HOOFDSTUK XXIV.

Daarna wenden zij zich kalm naar den uitgang, maar een luid gefluit en gesis, dat hen uitgeleide doet, doet hen stilstaan.

Zeger wenkt één der kellners.

„Haal mij dien zak eens even,” zegt hij, op den zak wijzend, die zoo'n belangrijke rol heeft gespeeld en bij het buffet is neergelegd.

De gedienstige kellner, die tuk is op een fooi, haalt hem.

„Van wien is die zak?”

„Hij behoort hier thuis, Mijnheer!”

„Hier,” zegt Zeger, den kellner een geldstuk reikend; „ik zal den zak meenemen, en wat er overschiet is voor jou.”

De kellner maakt uit dankbaarheid voor de flinke fooi een diepe buiging, maar hij kijkt den Boer toch vragend aan, want hij is nieuwsgierig, wat hij met dien zak toch wil.

En de goedhartige Boer is vriendelijk genoeg, om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen.

„Als Cecil Rhodes soms komt, weet je, of Jameson zijn knecht, dan zullen we hem in dezen zak zien te stoppen!”

Zeger Jansen zegt deze woorden tot ontzetting van den kellner luid genoeg, dat al de omstanders het kunnen hooren.

„Is dit hier een Engelsche vergadering?”

De kellner knikt bevestigend.

„Ik dacht het wel,” zeide hij schouderophalend; „'t is niet veel soeps!”

En zich tot zijn broeders wendend, roept Zeger Jansen: „Op jongens, naar Waterfontein!”

Zij gaan naar buiten, en een oogenblik later verkondigt luid hoefgetrappel, dat de Boeren zijn vertrokken.

Charles Marling en Lena, zijne vrouw, zaten in de huiskamer.

Charles had zich gereed gemaakt, om de groote avondvergadering der Engelsche vereeniging bij tewonen, en Lena's stille hoop, dat hij thuis zou blijven, was ijdel gebleken.

Over de staatkundige beroering van deze dagen was sinds gisternamiddag niet meer gesproken, en toch beheerschte die beweging hun gansche denken. De staatkundige beroering was de afgrond geworden, die tusschen hen gaapte, de draaikolk, die hun huwelijksgeluk dreigde naar de diepte te zuigen, de harde bazaltmuur, die twee menschen scheidde, welke bij elkander behoorden.

Het gesprek, dat Marling daar straks met den Amerikaanschen inspecteur had gehad, schokte hem niet in zijnovertuiging en hij hield de meening van Liskey voor een grove dwaling.

Charles en Lena, beiden zwegen—het was een veelzeggend, angstwekkend zwijgen. Zij vreesden beiden God, en toch begrepen zij elkaar niet meer. Zij gingen aan elkander voorbij als twee blinden.

De zwart-marmeren pendule op den schoorsteenmantel sloeg half negen.

Marling stond op.

„Het wordt tijd,”zeidehij.

„Kuntge niet blijven?” vraagde zij met smeekende stem.

„Neen,” zeide hij zonder hardheid, maar beslist. „Mijn geweten dringt mij, om te gaan.”

„Er kan een leugen liggen in de conscientie,” zeide zij zacht.

Hij keek haar aan met groote oogen.

„Een leugen?” zeide hij langzaam; „weet ge wel, dat zoo iets verschrikkelijk is?”

„'t Is meer gebeurd,” zeide zij.

„Ja,” zeide hij, „maar God beware mij voor dat ontzettend oordeel!”

Hij nam nu zijn wandelstok.

„Ik wil je nog iets zeggen,” zeide hij met ernst en nadruk. „Weet ge niet, dat de vrouw den man zal volgen? Wiltgijregeeren? IsdatGods ordinantie?”

Toen boog zij het hoofd, ennooitwas zij grooter geweest dan in dit oogenblik, nu zij zonder murmureeren, in zwijgenden deemoed, al was het met een schreiend hart, de plaats innam, die naar Gods bestel haar was beschikt.

Marling vertrok, doch plotseling keerde hij nog eens terug.

„Hoe ook de beslissing van dezen avond moge vallen,” zeide hij, „laten wij nooit aan onze liefde twijfelen!”

De tranen sprongen hem in de oogen—ach, dat waren ze weer, die zachte bruine oogen, die zij liefhad!

„Ga,” zeide ze vriendelijk, „ga! De Heere zal het voorzien!”

Doch toen de klank van zijn stap niet meer werd gehoord in den gang, toen de huisdeur van buiten gesloten werd, toen was het uit met haar kracht, en zij was niets meer dan een zwakke, hulpelooze, bevende vrouw!

Ja, dat was het onweer, dat haar grootvader had voorspeld; dat was de wilde golfslag der branding, die het scheepke dreigde op te nemen en te verbrijzelen tegen de rots....

En in den angst harer ziel strekte zij de armen omhoog en riep: „O Heere, behoed—wij vergaan!”

Toen Marling de ons bekende vergaderzaal binnentrad, was zij reeds stampvol.

Aan de rechterzijde, vooraan, zaten de machthebbers der eeuw, de goudkoningen, die als arme jongens in de Transvaal waren gekomen, en thans over millioenen beschikten. En op hun voorhoofd stond geschreven: „Dat trotsche gebouw van onze macht en onzen rijkdom—hebbenwijhet niet gebouwd?”

Marling werd door eenige kennissen begroet, en nam plaats naast den langgebeenden Amerikaanschen inspecteur.

Vlak voor hem zat een koopman, die, zich omkeerend, lachend zeide: „Zoo, Marling, ben je toch gekomen? We hadden je al doorgeschrapt, man! En hoe maakt het je vrouwtje? Is ze nog al tam bij de tegenwoordige bedrijven?”

„Als ge aardigheden wilt maken,” antwoordde Marling met harde stem, „maak ze dan op je eigen vrouw!”

Intusschen werd de vergadering geopend, en de voorzitter, een man van middelbaren leeftijd, van ineengedrongen gestalte, met scherpe oogen, een haviksneus en zwarte bakkebaarden, betrad het geïmproviseerde platform.

Hij liet den hamer vallen, en het gegons en rumoer verstomde. Het werd zoo stil, dat men een speld kon hooren vallen.

„Mijne heeren, mijne vrienden!” begon de voorzitter met een krachtige, klankvolle stem, „wat ons heden avond te samen brengt, is u bekend. Het beweegt al de harten van Johannesburg, en buiten Johannesburg de harten van honderd millioen Engelsch sprekende menschen.

Zeg ik te veel, wanneer ik verklaar, dat de toestand onhoudbaar is?”

„Neen, neen!” klonk het van verschillende zijden.

„Zullen wij, vrije mannen, ons laten ringelooren en tyranniseeren door de Boeren?”

„Weg met hen!” werd er geroepen.

„Wat zijn de Boeren anders dan een troep veehoeders, wier hoogste beschaving bestaat in een zweep, een os en een stuk spek?” ging de voorzitter voort.

Men schaterlachte.

„Maar wij willen door deze veehoeders, die misschien weleenige bekwaamheid bezitten, om de Kaffers af te ranselen, niet uitgeplunderd en uitgezogen worden. Wij zijn de vrije zonen van Oud-Engeland en willen geen slavenjuk; wij zijn de kinderen van een volk, welks liederen klinken en ruischen over de baren en golven van alle zeeën en oceanen, en wij laten ons niet tyranniseeren, zoo lang het lied nog waarheid is:

„Beheersch, Brittanje, d' oceaan!Geen Brit laat zich in boeien slaan!””

„Beheersch, Brittanje, d' oceaan!Geen Brit laat zich in boeien slaan!””

En aan een plotselinge opwelling gevolg gevend, stonden al de aanwezigen op, ontblootten het hoofd, en luid en krachtig, met gloed en geestdrift, weerklonk het Engelsche volkslied:

„Toen Brittenland op 't Goddelijk Woord,Oprees uit der zeeën schoot,Zou dit zijn wet, zijn handvest zijn.En englen zongen dit refrein:Beheersch, Brittanje, d' oceaan!Geen Brit laat zich in boeien slaan!”

„Toen Brittenland op 't Goddelijk Woord,Oprees uit der zeeën schoot,Zou dit zijn wet, zijn handvest zijn.En englen zongen dit refrein:Beheersch, Brittanje, d' oceaan!Geen Brit laat zich in boeien slaan!”

„En nu, mijne heeren,” zeide de voorzitter van den lessenaar terugtredend, „verwacht ik uwe voorstellen.”

Charles Marling zat op heete kolen, en met verbazing had hij naar de prikkelende, neen naar de opruiende taal van den voorzitter geluisterd.

Wasditnu de goede weg om tot een bevredigende schikking te komen? Moesten de hartstochten van het publiekdaartoeworden opgezweept?

Maar hij beheerschte zich en zweeg voorloopig.

„Ik stel voor,” zeide een kleine man met een bezadigd en verstandig uiterlijk, „een commissie te benoemen, die volmacht heeft om met de regeering te onderhandelen. Dit is de manier, om langs vredelievenden weg tot een schikking te komen.”

Er was een zwak applaus; de meesten zwegen.

Een krachtig gebouwd man, met forsche gelaatstrekken en een zwarten baard, nam thans het woord.

Hij hield de handen in den zak en zeide doodbedaard:

„Wat de vorige spreker voorstelt, is onzin. De Transvaalsche regeering lacht om onze commissies. Ik stel voor, om met tweeduizend resolute kerels morgen op te trekken naar Pretoria, Paul Kruger gevangen te nemen en de Engelsche vlag te planten op het gouvernementsgebouw. De zaakis zoo eenvoudig mogelijk. Maar wij moeten snel en flink handelen; we moeten de regeering overrompelen!”

„Mijnheer de Voorzitter, ik wensch toch ook wel eens het woord!” riep Marling.

„Mijnheer Marling heeft het woord,” zeide de Voorzitter.

„Ik sluit mij in zooverre aan bij het voorstel van den eersten spreker, dat ik eveneens een commissie wensch benoemd te zien, die onze rechtmatige eischen bepleit bij de Regeering. Een oud spreekwoord zegt: „Een goed woord vindt een goede plaats.” Tegelijk echter wensch ik nadrukkelijk protest aan te teekenen tegen de wijze, waarop onze geachte Voorzitter gemeend heeft, de Boeren aan de kaak te moeten stellen, en eveneens tegen de ongerechtvaardigde daad van geweld, die in het voorstel van den tweeden spreker ligt opgesloten.”

De zwartgebaarde trok minachtend de schouders op; uit de groep der millionairs kwam gesis en geschuifel.

„Ik spreek de verwachting uit,” zeide de Voorzitter, „dat de geachte vergadering de woorden van den heer Marling niet al te euvel zal opnemen, want hij is door de innigste banden aan de Boeren verbonden. En 't is nog geen drie weken geleden, dat de grootvader van zijne vrouw, een oude Transvaalsche ijzervreter, eenige dagen bij hem heeft doorgebracht.”

Het gesis en gefluit werd sterker.

„Smijt hem er uit,” riep een stem uit de achterzaal.

„Mijnheer Wall is aan het woord,” zeide de Voorzitter, op het magere heerschap met den langen snor en de blauwe bril wijzend, die wij reeds in het gezelschap van den heer Watkins hebben ontmoet.

Doch de heer Wall scheen niet gewoon, in het openbaar op te treden, en het platform betredend, bekroop hem de vrees.

Hij schrapte de keel, wreef zijn blauwe bril en schrapte opnieuw de keel.

„Mijne heeren,” begon hij met onvaste, beverige stem, „het is mijne meening, ik wil zeggen mijne bewering, dat wij niet moeten weifelen, evenmin als de leeuwen—”

„Je ziet er nogal leeuwerig uit,” riep de spottende stem van den langen Amerikaan.

„—nochwankelen,” voegde de heer Wall er aan toe.

Weer schrapte hij de keel en onder het kruisvuur van dertienhonderd onbarmhartige oogen brak hem het klamme angstzweet uit.

„Wij moeten niet wankelen, mijne heeren; wij moeten vaststaan—vast—vast als—”

„Als de muren van Jericho!” riep de inspecteur bemoedigend.

„Ja—ja als de muren van Jericho—” huilde de ongelukkige onder het brullend gelach van het publiek.

„Mijnheer de Voorzitter,” stamelde de blauwe bril,„ik dank u,” en hij stapte van het platform met den stillen wensch, dat Johannesburg op dit oogenblik aan zijn vier hoeken tegelijk in brand mocht vliegen.

Nu stond eene kleine vent op met een vrijpostigen blik en een borsteligen baard.

„Schoenpik, houd je bij je leest!” riep de inspecteur.

„Ik geloof, dat ik een geboren Engelschman, hier even goed mag spreken als een Amerikaansche Yankee,” zeide de eerzame schoenmaker, die niet op zijn mondje was gevallen.

De Voorzitter knikte bevestigend.

„Boem!” zeide de lange Amerikaan.

„Ik wensch u dan te vragen, mijnheer de Voorzitter,” zeide de schoenmaker, „of wij wapens hebben, om Johannesburg te verdedigen en Pretoria in te nemen?”

„In overvloed!” verklaarde de Voorzitter.

„Van wien komen die wapens?” riep een stem uit het midden der zaal.

„Van de Boerenregeering niet!” lachte de Voorzitter, en drie vierde gedeelte van het publiek lachte mede.

„Zijn de wapens soms binnengesmokkeld!” vraagde diezelfde stem.

„Wilt ge 't zoo noemen—mij is 't goed,” zeide de Voorzitter. „De hoofdzaak is, dat wij zehebben,” liet hij er op volgen onder krachtigen bijval.

De Voorzitter sprak de waarheid: men had de wapens.

Op sluwe manier waren zij Johannesburg binnengesmokkeld. Men had groote kisten genomen, ze gemerkt met „Voorzichtig!” „Glas!” „Breekbare waren!” „Droog houden!” of met soortgelijke opschriften, doch de kisten waren gevuld met wapens. Men had de wapens zelfs binnengesmokkeld onder cokes, in stoomketels; ja, op den bodem van tanks of oliewagens waren kisten ammunitie met cement zoo vastgemetseld, dat men ze slechts met behulp van bijtels kon losbreken, terwijl de geweren omwikkeld met vlas en hennep, stijf tegen den standpijp waren bevestigd. In elf dezer tanks of oliewagens waren een kleine 2000 geweren en 250.000patronen binnengesmokkeld, alles natuurlijk tegen grof geld, doch dat hinderde niet, want de bezitters der goudmijnen waren er goed voor.

„Dewapenshebben wij,” riep de Voorzitter met klem, „maar hebben wij ook devuisten, die ze hanteeren kunnen?”

Honderden handen gingen vol geestdrift omhoog.

„Enikzal tachtig Kaffers wapenen,” riep één der goudkoningen.

„Enikhonderd en twintig!” riep een ander.

„Wat?” riep Marling vol verontwaardiging: „Mijnheer de Voorzitter ik verzoek het woord!”

„Gij zijt nog niet aan het woord!”

„Goed, ik zal wachten!”

Nog twee personen traden op en bepleitten de revolutie.

Na hen verkreeg Marling het woord.

„Ik herinner er de geachte vergadering aan,” zeide de waardige Voorzitter, „dat de heer Marling de schoonzoon is van een zeer invloedrijken Boer.”

„Mijnheer de Voorzitter,” zeide Marling, „ik dank u beleefd voor deze tweede herinnering, die zeer zeker is uitgesproken met de bedoeling, om daardoor het groote offer aan te duiden, dat ik bracht, toen ik mij liet inschrijven als lid der Engelsche Vereeniging.”

De zet was raak; de onvervaarde Voorzitter voelde hem toch.

„Voorts,” zeide Marling, „wensch ik deze vergadering zeer ernstig te waarschuwen, om niet den weg op te gaan van het geweld, want hier zou het woord van toepassing kunnen zijn: „Die het zwaard opnemen, zullen door het zwaard vergaan!” Trouwens het is niet noodig, en ik heb reeds den weg aangewezen, dien ik verkieselijker acht. Hij is misschien iets langer dat het pad der revolutie, maar hij is minder vreeselijk, en ge zult er geen bloedsporen vinden. Ook twijfel ik er niet aan, dat wij door eendrachtig vol te houden den dam zullen breken, die ons scheidt van het kiesrecht. Overigens druk ik er mijn verachting over uit—neen, mijne heeren, ge behoeft zoo'n misbaar niet te maken—mijn verachting en mijn afschuw, zeg ik, dat menschen, die zich vrije zonen van Oud-Engeland noemen, het niet beneden zich achten, om kleurlingen, Kaffers te wapenen tegen onze Regeering. En wil men dezen weg op, dan breek ik met deze Vereeniging, en zal ik de Regeering verwittigen van deze handelwijze,—diehoogverraadis!”

Marling had de laatste woorden met klimmenden nadruk, vol edelen toorn gesproken, en hij keek de menigte aan met moedigen blik.

Een oogenblik was het stil; toen barstten de verwenschingen en de wilde kreten van afkeuring los.

„Slaat hem op zijn gezicht! 't Is een verrader!” brulde het fijne publiek.

„Ja, verraderszijnhier bij de vleet!” riep hij vol bitterheid, „verraders van het recht!”

„Als Cecil Rhodes president is der Transvaalsche Republiek,” zeide een der goudkoningen, „dan jagen wij dezen dweeper met zijn Boeren de wildernis in!”

Nog eenmaal trachtte Marling het publiek tot bezinning te brengen.

„Het is toch om het kiesrecht te doen?” vraagde hij.

„Wij willenbaaszijn,” riep een millionair met brutale oprechtheid, „die dwaas meent, dat de Boeren ons met eenige concessies kunnen zoet houden!”

„Verrader!” begon men weer te brullen, „verrader!”

Doch thans vlamde de toorn bij Marling op in volle kracht, en de woorden welden op als het water in een heftig opbruischende fontein.

„Gijzijt de verraders!” riep hij met machtige stem, „gij paradehelden en ellendelingen, die de Kaffers gaat wapenen, omdat ge bang zijt voor je eigen kostbare huid!

Zijtgijde zonen van Oud-Engeland? HetechteEngeland kent u niet en verafschuwt u, want gij zijt geen zonen maar bastaarden! Ja, brult maar! Het raakt mijn koude kleeren niet! Scheldt gij mij voor lafaard?Ikheb ten minste voor Engeland mijn bloed veil gehad, en hier, aan mijn hoofd, draag ik het lidteeken van de Boerenkogel die mij vijftien jaar geleden bij Lang-Nek heeft neergestrekt. Maargijzijt de lafaards, want gij wilt de Kaffers voor u laten vechten, en gij zelf zult in uw kelders wegkruipen, als de Boerenkogels beginnen te fluiten!”

Er ontstond een woest tooneel, en een groep heeren, waarschijnlijk beneveld door het gebruik van te veel champagne, wilden den moedigen spreker te lijf.

Maar de lange AmerikaansneldeMarling te hulp.

„Past op,” riep hij tot de aangeschoten goudkoningen, „past op, want morgen zou het in de krant staan, dat twintig beschaafde heeren als een bende dronkelappen op één man zijn aangevallen!”

Zij kwamen werkelijk eenigszins tot bezinning.

„Zie, dat is nu eens heel verstandig heeren,” ging hij voort; „wij zijn hier immers ook niet gekomen, om elkaar af te ranselen, niet waar?”

En daarbij keek hij hen aan met zijn grauwe oogen, waaruit spot en hoon sprak, scherp en snijdend als een vlijm....

Doch daarna wendde hij zich tot Marling, drong hem met zacht geweld naar de buitendeur en fluisterde hem in het oor: „Ga, Marling; ge zijt te edel voor dat met goud behangen rapaille!”

Marling's voorhoofd gloeide, en de ruime straten van Johannesburg waren hem veel te eng.

Hij wandelde naar buiten. De avondwind speelde om zijn kloppende slapen en verkwikte hem.

Dàt was het nu!

Met omgekochte Kaffers en gesmokkelde Maximkanonnen moest die zoogenaamde worstelstrijd voor de gerechtigheid, die niets was dan een ruwe daad van geweld, om den rijken Witwaterrand over te leveren in de handen van Cecil Rhodes en Co., worden uitgestreden!

Hij lachte—er lag een grenzenlooze verachting in dien lach.

Die komedie! Dat gehuichel!

Ja er was in Transvaal iets dat rot was en vermolmd, doch het schuilde minder in Pretoria dan in Johannesburg, minder bij de Regeering dan bij de mijnbezitters, minder bij de aangeklaagden dan bij de aanklagers!

Wat raakte hun het stemrecht! Wat gaven zij om meerdere politieke voorrechten!

De Transvaalsche Boeren moesten er onder—dat was de hoofdzaak! Hun wettig eigendom moest hen ontweldigd worden—dat was het 'em!

En het eigenlijke volk van Johannesburg, dat feitelijk buiten de beweging stond, werd kunstmatig door een betaalde bende en een omgekochte pers in de beweging getrokken.

Langzaam keerde Marling huiswaarts.

Thans wist hij, wat hij te doen had.

Hij opende de buitendeur, en begaf zich naar het kantoor.

Aan den muur hing een groot portret van Cecil Rhodes.

Hij nam het portret en scheurde het in flarden. Toen ging hij de gang door naar de huiskamer.

Er brandde een klein licht.

Alles was stil.

Hij begaf zich naar boven, naar de slaapkamer.

Voorzichtig trad hij binnen, om den kleinen Albert niet te wekken.

Lena stond bij het kleine ledikant, met den rugnaarde deur gekeerd.

Zij zag niet wie er binnen kwam, maar zij voelde het aan haar hart. Nu moest de beslissing vallen.

Een rilling ging door haar leden.

Marling bukte zich over zijn kleinen, slapenden jongen, wiens mollige armpjes boven op het dek lagen.

En toen zag hij zijn vrouw aan.

Hoe bleek zij was!

Nu eerst viel het hem op.

Welk een zwaar lijden was over haar ziel gegaan!

„Lena!” zeide hij mild en teeder.

Zij hief den door tranen omfloersden blik tot hem op.

„Mijnvaderland is Engeland,” zeide hij bijna plechtig, „doch met de revolutie, die hier staat uit te barsten, heb ik geen gemeenschap! En komt het tot een burgeroorlog, Lena, dan zal ik mij om de eer van Oud-Engeland scharen onder de gelederen der Transvaalsche Boeren!”

Daar buiten, in de straten, klonken wilde oproerkreten en donderde de zang de revolutie.

Wat hinderde het?

Het stampende huwelijksscheepke had door de schuimende branding de haven bereikt: de haven van verzoening, van vrede, van onveranderlijke liefde....

„Lena,” zeide hij—„Leentje!”

„Charles,” zeide zij—„Charlie!”

De reis van Eliëzer naar Rhodesia was door een ongesteldheid vertraagd geworden, doch thans aanvaardde hij den tocht.

Reinard Jansen verkeerde in de vaste overtuiging, dat het een vergeefsche poging was, om Frits van een blaam te zuiveren, die niet te zuiveren was, en Eliëzer begreep, dat zijn taak zwaarder was dan het vechten tegen wilde dieren.

De oogen echter van tante Martje straalden vol hoop, moed en vertrouwen.

Hadden de laatste woorden van den schranderen baas van Vredenoord den grond gelegd tot dit anders zoo onverklaarbaar vertrouwen?

Aan niemand dan aan haar man had tante Martje die laatste woorden medegedeeld, doch hij had ongeloovig het hoofd geschud.

Paard noch wagen had de snelvoetige Zoeloe-kaffer noodig, en terwijl hij vroeg in den morgen, bij het blinken der morgenster, zijn dagreis begon; des middags als de zonnestralen al te fel op zijn kroeskop brandden, de schaduw opzocht van een boom of struik, liep hij tot de duisternis viel, zocht dan een heuvel op, waar hij een klein vuur ontstak, en strekte de moede leden uit om te slapen.

Den eersten dag ontmoette hij een reismakker in een Matabele-kaffer, die evenals Eliëzer naar Rhodesia trok, en zij hadden geen bizondere ontmoetingen op hun reis dan den tweeden nacht.

Zij waren midden in het veld. Het was een donkere nacht, en zware wolken dreven langs het zwerk.

Zijn kameraad lag reeds lang te snurken, doch Eliëzer zat nog bij het wachtvuur neergehurkt, en staarde droomerig in de vlammen.

Plotseling werd hij uit zijn mijmeringen opgeschrikt door een lang, aanhoudend gerommel als van verren donder. Doch er was geen onweer te bespeuren, en geen weerlicht werd gezien.

Het geluid werd al sterker—de slapende kaffer werd er van wakker en wreef zich verbaasd de oogen.

Maar Eliëzer sprong op, want hij zag thans een zwart monster windsnel naderen in vuur en rook, en de oogen van het monster fonkelden als van een reusachtig roofdier.

Eliëzer was niet bang, doch bij deze verschijning rezen hem de haren van schrik omhoog, en hij wierp zich plat op den buik achter een doornstruik, rillend bij de gedachte, dat het vreeselijk monster hem zou verslinden met zijn breeden muil.

Doch de Matabele bleef staan, en toen het monster een schel gefluit liet hooren, riep hij: „Kom maar, Eliëzer; het is het groote beest van den witmensch14), dat daar voorbij holt—hebt gij zijn geschreeuw niet gehoord?”

Eliëzer kroop nu van achter den doornstruik weg, want het zwarte monster verdween even snel als het gekomen was, en het schel gefluit was verstomd.

„Waarom schreeuwt dat leelijke ding zoo?” vraagdeEliëzerlangzaam bekomend van de schrik.

„Wel, het groote beest krijgt dikwijls slaag van den witmensch, en dan schreeuwt het luid van woede,” antwoordde de Matabele.

Met diep ontzag staardeEliëzertot zijn reisgezel op, die zooveel wist, en hij vraagde vol belangstelling: „Hebt gij dat groote beest wel eens van dichtbij gezien?”

„Ja,” antwoordde de vreemde kaffer niet zonder trots; „ik heb de hand wel eens op zijn buik gelegd.”

„Op zijn buik!” riepEliëzermet verbazing; „hoe durft ge 't wagen!”

Liever had de Zoeloe zijn harden kop gestoken in den opengesperden muil van een grimmigen leeuw dan de hand te leggen op den buik van dat razende monster.

„Waar komt het van daan?” vraagde hij, nadat beide Kaffers waren neergehurkt bij het flikkerende vuur.

De vreemde Kaffer trok de schouders op.

„Het komt ergens van daan,” zeide hij langzaam, „doch niemand weet van waar. Zelfs de witmensch weet het niet.”

Van het monster was nu geen spoor meer te ontdekken. Zelfs het gedreun was verdwenen, en Eliëzer haalde ruim adem.

„'t Was goed, dat gij bij mij waart,” zeide hij vriendelijk tot den reismakker; „hier hebt ge een stuk tabak!”

De vreemde Kaffer nam het stuk tabak gretig aan, en knauwde het tusschen zijn witte tanden, die als elpenbeen blonken bij het schijnsel van het vuur.

„'t Is een afschuwelijk beest,” zeideEliëzer, wiens gedachten al maar over dat woeste monster gingen.

„Het eet vuur!” mompelde de vreemde Kaffer, zelf huiverend.

„Vuur!” herhaalde Eliëzer vol ontzetting.

„Soms heeft het groote beest de koorts,” zeide de vreemde Kaffer.

„Dat doet me plezier,” meende Eliëzer in blanke oprechtheid.

„Weet je, wat de witmensch dan doet?” vraagde de Matabele.

„Hij zal het beest achterlaten,” zeideEliëzeraarzelend.

„Mis,” antwoordde de vreemde Kaffer; „dan begiet hij de ingewanden van het groote beest met vet en traan.”

„'t Is een goed middel,” liet de vreemde Kaffer er op volgen; „wij Matabelen doen het ook.”

De beide Kaffers strekten zich nu uit bij het krimpende vuur, om te slapen, doch wijd uit de verte kwam opnieuw een plotseling, schel gefluit.

„Hij schreeuwt weer!” riep Eliëzer verschrikt.

„Natuurlijk,” zeide de vreemde Kaffer, „hij krijgt weer slaag!”

„Kunnen we hier geen kwaad?” vraagde Eliëzer vol bezorgdheid.

„Neen,” antwoordde zijn reisgezel,„hij gaat altijd recht vooruit.”

„Maar kan hij nooit een hoek omslaan?”

„Neen nooit,” zeide de vreemde Kaffer, geruststellend, „evenmin als een dol geworden os,” en hij wierp zich slaapdronken op de andere zijde.

Maar Eliëzer kon niet slapen.

Hij zag nog altijd dien vreeselijken, vurigen salamander met dat lange, veelledige lichaam, en toen hij eindelijk in slaap viel, vervolgde hem het monster met zijn rossig fonkelende oogen tot in zijn droomen.

Eliëzer was niet zoo voorspoedig in het vinden van zijn jongen baas als het meesterke.

Het had hem heel wat moeite gekost om de garnizoensplaats van Rhodes' ruiterij te ontdekken, en toen hij aan de kazerne navraag deed naar Frits Jansen, staarde men den Kaffer aan met verwonderde oogen, want de ruiters waren uitgetrokken, en niemand der achtergeblevenen kon bescheid geven.

Doch Eliëzer was niet voor één gat te vangen, en daar hij het adres wist van den Boer, bij wien het meesterke huisonderwijzer was, lag het voor de hand, dat zijn eerste werk zou zijn, dien Boer op te zoeken.

Maar in de eenzame vlakten van Rhodesia verdoolde Eliëzer, en na een lange zwerftocht keerde de Zoeloekaffer bedroefd en terneergebogen naar de garnizoensplaats terug. Doch te grooter was zijn blijde verrassing, toen hij, bij het vallen van den avond, in den boomgaard van een boerenwoning, waar hij nachtkwartier wilde vragen, den hem welbekenden grauwen poney zag grazen.

Hij trad de woning binnen, en de eerste dien hij zag, was het meesterke, die met groote vreugde den trouwen knecht van Oom Reinard begroette.

„En hoe maakt het mijn jongen baas?” vraagde Eliëzer aarzelend, waarop het meesterke antwoordde: „Ik heb hem verleden week nog gesproken, en morgen is hij waarschijnlijk van zijn militairen tocht terug. Ik ben van plan, om hem morgen te gaan opzoeken—'t is hier dicht in de buurt—en gij kunt mede gaan.”

Eliëzer was met dit voorstel natuurlijk zeer ingenomen, doch toen het meesterke verklaarde: „Frits is onschuldig aan den brand,” toen werd de Zoeloe zeer bedroefd, want hij wist zeker, dat zijn jonge meester de brandstichter was. En een vreeselijke beklemming greep hem aan bij de gedachte, dat hij, een verachte kafferknecht, den zoon van zijn ouden baas tot schuldbekentenis zou moeten brengen.

Op verzoek van het meesterke vond de Zoeloe een onderdak in de schuur, en den volgenden dag ging men bij het krieken van den dag op reis. Het meesterke bereed zijn poney, en de kaffer liep er naast.

Het was voormiddag, toen men het doel van de reis had bereikt, en terwijlde Kaffer zich had neergevleid in de schaduw van een forschen eikenboom, ging het meesterke naar de kazerne, om den jongen Jansen op te zoeken.

Frits was reeds eergisteravond teruggekeerd, en hij was recht in zijn schik, dat hij in dit vreemde land weer een bekend gelaat voor zich had. Doch toen het meesterke mededeelde, dat Eliëzer was gekomen, betrok zijn gelaat evenals het blauwe gewelf, als er een zware donderwolk over heen gaat.

„Ik kan hem niet zien!” barstte hij los.

„Hij is trouw en eerlijk,” zeide het meesterke met zachte stem.

„Hij is een leugenaar en lasteraar!” riep Frits vol bitterheid.

„Spreek eens met hem,” waagde het meesterke te zeggen.

„'t Is niet noodig!” zeide Frits uit de hoogte.

„Wilt ge u dan niet verzoenen met uw ouders?” vraagde het meesterke.

„Ja,” antwoordde de jonge Boer hartstochtelijk, „dat weet ge ook wel!”

„Wel nu,” meende het meesterke, „Eliëzer komt niet uit eigen beweging—”.

„Dat is glad genoeg,” zeide Frits Jansen koeltjes.

„Hij komt als bode van uw moeder,” vulde het meesterke aan.

„Ook van Vader?” vraagde de jonge Boer, den spreker scherp aanziende.

Het meesterke sloeg de oogen neer.

„Ik weet het niet,” zeide hij langzaam, „maar uw vader heeft het toch in elk geval goedgekeurd; anders was Eliëzer niet gekomen.”

Frits Jansen keek het meesterke even aan. Hij had toch niet vermoed, dat het meesterke in die zaken nog zooveel gezond verstand bezat.

„Ik begin al verstandig te redeneeren—vindt ge niet?” vraagde het meesterke met een glimlach.

Frits moest er toch zelf om lachen.

„Gij zijt een aardig meesterke,” zeide hij vriendelijk, hem op de smalle schouders kloppend.

Doch zijn gelaat hernam eensklaps weer zijn ernstige plooi, toen hij vraagde: „Blijft de Kaffer bij zijn beweren?”

„Ja,” zeide het meesterke vol vreeze.

Er volgde een lange en ernstige pauze.

„Ga mee,” smeekte het meesterke, en hij hief zijn zachte, weemoedige oogen op tot den jongen Boer. „Ik weet, datde oude Dirk Kloppers uw ouders op de gedachte heeft gebracht, om Eliëzer hier heen te zenden.”

„Is oom Dirk op Waterfontein geweest?” vraagde Frits vol spanning.

Het meesterke knikte bevestigend.

„En gelooft hij aan mijn schuld?” vraagde hij bijna fluisterend.

Het meesterke had reeds zooveel van Eliëzer gehoord, dat hij gerust neen durfde antwoorden.

„Maar waarom moet ik dat verachtelijk schepsel toch spreken?” vraagde Frits; „voelt ge dan niet, dat het voor mij een pijniging is?”

„Het is de eenige manier, om het vreeselijk misverstand uit den weg te ruimen,” zeide het meesterke.

Er was niets aan te doen; het zwakke meesterke won het dezen keer van den krachtigen Boer, en al was het met lood in de schoenen, Frits Jansen ging toch mee. Doch toen hij den eikenboom naderde en Eliëzer zag, bleef hij staan.

„Ik kan niet,” zeide hij, „ik kan niet,” en hij wilde terugkeeren.

Doch Eliëzer had eveneens zijn jongen meester herkend en snelde naar hem toe.

Hij naderde Frits Jansen tot op vijf passen; toen knielde hij neer, en hief de zwarte armen smeekend omhoog.

De jonge Boer echter keerde het gelaat af en staarde naar den anderen kant, van waar een ossenwagen hotsend naderde.

„Baas,” smeekte de Zoeloe, „Baassie!”

„Zie hem aan!” smeekte het meesterke.

„Waarom?” vraagde Frits op ruwen toon.

„Omdat er in het allervolmaakste gebed staat: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren!””

„Ook leugenachtige Kaffers, die ons ongelukkig hebben gemaakt?” vraagde Frits.

„Ja, ook die Kaffers,” zeide het meesterke, en hij keek den jongen Boer aan met zijn vriendelijke, weemoedige oogen.

Langzaam, maar met innerlijken afkeer wendde Frits het gelaat naar den Kaffer. Toen hij echter het breede, diepe lidteeken zag, dat over den geheelen linkerarm van den Zoeloe liep, begon de strakke, strenge plooi in zijn gelaat allengs te ontspannen.

Want dat lidteeken sprak in zijn stomme taal een roerende geschiedenis, en Frits Jansen kende die geschiedenis.

Op nieuw keek hij den Kaffer aan, doch Eliëzer greep de handen van zijn meester en kuste ze.

„Om dat lidteeken,” zeide Frits Jansen langzaam, op zijn linkerarm wijzend, „om dat lidteeken wil ik luisteren naar hetgeen je te zeggen hebt.”

„Hoe lang is het geleden?” liet hij er op volgen.

Hij bedoelde den tijd, van wanneer dat lidteeken dagteekende.

„Het was om dezen tijd van het jaar, Baas, even voor nieuwjaar, nu dertien jaar geleden.”

Frits knikte.

Ja, 't zou wel dertien jaar geleden zijn.

Hij, Frits, kon het zich nog zoo levendig voorstellen.

Hij had juist een nieuw, blauw pakje aan, waarop hij niet weinig trotsch was. Hij was Eliëzer nageloopen, die de beesten ging tellen, en plotseling was een hongerige tijger op hem aangevallen. Er was niemand in de nabijheid dan Eliëzer, en Eliëzer was op zijn hulpgeschrei onmiddelijk toegeschoten met een lang mes in de hand, om den tijger te bevechten. Hij, Frits, zag nòg het blinken van het lemmet—den door den scherpen tijgerklauw opengescheurden Kafferarm—en toen dien forschen stoot, waarbij het lange mes tot aan het heft in de borst van den tijger verdween.

Hij, Frits, was toen begonnen te huilen, want het nieuwe, blauwe pakje was leelijk bezoedeld geworden door het bloed, dat uit Eliëzers arm gudste, en Eliëzer was ook bedroefd geworden en had geroepen: „Och, nu is dat mooie pakje van Fritsje heelemaal bedorven!”

Dat was nu al dertien jaar geleden—waar blijft de tijd!

„Gij hebt aan mijn vader verklaard,” zeide Frits, „dat ik Waterfontein heb afgestookt.”

„Ja,” antwoordde de Kaffer, terwijl het hart hem tegen de zwarte ribben sloeg.

„Hoe kondt ge er toe komen, om je jongen baas zoo gruwelijk te belasteren?”

„Ik heb slechts naar mijn overtuiging gesproken,” zeide de Kaffer op zachten toon.

„Dus jij volhardt bij je beweren, dat ik de brandstichter ben?”

De Kaffer legde de handenuitgespreidop zijn bonzend hart.

„Ja Baas,” fluisterde hij.

„Gij hebt mij gezien?”

De Kaffer knikte bevestigend.

„Ik heb een vuurhoutje aangestoken?”

„Ja Baas.”

„Is het niet merkwaardig?” zeide Frits tot het meesterke met nieuw opkomende bitterheid; „ik heb den ganschen dag geen vuurhoutje in mijn zak gehad!”

Doch zijn bitterheid verdween weer, toen hij staarde in het trouw en eerlijk gelaat van den Zoeloe.

„Hoe laat heb ik Waterfontein afgestookt?”

„Om tien uur misschien, Baas.”

„En omvijfuur was ik reeds van Williams vertrokken, en omtienuur was ik zes en dertig mijlen van Waterfontein verwijderd!”

Uit de breede borst van den Kaffer kwam iets als een dof, smartelijk gekreun—wie kon dit vreeselijk raadsel ontwarren?

„Ik zag uw witte jas, Baas—uw bruinen hoed—zelfs de hanenveer op uw hoed kon ik onderscheiden—”

„Wat?” schreeuwde Frits Jansen.

Hij greep den Kaffer bij den schouder en schudde hem in onbeschrijfelijke opwinding: „Wat—wat? Gij hebt mijn witte jas gezien, mijn bruinen hoed, zelfs de hanenveer op mijn hoed?”

„Ja,” bevestigde de Zoeloe met een vaag voorgevoel, dat het raadsel thans op het punt stond, ontward te worden, doch tevens vol angst en vreeze, dat hij een vreeselijken misslag had begaan.

„En als ik je dan vertel, Kaffer, dat ik op dien avond geen witte jas aan had en geen bruinen hoed op had; als ik je dan vertel, dat ik bij de familie Williams op Jack's aanhouden onmiddellijk de Rhodesia-uniform heb aangetrokken, en mijn gewone kleeding bij de familie Williams achterliet, wat zeg je dan?”

Eliëzer was bij deze onthulling zichzelve niet, doch over het bleeke gelaat van het meesterke gleed de weerschijn eener groote vreugde.

„Nu komt alles terecht,” juichte hij, „nu komt alles terecht!”

De Zoeloe echter greep een zwaren stok, omklemde de knieën van zijn jongen meester en riep: „Sla mij, Baas, sla mij dood, maar vergeef het mij!”

Doch Frits Jansen greep den stok en slingerde hem ver weg, en terwijl blijdschap en diepe ontroering zich weerspiegelden op zijn edel gelaat, riep hij: „Zoo waarachtig als ik leef, ik zal u niet slaan, want de rechtvaardige en barmhartige God heeft voor mij dit moeilijk raadsel opgelost! En dat gij misleid zijt geworden, is me thans geen raadsel meer—op die manier zou ik zelf misleid zijn geworden!”

Doch een vreeselijke verdenking vatte post in zijn ziel.

„Als het waar is....” zeide hij tot zich zelve, „als het waar is....”

Peinzend staarde hij naar de verte.

„Weet ge soms, wanneer Jack Williams is vertrokken naar Rhodesia:voorofnaden brand?”

„Naden brand,” antwoordde Eliëzer op stelligen toon, „want ik heb hem den volgenden morgen nog gezien.”

De jonge Boer zeide niets, maar hij dacht er over na, dat de brief aan zijn ouders, meegegeven met Jack, zijn bestemming evenmin had bereikt als de brief van zijn moeder aan hem, en terwijl Jack beweerde,voorden brand vertrokken te zijn, had Eliëzer hemnaden brand nog in de buurt gezien.

„Komt beiden mee,” zeide Frits Jansen kortaf.

Het drietal begaf zich naar de kazerne.

„Frits, houd je kalm!” waarschuwde het meesterke.

„Laat dat maar aan mij over,” zeide Frits bedaard.

Bij de poort der kazerne stonden Jack en eenige andere vrijwilligers zich—kinderachtig genoeg!—onledig te houden met zeepbellen te maken.

„Kijk, hoe Jack's hand begint te beven,” zeide Dick.

„Je vergist je,” zeide Jack, en hield de pijp omhoog.

Inderdaad was zijn hand weer vast.

Ons drietal was nu de groep genaderd, en Frits Jansen zeide, zich tot Jack Williams wendend, op bedaarden, langzamen toon, terwijl een grenzenlooze verachting uit zijn stem en gebaren sprak: „Ik beschuldig je, Jack Williams, dat gij het huis van mijn ouders met moedwil hebt afgestookt, en dat gij, om op mij de verdenking te brengen, mijn kleeren aantrokt, toen gij de afschuwelijke daad volbracht. Ik geef je de getuigenis, Jack Williams, dat gij het satansch sluw hebt overlegd, en ik verklaar je tevens—in het bijzijn van al wie het hooren wil—voor een eerloozen schurk!”

En met deze woorden keerde Frits Jansen zich om, en het drietal verliet het kazerneplein.

Dick echter zeide tot Jack: „Kerel, je ziet er uit, alsof je een beroerte zult krijgen!”

En John riep, aan Jack den rug toekeerend en verachtelijk tegen den grond spuwend: „'t Is ook geen wonder!”


Back to IndexNext