HOOFDSTUK XX.

„De Filistijn, de Tyriër, de MoorenZijn binnen u, o Godstad! voortgebracht;Van Zion zal het blijde nageslachtHaast zeggen: Deez' en die is daar geboren!”

„De Filistijn, de Tyriër, de MoorenZijn binnen u, o Godstad! voortgebracht;Van Zion zal het blijde nageslachtHaast zeggen: Deez' en die is daar geboren!”

Zij knikte met het hoofd, en zag nu haar man aan.

„Wat zullen wij dan zingen, Anneke?” vraagde hij.

„Mijn lievelingsvers!” zeide zij.

Toen zong de kleine gemeente met snikken en tranen:

„God heb ik lief, want die getrouwe HeerHoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen,Hij neigt Zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen,Hij schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer!”

„God heb ik lief, want die getrouwe HeerHoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen,Hij neigt Zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen,Hij schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer!”

Moeder Kloppers zelf zong het geheele vers mee.

Jan keek zijn vader aan, want nieuwe hoop begon te gloren in zijn betraande oogen, doch de oude Kloppers wist wel beter. Voordat de kaars des levens uitgaat, flikkert zij gemeenlijk nog eenmaal op, en gaat dan uit met een zucht.

„Hoe gaat het nu Moederke?” vraagde de grijsaard na een wijle.

„Goed,” zeide ze, „goed! Maar ik ben aan het einde van mijn pelgrimsreis, en we zullen afscheid nemen!”

Ach, dat is een aangrijpende zaak, dat afscheid nemen!

Het is niet uit te spreken, welke weemoed en droefheid door de ziel gaat van het arme menschenkind bij zoo'n afscheid! De diepste roerselen van het menschenhart worden opgewoeld!

Moeder Kloppers was de bedaardste van allen. Zij vergat zelfs de kinderen van Jan niet, die binnen moesten komen, en vermaande haar zonen met diepen ernst, om te wandelen in de wegen des Heeren.

De laatste, van wien zij afscheid nam, was haar man.

„Ik wou, dat ik mee kon,” kwam het steunend uit zijn breede borst.

„Des Heeren tijd is de beste tijd,” zeide zij en hare vermagerde handen gingen liefkozend over zijn sneeuwwitte lokken.

„En wij zien elkander weer,” liet zij er troostend op volgen, „en in de eeuwigheid zullen uwe oogen wijd open zijn en wij zullen dan verstaan en doorzien, wat in dit aardsche leven voor ons raadselen waren!”

Zij hield een oogenblik op, om nieuwe kracht te verzamelen.

De grijsaard bedekte het gelaat met de handen.

„En ik dank u, mijn lieveling,” begon zij opnieuw, „voor al de teedere liefde en zorg, die gij mij hebt bewezen. Zeven en vijftig jaar geleden hebt gij mij, met den bijl in uw sterke hand, verlost uit het geweld der Zoeloe-Kaffers, en gij zijt steeds mijn staf geweest en mijn steun. Mijn innige, hartelijke dank, mijn lieveling!”

De grijsaard echter wendde het gelaat naar de stervende, en riep in overstroomend gevoel zijner smart: „O Anneke, gaat gij mij nu verlaten?”

„Het is de wil des Heeren,” fluisterde zij zacht.

„Gij waart de zon van mijn dag,” riep hij klagend,„en de ster in mijn nacht. Doch mijn zon verduistert en mijn ster gaat onder!”

Er lag iets hartroerends in den klagenden toon van den ouden man, doch allengs kreeg hij zijn kalmte terug, en nu zat hij bij de stervende, zooals men bij een geliefde betrekking zit, van wie men reeds afscheid heeft genomen, doch men vertoeft nog in haar gezelschap, in de wachtplaats. Dan praat men nog eens over oude herinneringen, over alhet lief en leed, al de smart en vreugde, die we samen hebben doorgemaakt, waardoor de band zoo sterk en innig is geworden, die ons bindt, en we wachten op het teeken, dat de boot zal afluiden.

De stervende werd nu zichtbaar minder, doch zij had het niet benauwd, en al sprak zij in afgebroken klanken, men kon haar toch duidelijk verstaan.

Reeds neigde de zon naar het westen, en uit den tuin klonk het vroolijk spel der kinderen.

Plotseling sloeg de stervende haar oogen opwaarts.

Op dit oogenblik waren de grijsaard met zijn vijf zonen en Geertrui in de ziekekamer.

„Hoort gij niets?” vraagde de stervende.

„De kinderen spelen in den tuin,” zeide de grijsaard, „wil ik het hen verbieden?”

„O neen,” antwoordde zij, „maar ik hoor nog iets anders—hoort ge 't niet?”

De oude man schudde het hoofd.

„Ik hoor hemelsche zangen—zangen der engelen!” kwam het van haar veege lippen.

Doch waar de engelen zingen, past ons heilig ontzag, en de oude Kloppers en zijn zonen ontblootten eerbiedig het hoofd. En de grijsaard had wel zijn aangezicht willen omwinden van heilige ontroering evenals Elia, toen hij stond in den ingang der spelonk, en de Heere hem voorbijging in het suizen eener zachte stilte.

„Hemelsche zangen—hemelsche heirscharen!” fluisterde de stervende.

Het oog van den grijsaard rustte thans op zijn vrouw.

Voorhembehoorde zij niet meer tot deze bedeeling; voorhemwas de scheiding reeds voltrokken. En hij staarde de scheidende na tot op den drempel der gouden poorte, en in den glimlach, die haar stervend gelaat verheerlijkte, zag hij de afschittering van het nieuwe Jeruzalem....

„Hemelsche zangen—hemelsche heirscharen!”

Zij zag man noch kinderen meer; de aardsche banden waren geslaakt, en hare ziel dronk de zalige melodie der onsterfelijkheid....

Plotseling strekte zij hare handen omhoog met den uitroep: „Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk!” en viel terug in het kussen.

De grijsaard bukte zich over haar gelaat.

Nog een zucht—een snik—een laatste!

Het uurwerk was afgeloopen.

Het hart stond stil.

De grijsaard drukte haar oogen dicht en kuste ze. En terwijl groote tranen biggelden over zijn oude wangen, fluisterde hij met nokkende stem: „Anna, mijn lieveling, goeden nacht!”

En zich omkeerend zocht hij de eenzaamheid.

Het verlies van zijn vrouw is toch een harde slag geweest voor den ouden baas Kloppers.

De vrienden en kennissen, die in grooten getale bij de begrafenis tegenwoordig waren fluisterden tot elkander: „Ge zult zien, dat Dirkoom het nu ook niet lang meer zal maken.”

Men kan 't hem dan ook aanzien, dat hij er mee geleden heeft. Het forsche van den Afrikaanschen Boer heeft plaats gemaakt voor een waas van weemoed en droefheid, en de krachtige gestalte schijnt gebogen.

Dikwerf kan men hem vinden heel aan het achtereinde van den grooten tuin, waar groene cypressenboomen hun schaduw werpen, en waar Kloppers' familiegraven liggen.

Daar zijn reeds verscheidene loten van den krachtigen Kloppersstam neergelegd tot de laatste ruste, en ook de oude meesteres van Vredenoord heeft hier een rustplaats gevonden, nu acht dagen geleden.

Eenzaam en verlaten voelt zich de grijsaard, en een stil heimwee naar het eeuwige Vaderland vervult zijn ziel.

Hij staart naar den zwaarbewolkten, droeven hemel, terwijl de regendruppels als groote tranen langs de ruiten neerglijden, en zet zich weer neder aan de tafel, terwijl de oude, van koperen beslag voorziene Staten-bijbel aan de voorzijde opengeslagen voor hem ligt.

De witte bladen voorin zijn volgeschreven met aanteekeningen. Doch er zijn nog een belangrijk aantal witte bladenbijgevoegd, die allen op weinige ruimte na eveneens zijn volgeschreven.

Het papier was geel geworden van ouderdom, en op sommige plekken door de mot aangetast.

Langzaam gaan de oogen van den grijsaard over de regels heen, doch bij sommige aanteekeningen verwijlt hij langer en leest ze nog eenmaal over.

Zoo leest hij:

„9 Maart 1816. Heden woonde ik de terechtstelling bij van vijf Afrikaansche Boeren: H. Prinslo, S. Bothma, C. Faber, T. de Klerk en A. C. Bothma te Slachtersnek.Zij waren een dwazen opstand begonnen tegen het Engelsche gezag, en veroordeeld tot den strop. Ik zag de vijf sterke mannen hangen aan de galg, en hoop nooit meer zoo iets te zien, want het is wreed en afschuwelijk. Maar de galg brak, en wij hoopten vurig, dat de Engelsche regeering nu pardon zou geven, want de ongelukkigen hadden geen druppel bloed vergoten. Ook was het hartroerend, hoe de aanwezige vrouwen en kinderen om het leven van hun mannen en vaders smeekten.

Het mocht echter niet baten, want de Engelsche politiek is harder dan de rots van Slachtersnek. Zoo zijn die vijf ongelukkigen dan ten tweeden male opgehangen en gestorven, en hun lijken onder de galg begraven. Maar ik heb een duren eed gezworen tot God Almachtig, dat ik de daad van den Engelschen Slachter diep zal inprenten in het hart mijner kinderen en kindskinderen.”

„October 1818. Wij leven door de ellendige Engelsche kafferpolitiek in aanhoudenden oorlog met de aangrenzende kafferstammen. Zij hebben gisteren, terwijl ik op kommando was, honderd van mijn beesten gestolen, mijn ossenwagens vernield en mijn huis afgestookt. Mijn vrouw is met de kinderen het bosch ingevlucht en heeft zoo het leven gered.”

„4 Augustus 1820. Mijn geliefde vrouw is gister, ten gevolge van al den schrik en ellende, door de stroopende kafferstammen veroorzaakt, gestorven in den ouderdom van ruim 59 jaren.”

„6 Maart 1822. Ik ben weer terug van het kommando. Ik en Gert hebben met onze vrienden 26 weken achtereen op het kommando gestaan, om de oproerige kaffers in toomte houden. Verleden Woensdag had het geen haar gescheeld of Gert was gedood geworden door de sabel van een kafferkapitein, maar ik zag het aankomen en strekte mijn arm uit boven Gert's hoofd, want ik had niets anders bij de hand, om hem tot schild te dienen. Dekafferkapiteinsloeg den arm in eens af, maar ik zorgde er voor, dat het zijn laatsten slag was. Gert kwamen de tranen in de oogen, toen hij den arm opnam, maar ik begon te lachen, want ik had in dien arm altijd zoo'n koppige rheumatiek gehad, en ik dacht, dat ik daar nu wel geen last meer van hebben zou.”

De lezer kijkt van de geel geworden familiebladen even op.

Hij heeft den schrijver, zijn grootvader, goed gekend.

Nu begint hij weer te lezen: een reeks aanteekeningen over nieuwe kafferoorlogen, droogte, sprinkhanen, huwelijken, geboorte- en sterfgevallen, alles in bonte afwisseling, doch dan volgde de hand van een ander, van den zoon van den vroegeren kroniekschrijver, namelijk Gert Kloppers.

„6 Maart 1835. Vader isstekeblindgeworden van ouderdom, en ik zal in zijne plaats deze aanteekeningen voortzetten. Wij Afrikaansche Boeren hebben hier gisteren een groote bijeenkomst gehad, en het plan is gerijpt, om te trekken, want wij gaan liever onder de wilde kaffers en de wilde dieren, dan te blijven onder het ondragelijk geworden juk van Engeland.”

„15 Juni 1835. Vader is gisteren de ruste ingegaan, die er overblijft voor het volk van God.”

De nu volgende aanteekeningen waren bijna uitsluitend gewijd aan de Trek over de Vaal-rivier, de bloedige worstelingen met de Kaffers, het duivelsche verraad van Dingaan, den Zoeloe-koning, en den oorlog tegen Engeland om Natal. Doch tusschen deze als met bloed en tranen geschreven regelen vindt de lezer deze aanteekening.

„17 October 1839. Heden is Dirk in het huwelijk getreden met Anna Jansen. Moge de Heere de derde zijn in dit verbond.”

De grijsaard slaat nu verscheidene bladzijden om en leest vervolgens:

„28 Maart 1852. Ik ben terug van de groote volksvergadering teRustenberg. Den 11denverkondigde saluutschoten de komst van kommandant-generaal Potgieter en zijn partij, terwijl vier dagen later Pretorius en zijn aanhang kwam. De burgeroorlog stond nu op het punt om uit te barsten tusschen broeders van hetzelfde huis, doch ik betuig voor God, dat mijn geweer ongeladen was, want mijn hart was diep bezwaard en bekommerd om mijn volk. Ik zal den nacht van 15 op 16 Maart nooit vergeten. Het was een stille, vriendelijke nacht, en ik riep tot God om uitkomst. Voor zonsopgang den 16dengingen onze ouderlingen de voormannen spreken, en men kwam overeen, dat er in Potgieters tent een samenkomst zou plaats hebben. Het volk werd er van onderricht, en schaarde zich in diepe stilte en groote spanning voor de tent, want van deze samenkomst hing vrede af of broedermoord.

Ik ben niet licht vervaard, want mijn hart sloeg er niet sneller om, toen mijn geweer verleden jaar ketste en een leeuw mij tot op vijf pas afstands naderde, doch in dit oogenblik, nu het tentlinnen werd weggeslagen, sloeg mij het hart. Maar een kreet van gejuich en vreugde, vermengd met snikken en tranen, steeg omhoog, toen wij hen zagen staan, Pretorius en Potgieter, de vaders van ons volk, niet als grimmige vijanden, maar als verzoende broeders, elkander de hand drukkend boven den opengeslagen bijbel.”

Er kwamen nog een groote reeks familieberichten en nationale gebeurtenissen, blijde en droeve, zooals het leven ze oplevert, doch eindelijk ontviel de pen aan de hand van den krachtigen, godvreezenden Gert Kloppers, en hij stierf.

En weer nam een andere hand de taak van kroniekschrijver over. Dat is de grijsaard daar voor u: Dirk, de oudste zoon van wijlen Gert Kloppers.

Maar ook deze hand zal weldra door eene andere worden vervangen, want als men drie en tachtig jaar oud is, staat men dicht bij het graf.

De oude man staat op van de tafel, en staart weer naar buiten, naar de groote zware wolken, die laag aan het zwerk voorbijtrekken en denkt aan het verleden, aan dien 17denOctober 1839.

't Is hem alsof het pas gisteren was gebeurd: de bruid in den dubbelen glans van schoonheid en jeugd, en de bruidegom met een hart vol idealen!

En die bruidegom was hij!

En die bruid heette Anna Jansen!

Zij had een ruiker van geurende veldbloemen in de hand die hij voor haar had geplukt aan den rand van een rotskloof.

Die dag, die bruiloftsdag—hoe was hij toch zoo vol geweest, van glans en van schoonheid!

En nu—! Wat is er van dat alles gebleven—!

Een oud man met het heimwee in het hart en een kleine grafheuvel onder de groene cypressen, daar achter in den tuin....

De grijsaard kijkt naar den ouden lindeboom voor 't huis.

De boom steunt en kraakt in het noodweer.

„Hoe lang hij 't nog wel maken zal!” denkt de oude man.

De wind wordt sterker; de ramen rammelen in hunne sponningen en de verwelkte bladen van de lindeboom dwarrelen tegen den grond.

„Dat is nu het leven van den mensch!” zucht de grijsaard,„een verwelkend blad, opgenomen door den wind, vertreden in slijk en modder!”

IJdelheid der ijdelheden—het is alles ijdelheid!

De mensch wurmt en zwoegt en slaaft in een wereld, die hem te eng is, en ten slotte neemt hij voor lief met het enge kamerke tusschen een paar schamele planken......

Maar Dirk Kloppers is een geloovige.

En opblikkend uit dit tranendal, dat den stempel der vergankelijkheid en ijdelheid op het voorhoofd draagt, ziet hij de onvergankelijkheid der toekomende stad.

En hij sterkt zich in zijn God. En de pen opnemend, schrijft hij onder den datum: „Mijne geliefde echtgenoote Anna, dochter van Barend Jansen, overleden in den ouderdom van bijna 82 jaren, na eene gelukkige echtverbintenis van 56 jaren. Zij is zalig ontslapen in haar Heer en Heiland, en hare gedachtenis zal in zegening zijn.”

Het register is nu bijna vol; er schieten slechts een paar regels ruimte meer over.

„Nog juist genoeg, om mijn overlijden te melden,” meent de grijsaard den grooten Staten-bijbel langzaam dicht slaande.

Dan staart hij weer peinzend naar buiten.

Nog altijd trekken groote, zware wolken door het luchtruim; stormwind giert om de woning, en de regen klettert tegen de ruiten.

Het landschap heeft een verlaten aanzien, en het firmament is grauwer dan lood.

Het was 28 December 1895.

Charles Marling zat, verdiept in het lezen eener Engelsche krant, in de woonkamer, en tegenover hem zat zijne vrouw.

Nu, de kranten waren vol nieuws.

Kort geleden, den 20 November, had Lionel Philips, de man, die vijf jaar geleden met 300 gulden op zak te Johannesburg was aangekomen en zich had opgewerkt tot meervoudig millionair, chef der firma H. Eckstein & Co. en vertegenwoordiger van eene der machtigste goudmijnmaatschappijen der wereld, ik zeg, deze man had pas bij de plechtige opening van het nieuwe gebouw der Kamer van Mijnen van Witwaterrand zijne groote rede gehouden, die uitliep op eene heftigen en bitteren aanval tegen de Regeering en den Volksraad.

„De houding der Regeering,” zeide hij, „is de donkere wolk op den toekomstigen vooruitgang, en terwijl de arme, verdrukte Uitlanders zware belastingen moeten betalen, zijn zij van eene wettige vertegenwoordiging en van het kiesrecht verstoken. Deze toestand is echter ondragelijk!”

De Hollandsche regeeringspartij werd natuurlijk wakker uitgescholden, en uit de misplaatste grap van een Hollandschen zeeofficier, dat de Transvaal de beste kolonie van Nederland is, werd heel wat politieke munt geslagen.

Met deze dreiging eindigde Lionel Philips zijne rede: „Niets is verder van aller wensch dan eenomwenteling, die waarschijnlijk op bloedvergieten zou uitloopen, maar hierop dient wel gelet te worden: niet altoos zal deze maatschappij zich onderwerpen aan het wanbestuur, en de Kamer van Mijnen zal haar best doen, om de heilige zaak van het recht en de gerechtigheid te bevorderen.”

Deze rede had natuurlijk een groote beweging veroorzaakt, en de telegraaf had ze onmiddellijk wereldkundig gemaakt.

Doch George Farrar, bestuurder eener Mijn en populair onder de mijnwerkers, was nog een schrede verder gegaan dan zijn meester, de heer Philips, en had op een groote vergadering bij Boksburg de vraag gesteld: „Wilt ge mij helpen, als er eenige kastanjes uit het vuur te halen zijn?” En de duizende aanwezige mijnwerkers hadden geantwoord met een donderend „ja!”

Wèlke kastanjes behoefde GeorgeFarrarniet nader aan te duiden, en wèlk vuur evenmin. Iedereen wist het.

De goudstad was vol onrust, en aan den politieken horizon stegen de dreigende donderkoppen snel omhoog.

Marling legde de groote krant, het was de „Star”,nadenkendneer.

„De toestand wordt ernstig,” zeide hij.

„Ze zoeken iets,” zeide Lena.

„Wien bedoelt ge?” vraagde Marling.

„Wel—de Uitlanders.”

„Erzijngrieven,” zeide Charles met eenigen klem.

„Waar zijn er geen?” vraagde Lena.

Marling antwoordde niet dadelijk, doch nam het blad weer ter hand.

„Hier heb ik het manifest,” zeide hij, „pas uitgevaardigd door het Hervormings-Comité van Johannesburg12), en hij las het volgende:

„Als wij er aan denken, dat de machthebbers tot een ander ras behooren dan wij, een andere taal spreken, en andere bezigheden hebben, ons met wantrouwen en vijandschap bejegenen, dat zij in den regel onopgevoed zijn, en dat hunne hartstochten door gewetenlooze fortuinjagers worden opgewekt, dan moeten wij toestemmen, dat wij in een zeer groot gevaar verkeeren....

Zij, die onze rechten behoorden te verdedigen, zijn onze grootste vijanden. De politiek der Regeering wordt beheerscht door heftige vijandschap tegen de Engelsch-sprekende bevolking. De staatkunde van geweld komt thans openbaar; te Pretoria wordt een fort gebouwd, en spoedig zal nog eenander fort worden gebouwd, om Johannesburg bang te maken. Kanonnen, Maxims, Duitsche officieren worden ingevoerd, en dat waarom? Wij de meerderheid, moeten de inkomsten des lands stijven, en keer op keer worden wij beleedigd. Deze politiek der Boeren kan, dunkt ons, slechts slagen, wanneer wij al de deugden kwijt zijn, waardoor onze voorvaderen zijn vrij geworden, en indien wij zoo laag zijn gezonken, dat wij gereed zijn, onze eer, zelfrespect en plicht tegenover onze kinderen te vergeten....”

Wat zegt ge daar nu van?” vraagde Marling, toen hij het Manifest had uitgelezen.

„De Uitlander is gekomen als de gast van den Transvaalschen Boer,” antwoordde Lena, „en heeft zich nedergezet aan zijn gastvrijen haard. En nu vind ik het hoogst ongepast en zeer ondankbaar van den gast, dat hij eischen gaat stellen en dreigingen laat hooren, want hij is slechts de gast en niet de heer van het huis.”

„De huisheer kan maken,” hernam Marling, „dat de toestand van den gast onhoudbaar wordt, en ik meen, dat men rechtmatige eischen altijd mag stellen.”

„Maar bovendien,” ging hij voort, „uw vergelijking gaat niet op, want de Uitlander is niet degast, maar even goed eenburgerder Republiek als de Transvaalsche Boer.”

„Wel,” zeide Lena met een snellen opslag van haar donkere wimpers, „dat is voor mij iets nieuw.”

„Dat kan ik niet helpen,” meende Marling, de schouders ophalend.

Ongemerkt begon het gesprek eenige scherpte te krijgen.

„Ik herhaal het,” zeide Marling opnieuw, „dat de Uitlander even goed een burger is van het land als de Transvaalsche Boer, en ge zult me moeten toestemmen, dat de door en door conservatieve Boerenregeering met haar patriarchaal systeem zal moeten breken.”

„Breken?” antwoordde Lena, en het scheen, alsof in haar schrandere oogen een weerschijn viel van de wijsheid die haar grootvader, de grijze Dirk Kloppers, bezat, „breken? Neen,nietbreken, doch uit de windselen van die patriarchale toestandenlangzaam uitgroeien—dat is beter.”

„Gij zijt toch een wonderlijk vernuftig vrouwke,” zeide Marling op den ouden gullen toon, maar die toon kreeg opnieuw eenige scherpte, toen hij ernstiger voortging:„Als de stoommachine te veel spanning krijgt, dan zal ze barsten, indien er geen veiligheidsklep is.”

„En wat is die veiligheidsklep?” vraagde Lena.

„Het stemrecht voor de Uitlanders,” zeide Charles.

„Stemrecht voorUitlanders,” riep Lena,„dat kan immers niet! De naam van Uitlander duidt immers reeds aan, dat hij geen burger is!”

„Laten wij over geen woorden kibbelen,” hernam Marling. „De zoogenaamde Uitlanders zijn even goed burgers als de anderen; ik herhaal het nog eens.”

Lena stond op, en nam uit een tasch, die tegen den muur hing, een Hollandsch-Afrikaansch blad.

„Luister eens,” zeide zij, „wat onze president, de wijze Paul Kruger, van dat stemrecht heeft gezegd,” en zij las:

„Onze oude President heeft op eene der laatste politieke vergaderingen, waar hij het woord voerde, op zijne eigenaardige wijze over het kiesrecht, waarom de Uitlanders tegenwoordig zoo hard schreeuwen, het volgende gezegd: „Menschen! De Uitlanders rijden mee inonzenwagen, en zij roepen ons toe: Geeftonsde leidsels in handen! Is het nu onbillijk, als wij hen eerst vragen: Ja, maarwaarheenwil jullie rijden? En hoe, als jullie den wagen omsmijt?” Kunnen wij jullie als koetsiers vertrouwen? Het burgerschap is bij ons als een dam, omringd door vele wateren: deels schoon, deels vuil, maar het water binnen den dam moet zuiver zijn en zuiver blijven. Het gaat dus niet aan, al het buitenwater tegelijk te doen instroomen; wij moeten het langzaam filtreeren, om het schoone water binnen te laten, en het vuile buiten den dam te houden.”

Marling's voeten bewogen zich onder het lezen ongeduldig op en neer, en toen zijn vrouw had geëindigd, zeide hij koeltjes: „Nu ja, dien deun kennen we wel. De Boeren zijn het gefiltreerde water en de Uitlanders vormen het schuim, den drap en den droesem. Paul Kruger is een groot, scherpzinnig en godvreezend man, doch als in het hart van zoo'n uitnemend man nog zooveel nationale eigengerechtigheid schuilt, hoe moet dan, de goeden niet te na gesproken, de rest er uitzien!”

Lena had haar man nog nooit in zoo'n geest hooren spreken, en met smartelijke verwondering staarde zij hem aan.

Neen, die krant daar in zijn handen, die „Star” deed hem geen goed.

„Een monsterpetitie,” ging hij voort, „geteekend door 32500 namen, vraagt aan de Regeering uitbreiding van hetkiesrecht, maar de Boeren smijten de petitie natuurlijk in de snippermand.”

Hij lachte, maar 't was geen gulle lach.

De Engelschman was boven gekomen in den anders zoo edeldenkenden Charles Marling, en zijn vrouw kende hem op dit oogenblik niet.

„Charles!” riep zij,„ik begrijp je niet. De Uitlander kan langs geleidelijken weg het kiesrecht krijgen, maar het volk, dat het fondament van dezen staat heeft gelegd, heeft toch te waken, dat het op te trekken gebouw niet uit de loodlijn ga!”

Lena sprak de waarheid.

De Uitlander kon het kiesrecht deelachtig worden.

Het daarop betrekking hebbende wetsartikel luidde aldus: „Personen, van elders inkomende, kunnen tot de naturalisatie worden toegelaten, mits zij aan den veldkornet van hun wijk of aan den landdrost van hun district het bewijs overleggen dat zij minstens twee jaren hier te lande zich metterwoon hebben gevestigd, en gedurende dien tijd getrouw en gehoorzaam zijn geweest aan de wetten des lands, alsmede met overlegging van een certificaat van een bevoegden ambtenaar, ten effecte dat zij geen onteerend vonnis te hunnen laste hebben gehad.”

Deze naturalisatie gaf recht tot stemming voor denTweedenVolksraad (Tweede Kamer), terwijl het recht tot stemming voor denEerstenVolksraad (Eerste Kamer) en President eerst na twaalf verdere jaren werd verleend.

Nu wilde echter het geval, dat de Engelsche Uitlanders uit een gevoel van nationaal zelfbewustzijn er niet de minste lust toe gevoelden, om den bij de naturalisatie gevorderden eed van getrouwheid aan de Republiek en afzwering der gehoorzaamheid aan elken anderen staat af te leggen.

Trouwens, waartoe zouden zij ook kiezer worden? Niet debloeimaar hetgoudder Republiek trok hen aan, en hadden zij daarvan genoeg, dan zouden zij het stof van hun voeten schudden, en terugkeeren naar Oud-Engeland.

„Er zijn hier in Johannesburg Engelschen, die reeds twaalf jaar in de Transvaal hebben gewoond,” zeide Charles, „hoogst fatsoenlijke en bekwame mannen, dienogniet voor den Eersten Volksraad mogen stemmen—is dat recht?”

„Ja,” zeide ze, nu ook geprikkeld, „dat is recht. 't Is hun eigen schuld. Maar wat wil je toch eigentlijk?”

„Ik beschuldig de Boerenregeering van dwingelandij; datis mijn standpunt,” hernam Marling op vasten toon, doch bij deze harde woorden week het bloed uit Lena's gelaat, en de dochter der vrije Emigranten-Boeren13)werd wakker in de jonge vrouw.

„Charles,” zeide ze langzaam maar met waardigheid, „het is een ongelukkig oogenblik geweest in uw leven, toen gij lid zijt geworden der Engelsche Vereeniging te dezer stede, want gij wordt misleid en bedrogen. Neen, het gaat niet om het kiesrecht, maar de hond moet slaag hebben, en elken stok kan dienst doen. De Transvaalsche Republiek moet er onder, omdat het zoo treft, dat de rijkste goudaderen der wereld door haar gebied loopen. En Cecil Rhodes, die koning is in het land, dat naar hem Rhodesia is genoemd, doch dat beter genoemd kan worden Fraudesia, want het is een land van bedrog, wordt ongeduldig, omdat de Vierkleur nog altijd wappert te Pretoria. Daarom moet er opstand worden gemaakt, muiterij. Dan kan de Engelsche regeering tusschenbeide komen, den opstand sussen en tot belooning de rijke goudmijnen van den Witwaterrand inpalmen.

Denkt ge werkelijk, dat het om het kiesrecht te doen is? Waarom is het dan die rechtschapen mannen, waarvan gij spreekt, en die nu al twaalf jaar in de Transvaal hebben gewoond, nu pas in den zin gekomen, om het kiesrecht te vragen?”

Haar oogen schitteren, terwijl zij dit zeide, en een hooge blos van toorn en verontwaardiging kleurde haar wangen.

Doch Marling was kalmer geworden, en zeide bedaard: „Ik houd Cecil Rhodes, voor een eerlijk, rechtschapen man, en hij staat buiten de Johannesburger beweging.”

„Gave God, dat het waar was!” zuchtte Lena.

Intusschen kwam de kindermeid met den kleinen Albert binnen, en de moeder, nam het ventje over.

„Hoe hij toch groeit!” riep Marling uit, en de hand op Lena's schouder leggend, zeide hij mild en vriendelijk: „Kom vrouwtje, wij zullen niet meer praten over de politiek; wij hebben wel iets beters te doen.”

„Maar manlief is er mee begonnen,” meende Lena op half schertsenden toon.

„Die er weer over begint, verbeurt elken keer een shilling,” zeide Marling.

„Aangenomen!” antwoordde Lena, en lachend sloeg zij in zijn uitgestoken hand.

Te samen zaten zij nog een wijle te spreken over allerlei kleine huiselijke aangelegenheden, waarover de huisvrouwen in den regel zoo gaarne met hunne mannen spreken, totdat het tijd werd voor het kantoor.

Lena echter had nu haar werk met den kleinen woelwater, en toen zij hem in zijn bedje had neergelegd, was zij alleen.

Doch zij was niet zoo opgeruimd als anders.

Het gesprek van zooeven kwam haar weer levendig voor den geest, en al was het met een scherts geëindigd, in dien scherts lag een bittere nasmaak.

Immers over de politiek, dat wil zeggen over de toekomst van haar volk, mocht niet meer worden gesproken, omdat er de huiselijke vrede mee werd bedreigd.

De schemering viel nu in, en zij voelde zich neerslachtig. Doch al haastte zij zich, om de lamp aan te steken, haar neerslachtigheid wilde niet wijken.

Was het de staatkunde van Rhodes, die haar schaduw wierp tot in de binnenkameren van Johannesburg? Was het onweer in aantocht waarvan haar grootvader had gesproken vóór haar huwelijk, en werden de eerste donderkoppen van dat onweer reeds zichtbaar?

Zij wilde er niet aan denken en sloeg den bijbel open. Maar een angstig voorgevoel greep hare ziel aan, en vol vreeze staarde zij in de toekomst.

12)Dit manifest was geteekend door Charles Leonard, als voorzitter der Natienale Unie. Doch deze dappere man, die met zoo'n gloeienden welsprekendheid wist uit te weiden over de deugden der voorvaderen, ging aan den haal en vluchtte naar de Kaap, nog voor dat er een Boerenhoed van achter de klippen zichtbaar werd.

13)De Afrikaansche Boeren, die in 1836 en later den grooten Trek ondernamen uit de Kaapkolonie, werden Emigranten-Boeren genoemd.

Charles Marling stond op de zerken stoep voor het kantoor, dat gesloten was even als de meeste winkels.

Vage geruchten doorkruisten de stad van een voorstel, om den Witwaterrand met zijne rijke goudmijnen tegen eenenorme som de Boerenregeering af te koopen, van een dreigende opstand, van een Engelsche tusschenkomst, doch niemand, die het rechte wist.

Slechts hierin stemde men overeen, dat het land een onheilspellende toekomst tegemoet ging.

Er broeide iets; zware onweerswolken dreven aan den staatkundigen hemel, en ieder Johannesburger was in spanning, waar de eerste bliksemstraal zou inslaan.

Het Hervormings-Comité bracht een klein gewapend leger op de been, waaraan het ƒ 12.— per man en per dag betaalde, en de burgers wapenden zich, om op elke gebeurlijkheid voorbereid te zijn.

Rijkspolitie zag men niet. Nu de lucht met zooveel electriciteit was beladen, kon er elk oogenblik een straatgevecht plaats grijpen, en had daarbij de politie het ongeluk, om een Engelschman te kwetsen of maar de huid te schrammen, dan zou natuurlijk de Engelsche regeering op hooge beenen aankomen en voldoening eischen. Maar de Transvaalsche regeering had er geen trek in, om met de pet in de hand Harer Majesteits regeering nederig om excuus te vragen, en daarom trok zij de politie terug uit de straten.

De handel stond stil. De voorzichtigsten pakten hun koffers en haastten zich, weg te komen uit een stad, die een vulkaan dreigde te worden, doch de Engelsche Jingo's liepen met fieren tred en trotsch opgeheven hoofd door de straten, krachtig in het bewustzijn, dat zij op het punt stonden, om de Boerenregeering, die door hen een vermolmde regeering werd genoemd, in elkaar te trappen.

Marling stond op de stoep—het was namiddag—en keek nadenkend naar de haastig voorbij snellende menschen.

Versch lag hem het gesprek, dat hij eergisteren met zijn vrouw had gehad, nog in het geheugen.

Hij zuchtte.

Hij was ter goeder trouw, waar hij meende, dat de Boeren ongelijk hadden. Hij, de voortvarende Engelschman, had geen oog voor het taaie conservatisme van den Afrikaanschen Boer, dat als een rem in de wielen greep van den snel voortrollenden wagen.

Zeer zeker, daardoor werd de wagen in zijn vaart gestuit, maar het gevaar, dat de wagen in den afgrond zou tuimelen, werd eveneens verminderd.

Marling bezat dien nationalen Engelschen karaktertrek van geestkracht en ondernemingsgeest, die den kostbaren tijd niet vertreuzelt met dralen, maar hij miste dien Hollandschen trek van voorzichtigheid, die wikt en weegt voor men 't waagt. En omdat hij die voorzichtigheid niet begreep, en aan enghartigheid, bekrompenheid en rassenhaat toeschreef, wat slechts het uitvloeisel was van vroed en voorzichtig staatmansbeleid, deed hij de Boeren onrecht, door hen te beschuldigen van onrechtvaardigheid.

Doch hij handelde naar zijne overtuiging, en het had hem waarlijk een harden strijd gekost, alvorens hij mannelijk partij had getrokken voor hetgeen hij beschouwde als recht en billijk. Want hij had innige vrienden onder de Boeren—tegen den ouden Dirk Kloppers zag hij op met den eerbied en de liefde van een kind, en zijn eigen kind de lieve Albert—deed het Afrikaansche Boerenbloed niet dat kleine kinderhart kloppen?

Zoo was dan zijn ziel vol droefheid, want hier mocht geaarzeld noch geweifeld worden. Hij was een zoon van Cromwell's rondkoppen, die, toen het mòest, met het zwaard der gerechtigheid hunnen koning het hoofd voor de voeten legden, en de schimmen zijner voorvaderen zouden hem toornig aanzien, indien hij terug schrok voor een moedige daad.

Hij wilde daarom nog geen omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm, en de vraag, in hoever wapengeweld geoorloofd was, indien alle wettige, vredelievende middelen, om de Regeering tot grootere concessies te bewegen, waren uitgeput, had hij zelfs nog niet onder de oogen gezien.

Dat lag ook niet op den weg zijner ideaal aangelegde natuur, want den droom van Frits Jansen droomde hij ook. De twee blanke rassen, die den toestand beheerschten, hadden iets beters te doen dan elkander te vereten en te verbijten; zij hadden namelijk de roeping, om naar hunne krachten bij te dragen tot den bloei en de welvaart van Zuid-Afrika. En wilden zij tegen elkander strijden, welnu, dat zij elkander dan bekampten in een edelen wedstrijd, wie den meesten zegen zou verspreiden over het land!

Doch de Boerenregeering was enghartig, bekrompen, en voedde een onzalige rassenhaat en was de grootste struikelblok voor een verbroedering van twee rassen, die feitelijk uit eene stam waren gesproten!

Dat was het standpunt van Charles Marling, en hij kongeen ander standpunt hebben, omdat hij den Jingo-geest volkomen voorbij zag, en dus geen vrijen blik had op de dingen rondom hem.

Plotselingvoelde hij een forschen slag op zijn schouder, en een vroolijke stem, die aan een langen man met een sterk sprekend gelaat behoorde, riep: „Zoo ouwe jongen, wat sta je daar te suffen?”

„Ben jij het, Liskey?” zeide Marling, den lange de hand reikend: „Kom binnen!”

Hij ging Liskey voor en bracht hem in de huiskamer, waar op dit oogenblik niemand was.

„Hoe gaat het met de Mijn?” vraagde Marling, nadat men plaats had genomen.

„Welke bedoel je?” was de wedervraag van Liskey, die een Amerikaan was.

„Waarvan je inspecteur bent.”

„Die is zoo even gesloten,” antwoordde Liskey.

„En de andere mijnen?”

„Allemaal gesloten.”

„Het ziet er bedenkelijk uit,” meende Marling, het voorhoofd fronzend.

„Waarom?”

„Wel, nu loopen duizenden Kaffers leeg.”

„Ja, tot den Onthoudersbond behooren ze niet,” lachte de inspecteur; „ze lusten hem droog.”

„Zijt ge te Pretoria geweest?” vraagde Marling met zeer groote belangstelling.

„Om u te dienen, eergisteren, Zaterdag.”

„En hebt ge den President gesproken?” vraagde Marling.

„Dat wil zeggen, ik heb hem gezien en hooren spreken.”

„En welken indruk hebt gij meêgebracht?”

„Dat Paul Kruger de Washington is der Transvaalsche Boerenrepubliek,” antwoordde Liskey op levendigen toon.

„En wat heeft hij gezegd?”

„Ik heb het voor de merkwaardigheid opgeschreven,” antwoordde de Amerikaan.

Hij nam een notitieboekje uit den zak en las: „Indien wijze raadgevingen niet helpen, laat dan het oproer maar losbreken, en de wind zal het koren scheiden van het kaf. De Regeering geeft elkeen gelegenheid voor het luchten van grieven en klachten, maar is ten volle besloten om elke beweging tegen wet en orde te breidelen.”

„Kijk,” liet hij er op volgen, zijn lange beenen nu over elkander gooiend, „ge zult me niet kunnen verwijten, dat ik overdreven voorliefde voor de Boeren heb, maar dit is zeker waar: zij hebben een man aan het hoofd, die weet wat hij wil.”

„Maar wij weten 't ook,” zei Marling.

„Jullie!” riep de Amerikaan met een onmiskenbare minachting in zijn stem; „geef me maar een glas wijn, want ik heb dorst.”

Marling schelde de meid.

„Waar is je vrouw?”vraagdeLiskey op eens.

„Boven,” zeide Marling kortaf, „maar om op je uitroep terug te komen—gelooft ge niet aan de eendracht der Uitlanders?”

„Eendracht!” riep de Amerikaan met grappige verbazing, „ben je nou gek, kerel? Een mooie eendracht! Daar heb je Engelschen, Chineezen, Australiërs, Ieren, Duitschers, Franschen, Laplanders, schapen, bokken, geiten, rhinocerossen en ratelslangen—een mooie eenheid!”

Hij sloeg met de hand schaterlachend op zijn knie, en wierp de lange beenen uit elkaar.

„Ze gaan toch samen, om het kiesrecht te verkrijgen,” wierp Marling er direkt tusschen in.

„Onzin, man, onzin!” riep de Amerikaan. „Alle maal kool, apekool, wat ik je vertel!”

„Dan liegt het verschenen Manifest!” zeide Marling bedaard.

„De opsteller is van de eerste leugen niet gebarsten,” antwoordde Liskey.

„Ge zijt van daag wreed enonbarmhartigin je oordeel,” hernam Marling.

„Dacht ik het niet?”lachtede vrijpostige Amerikaan, het glas wijn nemend, dat hem was ingeschonken: „dacht ik het niet? Als ik aan je afgod torn, dan wordt ge boos!”

„Ikwòrdniet boos,” zeide Marling, „maar ik kan toch niet dulden, dat gij menschen, aan wier goede trouw men niet mag twijfelen, zoo schandalig afmaakt!”

De Amerikaan nam kalm den zakdoek uit zijn zak, en sloeg het stof van zijn lange laarzen.

„Jij praat van goede trouw, goede trouw in een goudstad—Marling,hoe krijg je 't in je hersens?'t Is allemaal kool, wat ik je zeg!”

„De Boeren hebben in jou een goeiën pleitbezorger,” zeide Charles, niet zonder bitterheid.

„En Rhodes injou,” antwoordde de Amerikaan met de grootste kalmte.

„Rhodes? Rhodes heeft met de zaak net zoo min iets te maken als de Turksche sultan!” riep Marling.

„Goeië gerustigheid!” zeide de Amerikaan vol bewondering, maar hij ging weer zitten, wierp de lange beenen over een stoel, en ging kalmer voort: „Dat is jouw onnoozelheid weer, Marling. Er zit muziek in, man, muziek, en Rhodes zit achter het scherm het orgel te trappen.”

„Als je 't gelooven wilt,” meende Marling, de schouders minachtend ophalend.

„De toekomst zal het uitwijzen, Marling!”

„Dat zal ze net, Liskey!”

Van de straat werd thans een groot gejoel gehoord.

„Waarschijnlijk weer een nieuwe grappenmakerij van die „eendrachtige” Uitlanders!” lachte de Amerikaan.

Beide mannen grepen den hoed en gingen naar buiten.

Een troep gewapende burgers te paard reden met een paar Maxim-kanonnen voorop onder zang en muziek de straat door.

„Daar heb je de helden!” riep de lange inspecteur vroolijk; „ze zullen de Boeren beuken als stokvisch!”

Achter de troep kwam een groep burgers te voet aan, met de Transvaalsche Vierkleur in hun midden.

Op het plein maakte deze groep halt, en onder hoonend geschreeuw werd de Vierkleur aan flarden gescheurd.

„Zie zoo, nu zijn de Boeren verloren!” spotte de Amerikaan; „en met zulke schepsels wil je de overwinning behalen, Marling?”

Charles zeide niets; zijn wenkbrauwen fronsten zich. Nog een paar wenkbrauwen fronsten zich—boven hem.

Lena liet het gordijn vallen.

Haar oogenflikkerdenvan verontwaardiging. „Dat canaille,” riep ze, „dat schuim! Hoe durft het de godvergeten hand uit te strekken naar onze Vierkleur! Op, Afrikaansche mannen, en wreekt dien smaad!”

Het is nu donker geworden, en de groote restauratiezaal, waar heden avond een vergadering zal worden gehouden der Engelsche Vereeniging, straalt van electrisch licht, dat door de wijd geopende deuren tot ver over de straat zijn stralen werpt.

De zaal is tamelijk bezet, maar de millionairs zijn nog zwak vertegenwoordigd.

De aanwezigen zitten heel gezellig aan kleine tafeltjes, de kellners (blanken en kaffers) hebben druk werk, om de dorstige keelen te helpen, en de zaal gonst van de drukke, onderlinge gesprekken, terwijl over een uur de vergadering zal worden geopend.

„Wat ik je zeg,” verklaart een magere vent met een lange snor en gewapend met een blauwe bril aan een stevig gebouwden Schot, die als matroos reeds in vier werelddeelen is geweest en thans gouddelver wil worden, „wat ik je zeg, binnen een week hebben we dat Transvaalsche schorremorrie onder onze knie.”

„Hoe zien er die echte Boeren uit de wildernis toch uit?” vraagt de oud-matroos op nieuwsgierigen toon.

„'t Zijn ware orang-oetangs,” verzekert de blauwe bril.

„Ik ken ze,” mengt zich een derde in het gesprek, een mijnheer met een ijzingwekkend hoogen boord, die wegens paardendiefstal reeds tien jaar in een Australisch tuchthuis heeft moeten brommen, „ik ken ze. Er is onder al de Boeren niet één gentleman, mijne heeren!”

Van de naaste tafeltjes begint men te luisteren naar dit gesprek.

„Als ik u vertel, mijne heeren,” gaat de hooge boord voort, „dat de echte Boer zich om de twee jaren eens wascht, dan lieg ik, want hij wascht zich slechts eens in zijn leven, namelijk als hij gaat trouwen.”

„Wel verbaasd,” roept de blauwe bril, „ik wist niet, dat het zulke zwijnjakken waren.”

De oud-matroos voelt in zijn zak, en zoekt naar een stuk pruimtabak.

„'t Wordt tijd, dat hun de ooren gewasschen worden,” zegt hij.

„De boer gaat steeds gekleed naar bed,” vervolgt de hooge boord, „natuurlijk met zijn veldschoenen aan.”

De toehoorders proesten het uit van lachen, en de oud-matroos bijt met zijn zwarte tanden een stevig stuk af van de pruimtabak, die hij heeft gevonden in den linker broekzak.

„'t Zijn wonderlijke zeeschepen, dat hoor ik wel,” grinnikt hij genoegelijk.

„Heeft mijnheer lang onder de Boeren verkeerd?” vraagt hij aan den hoogen boord.

„Twee jaar,” antwoordt de hooge boord, „als veearts.”

„Wilden ze nog al van den deze afschuiven?” vraagt de oud-matroos, een beweging makend met zijn vingers, alsof hij geld gaat tellen.

„'t Zat er in dien tijd niet erg aan,” lacht de hooge boord, „want de goudmijnen waren nog niet ontdekt. Trouwens, mijne heeren, wat ze zijn geworden, hebben ze te danken aanonzenondernemingsgeest.”

De toehoorders stemmen met deze getuigenis van ganscher harte in.

De blauwe bril begint intusschen te vreezen, dat de hooge boord met den roem van den avond zal gaan strijken, en zegt met zijn pieperige stem: „Die Paul Kruger is ook een lid! Zouden de heeren wel willen gelooven, dat hij altijd een bak met droog zand onder de tafel heeft, waarin hij met zijn dikke, naakte voeten zit?”

„'t Is zoo,” verklaart mijnheer Watkins, een groote gespierde kerel, die door zijn haar is heen gegroeid, en over een echt valsch gelaat beschikt.„Toen Paul Kruger in 1883 met het stoomschip van de „Donald Currie-lijn” naar Londen reisde, verschrok hij van de groote machines, en des avonds vraagde hij vol angst den gezagvoerder: „Wel meester, waar moeten we nu toch van avond in vredesnaam uitspannen?””

De toehoorders gieren het uit van pleizier, en het wordt er niet minder op, als mijnheer Watkins er droog komiek op laat volgen: „Als de goeie man zijn naam wil zetten, moet hij eerst zijn baatje uittrekken.”

„Sapperloot!” roept de oud-matroos.

„Als de Boeren pijn in hun lijf hebben,” gaat de waardige mijnheer Watkins voort, „dan binden ze een doek met Haarlemmerolie om hun dikken kop!”

De zaal davert.

„En als het begint te rommelen in hun papbuik, dan gaan ze vetkaarsen knauwen!”

De zaal loeit.

„Ik wou mijne heeren, dat ge die nomaden der wildernis eens zaagt,” zegt de hooge boord, en zie daar! alsof het werk zoo spreken moet, daar treden vier Boeren, echte zonen der wildernis, de restauratiezaal binnen.

Zij dragen blauwe kielen, hooge laarzen met rinkelende sporen, den bandelier gevuld met patronen, over de borst, en over den schouder het thans ongeladen geweer.

Het zijn forsch gebouwde mannen, tusschen 24 en 30 jaar, en bij den eersten oogopslag kunt ge zien, dat het broeders zijn. Het schijnen wel reuzen te zijn in deze vergadering, en de frischheid der wildernis ligt op hun gebruind gelaat.

Dat zijn nu die bespotte en verachte Boeren, en als zij nu zonder een zweem van schroom hun heldere oogen laten gaan over de giechelende menigte, wordt het heel wat bedaarder in de groote zaal.

Zij echter gaan rechtstreeks naar het buffet, en reiken, tot groote verbazing der Uitlanders, aan een der kellners, een man met reeds grijzende bakkebaarden, joviaal de hand.

„Wel meester,” roept Zeger, de oudste der broeders, „hebben we jou toch eindelijk gevonden, man? Ons werd verteld dat gij kellner waart geworden in een Johannesburger herberg, en dit is nu de derde herberg, die wij van avond aandoen, om jou te zien.”

„Dat vind ik heel aardig, heel vriendelijk,”antwoordtde gewezen meester;„gij zijt zeker op reis naar uw ouders?”

„Om u te dienen, oud Alphabet,” zegt Zeger, „we wenschen het nieuwjaar op Waterfontein te vieren. Hé, dat is al een poosje geleden, dat ge ons het a b c met knijpen en slaan hebt ingepeperd!” En de schaterlach der Boeren klinkt luide door de zaal.

„Maar geef ons eens gauw een paar flesschen wijn,” bestelde Gert, de tweede der broeders, „want we hebben dorst, en breng onze achterrijders, die buiten bij de paarden staan, ook een flesch.”

De meester-kellner brengt met bekwamen spoed het bestelde, enplaatsthet op een nog onbezet tafeltje.

„En hoe maak je 't hier?” vraagt Hans, de derde der broeders.

„Ik had te Waterfontein moeten blijven,” meent de kellner.

„Ik geloof het,” zegt Zeger.

„Ge hebt het ook al niet ver gebracht in de wereld,” laat hij er op zachteren toon op volgen—„knecht in een Engelsche kroeg.”

Nu zetten de gebroeders zich aan het tafeltje neer, nemen de geweren van den schouder, en plaatsen ze voor zich, tusschen de knieën, de tromp tegen den grond.

„Haal nog een glas,” kommandeert Zeger, „voor jou, Meester,” en dan de glazen vullend, roept hij: „Op je gezondheid, Meester!”

De meester-kellner is besluiteloos, of hij bescheid zal doen, want met arendsoogen zitten de Engelschen dit vreemdsoortig tooneel af te kijken, maar Gert roept, de stevige elleboogen op de tafel stuttend, op luchtigen toon: „Toe, geneer je maar niet!”

„Ik vrees, dat de andere heeren het mij kwalijk zullen nemen,”zegt de gewezen meester, verlegen zijn bakkebaarden strijkend.

„Ben je nu stapel?” zegt Hans, doodbedaard de houten pijp en den buffelleeren tabaksbuil uit den zak halend,„wij betalen immers? Hier, ouwe penlikker, drink op!” en hij reikt den kellner het gevulde glas.

De gewezen meester moet nu wel drinken, maar hij is toch blijde, als hij naar de achterzaal wordt geroepen.

Zoo zitten de gebroeders dan alleen.

„Wat zal vader in zijn schik zijn, als hij ons morgen ziet,” meent Zeger.

„En moeder dan,” zegt Hans.

„Er is op Waterfontein heel wat gebeurd,” meent Zeger op ernstigen toon.

Hij denkt aan den brand en aan zijn broeder Frits, die naar Rhodesia is gegaan.

„Frits komt terug,” meent Gert met groote beslistheid, „het Afrikaansche bloed kan zich op den duur niet verloochenen.”

Doch nu staakt het gesprek. Men bevindt zich in het midden van Uitlanders, en is het voorwerp van aller opmerkzaamheid.

Aan een der belendende tafeltjes zit het ons bekende gezelschap Engelschen van zoo even, en de blauwe bril zegt met pieperige stem: „'t Is wel grappig!”

Doch wat er voor grappigs in steekt, dat vier Boeren bedaard een glas wijn drinken, weet hij waarschijnlijk zelf niet.

„Ik vind het onbeschoft,” meent Mijnheer Watkins, luid genoeg, dat de Jansen's het kunnen hooren, „om hier bij ons Engelschen, plaats te nemen.”

„Dat moet je van de Boeren verwachten,” zegt de blauwe bril.

„Maar 't is de vraag, of wij het willendulden,” roept de groote mijnheer op nog luideren toon. „Enfin, 't is een troost, dat de Boerenkliek binnen acht dagen er onder gaat.”

„Heeft u nieuws?” vraagt de hooge boord.

„Nieuws?” zegt mijnheer Watkins; „nu ja, ik kan jullie wel dit zeggen, dat Cecil Rhodes het plan heeft genomen, om de Boerenregeering omver te smijten. Hij heeft lang geaarzeld, maar hij voelt zelf, dat het zóó niet langer gaat.”

De Jansen's spitsen de ooren.

Vage geruchten hebben ze wel vernomen, maar zoo'n stellige bewering—ze klinkt toch haast ongeloofelijk.

„Tegen Cecil Rhodes kan niemand op,” meent mijnheer Watkins, en dit zeggende, strijkt hij welgevallig zijn rooden baard, en werpt een uitdagende blik naar de vier steenen des aanstoots in de nabijheid.

Zeger staat intusschen op, om een vuurhoutje te nemen, want hij wil zijn pijp aansteken, en op het tafeltje, waar mijnheer Watkins zit, ziet hij een doosje liggen.

Hij wendt zich naar dat tafeltje, maar op hetzelfde oogenblik—is het opzet of geen opzet? steekt mijnheer Watkins het rechterbeen vooruit.

Het scheelt weinig, of de Boer zou er over gestruikeld zijn.

„Je kunt je lange beenen wel voor je houden,” meent Zeger Jansen.

„Dat zal ikjouniet vragen,” is het brutale antwoord.

De Boer kijkt het tafelgezelschap rond, en hij meent op meer dan één gezicht een spotlachje te bemerken. Doch op den heer met den hoogen boord blijft zijn blik iets langer rusten, en met plotselinge verbazing roept hij, de groote hand naar den hoogen boord uitstrekkend: „Alle menschen, jongens, daar heb je onzen kippendief! Zeven kippen heeft hij ons ontstolen, zeven kippen en een haan! Kijk maar, Gert, hij heeft die groote, leelijke wrat, nog op zijn rechter ooglid!”

De zeeman knauwt driftig op zijn tabakspruim, en kijkt den hoogen boord met schuine blikken aan.

„Warempel, 't is waar,” zegt Gert met de stevige vuist op de tafel slaande, dat de glazen rinkelen, doch de hooge boord rijst vol verontwaardiging op en roept met eene van aandoening trillende stem: „Mijne heeren, gentlemen, kunt ge 't dulden, dat een gentleman op zoo'n grove manier wordt beleedigd en belasterd?”

„Ja, hij is 't,” roept nu ook Hans, de derde, „hij is 't! Die zelfde snorkende stem! Menschen, houdt hem vast! Hij moet naar het spinhuis! Stoort je niet aan zijn gladde woorden, want met zijn gladde woorden heeft hij mijn moeder ook bedot, en ze bakte voor dat slangenvel expres pannekoeken, eierpannekoeken, menschen! Veertien eierpannekoeken at hij op, en toen ging hij uit dankbaarheid naar het kippenhok en stal onze beste kippen! Hoe de kerel het gedaan kreeg, om met zoo'n maag nog zeven kippen en een haan te stelen, is me nog van daag een mirakel, maar laat hem niet loopen, menschen houdt hem vast!”

„Mijne Heeren,” roept de hooge boord op plechtigen toon, „ik vraag ulieden, of ge 't nog langer kunt dulden, dat een man met een vlekkeloos verleden zoo gruwelijk door dat Boerencanaille door het slijk wordt gesleurd?”

De magere met den langen snor schuift de blauwe bril wat vaster op zijn neus. Hij begrijpt, dat er een nieuw bedrijf aan 't komen is, en diep overtuigd van de waarheid van het spreekwoord; „Die een dag vecht, wordt nog voor geen schoft uitbetaald,” vindt hij het geraden, om eenigszins naar de achterhoede te wijken. Doch mijnheer Watkins, die als bokser zijn sporen heeft verdiend, staat op met woedende gebaren, en houdt Zeger Jansen de gebalde vuist onder den neus.

„Als je wat hebt, kom dan maar op,” roept hij dreigend; „ik laat geen Engelschman in mijn bijzijn beleedigen, vooral niet door een boerenlummel, zooals jij bent, al is hij nog zoo lang!”

Aller oogen zijn vol spanning op Zeger Jansen gevestigd.

De meester-kellner zucht.

„Ik heb er wel een voorgevoel van gehad,” mompelt hij; „dat loopt slecht af. Ik ken die Jansen's; zij zijn voor den duivel niet bang. En ik word morgen weggejaagd, omdat ik hen heb bediend!”

Hij strijkt vol zorgen zijn grijzende bakkebaarden, en zuchtend neemt hij de leege glazen op.

Zeger schijnt het intusschen voorloopig nog al kalm op te nemen.

„Moei je met je eigen zaken,” zegt hij koeltjes tot den beroemden bokser, die reeds bij voorbaat zijn jas heeft uitgetrokken en de mouwen opstroopt.

„Als je een vent bent, dan kom op,” brult de strijdlustige Engelschman, die de kalmte van den Boer voor vreesachtigheid houdt, doch de Boer, zich tot de omstanders wendend, zegt bedaard: „Mijnheer is een beetje boven zijn theewater—is het niet?”

Maar de omstanders, die natuurlijk zonder uitzondering op de hand van den grooten bokser zijn, schreeuwen: „Neen, hij is niet boven zijn theewater, maar hij kan jullie brutaliteit niet uitstaan! Toe, mijnheer Watkins, geef hem maar eens een por; toe, pak hem!”

Zij hitsten den man op, zooals men een dollen hond ophitst, en geen vijf seconden later volgt reeds de daad, en geeft de Engelschman den Boer een slag boven den neus, dat het bloed er uit stroomt.

Zeger is de kalmste der gebroeders; hij heeft iets in zijn karakter van tante Martje, zijn moeder, en schijnbaar bedaard ontdoet hij zich van den bandelier.

„Stop hem in dezen zak,” schreeuwt een gouddelver, die met een zak komt aanloopen; „dan kan hij van avond in den zak de vergadering bijwonen, die over het lot van Boeren en schurken zal beslissen!”

Dat idee is wel iets voor mijnheer Watkins, want hij is beroemd door zijn vaardigheid, in het worstelperk den tegenstander door twee, drie „kunst”grepen in den zak te stoppen.

Mijnheer Watkins bekijkt den zak, die wijd en groot is.

„Ik zal zien, dat ik ze er alle vier in krijg,” zegt hij spottend.

De drie andere Boeren zijn echter opgesprongen, en hebben zich naast hun oudsten broeder geplaatst.

„Laatmijdat karreweitje afwerken,” verzoekt Gert.

„Neenmij,” vraagt Hans.

„Mij,” smeekt Tijs, de jongste, die den ganschen avond nog geen drie woorden heeft gesproken, doch Zeger maakt een afwerende beweging.

„Er zal heel wat moeten gebeuren,” zegt hij bedaard doch met de innigste verachting, „voordat die windbuil mij in den zak heeft.”

De drie gebroeders gaan weer zitten.

„Lasteraar,” roept de hooge boord, zich tot den Boer wendend en nieuwen moed puttend uit de gespierde armenvan den geduchten bokser, „lasteraar, zet je leelijken hoed af! Je bent hier onder gentlemen!”

Hij strekt waarlijk de hand uit naar den hoed.

„Komt er niet aan met je vuile vingers, kippendief,” buldert Zeger Jansen wiens bloed nu toch begint te kooken.

„Als je een vent bent,” zegt de oud-matroos, die wel van een woelig tooneeltje houdt, tot den hoogen boord, „dan sla je hem den hoed van den kop!”

De hooge boord heeft nu inderdaad de vermetelheid, om naar den hoed van den Boer te grijpen, doch krijgt op hetzelfde oogenblik zoo'n vreeselijken vuistslag in het gezicht, dat hij met een verlies van vier tanden over drie stoelen heen tegen den grond tuimelt.

„Die heeft voorloopig zijn bekomst,” meende Gert droogjes, doch mijnheer Watkins strekt thans zijn gespierde armen uit, om met zijn wereldberoemde kunstgrepen den grooten Boer in den zak te krijgen. Doch wat baten zijn kunstgrepen tegen een man, die tegen alle regels der kunst in den Engelschen mijnheer in de borst grijpt en tegen den grond slingert? Die hem vervolgens een paar vuistslagen toedient, dat het hem groen en geel voor de oogen wordt! En die hem met zijn reuzenkracht opvouwt zooals men een lap laken opvouwt?

Het gevecht heeft nauwelijks het derde gedeelte van een minuut geduurd, doch op dit oogenblik stormen uit de achterzaal vier of vijf halfdronken kerels, hun messen zwaaiend, naar voren.

De drie gebroeders zien hen wel, en begrijpen volkomen hun doel. Zij springen onmiddellijk overeind, schuiven de scherpe patronen in het slot hunner geweren en plaatsen zich als een muur voor Zeger, hun broeder.

Ja waarlijk, dat zijn de Jansen's!

Dat zijn de leeuwen der wildernis.

Er ontstaat een geweldig rumoer.

De goudkoningen, die reeds aanwezig zijn, rillen van angst. Zij hebben millioenen en millioenen bijeengeschraapt, en nu kan zoo'n domme Boerenkogel komen, en aan al die heerlijkheid een snel einde maken—is het niet verschrikkelijk?

Stoelen worden omvergeworpen, tafels verschoven, rinkelend vallen flesschen en glazen stuk tegen den grond, doch boven het tumult uit klinkt helder en krachtig de stem van Tijs, den jongste: „De eerste, die nadert, is een kind des doods!”

Een dikke millionair, kenbaar aan zijn grijze jas met groote ruiten, vlucht reeds de straat op; anderen die niet zoo dicht bij den uitgang zijn, springen op de tafeltjes en schreeuwen: „Niemand mag tusschenbeiden komen,” terwijl de verstandigsten de wilde gezellen in den weg treden, en hen vermanen, geen dwaasheden te verkoopen. En of nu deze kalmeerende woorden beslissen, of dat de drie dreigende geweren 't hem doen, de woestelingen gaan vloekend terug, en de Boeren laten hunne geweren langzaam zakken.

Intusschen is Zeger Jansen bezig, om den Engelschman in den letterlijken zin van het woord te zakken, en wat nog nooit is gebeurd, geschiedt nu: eerst verdwijnt het onderlijf, en vervolgens het bovenlijf en de halfkale schedel van den beroemden bokser in den grooten, wijden zak.

En zich het zweet van het gezicht wisschend, roept de sterke Boer: „Waar is de kippendief, want hij behoort er ook in?”

„Die ligt nog in katzwijm,” antwoordt Gert met een leuk gezicht, en zijn broeders beginnen luid te lachen.

Maar mijnheer Watkins lacht niet, en uit den zak komt een gebrul als van een gewonden ever.

„Nu,” meent Zeger goedhartig, „ik zal er je uitlaten, roodbaatje, maar ik waarschuw je: leg nooit meer aan met een Afrikaanschen Boer!”

Hij opent den zak, en mijnheer Watkins kruipt er uit.

En wel overtuigd, dat hij zich grenzenloos belachelijk heeft gemaakt voor het geheele publiek, haast hij zich om weg te komen.

De Boeren drinken intusschen doodbedaard hun glazen leeg, rekenen met hun ouden kennis, den gewezen meester, af en schudden hem bij het afscheid hartelijk de hand.


Back to IndexNext