HOOFDSTUK XXVI.

14)Blanke.

Dien namiddag had Frits Jansen dienst, doch tegen den avond was hij vrij, en keuvelend wandelde hij met zijn vriend, het meesterke, een lang beschaduwde laan op en neder.

Het was wel een eigenaardig gezicht: die krachtige en forsch gebouwde ruiter met dat gebruinde gelaat en dat helder flikkerende oog en naast hem dat teere ventje met die smalle schouders, die zwakke borst, dat bleek gelaat en die zachte, peinzende oogen.

„Hoe hebben die twee elkaar toch gevonden,” dachten de voorbijgangers, wel niet vermoedend, hoe 'n sterke band die twee harten samen bond.

Waarover zij spraken, behoef ik wel niet te zeggen. Het hart van Frits Jansen dacht met afschuw aan Jack Williams, die zoo doortrapt gemeen had gehandeld, doch aan den anderen kant werd zijn ziel door een groote vreugde vervuld, want nu moest zich alles—alles ten goede wenden!

Zij waren de laan ten einde gewandeld en keerden om, toen Eliëzer met ongewonen spoed kwam aanhollen.

„Watdieweer mag hebben!” meende het meesterke, in het opgewonden gelaat van den Zoeloe starend, doch Frits Jansen lachte en zeide: „Wat heb je, Eliëzer? Heb je dat groote beest van den witmensch weer gezien, waarover jij met het meesterke hebt gesproken?”

„Ge bedoelt den vuurwagen,”15)antwoordde de Zoeloe,„doch die zal me niet meer verschrikken. Ik heb echter iets anders ontdekt, iets heel gewichtigs.”

Het gelaat van den Kaffer stond, terwijl hij dit zeide, zoo strak en ernstig, dat Frits toch meer aandacht toonde.

„Spreek op dan!”

De Kaffer ging dicht bij zijn jongen meester staan, en zeide, nadat hij een vorschenden blik in het rond had geworpen, bijna fluisterend: „Binnen drie dagen gaat het er op los!”

„Watgaat er op los?Waargaat het op los?” vraagde de jonge Boer, niet vermoedend, wat de kleurling met zijn geheimzinnige woorden bedoelde.

„Op de Transvaal gaat het los!” zeide de Zoeloe, doch Frits schudde ongeloovig het hoofd, en het drietal wandelde langzaam door.

„Ik heb die praatjes al meer gehoord,” zeide hij kalm.

„Baas, het is dezen keer meenens,” zeide Eliëzer op dringenden, overtuigenden toon.

„Wat willen ze dan toch in de Transvaal?” vraagde Frits Jansen.

„De Boerenregeering omverwerpen,” zeide de Zoeloe.

Frits Jansen deed onwillekeurig een greep naar het gevest van zijn sabel, maar zeide toen bedaard: „Vertel wat je weet!”

„Het was van middag gloeiend heet,” begon Eliëzer zijn verhaal, „en zooals ik wel meer pleeg te doen, had ik mij neergevleid in de schaduw tusschen een paar struiken, verborgen voor den voorbijganger, die dien weg mocht passeeren. Ik had nog maar kort gelegen tusschen die struiken, en wilde juist opstaan, omdat de muggen mij zoo afschuwelijk beten, toen ik twee witmenschen in druk gesprek hoorde voorbij komen.

Ik spitste mijn ooren, Baas, toen ik het woord Transvaal hoorde uitspreken, want men moet op zijn hoede zijn in dit land van bedrog—”

Hij zeide deze laatste woorden met een zeker gewicht, dat een glimlach bracht op het gelaat van Frits Jansen en dezen deed zeggen: „Kaffertje, wie heeft dit land genoemd land van bedrog?”

„Mijn ouwe baas,” antwoordde de Zoeloe.

„Ik dacht het wel, dat in jouw dikken kop dat idee niet was opgekomen, maar ga voort!”

„Ze spraken over Johannesburg,” vertelde de Kaffer, „en over Rhodes.”

„Over Cecil Rhodes?”

„Dat heb ik niet gehoord, Baas.”

„Ze willen naar Johannesburg,” ging de Kaffer voort op gedempten toon; „daar zou dan een opstand moeten uitbarsten. Maar ik begrijp dat niet, Baas!”

„'t Is ook niet noodig,” meende Frits.

„Ze spraken, dat de ruiterij van Rhodes binnen drie of vier dagen gereed zou zijn, om over de grenzen te trekken, Johannesburg ter hulp zou komen en Pretoria innemen.”

„Dat zaakje zal hun toch nog niet meevallen,” zeide Frits Jansen met een flikkering van zijn blauwe oogen.

„Maar hoe kondt gij dat alles hooren?” vraagde hij op eenigszins ongeloovigen toon.

„Ik sloop hen na, gedekt achter de struiken, die den weg omzoomen, Baas. Ik kan sluipen als de slangen van Zoeloeland.”

Nadenkend staarde de jonge Boer naar den grond.

Als het eens waar was!

Hij moest zekerheid hebben.

„Wacht mij hier,” zeide hij, en hij wandelde naar een bijgebouw der kazerne, waar eenige kanonnen stonden.

„Zoo Tim,” zeide hij tot een militair, die aan 't poetsen was, „nog geen avond?”

„Ik ben zoo klaar,” zeide Tim.

„Ik kom je wat nieuws vertellen,” riep Frits heel gewichtig; „binnen veertien dagen trekken wij over de Transvaalsche grenzen.”

„Je weet er niets van,” zeide Tim, die er zich op beroemde, het belangrijkste nieuws eerder te weten dan een ander, en inderdaad in den regel zeer goed op de hoogte was.

„Ik weet het uit goede bron,” verzekerde Frits.

„Jij hebt geen bronnen, man,” zeide Tim, de schouders minachtend ophalend, „maarikheb ze.”

„Jij weet er niks van,” zeide Frits tartend.

„Zoo,” antwoordde Tim geprikkeld, „ik verklaar je dan, dat het er binnen drie dagen op los gaat, misschien morgen vroeg al!”

„We zullen zien, wie gelijk heeft,” antwoordde Frits onverschillig, en verliet Tim.

Het meesterke en Eliëzer stonden vol spanning te wachten.

„Hoe is 't?” vraagde het meesterke.

„Ik denk, dat Eliëzer's inlichtingen juist zijn,” zeide Frits.

„En wat wilt ge doen?”

„Hen voor zijn!” zeide Frits op bedachtzamen toon, en zich tot den Zoeloe wendend, ging hij voort: „Ik schrijf direct een brief aan mijn ouders. Gij licht mijn schrijven toe, en maakt hen duidelijk, hoe gruwelijk zij en ik zijn bedrogen geworden, want het staat bij mij vast, dat Jack Williams de brandstichter is. Ik stel je daardoor tegelijk in de gelegenheid om je dwaling weer goed te maken.”

Vol dankbaarheid over de eervolle opdracht boog Eliëzer het hoofd, en fluisterend voegde de jonge Boer er aan toe:

„Heden nacht nog wil ik deserteeren, en aan het Transvaalsche gouvernement de tijding brengen van de beraamde overrompeling.”

„Kan de zaak nog niet een dag uitstel lijden?” vraagde het bezorgde meesterke.

„Neen,” zeide Frits Jansen vriendelijk maar beslist, „nog geen uur!”

15)Locomotief.

De brief was geschreven, en reeds was Eliëzer, de snelvoetige Zoeloe, met den brief op pad.

Het was nu laat in den avond.

De taptoe was al geblazen, en de cavaleristen hadden hun kribben—ijzeren ramen, voorzien van een stroopeluw en een stroozak—opgezocht.

Slechts een enkele drentelde, met de handen in den zak en een pijpstompje in den mond, nog even rond op het kazerneplein, om dan eveneens naar binnen te gaan.

Frits Jansen was een van de laatsten, die zich ter ruste begaf.....

In de stallen verspreidden eenige blikken lantaarnen, aan ijzerdraad, hun sober licht.

Nu en dan hief een paard slaapdronken den kop omhoog, en rammelde met den ijzeren halster, waarmede het was bevestigd.

Twee militaire wachten bewaakten de stallen, en de torenklok had juist één uur geslagen, toen een kavalerist voorzichtig door de binnendeur, die de kazerne met de stallen verbond, binnentrad.

Hij zocht zijn paard op, den koolzwarten hengst, die, den stap van zijn meester herkennend, luid begon te hinneken.

Maar de ruiter zeide op gedempten toon: „Cesar, stil,” en toen was het paard weer bedaard.

Een der beide stalwachten begaf zich tot den ruiter.

„Wat beteekent dat, kameraad?” vraagde hij.

„Mijn paard was ziek vandaag,” zeide de ruiter.

Hij sprak hierin inderdaad de waarheid, want het paard was niet goed geweest.

„En ik kom nu eens kijken, hoe hij 't maakt.”

Hij betastte den hengst.

„Ik zal er hem eens uitnemen, wacht.”

„Dat mag niet sergeant,” zeide de stalwacht, die Frits Jansen thans herkende.

„Och kom,” zeide de ruiter onverschillig, „wat geeft het?”

„Het consigne verbiedt het, sergeant!”

„Lariefarie,” lachte Frits, terwijl hij den hengst losmaakte.

„Het dier heeft kou gevat,” verzekerde hij, „ik zal het buiten even afdraven.”

„Buiten afdraven?” riep de tweede stalwacht, die thans met een norsch gezicht naderde,„je zult het wel uit je lijf laten!”

„Doe de deur maar open,” zeide Frits tamelijk brutaal.

„Wat ben je toch eigenlijk van plan?” vraagde de eerste stalwacht wantrouwend: „wil je soms deserteeren?”

„Zie ik er uit als een deserteur?” was Jansen's onbevangen wedervraag.

Hij was blootshoofds; slechts gekleed in een boezeroen en een broek.

„Me dunkt trouwens, dat het deserteeren beter over dag gaat dan 's nachts—vind je niet, wacht?”

De stalwacht voelde het gegronde dezer bewering.

„Toch mag het niet, sergeant,” zeide hij op stelligen toon. „Voor mijn part kunt ge 't paard in den stalgang hier wat op en neer laten loopen, doch verder moogt ge niet.”

„Trouwens het dier mankeert niets,” meende de tweede stalwacht, de eigenaar van het norsche gelaat; „'t zijn maar smoesjes, dat het wat mankeert.”

„Bekijkt het paard dan zelf,” zeide Frits, „ik zal wel bijlichten.”

Hij wendde zich naar de buitendeur, waar een losse lantaarn stond en schoof, terwijl hij de lantaarn nam, de twee grendels ongemerkt weg.

Nu lichtte hij met de lantaarn.

„Kun je nu niet zien, wat het paard mankeert?” vraagde hij met een doodonschuldig gezicht.

De twee stalwachten schudden het hoofd.

„Merk je dan niet, dat het krampen heeft?” riep hij met een minachtende verwondering.

Frits stond bekend voor even knap als een veearts; de beide stalwachten wisten dit ook, en om hun mindere kennis nu niet bloot te geven, vonden zij dan toch ook, dat het dier wat kramperig was.

Frits Jansen tuigde intusschen den hengst met gebit en zadel.

„Wat ben je toch eigenlijk van plan?” vraagde de eerste stalwacht met nieuw opgewekten argwaan.

„Dat wil ik jullie in 't geheim wel zeggen,” antwoordde de jonge Boer op jovialen toon; „ik ben echt van plan, om te deserteeren.”

De stalwachten stonden bij deze vertrouwelijke mededeeling wel een beetje verbluft te kijken, maar ze begrepen dan toch, dat het maar gekheid was, en het norsche gelaat bulderde: „We hebben met je praatjes niets te maken; het zaâl er af—en gauw ook!”

Doch Frits Jansenzatreeds in hetzaâl, en hij zeide met een flikkering van zijn blauwe oogen: „Weet je wel, met wien je spreekt?”

„Ik weet het wel,” zeide het norsche gelaat.

„Nu, onthoud het dan!” zeide de sergeant op strengen toon, terwijl hij het „kramperige” paard op en neer liet stappen in den stalgang.

De stalwachten zeiden verder geen woord, en terwijl het norsche gelaat zich naar het midden van den stal begaf, waar een onrustig paard zich wilde losrukken, zette de eerste stalwacht zich neder op een bank, in de nabijheid der buitendeur.

„Hé, Kar,” riep hij plotseling, „heb jij er de grendels afgeschoven?”

„Ik?” riep het norsche gelaat—„ben je nou gek?”

„Dan begrijp ik het niet,” mompelde de eerste stalwacht.

Frits Jansen was juist aan het andere einde van den stal, doch had het tweegesprek vernomen, en hij hoorde eveneens, hoe de grendels weer rammelend op de oude deur werden geschoven.

Hij liet het paard langzaam in de richting der buitendeur stappen.

De eerste stalwacht zat nog altijd op de bank, doch hield de buitendeur goed in de gaten. Hij was nu vast overtuigd, dat Jansen iets bizonders van plan was.

„Jij hebt een lange hand,” zeide hij,„en hebt daar straks de grendels van de deur geschoven.”

„Enjijhebt een lange tong,” antwoordde Frits Jansen bedaard.

„Je zet onmiddelijk het paard aan de ruif, of ik zal je er toe dwingen,” zeide de wacht.

„Jij?” zei de jonge Boer vol minachting, „jij?”

Hij had het paard laten wenden, dat nu met de achterpooten vlak tegen de buitendeur stond, en plotseling wild omhoog steigerde.

„Daar heb je 't nu al, ezelskinnebak,” brulde de tweede stalwacht, het norsche gelaat, terwijl hij met zijn kameraad naar de paarden snelde, die door de woeste manieren van Jansen's hengst erg onrustig waren geworden.

Doch Frits Jansen boog zich over den nek van zijn paard en fluisterde hem in het oor: „Cesar, terug!” En nauwelijks had de hengst dit woord gehoord en voelde hij den ruk aan de gebitsstang, of hij drong met onweerstaanbare kracht achteruit, zoodat de oude deur uit haar hengsels vloog.

Met een zware vloek sprong de eerste stalwacht op, en onmiddellijk werd de cavalerie gealarmeerd.

Doch Frits Jansen was de enge stallen uit, en ruim adem halend, gaf hij zijn paard, dwars over de prairie, de richting naar de Transvaalsche grenzen.

Het was een koude nacht, en een zware mist hing over het veld. Maar Frits Jansen voelde de koude niet,en de taak, die hij op zich had genomen, joeg het bloed sneller door zijn aderen. De mist werd echter zoo dicht, dat hij op geen vijf pas afstands kon zien, en soms twijfelde hij, of hij wel den rechten koers had ingeslagen. Maar hij reed bedaard door, want groot was de afstand, die hij had af te leggen, en hij wilde de beste krachten van zijn paard sparen voor het laatst.

Soms hield hij den vurigen hengst in, sprong uit het zaâl, en legde het oor te luisteren op den grond. Doch geen verdacht geluid werd gehoord, en de wetenschap, dat geen vervolgers in de nabijheid waren, gaf hem een gevoel van veiligheid en onbezorgdheid.

Hij had nu al verscheidene uren gereden, en de morgen daagde. De grijze sluier van den nevel begon dunner te worden, en de schreeuw van een ontwakenden vogel klonk over het veld.

Hij wendde het gelaat om, en over de heuvels brak een straal van goud en purper door den nevel heen. Doch hij zag nog iets anders, namelijk een troep ruiters, die snel van de rechterzijde naderden.

Het was Frits Jansen duidelijk, dat hij door den zwaren mist een geduchten omweg, een halven cirkel had gemaakt, doch deze ontdekking, al was zij niet aangenaam, deed zijn hart niet sneller kloppen, want hij had wel voor heeter vuren gestaan.

Hij wendde den teugel, en had thans de vervolgers achter zich. Bedaard reed hij door in een gewonen draf en de stand der in volle glorie oprijzende Afrikaansche zon wees hem de richting, die hij te nemen had.

Hij was er zeker van, dat de weg, dien hij thans nam midden door het open veld met zijn lang, verschrompeld gras recht op de grenzen aanliep, doch het verwonderde hem wel, dat de ruiters zich als een waaier achter hem uitspreidden.

„Wat willen ze toch?” mompelde hij: „willen ze me werkelijk omsingelen? Cesar, 't is een beleediging voor jou!”

Hij klopte den hengst op den blanken hals en lachte. Van schrik of angst was bij den jongen Boer ook nu nog geen sprake, maar hij reed toch een beetje sneller door.

De vervolgers bestonden uit een aantal bereden Kaffers en cavaleristen, welke laatste zich zoo snel in het zaâl hadden geworpen, dat hun buksen waren achtergebleven.Slechtsde zware revolver stak in den leeren koker vanhet zadel. Maar de Kaffers waren gewapend met lange lansen.

De troep werd gekommandeerd door luitenant Harreson, die zijn nieuwkoop bereed, een mooien, bruinen klepper, en wel nieuwsgierig was, of zijn paard het niet zou kunnen winnen van Jansen's hengst. Deze vervolging beschouwde hij dan ook als een soort sport, doch Jack Williams, die naast hem reed, dacht er anders over, en volgde met zijn oogen den vluchteling in een spanning, die onbeschrijfelijk was.

Een kreet van woeste vreugde had hij geslaakt, toen hij, bij het optrekken van den mist op een heuvel gekomen, den deserteur had ontdekt, enhijwas de man geweest, die aan luitenant Harreson den raad had gegeven, om de ruiterij in den vorm van een hoefijzer uit te spreiden.

Frits Jansen had gemeend, dat aan deze manoeuvre een omsingeling ten doel lag, doch Jack Williams wist al te goed, dat de vlugste renner van Rhodesia op dit oogenblik door Jansen werd bereden, en Frits vergiste zich volkomen in zijn veronderstelling.

Neen, de bedoeling der manoeuvre was een geheel andere.

De uiteinden van het hoefijzer bestonden uit de snelste ruiters, die, door een krachtige inspanning, op één hoogte gekomen met den vluchteling, op zijn rechter- en linkerzijde doch op aanmerkelijken afstand, evenwijdig met den deserteur over de vlakte renden.

Frits Jansen's eenige zorg was nu, dat hij in het juiste midden bleef tusschen de twee uiteinden van het hoefijzer, en er was in zijn hart geen zweem van angst of vrees, te meer, daar zijn scherpe blik bij den ganschen troep niet één geweer had ontdekt.

Doch als een bloedhond volgde Jack het spoor van den vluchteling, en beter dan Frits Jansen met het terrein bekend, wist hij, dat het hoefijzer den deserteur onvermijdelijk naar een diepe, gapende rotskloof dreef, die hem òf terug zou doen deinzen en overleveren in de handen zijner vervolgers, òf waagde hij den sprong over den afgrond, zijn dood zou zijn.

Plotseling hield Jack zijn met zweet bedekten klepper in, en een bijna duivelsche vreugde gleed over zijn gezicht.

„Kijk,” riep hij hoonend, „nu begint hij 't in de gaten te krijgen. Hij houdt zijn paard in... hij wendt den teugel... neen man, je kunt er niet door... hij begrijpt het ook... Zou hij den sprong wagen?... Hij durft niet... hij is verloren...”

Frits Jansen had inderdaad, op een verhooging gekomen van het volgende terrein, de vreeselijke kloof ontdekt, die zijn weg versperde, de laatste bloeddrup was uit zijn gezicht geweken, en de sterke Boerenzoon, die nog nooit had gebeefd, beefde thans.

Was het te verwonderen, dat hij, huiverend voor den doodelijken sprong, den teugel wendde? Was hij niet in den bloei van zijn jaren, vol levenskracht, en hing hij niet met elken vezel van zijn bestaan aan het leven?

Met somberen blik nam hij den omtrek op, doch hij begreep, dat het voor hem, den ongewapende, onmogelijk was, door den keten van ruiters heen te komen, die hem al meer naderde.

Hij had het gevoel van een vogel, die door het slagnet is gevangen, en die zich te vergeefs de vleugels zal stuk slaan tegen de wreede, verraderlijke mazen.

Hij kon zich gevangen geven, en hij behoefde voor zijn leven niet bang te zijn, want hij was gedeserteerd in vredestijd, doch hing van den vreeselijken sprong over den afgrond niet misschien het lot van zijn vaderland af? En al zou de poging, om zijn vaderland te redden, mislukken—viel hij dan niet als een ware zoon zijns volks, en verzoende hij niet door zijn dood den vreeselijken misslag van zijn leven, toen hij trouw zwoer aan de vlag van Cecil Rhodes?

Hij streed een harden, vreeselijken tweestrijd, doch de strijd was kort.

Beter te pletter gevallen met zijn paard op de scherpe klippen van den afgrond in de poging, zijn vaderland te redden, dan lafhartig zich overgegeven aan de vijanden zijns volks!

En de handen vouwend, barstte de noodkreet uit zijn ziel: „God mijner vaderen, gedenk mijner naar Uwe groote barmhartigheid....”

Vastberaden wendt Frits Jansen nu den kop van het paard in de richting der kloof, en liefkoozend gaat zijn hand over den koninklijken hals van zijn edel ros.

Hij buigt zich voorover, en fluistert Cesar vleiend in de ooren: „Dezen keer zult ge je koningssprong doen, Cesar! De vijanden loeren op je jongen meester, Cesar, maar gij zult het niet dulden, dat zij hem krijgen, en gij zult hemover den afgrond dragen als op de vleugelen van den arend! We moeten er over, Cesar—wemoeten, hoor je!”

En al heeft Cesar de woorden niet verstaan, den zoeten,vleienden toon heeft hij wél verstaan, en zijn vurig oog ziet reeds den afgrond.

Hij spitst de ooren, trappelt ongeduldig en hinnikt luid.

En nu drukt Frits Jansen den hengst de sporen in deflanken—het edele ros werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanken pooten uit....

Ja, dat is het paard, waarvan in het boek van Job is gezongen!

Zijn hals is bekleed met den donder, en de pracht van zijn gesnuif is een verschrikking!

Het graaft in den grond met zijn hoeven, en is vroolijk in zijn kracht!

In de verte schittert de speer van een ruiter, doch het belacht de vreeze en wordt niet ontsteld!

Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en in het volle geklank der bazuin zegt het: Heah! en riekt den krijg van verre! den donder der vorsten en het gejuich!

Frits Jansen echter richt zich hoog op de stijgbeugels—hij heeft de oogen wijd open—hij ziet den dood flikkeren op de speerspiets der Kafferruiters—hij ziet den dood grijnzen in de diepte van den afgrond—en zijn hart staat stil, en zal eerst opnieuw gaan kloppen, als het paard, in een majestueuzen, koninklijken sprong over de rotskloof henensuizend, de hoeven dreunend laat nedervallen op den harden kleigrond aan den reddenden overkant.

Vol verbazing en ingehouden bewondering hebben Rhodes' ruiters dien sprong op leven en dood gezien, maar Jack Williams brult: „Vooruit! Er over!” waarop luitenant Harreson, die niet van zins is, om zijn ruiters voor een deserteur den nek te laten breken, droogjes antwoordt: „Doe jij 't hun voor!”

Jack meet met zijn oogen de wijdte der kloof, doch ze is hem blijkbaar te groot.

Hij grijpt naar zijn revolver.

„Wat wil je?” vraagt de luitenant.

„Den deserteur neerschieten!”

„Waarom?”

De sprong over de rotskloof.De sprong over de rotskloof.

„Hij weet alles luitenant. Die zwarte neger van zijn vader heeft hem het geheele plan verteld. Schud nu niet vanneen, want ik weet het uit de beste bron. Hij rijdt spoorslags naar de Transvaal, en zal zich haasten, om aan de Boerenregeering het geheim te berichten.”

Harreson trekt de schouders op.

„Laat het hem doen,” zegt hij luchthartig,„wat geeft het? De Boeren kunnen den dans toch niet meer ontspringen. Overigens is die zwarte hengst van Frits Jansen meer waard dan de heele negerij, die Rhodesia heet.”

Doch Jack Williams hoort die laatste woorden niet eens.

„Waar een paard over kan, daar kan ook een kogel over,” schreeuwt hij, en den zwaren revolver opheffend, jaagt hij den vluchteling zes kogels achterna. Doch de kans om te treffen, is bij dien afstand voor den revolver zeer gering, en onschadelijk snorren de kogels den deserteur voorbij.

Frits Jansen echter keert zich om op zijn paard, heft beide handen juichend omhoog, en roept met luidklinkende stem; „Voor vrijheid en recht—hoera!” en snel zijn ros en ruiter achter de eerste heuvelrij verdwenen.

Midden in den nacht boog een eenzaam ruiter de lange oprijlaan in van eene Transvaalsche boerenhofstede.

Het wakkere paard liet den kop moede hangen, en de ruiter was nauwelijks in staat zich in den zadel te houden. Hij had een vreeselijken rit achter den rug, en slechts zijn ijzeren wil had hem overeind gehouden.

Luide weerklonk het geblaf der waakhonden op het erf, toen de ruiter uit hetzaâlstapte, en op de ramen kloppend, riep: „Doe open!”

Het duurde eenige oogenblikken, alvorens een welbekende stem van binnen antwoordde: „Wie is daar?”

„Goed volk,” zeide de ruiter,—„Frits Jansen!”

„Frits Jansen!” herhaalde de stem van binnen met groote verbazing, „wacht, ik zal je opendoen!”

De ruiter kon nu zien, dat er licht werd aangestoken, en eenige oogenblikken later werd de huisdeur geopend.

„Kom binnen, Neef!” zeide de welbekende stem, „en wees welkom!”

Frits Jansen trad nu binnen.

De oude hangklok stond op half twee.

„Waar kom je van daan, Frits?”

„Van Rhodesia.”

„En waarom niet naar Waterfontein gegaan?”

„Omdat met die reis anderhalve dag meer gemoeid zou zijn, Oom, en de zaak, die mij drijft, is te gewichtig. Het lot der Transvaal hangt misschien van een paar uren af.”

De grijsaard ging vlak voor den ruiter staan, keek hem aan met scherpen blik en zeide: „Ik meende, dat gij een Rhodes-man waart.”

„Geweest,” antwoordde Frits Jansen, die zich letterlijk liet neervallen op een stoel.

„Gij zijt doodmoe,” zeide de grijsaard vriendelijk.

„Ik kan niet meer, Oom,” antwoordde Frits, en de oude Dirk Kloppers haastte zich, om den moeden en hongerigen ruiter te verkwikken met spijs en drank.

„En waar is Tante Anneke?”vraagde Frits Jansen thans.

„Zij is overleden,” zeide de grijsaard met een weemoedigen klank in zijn stem.

„Ik heb er niets van gehoord,” hernam de jonge Boer met een smartelijke verrassing.

„Veertien dagen geleden is zij heengegaan naar haar eeuwig huis.”

„'t Is voor u een zware slag,” zeide Frits vol deelneming.

„Ik kom het niet te boven,” steunde de oude man.

„Doch wat is uw boodschap?” liet hij er op volgen, toen Frits zijn maaltijd had geëindigd.

De jonge ruiter was wonderlijk opgefrischt, en verhaalde nu de reden, die hem had bewogen, om te deserteeren.

Doch hij was nog niet uitgesproken, toen het sluimerende vuur weer begon te ontbranden, dat God had gelegd in het hart van den grijzen Voortrekker.

Het scheen, alsof de oude man plotseling was geëlectriseerd. Die van smart en rouw gebogen gestalte begon weer te rijzen; in de oude, uitgebluschte oogen schitterde het vuur der vaderlandsliefde, en de stalen veerkracht van weleer blonk van dat verweerd en verrimpeld gelaat.

Onwillekeurig zocht zijn oog het Henri-Martini-geweer,daar boven de deur, dat in zijn hand zoo'n vreeselijk wapen was geweest, nu vijftien jaar geleden, in de gevechten van Bronkhorstspruit, Langnek en Amajuba.

„Ik heb het altijd wel vermoed,” zeide hij meer tot zichzelve dan tot Frits Jansen,—„altijd! Op een schandelijk verraad moest het ten slotte wel uitdraaien. En Johannesburg, de Mammonsberg, spant samen met de troepen derCharteredCompagnie, die aan den leiband van Cecil Rhodes loopt, om in naam der vrijheid—de staatkundige vrijheid der Boeren te vermoorden!”

„Maar zij hebben ons nog niet,” riep hij dreigend, „neen, waarlijk niet!”

Er volgde een korte pauze.

„Ik moet op staanden voet naar onzen kommandant,” ging hij voort, „en rapport overbrengen.”

„Mag ik mee gaan, Oom?”

„Niets liever—maar zijt ge niet te moe?”

„Neen,” zeide Frits op beslisten toon.

De grijsaard ging nu naar buiten, naar de Kafferhutten achter op het erf en wekte een paar Kafferknechten.

„Zadelt mijn schimmel en den bles,” beval hij op dien krachtigen, korten toon, die hem eigen was in groote en beslissende oogenblikken—„snel!”

Nu keerde hij weer naar binnen.

„De kommandant woont in het dorp; binnen een uur kunnen wij er zijn, maar laten wij even bij mijn zoon Jan, die bij een ziek kind zit te waken, de tijding brengen.”

Zoo gingen ze dan te samen het erf over naar de woning van Jan Kloppers. Door een zijraam zag men een licht branden; ook was de huisdeur niet gesloten.

Behoedzaam traden zij binnen, doch Jan Kloppers had hen reeds gehoord. Hij kwam hen tegemoet, en op den vragenden blik van zijn vader zeide hij met een bezorgd gelaat: „De kleine Karel is van nacht niet beter.”

Hij bracht de binnentredenden in de kamer bij het ledikantje.

Geertrui zat er naast met beschreide oogen, en hield de brandende heete handjes van het kleine ventje omklemd.

Het kind had een harde koorts, en onrustig dwaalden die blauwe kijkers rond.

De grijsaard deelde het ernstige bericht mede, dat Frits had gebracht, en zwijgend hoorde Jan het aan.

Hij zuchtte.

Hij dacht aan zijn zwak, ziek kind, en keek den ouden Voortrekker aan.

„Dat beteekent oorlog,” zeide hij.

„Of wij smoren hem in den eersten slag,” antwoordde de wijze grijsaard.

Geertrui stond op, en verkwikte het dorstige kind met een teug water.

En van het ziekbed van haar lieveling vlogen haar gedachten naar het slagveld, en voor haar opgeschrikte verbeelding zag zij haar man bloedend, stervend neergestrekt door het onbarmhartige Engelsche kanon, smachtend naar één teug water. En zij dacht aan Cecil Rhodes, die koning was in het land van bedrog, en haar hart was vol droefheid en bitterheid.

Doch de paarden waren nu voor gebracht, en Dirk Kloppers en Frits Jansen zich naar buiten begevend, sprongen in het zaâl.

„Waar is mijn paard?” vraagde Frits ongerust.

„Ik heb het goed bezorgd,” zeide de grijsaard, „we zullen het wat rust geven.”

Het was een stille liefelijke zomernacht, en niets werd gehoord dan de snelle hoefslag van de paarden en de slaperige kreet van een opgeschrikten vogel.

„Oom,” zeide Frits, nadat ze zwijgend, ieder in zijn eigen gedachten verdiept, een groot eind hadden afgelegd, „ik dank u wel hartelijk, dat gij voor mij te Waterfontein zoo'n hartig woord hebt gesproken.”

„Ik hield je voor onschuldig aan den brand.”

„En ik was het ook, doch den schijn had ik tegen.”

„Is het raadsel opgelost, Frits? Heeft Jack dien nacht uw pak aangehad?”

Vol verwondering staarde de jonge man in het gelaat van den schranderen grijsaard.

„Hoe komt gij op die gedachten, Oom?”

„Ik kon het mij niet anders verklaren, en ik heb uw moeder bij het afscheid nemen mijn vermoeden medegedeeld.”

Frits Jansen deelde nu de toedracht mede, en de grijsaard luisterde met opmerkzaamheid. Doch toen de jonge Boer aan het einde was van zijn verhaal, fronste de oude Voortrekker even zijn wenkbrauwen en zeide: „Dat is wel een bewijs, datgijonschuldig zijt, dochgeenbewijs, dat Jack Williams de dader is. Gij gist en vermoedt het, en ik vermoed het ook, doch gissingen en vermoedens zijn geen bewijzen. Enzoo lang de dader niet bekent, of derden geen getuigenis kunnen afleggen, datgijonschuldig zijt, gaat ge voor de wereld, voor de buitenwacht, niet vrijuit.”

„Zoo ver heb ik nog niet eens gedacht,” zeide Frits, terwijl er een groote teleurstelling lag in zijn stem.

„Toch weet ik een anderen weg,” meende de voorzichtige grijsaard.

„Jack Williams zal nooit bekennen, Oom!”

De oude man haalde de schouders op.

„Ge kent hem niet,” zeide Frits.

„Ik denk ook niet, dat hij het vrijwillig zal doen,” antwoordde de grijsaard.

„En wie kan er hem toe dwingen?” zuchtte Frits met een hart vol vreeze,—„niemand!”

„Niemand?” vraagde de grijsaard op een bizonderen toon.

„Neen, niemand, Oom!”

„Godkan er hem toe dwingen!” zeide de grijsaard vol ernst.

Zij waren nu den driesprong genaderd en sloegen links. Duidelijk was het kerkje te zien met den slanken toren, omringd door de huizen van het dorp.

Zij hadden hard doorgereden, en midden in het dorp hielden de dampende paarden stil voor een stevig steenen gebouw.

Hier woonde de kommandant.

De ruiters sprongen uit het zaâl, bonden de paarden vast aan den lindeboom vóór het huis, en de oude Kloppers schelde aan: snel en hard.

Na eenig wachten kwam een Kafferbediende voor.

„Wij moeten onmiddellijk den kommandant spreken,” zeide de grijsaard.

„Ge doet me verschrikken; ik dacht dat het dorp in brand stond,” antwoordde de Kaffer met een wrevelige uitdrukking in zijn slaperig gezicht.

„Zul je den kommandant onmiddellijk wekken?” riep de Voortrekker.

„Wie ben je?” vraagde het onwillige schepsel.

„De oude baas Kloppers van Vredenoord,” zeide de grijsaard met kracht,„en als je nu nietonmiddellijkden kommandant wekt, dan ligt de zweep voor je klaar.”

Dat hielp dan toch. De Kaffer strompelde de gang door, en na een paar minuten verscheen, met de lantaarn in dehand, een rijzig, zwaargebouwd man van middelbaren leeftijd.

Dirk Kloppers was een zijner bizondere vrienden, die bij hem in hooge achting stond, en hij haastte zich, om de beide ruiters in de voorkamer te laten.

Hij bood hun stoelen en zette de lantaarn midden op tafel.

„Doejijhet woord!” zeide de Voortrekker.

Frits Jansen voldeed aan de opdracht en deed zijn verhaal.

Staande hoorde de kommandant hem aan. Nu en dan streek hij zijn zwarten baard met zijn groote handen, of trommelde met de vingers nadenkend op de tafel.

Doch geen woord ontsnapte zijn lippen—zelfs geen kreet van verbazing.

De jongeling was nu aan het einde van zijn rapport en zweeg.

Luide weerklonk het eerste hanengekraai door den stillen nacht, en zijn zware hand op den schouder van den jongeling leggend, zeide de kommandant: „Hoe heet ge jonge man?”

„Frits Jansen.”

„Een zoon van Reinard Jansen?”

„Ja, kommandant.”

„Ik ken hem; hij is een wakker man, wiens hart warm klopt voor zijn volk. En gij Frits Jansen, hebt den dank verdiend van ons vaderland, en te gelegener tijd hoop ik er mededeeling van te doen aan de Regeering.”

De kommandant zweeg eenige oogenblikken en ging toen voort: „Ik zal onmiddellijk de noodklok laten kleppen, het volk te wapen roepen en een snellen ruiter afzenden naar het naastbijgelegen telegraafkantoor, om den voorgenomen aanslag aan de Regeering te Pretoria mede te deelen. En nu, mijne vrienden, moeten wij scheiden, want er ligt een berg van werk voor mij, en nog van daag rukken wij op naar het oorlogsveld, dat wij waarschijnlijk te zoeken hebben tusschen Johannesburg en de westelijke grenzen.”

De grijsaard en Frits Jansen waren opgestaan, en de kommandantstaardeden ouden Voortrekker in de oogen.

„Gaat gij mee?” vraagde hij, „gij zijt boven de jaren—”

„Doch wat vraag ik!” liet hij er onmiddellijk op volgen; „waar het vaderland zijn zonen noodig heeft, daar ontbreken de Kloppers' niet!”

„Neen, waarlijk niet,” zeide de grijsaard met klem; „nòg haalt mijn kogel den roofvogel uit de wolken!”

„Dus wij trekken op onder de oude leuze: Voor vrijheid en recht!” riep de kommandant, terwijl zijn heldenoog volwelgevallen rustte op den grijsaard en den jongeling daar voor hem.

„Ja, voor vrijheid en recht!” riep Frits Jansen in uitbarstende geestdrift, „voor vrijheid en recht—hoera!”

Met een krachtigen handdruk scheidden de vrienden, en onze twee ruiters hadden nog niet den driesprong bereikt, toen reeds het noodgelui der klok, het volk tewapenroepend, met snelle, driftige slagen weerklonk.

„Vooruit!” sprak snoevend d' Engelschman16)Tot zijn achthonderd man,„En wat zich tegen ons verzet,Dat hakken w' in de pan,Gij gaaft van moed en dapperheidReeds menig treffend blijk;Grijpt nu de Vierkleur van TransvaalEn trapt ze in het slijk!”En vroolijk riep de rooverschaarder Compagnie: „Vooruit!Wij slaan de Boeren uit het land,En deelen dan de buit!”En dreigend trekt het krijgsvolk op,De vuisten aan het zwaard—Te wapen, Afrikaansche Boer!Het geldt uw huis en haard!

„Vooruit!” sprak snoevend d' Engelschman16)Tot zijn achthonderd man,„En wat zich tegen ons verzet,Dat hakken w' in de pan,Gij gaaft van moed en dapperheidReeds menig treffend blijk;Grijpt nu de Vierkleur van TransvaalEn trapt ze in het slijk!”

En vroolijk riep de rooverschaarder Compagnie: „Vooruit!Wij slaan de Boeren uit het land,En deelen dan de buit!”En dreigend trekt het krijgsvolk op,De vuisten aan het zwaard—Te wapen, Afrikaansche Boer!Het geldt uw huis en haard!

Den 29stenDecember (1895) Zondagnacht om elf uur17)trok Jameson, Cecil Rhodes' rechterhand, aan het hoofd eener goed gewapende ruiterij uit zijn kamp te Pitsani, en nog dienzelfden nacht trok hij de westelijke grenzen der Transvaal over.

Den volgenden morgen te half zes klopte een zijner ruiters den telegrafist Meiring van Otto's-Hoop uit zijn bed, en vraagde aan Meiring, of hij dezen morgen reeds een telegram uit Pretoria had ontvangen.

Meiring, die de bedoeling der vraag niet begreep, verklaarde zonder erg, dat er uit Pretoria geen telegram was gekomen, hetgeen een groote geruststelling was voor Jameson, die vreesde, dat men in Pretoria reeds lont had geroken.

Meiring volgde den ruiter intusschen naar buiten, en zag tot zijn verbazing op het open veld langs de telegraaflijn gewapende vreemde cavalerie. En terwijl hij waarnam, hoe een cavalerist boven op een telegraafpaal was geklommen, bemerkte hij tevens, dat de telegraafdraad op verscheidene plaatsen ter lengte van tien meter was afgekapt, terwijl de tusschenstukken zorgvuldig waren verwijderd.

Al was Meiring nu ook uit het bed geklopt, hij was toch goed uitgeslapen, en hij haastte zich, om den mijncommissaris van Otto's-Hoop van den stand der zaken te onderrichten.

Nu was echter de telegraaflijn, die van Otto's-Hoop via Zeerust naar Pretoria liep, door Jameson's troepen tusschen Otto's-Hoop en Zeerust vernield, en een renbode bracht uit Zeerust het volgende telegram aan Meiring (dat uit Pretoria was geseind): „Is er iets waar van troepen op uw grenzen? Hoevelen zijn er, en waar zijn zij?”

Dit telegram was geteekend door Joubert, den kommandant-generaal, die dus reeds verontrustende tijdingen had ontvangen.

Meiring seinde hierop onmiddellijk via Zeerust het volgende terug: „Dringend. Uw telegram per expres van Zeerust ontvangen. Heden morgen half zes omtrent 800 gewapende mannenCharteredCompagnie's troepen met 8 maxims en 3 snelvurende kanonnen hier doorgetrokken voorbij Malmaniesoog, in de richting van Johannesburg. De telegraafdraad tusschen hier, Zeerust en Lichtenburg door hen vernield. Heb onmiddellijk daarvan per expres kennis gezonden naar Lichtenburg alsmede aan kommandant Botha.”

In den voormiddag bereikte dit ernstig telegram den kommandant-generaal, die zich naar de woning van Paul Kruger spoedde.

Hij vond den President in druk gesprek met eenige der invloedrijkste ambtenaren, en er heerschte onder het gezelschapeen geest van onrust, want Charles Leonard had in zijn Manifest18)tegen 6 Januari een groote volksvergadering in Johannesburg aangekondigd, en de verwachting was gewettigd, dat er dien dag een openbaar oproer in de goudstad zou uitbreken.

Nu waren onder de aanwezigen enkelen van oordeel19), dat de Regeering tot ernstige hervormingen moest overgaan, want al was de toon, door de leiders, te Johannesburg aangeslagen, hoogst ongepast, er waren, meenden zij, toch ernstige grieven.

Met aandacht luisterde de President naar hunne overwegingen, maar hij wilde zich in de gegeven omstandigheden door muitzieke Uitlanders geen concessies laten afpersen, en hij zette zijn stalen voorhoofd tegen het dreigend oproer.

Midden in het gesprek kwam Piet Joubert met zijn ernstige tijdingen aan, doch de aanwezigen schudden ongeloovig het hoofd, totdat een tweede en derde telegram het eerste bevestigde.

Onmiddelijk seinde nu de Transvaalsche Regeering aan den waarnemenden Staatspresident van den Oranje-Vrijstaat om hulp en bijstand, doch deze kwam met de verrassende tijding, dat men zich in Pretoria noodeloos ongerust maakte. Hij had namelijk van betrouwbare zijde het bericht ontvangen, dat de troepen derCharteredCompagnie, in Bechuanaland bijeengebracht,om een omweg te vermijden, door het Transvaalsche grondgebied naar Mashonaland trokken.

Deze tijding bracht natuurlijk nieuwe verwarring, die er niet minder op werd, toen het bericht der Oranje-Vrijstaatsche regeering van verschillende zijden bevestiging ontving.

Doch deze opzettelijke, uit den Rhodes-hoek komende en sluw gesponnen misleiding, waarvan zelfs de regeering van den Oranje-Vrijstaat een oogenblik het slachtoffer was geworden, kon niet vol worden gehouden tegen de stellige rapporten, die der Regeering op nieuw werden gebracht, en terwijl de mare van den gewapenden inval zich bliksemsnel door de Transvaal verspreidde, telegrafeerde de Regeering nog dienzelfden dag, Maandag, aan kommandant Cronjé van Potchefstroom en kommandant Malan van Rustenburg, omonverwijld met geweld de binnenrukkende troepen te keeren.

Intusschen had de kommandant van Zeerust reeds de volgende missive gezonden aan Jameson en zijn hoofdofficieren:

„Vernomen hebbende uit vertrouwbare bronnen, dat gij heden morgen een gewapende macht hebt gevoerd over de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek binnen dezen staat, zoo is het, dat ik thans op order van den kommandant-generaal der Zuid-Afrikaansche Republiek u mits dezen sommeer, u met uw gewapende macht onmiddelijk te verwijderen en terug te gaan over de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek, en wil ik u mits dezen waarschuwen, u niet te verzetten tegen deze sommatie, daar dit in strijd zal zijn met de Conventie, de lands- en internationale wetten.”

Hierop werd den kommandant van Zeerust door Jameson's adjudant het volgende antwoord overhandigd:

„Ik (Jameson) heb u mede te deelen, dat ik voornemens ben, mijne oorspronkelijke plannen uit te voeren, die geen vijandelijk doel tegen het volk der Transvaal beoogen. Wij zijn hier in antwoord op eene uitnoodiging van de voornaamste inwoners van den Witwaterrand, om hen te helpen in hun eisch om de gewone rechten van ieder inwoner van een beschaafde staat.”

Nu wisten 't de Boeren.

Paul Kruger had gezegd: „Laat de schildpad maar eerst zijn kop uitsteken; dan zullen wij weten, wat te doen.”

Dat oogenblik was thans gekomen.


Back to IndexNext