:„Heere, ik ben geringer dan al Uwe weldadigheden.”

Zij kuste haar zonen, vraagde haar naar den welstand van hun huisgezinnen, en zeide op zachten toon: „Laat Daniël nu ook binnen komen.”

Doch bij dit woord ging er een aarzeling over het gelaat van den ouden Boer.

Zij merkte die aarzeling op en hernam: „Toe, lieveling,doe het; al is hij een Kaffer, hij heeft den Heiland lief, en meer dan ooit voel ik mij op dit oogenblik verbonden aan allen, die Jezus liefhebben!”

„Het zal wel noodzakelijk zijn,” liet zij er nadenkend op volgen, „dat er onder deze bedeeling een zekere afstand bestaat tusschen den blanke en zwarte in Afrika, doch voor de poorten des doods valt die afstand weg!”

Jan riep den Kaffer.

Schoorvoetend trad hij binnen en staarde met schroom naar de Boeren, wier vochtige oogen op de stervende waren gericht, doch plotseling snelde hij op zijne oude meesteres toe, knielde aan haar sponde en kuste eerbiedig haar hand.

„Ik ga vertrekken,” zeide zij zacht.

„Naar het Vaderhuis,” zeide hij, „waar de vele woningen zijn.”

„En nu willen wij nog eens den lof des Heeren bezingen, Daniël,” ging zij voort, „voor de genade, aan mij, een arme zondares, bewezen, en gij moogt ook meezingen, want wat zegt de Psalmist van den zwarte, Daniël?”

Toen vouwde de Kaffer de handen, en antwoordde met zijn welluidende stem:


Back to IndexNext