HOOFDSTUK XXXI.

16)Deze twee en de nog volgende verzen kunnen gezongen worden op de wijze van het Transvaalsche volkslied: „Di Vierkleur van ons dierbaar land”.

17)„De Afrikaner-Boer en de Jameson-inval”door N. J. Hofmeijr.

18)Ziebl. 119.

19)„TransvaalscheHerinneringen” door Dr. E. J. P. Jorissen.

Jan Kloppers stond met strakken blik en zwijgend bij zijn kind.

Het kleine Kareltje was er niet beter op geworden. De ademhaling ging snel en gejaagd, en de dokter uit het dorp had heden morgen verklaard, dat hij de typhus had.

De kleine lag daar in zijn bedje, met koortsachtig gloeiende wangen. Het strekte de kleine handen uit naar zijn vader en fluisterde: „Pake, hier blijven!”

Jan Kloppers nam de kleine handen en zuchtte.

De oude Kloppers en Frits Jansen waren reeds eenige uren geleden uitgetrokken met het kommando, doch Jan Kloppers had zich nog niet kunnen losscheuren van zijn kind.

Zijn ziel hing aan dat kind, aan dat lieve, zachte ventje met die eigenaardig tintelende, glanzende oogen, die men zoo dikwijls ontmoet bij kinderen, die als teedere bloemen in hun prille jeugd door den grooten Landman worden overgeplant in de hemelsche gaarde.

Ja, hij is hard, de oorlog, die met ruwe, onbarmhartige hand den zoon losscheurt van het hart der moeder, den man uit de armen zijner vrouw, den vader van de sponde van zijn doodziek kind....

De oorlog kent geen erbarmen. Hij lacht om zuchten en spot met tranen. Hij is de Geweldige, de Verschrikkelijke, de Heraut van den dood, en met ijzeren tred gaat hij over de schreiende menschenharten heen!

Jan Kloppers begreep zijn plicht. Hij wist, dat het Vaderland hem noodig had. Het vraagde zijn arm, zijn kracht, en het geslacht der Kloppersen had nooit geaarzeld, waar de Vierkleur ten strijde riep. Want krachtig en mannelijk klopte hethartder Kloppersen voor hun volk, en door hun aderen bruischte het heldenbloed van den waren, onverbasterden, Afrikaanschen Boer!

Ookthanszou Jan Kloppers zijn aard niet verloochenen, maar toch—hij had ook eenvaderhart, dat met zijn innigste vezelen hing aan zijn kind....

Hij wilde vertrekken, hij mòest—maar hij kon het nog niet doen, want het smeekende oog van zijn kind was op hem gericht, en die kleine handjes hielden hem vast.

Van buiten klonk het vroolijk spel zijner andere kinderen.

Hoe dikwijls had hij met innig genot naar dat blij gejoel en getier geluisterd, doch numaaktehet hem bedroefd.

Over alles lag thans voor zijn blik een waas van onuitsprekelijke weemoed.

Het afscheid was hem nooit zoo zwaar gevallen als thans—neennooit!

Zijn oogen dwaalden van zijn kind naar zijn vrouw, en van zijn vrouw naar zijn kind.

Hij wilde haar troosten, maar de troost bestierf op zijn lippen.

Hoe zou hij ook troosten—was zijn hart niet verscheurd?

Doch de kleine werd iets rustiger; het sloot de oogen en sluimerde in.

Jan Kloppers stond op.

„Moet het?” zeideGeertruimet moede stem.

„Ja,” zeide hij, „hetmoet—laat een Kaffer komen!”

Een der Kaffers kwam.

„Neem den Zwarte van den stal,” zeide Kloppers, „en zadel hem—vlug!”

In den hoek stond een geweer met den langen, blinkenden loop: daarnaast lag de bandelier.

Kloppers maakte zich nu snel gereed voor den krijgstocht. Geertrui hing hem den bandelier om de schouders.

De leeftocht voor eenige dagen—een stuk gerookt vleesch, eenige harde beschuiten, een zakje gemalen koffie en een builtje tabak—was spoedig gereed.

De Kaffer kwam terug en zeide: „Baas, de Zwarte is kreupel; hij heeft zich verrekt aan den rechter voorpoot.”

„Neem dan den Vos,” zeide Kloppers.

Zoo bracht de Kaffer den Vos, en Jan Kloppers ging naar buiten, waar zijn kinderen speelden.

„Nu Steven, jij bent het Roodbaatje,”20)zeide Alexander, „en ik ben een Transvaalsche Boer, en nu willen we vechten.”

„Ik dank je lekker,” zeide Steven; „ik wil geenRoodbaatjezijn; ik wil niet op mijn lichaam krijgen.”

„Kom,” meende Cornelia wijsgeerig, „je moet niet zoo flauw doen, Steven; er moeten bij een oorlog toch twee partijen zijn—hoe kan er anders oorlog wezen?”

Nu zagen de kinderen hun vader naderen, en hij drukte die frissche, blozende gezichtjes aan zijn hart.

„Zult ge moeke goed gehoorzaam zijn?” vraagde hij met een week gemoed.

„Ja pa,” riepen ze in koor.

„En wanneer komt ge terug?” vraagde Hendrik, doch deze onschuldige vraag sneed hem door de ziel—was het zeker dat zijooithun vader terug zagen?

„En wat brengt gij ons mee uit den oorlog?” vraagde Kees.

„Voor mij een geweer van de Roodbaatjes!” riep Alexander.

„En voor mij een sabel!” riep Steven, „zoo'n mooie lange sabel, waarmee ik tijgers en leeuwen kan doodslaan!”

„En voor mij 'n mooie pop!” riep de kleine Sien.

„De Roodbaatjes zullen u toch niet doodschieten?” vraagde Hendrik.

„God in den hemel kan het verhoeden,” zeide Kloppers; „zult ge voor Pake bidden, dat geen kogel hem treft, mijn lievelingen?”

Doch bij dit woord van hun vader kwam er een plotselinge ernst op die vroolijke kindergezichten.

„Ja Pake, wij zullen elken morgen en elken avond onze knietjes buigen, en onzen Heere in den hemel bidden, dat Hij u beware!”

„Doe dat, mijn lievelingen,” zeide Kloppers, en hij kuste hen tot een laatst vaarwel één voor één op den frisschen rozenmond.

Op dit oogenblik echter snelde Geertrui naar buiten en riep: „Ach Jan, Kareltje vraagt weer naar je!”

De bedroefde vader ging naar binnen.

„Pake, hier blijven,” fluisterde het kind, en zocht de hand van zijn vader.

Kloppers zette zich weer neer bij het ledikantje en nam de hand van den kleinen koortslijder in de zijne.

Nu was het kind weer bedaard.

Doch de plicht, de ijzeren plicht gebood.

„Geertrui!” zeide hij zacht—„het moet! hetmoet!”

Voorzichtig stond hij op, en maakte de kleine hand behoedzaam los uit de zijne.

Zwijgend nam hij afscheid van zijn vrouw. Het hart kan zoo vol zijn, dat er geen woord over de lippen kan.

Snel verwijderde hij zich, en hij zat reeds in het zaâl, toen hij door de open deur weer het smeekend geroep hoorde: „Pake, hier blijven!”

Neen, ze was niet uit te spreken, de pijn, die zijn hart verscheurde!

En een namelooze bitterheid steeg op in zijn ziel, en hij richtte den blik naar boven, en al bleven zijn lippen gesloten, in dien stommen blik naar boven, naar de hemelen, waar de Eeuwige en Rechtvaardige troont, lag een vreeselijke aanklacht tegen de politiek van Cecil Rhodes....

20)Engelschman.

Wat jaagt daar langs den heuvelrandIn 't nachtelijk duister voort?De hoefslag van het snuivend paardWordt wijd en zijd gehoord!In dichte drommen komen zij,Snel als de wervel, aan;De blanke loop der lange buksBlinkt in het licht der maan!En sneller jaagt langs berg en dalDe vlugge ruiterstoet,De stad des oproers in de flank,Den vijand tegemoet!Zij rijden tot de morgensterVerbleekt aan 's hemels trans;Zij rijden tot de dag hen groetIn morgen-zonneglans!

Wat jaagt daar langs den heuvelrandIn 't nachtelijk duister voort?De hoefslag van het snuivend paardWordt wijd en zijd gehoord!In dichte drommen komen zij,Snel als de wervel, aan;De blanke loop der lange buksBlinkt in het licht der maan!

En sneller jaagt langs berg en dalDe vlugge ruiterstoet,De stad des oproers in de flank,Den vijand tegemoet!Zij rijden tot de morgensterVerbleekt aan 's hemels trans;Zij rijden tot de dag hen groetIn morgen-zonneglans!

't Is nacht.

Helder flonkeren de sterren aan den diepblauwen, Afrikaanschen hemel, en de maan, die boven de verre heuvelen uitkomt, hult het eindelooze veld in een waas van witzilveren licht.

Hoe stil het is—hoe vredig!

Alles slaapt; alles rust.

De boomen, hier en daar als eenzame schildwachten verspreid, werpen hun breede, donkere schaduw, en nauwlijks bewegen zij hun bladeren, alsof ze bezorgd zijn, om het vogelke te storen, dat in het kunstig nestje, tusschen hun takken, rust en slaapt.

En aan hun voet kabbelt de kleine beek, en droomt de blanke veldbloem, en de engel des vredes schrijdt met zachten tred en uitgespreide vleugels over het aardrijk heen.

Maar hoort ge daar niets?

't Was de nachtwind maar, die in het struikgewas ritselt.

Neen, 't is toch de nachtwind niet.

Het geruisch komt uit de verte, en het klinkt anders dan het geritsel van den wind in het gebladerte.

Het ruischt als het breken der golf tegen het zeestrand bij het opkomen van den vloed.

Leg uw oor op den grond; dan kunt ge beter luisteren!

Het geluid komt al nader; nu dreunt het als het doffe getrappel van vele paardenhoeven in het lange Tamboeki-gras.

Zie, nu kan uw oog, bij het stralend licht der maan, de schaduw reeds onderscheppen, de reusachtige schaduw, die het geluid veroorzaakt.

Zij nadert snel—vol geheimzinnigheid—als op vleugelen gedragen!

Ge onderscheidt reeds de golvende manen, de blinkende geweerloopen, de strakke, ernstige gezichten!

Zie, daar is ze, de schaduw! De vlakte dreunt en bonst onder den hoefslag van vlugge paarden!

Op zij, onvoorzichtige! Maak ruimte—of die vreeselijke schaduw gaat over u heen! Want zij buigt noch ter rechter noch ter linker zijde—zij gaat recht uit—onweerstaanbaar als de bergstroom, die van de hoogten nederdondert....

Zie, daar is ze, de schaduw!

De troep is dicht aaneengesloten; de koppen der luid briesende paarden raken elkander.

Ontbloot uw hoofd, want wat u daar voorbij dreunt, is de trouwe, sterke Wacht, die het vaderland verdedigt in het uur van 't gevaar—het volk in de wapens!

En die daar, voor aan de spits, met dat ijzeren gelaat, is de bevelvoerder, en naast hem, op dien witten schimmel, met dat bliksemend oog, rijdt een grijze Voortrekker!

En in het midden van den troep wappert, in de gespierde vuist van een krachtigen ruiter, de oude Boerenvlag!

En hare banen ruischen in den nachtwind, en ruischen en bruischen het lied van vrijheid en recht.

Reeds is de ruiterstoet voorbij.

Als een vluchtige, geheimzinnige schaduw, zooals hij kwam, verdwijnt hij: de vlakten over, zonder ophouden, zonder rust. Hij glijdt de heuvelen op en de heuvelen af, langs kloven en afgronden, de rivieren door!

Niets, dat die schaduw keert.

En snel gaat zij als de jachthond, die den reebok vervolgt, als de wervelwind, die over de daken giert, als de zeilende wolk in het onmetelijk luchtruim....

Nu ziet ge niets meer dan een stip, en de stip lost zich op in de opstijgende dampen, en alles is voorbij.

Ge hoort niets meer dan het gekabbel van het beekje en het ruischen van den nachtwind in het loover der struiken—het visioen is voorbij.

Maar 't was geen visioen.

De man met dat ijzeren gelaat was de Kommandant, en die grijsaard op den witten schimmel de oude Kloppers, en zijn zoon Jan hield den vlaggestok omklemd met zijn sterke vuist.

„Van de snelheid onzer paardenhoeven hangt het lot af van ons volk,” had de Kommandant gezegd, en de Boeren hadden de sporen diep ingedrukt in de zijden hunner paarden.

Het was reeds dag, de eerste dag van het nieuwe jaar, toen de ruiterstoet den weg naderde, dien Jameson vermoedelijk zou passeeren op zijn tocht naar Johannesburg.

Frits Jansen, die zich bij het kommando had aangesloten, reikhalsde, alvorens hij in den oorlog ging, naar een verzoening met zijn vader, en daar de afstand, die hem van Waterfontein scheidde, thans niet groot meer was, vraagde hij aan den Kommandant voor eenige uren verlof, om te Waterfontein afscheid te nemen.

Na hetgeen Frits Jansen voor het vaderland had gedaan, kon de Kommandant dit verzoek niet weigeren, en den teugel wendend, reed de jonge Boer nu zijwaarts af naar de ouderlijke woning. Nauwlijks een uur later kreeg hij reeds het nieuwgebouwde huis in 't gezicht.

Hoe klopte zijn hart, toen hij in de verte de hooge boomen zag en de breede, lange oprijlaan!

Hij zag de beesten en schapen van zijn vader grazen tegen de heuvelen aan, en hij kon zelfs sommige ossen, zooals Rooiland, Bontberg en Witvoet, onderscheiden.

De Kaffers in het veld moesten hem echter hebben herkend, want met de hand boven de oogen naar den vreemden ruiter starende, maakten zij gebaren vol verwondering.

Waarom verwonderen zij zich toch?

Ach, de verwondering van deze schepsels was wel een bewijs dat de klove diep was, die hem scheidde van zijn vader.

Doch was zijn vader nog thuis? Of had hij van den inval al gehoord, en was hij reeds vertrokken naar het oorlogsveld?

Juist kwam een Kaffer hem tegemoet, maar het was voor Frits Jansen een wreede teleurstelling, van dezen te hooren, dat zijn vader reeds heden morgen met zijn broeders, die te Waterfontein op bezoek waren, weggereden was in den oorlog.

Tante Martje stond op het erf voor het huis, toen Sultan, dien zij eenige brokken brood toewierp, met vroolijk geblaf en groote sprongen wegijlde.

„Wat de hond toch hebben mag?”dacht zij en opkijkend zag zij in de oprijlaan den ruiter naderen.

Zij herkende hem onmiddelijk, en met een juichkreet liep zij hem te gemoet.

Hij sprong van het paard in de armen van zijn moeder.

„Frits, mijn kind, mijn lieveling!” riep ze, hem kussend; „kondt ge het in Rhodesia niet meer uithouden? Ik dacht het wel, ik dacht het wel!”

„Maar Vader is vertrokken,” zeide Frits Jansen, en de vreugde des wederziens werd voor hem getemperd door deze groote teleurstelling.

„Vier uren geleden is uw vader vertrokken,” zeide tante Martje zacht.

„En onverzoend!” klaagde Frits.

Zijn moeder wist niet, wat zij daarop zou zeggen, en was evenzeer bedroefd.

Frits staarde naar het nieuwe huis.

„Is Eliëzer nog niet terug?” vraagde hij.

„Neen—hebt gij hem gesproken?” was de wedervraag, terwijl het oog van tante Martje vol spanning rustte op haar kind.

Hij knikte bevestigend.

„Ik ontving verleden week een brief,” hernam zij,„dien gij schreeft na uw ontmoeting met het meesterke.”

„En wat heeft Vader van mijn brief gezegd?” vraagde Frits met bewogen stem.

Ach, waarom vraagde hij dat!

Kon zij haar zoon in dit aandoenlijk oogenblik, nu zijhem weer drukken mocht aan het moederhart, de volle waarheid zeggen? Kon zij hem zeggen, dat zijn vader den brief voor een grooten leugen—hield?

Neen, zij kon het evenmin doen als dat zij toornen kon op haar man, die door een vreeselijke vergissing rotsvast geloofde aan de schuld van zijn eigen kind.

Zij gaf geen antwoord op de vraag van Frits, doch hij begreep met smart, dat geen antwoord ook een antwoord was.

„Frits,” zeide zij eindelijk, „is de werkelijke brandstichter thans ontdekt? Is de zaak tot klaarheid gekomen? Is het vreeselijk raadsel opgelost?”

„Ja,” antwoordde hij, „Jack Williams moet de brandstichter zijn.”

„Heeft hij bekend?”

„Neen,” zeide Frits op kalmen toon, „maar ik kan bewijzen, datikhet niet hebkunnendoen. Vrouw Williams weet het, dat ik mijne kleeding, waaraan Eliëzer mij meende te herkennen, ten haren huize heb verwisseld tegen eene militaire uniform. Zij is mijn getuige.”

Het was tante Martje vreemd te moede.

Gisteravond had zij met haar man nog gesproken over Frits, doch hij had ten slotte met strengen blik en harde stem gezegd: „Hij is de brandstichter—noem zijn naam niet meer!”

En hier was nu Frits, en hij kon getuigen noemen!

Maar helaas, nu was alles te vergeefsch, want Reinard Jansen was reeds ver weg, en nog van daag—van daag!—kon de onvermijdelijke botsing met Jameson's troepen plaats hebben.

Onverzoend was Reinard Jansen in den oorlog getrokken, en zij wist dat het onbarmhartige Maxim van Engeland het leven der menschen afsnijdt als rijp gras....

Zwijgend gingen moeder en zoon naar binnen, waar de zusters hun broeder reeds tegemoet kwamen, en op verrasten, vroolijken toon riepen: „Wees welkom, Frits, wees welkom, en een gelukkig nieuwjaar!”

En de liefde en de hartelijkheid, waarmede moeder en zusters hem ontvingen, verkwikten de ziel van Frits Jansen.

Frieda nam hem het geweer af, en Lucie den bandelier.

„Dat is jouw geweer toch niet?” vraagde Frieda.

„Neen,” zeide Frits, „het is van Oom Kloppers. Het mijne is achtergebleven in Rhodesia.”

En nu vertelde hij op zijn eenvoudige, onopgesmuktemanier de lotgevallen zijner laatste dagen, den vreeselijken rit op leven en dood en den ontzettenden sprong over den gapenden afgrond.

En vol aandacht en aandoening zaten de huisgenooten te luisteren, en moeder Jansen hield de handen van haar wakkeren jongen in de hare, en staarde hem aan met vochtige oogen.

Ach, had Reinard Jansen er bij gezeten. Hoe zou hij aan de onschuld van zijn zoon hebben geloofd! Hoe zou zijn oog bij het verhaal der stoute daden van zijn kind hebben geschitterd van vreugde en glorie!

Hoe zou hij zijn moedigen jongen aan het hart hebben gedrukt, en hoe zou alle toorn en bitterheid zijn verzonken in een zee van eeuwige vergetelheid!

„Zijn de Kaffers rustig?” vraagde Frits.

Hij bedoelde de honderden Kaffers, die in een naburige goudmijn werkten.

„Zij hebben gisteren het werk gestaakt,” zeide tante Martje, „maar uw vader is gisteren avond nog laat naar hun woningen geslopen, en heeft geen onraad bespeurd.”

„Als ze maar niet door de Engelschen worden opgezet,” meende Frits.

„Uw vader vreesde het!”

„Blijf hier,” zeide Lucie, „om ons te beschermen!” doch Frits Jansen schudde het hoofd.

„Een overwinning op Jameson is de beste bescherming,” zeide hij, „maar die overwinning moet volkomen zijn en vernietigend!”

Hij keek naar de klok.

„Hoe lang zult ge hier vertoeven?” vraagde tante Martje, die wel begreep, dat haar kind niet zou blijven.

„Een uur,” zeide hij, maar zijn moeder smeekte: „Twee uur.”

„Nu dan,” meende hij met een zweem van zijn oude vroolijkheid, „we zullen het verschil deelen: anderhalf uur.”

Zoo bleef hij dan anderhalf uur, en al verliepen ze snel, het waren toch kostelijke oogenblikken. En al had Frits Jansen zijn vader niet ontmoet, het trouwe moederhart blonk hem tegen uit de oogen van tante Martje, en het schonk hem troost, moed en hoop, en volle vergiffenis voor de vreeselijke dwaling, die hem van de zijde der Boeren in de gelederen van Rhodes' aanhangers had gedreven.

Doch toen anderhalf uur was verstreken, wilde moeder Jansen haar kind ook niet langer houden. Wel was het hard, om haar kind, dat zij pas had terug ontvangen, weer af te staan, blootgesteld aan de slagen van den verderfengel, die oorlog wordt genoemd, maar zij deed voor Jan Kloppers niet onder in plichtsgevoel en vaderlandsliefde, en al was haar toestand zoo geheel anders dan die van Lena Marling, Lena's woord kwam ook over haar lippen:„De Heere zal het voorzien!”

En zoo nam zij afscheid van haar zoon, doch op dit oogenblik kwam de oude, knagende pijn bij Frits Jansen weer boven.

Onverzoend met zijn vader!—het stond weer met vlammende letteren voor zijn oogen.

Een verworpeling was hij! een ellendeling! een gevloekte! want hij had geheuld met de vijanden zijns volks!

Raadde de blonde Frieda zijn gedachten?

Zij nam zijn gelaat tusschen haar handen en zeide vol deernis: „Neen, broeder, zoo laten wij u niet gaan!”

Zij zette zich voor het orgel, en als een bede naar boven rees uit den mond van moeder en zusters het aandoenlijk psalmlied:

„De Heer zal u steeds gadeslaan.Opdat Hij in gevaarUw ziel voor ramp bewaar!De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan,En waar g' u heen moogt spoeden.Zal eeuwig u behoeden!”

„De Heer zal u steeds gadeslaan.Opdat Hij in gevaarUw ziel voor ramp bewaar!De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan,En waar g' u heen moogt spoeden.Zal eeuwig u behoeden!”

Doch Frits Jansen hief zijne stem op en weende.

De jonge ruiter zat in hetzaâl, en reikte moeder en zusters voor den laatsten keer de hand ten afscheid.

Een schaar duiven streek neer op het dak, en wijd, wijd uit de verte kwam een doffe slag als het rommelen van den donder.

Verwonderd keek tante Martje naar de lucht en zeide: „Hoe vreemd! Het begint te onweeren, en ik zie geen onweerswolken!”

Er volgde nog een slag en nog één, harder dan zoo even, en deze slagen schenen bij Frits een even plotselinge als wonderbare verandering te veroorzaken.

Zijn wangen begonnen te gloeien, en zijn oogen stonden star in de richting, van waar de slagen kwamen.

„Begrijpt gij het, Frits?” vraagde tante Martje.

„Ja,” zeide hij met luide stem, „ik begrijp het. Dat is niet de donder van het onweer, Moeder, maar de donder van het Engelsche geschut. Het kanon van Engeland roept mij, en—dood of levend!—ik zal den blaam uitwisschen, die door mij op den smetteloozen naam der Jansens is gebracht!”

Het was een aangrijpend tooneel: die krachtige jongeling in den vollen bloei zijner jaren, op den vurigen, trappelenden, koolzwarten hengst, gereed om zijn leven te geven voor de vrijheid van zijn volk, en naast hem die bedroefde moeder en die schreiende zuster!

Nog hield Frits Jansen zijn paard in, en een plotselinge ontroering gleed over zijn edel gelaat.

„Hebt gij mij nog iets te verzoeken?” vraagde tante Martje.

Hij boog zich voor over en fluisterend kwam het over zijn lippen: „Moeder, moederke, bid voor mij!”

Toen zette hij zich vast in het zadel, drukte de sporen in de zijden van zijn vurig ros, wuifde met de hand en snel vloog hij als een pijl uit den boog, den oorlog tegemoet en den donder van den slag....

Doch tante Martje zocht haar kamerke op, want haar hart was vol. En evenals Hanna hare ziel uitgoot in den tempel voor God, stortte moeder Jansen haar hart met al zijn angst en vreeze uit voor den Heere.

Het werd namiddag, toen Eliëzer terug kwam van zijn tocht naar Rhodesia.

Veel nieuws kon hij niet mededeelen, want het belangrijkste wist tante Martje reeds uit den mond van haar zoon, en zeker ware hij reeds eerder thuis geweest, had hij niet een vriend der Jansens meegebracht.

Deze vriend was het meesterke, die door tante Martjewerd ontvangen met de liefde, waarmede zij haar eigen kind zou ontvangen.

Het was geen wonder, dat het meesterke het niet meer uit kon houden in Rhodesia. De grond brandde onder zijn voeten, sinds hij wist, dat Frits was gedeserteerd. En de boer, bij wien hij huisonderwijzer was, gaf hem gaarne verlof, om te vertrekken, daar hij blind was voor de kostbare parel, die verborgen lag in deze nietige schelp.

Het meesterke was dus meegekomen, om Frits te helpen, zonder een flauw besef te hebben,ofenhoehij Frits Jansen zou kunnen helpen.

Hoe was toch alles zoo gejaagd en gehaast op dezen dag!

Frits zocht zijn vader op Waterfontein, en hij kwam te laat; het meesterke zocht Frits en kwam evenzeer te laat.

Ver, ver weg echter klonk, dof en dreigend, de donder van het kanon, en voor haar geestesoog zag moeder Jansen haar man en hare vijf zonen worstelen tegen dat overmachtig geschut....

Maar hoestondhet met het gevecht?

Niemand, die het wist!

Nu en dan kwam langs den heirweg een eenzame Boerenkrijger voorbij, wuifde met het geweer en sloeg de richting in naar Krugersdorp.

Doch vanKrugersdorpkwam niemand.

De zon brandde met gloeiende stralen boven Waterfontein, en toch kon tante Martje het in huis niet uithouden. Haar hart werd geslingerd en beefde als een riethalm, wanneer er de wind over heen gaat.

Het meesterke had rust genomen, want hij was dood op van de lange reis, doch na eenige uren verkwikkenden slaap was hij weer opgestaan en zeide tot moeder Jansen: „Tante Martje, ik ga met Eliëzer naar het slagveld.”

„Gij?” vraagde tante Martje vol verwondering; „gij zijt te bang, om een geweer af te schieten, en wilt gij naar het slagveld?”

„Ja,” zeide hij kalm, „ik ga.”

„En ik ben ook niet bevreesd,” voegde hij er aan toe, „want gij weet toch ook wel, dat de liefde de vrees buiten drijft.”

„En wat wilt ge er doen?” vraagde tante Martje, den zwakken jongeling aankijkende.

„Ik wil Frits zoeken; zien, of hij niet gekwetst is, en hem helpen, als ik kan.”

„In het gewoel van het gevecht?”

Hij knikte.

„En waarom mijnen man niet?” vraagde zij plotseling.

„Ik moet Frits zoeken,” zeide hij bepaald. „Frits en niemand anders. Ik word er toe gedrongen.”

Had hij een openbaring gehad, of dreef hem dat geheimzinnig voorgevoel, dat wij niet kunnen verklaren, en dat toch onze daden bepalen kan?

„Ga dan, en de Heere zegene u in uw edele taak,” zeide tante Martje bewogen.

De muisvale poney was gauw getuigd, en terwijl het meesterke zijn paard besteeg, was Eliëzer gereed te voet mee te gaan.

En wanneer men mij nu vraagt, bij wien de edelsteen der liefde helderder flonkerde: bij dien tengeren blanke met die zachte, weemoedige uitdrukking op het gelaat, of bij dien forsch gebouwden, zwarten zoon van Zoeloeland met die donkere, fonkelende oogen, dan moet ik het antwoord schuldig blijven!

Het ging tegen den avond, en de zon neigde reeds diep naar het westen, toen moeder Jansen weer op den uitkijk stond, en zij twee ruiters uit de richting van Krugersdorp zag naderen.

Zij reden hard; hun paarden waren met zweet bedekt.

De kleinste droeg den rechterarm in een doek, en de andere had zijn hoofd omwonden, terwijl een groote bloedvlek zichtbaar was op zijn wang.

Zij reden recht op moeder Jansen aan, doch hielden, bij haar komende, hun paarden in.

„Wie zijn jullie?” vraagde tante Martje.

„Geblesseerden van het Boerenkommando bij Krugersdorp,” zeide de grootste, wiens hoofd omwonden was, „en wij zijn door den Kommandant op kondschap uitgezonden, waar onze kanonnen toch blijven. Hebt ge niet wat te drinken, Nicht—wij hebben dorst!”

„Van Krugersdorp!” riep tante Martje, en haar hart sloeg hoorbaar: „hoe staat het met het gevecht?”

„Tot nog toe zijn de Engelschen door onze linie niet heen,” zeide de grootste.

„En ze komen er ook niet door,” zeide de kleinere, terwijl hij zich op de tanden beet van pijn, want de kogel scheen het been geraakt te hebben.

„Twee en een half uur hebben de Engelsche kanonnen enmaxims aan één stuk op ons geschoten en de klippen bont en blauw gebeukt, waarachter wij lagen,” zeide de grootste.

„Hebt gij ook iets van de Jansens gehoord?” vraagde tante Martje met een bevend hart.

„Van de Jansens?” zeide de grootste nadenkend. „Ik heb van een Frits Jansen hooren spreken—alle respect voor dien jongen man!—hij heeft zich kranig gehouden.”

„'t Is mijn zoon,” zeide tante Martje; „hoe is het met hem?”

„Toen ik over hem hoorde spreken, was hij nog ongekwetst. Maar 't is een kerel, moeder Jansen, ge moogt trotsch op hem zijn. Zoodra hij op het slagveld aankwam, heeft hij tot den Kommandant gezegd: „Dat maxim ginds hindert ons—ik zal het tot zwijgen brengen!” En dwars door den kogelregen is hij heengegaan, en heeft zijn woord gestand gedaan!”

Doch bij deze woorden kwam een gewaarwording op bij tante Martje, die zij niet beschrijven kon.

Was het angst voor het doodsgevaar, dat haar zoon had getrotseerd, of moedertrots over zijn heldenmoed?

Zij wist het niet—zij was vol vreeze en vreugde!

Intusschen naderde Frieda met twee tot aan den rand gevulde bekers.

„Brengt ge wijn?” vraagden de Boerenkrijgers.

„Voor onze helden wijn, en voor de Engelschen water,” zeide Frieda, en in lange, gulzige teugen dronken de gekwetsten de bekers leeg.

Toen dankten zij voor de genoten vriendschap, groetten het gastvrije Waterfontein en reden snel weg.

Maar moeder Jansen staarde hen na en zeide: „Welk een dag! Welk een nieuwjaar!”

Ja, welk een nieuwjaar!

Zoo'n nieuwjaar had de jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek nog nooit beleefd.

De Kommandant-generaal had het volk in alle richtingen te wapen geroepen, en met luide kreten van geestdrift was aan die oproeping gevolg gegeven.

Geen spoor van aarzeling of weifeling was er te ontdekken.

Van alle kanten kwamen de Boeren aanzetten op hun taaie, vlugge paarden, om Pretoria, den zetel van hetgouvernement, tegen een onverhoedschen aanval uit Johannesburg te dekken, de grenzen, waar nieuwe invallen dreigden, te beschermen, of om naar het Zuiden te trekken, Jameson tegemoet.

Er waren Boeren, die zich niet den tijd hadden gegund, om proviand mee te nemen op den tocht; anderen waren bij het hooren der tijding zoo van tafel te paard gesprongen; sommigen kwamen zonder zadel. Doch allen hadden een geweer, kruit en lood, een vluggen klepper onder de knieën, en een hart, dat brandde van verlangen, om den verraderlijken aanval te wreken.

Intusschen verloor Paul Kruger geen oogenblik zijn koelbloedigheid en vastberadenheid.

In den stal stond zijn gezadeld paard, en in den hoek van zijn arbeidsvertrek zijn geladen geweer.

En was aan de Engelschen de overrompeling van Pretoria gelukt, en waren zij zijn voordeur binnengestormd, om hem, den gewichtigsten man van den staat, gevangen te nemen, hij zou zijn geweer hebben genomen, den eerste den beste, die het dorst bestaan, aan hem de hand te leggen, hebben neergeschoten, en door de achterdeur zijn gevlucht. En hij zou de Boeren hebben aangevuurd in hun strijd voor vrijheid en recht, en zoo hij voor zijn volk de overwinning niet had kunnen behalen, hij zou met dat volk in eere zijn ondergegaan....

't Is waar, Cecil Rhodes had bij den beraamden inval in het Transvaalsche grondgebied gerekend op de betreurenswaardige staatkundige en kerkelijke geschillen in den boezem van het Transvaalsche volk, doch hij had buiten den waard gerekend, want toen de inval geschiedde, verdween alle twist en tweedracht als nevel voor den glans der middagzon!

Het was een eenig volk geworden, een volk van broeders, en de leuze: „Één voor allen en allen voor één!” was weer in eere hersteld.

Op het kerkplein te Pretoria ontmoetten elkander twee bejaarde Boeren die reeds lang door onderlinge partijschappen waren verdeeld. Jameson's inval had hen naar de wapens doen grijpen, en terwijl de grijskoppen elkander eenige oogenblikken vorschend in de oogen hadden gestaard, gaven zij elkander de hand, en de ééne zeide: „Wij hebben elkander in geen drie jaar gegroet van wege de kerkelijke kwestie, maar thans zijn wij weer één, broeder, want de onafhankelijkheid van ons land loopt gevaar.”

Men zou honderden van die voorbeelden kunnen aanhalen; ze grepen overal plaats.

Het vuur der vaderlandsliefde verteerde allen haat en bitterheid, en schouder aan schouder trokken de Boeren op—in het gelid—! voor vrijheid en recht—!

„Halt!” roept de dappre Kommandant:„Stijg af! 't Geweer ter hand!Wij strijden heden voor 't rechtVan 't dierbaar Vaderland!”Gij vraagt: „Wie is die ruiterstoet?”Reeds antwoordt hun geweer!Reeds legt het wreekend BoerenloodDe trotsche Britten neer!Wel dondert het Maxim-kanonde Boeren tegemoet,Doch hun geleed'ren wanklen niet,Hij wankelt niet, hun moed!De zon ze stijgt, de zon verdwijnt,Nog altoos woedt 't gevecht,Maar toen de nieuwe morgen kwam,Toen werd de strijd beslecht!God zelf had in der Boeren hartEen stalen moed gewekt.En hen in 't heetste van 't gevaarAls met een schild gedekt!Vernietigd was het Britsch geweldMet al zijn wapenpraal,En over 't veld der dooden woeiDe Vierkleur van Transvaal!

„Halt!” roept de dappre Kommandant:„Stijg af! 't Geweer ter hand!Wij strijden heden voor 't rechtVan 't dierbaar Vaderland!”Gij vraagt: „Wie is die ruiterstoet?”Reeds antwoordt hun geweer!Reeds legt het wreekend BoerenloodDe trotsche Britten neer!

Wel dondert het Maxim-kanonde Boeren tegemoet,Doch hun geleed'ren wanklen niet,Hij wankelt niet, hun moed!De zon ze stijgt, de zon verdwijnt,Nog altoos woedt 't gevecht,Maar toen de nieuwe morgen kwam,Toen werd de strijd beslecht!

God zelf had in der Boeren hartEen stalen moed gewekt.En hen in 't heetste van 't gevaarAls met een schild gedekt!Vernietigd was het Britsch geweldMet al zijn wapenpraal,En over 't veld der dooden woeiDe Vierkleur van Transvaal!

Maandag 30 December 's namiddags vijf uur ontving Kommandant Cronjé, wien wij gaarne de hulde brengen, dat hij een der wakkerste en bekwaamste bevelvoerders is der Zuid-Afrikaansche Republiek, per expresse bestelling uit Potchefstroom in zijn landelijke woning het verrassendebevel, om zich onmiddellijk gereed te maken, om Jameson's troepen te keeren.

Cronjé is een geboren strateeg, en hij vermoedde onmiddellijk, dat de Engelschman gezocht moest worden in de richting van Krugersdorp. Hij liet dus de burgerwacht opkommandeeren naar Ventersdorp, en vertrok met zijn vier zonen den volgenden morgen te vijf uur naar Ventersdorp, dat na een harden, zesurigen rit te elf uur in denvoormiddagwerd bereikt. Hier waren reeds 70 gewapende Boeren verzameld, en werd de rit onmiddellijk voortgezet, totdat men des namiddags drie uur Mooirivier bereikte. Om zes uur 's avonds werd de tocht opnieuw aanvaard, en terwijl den ganschen nacht werd doorgereden, bereikte Cronjé met zijn manschappen bij het krieken van den eersten dag van het nieuwe jaar, na twintig uren in het zadel te hebben gezeten, aan de spits van 250 Boeren Krugersdorp.

Het was een geduchte krachtsinspanning geweest, maar de Kommandant smaakte, nu hij den hoogsten heuvel bij het Krugersdorper spoorweg-station beklom, om den omtrek op te nemen, ook de voldoening, dat hij Jameson was voor geweest. En nu eerst gaf hij aan zijn manschappen, die er wel behoefte aan hadden, verlof om af te zadelen en uit te rusten.

Doch zelf gunde de dappere bevelvoerder zich nog geen rust. Hij telegrafeerde naar Pretoria zijn aankomst, gaf de richting op waar volgens de laatste rapporten Jameson moest zijn en verzocht om artillerie.

Om negen uur van dennieuwjaarsmorgenstelde Cronjé de slagorde op, en nam een zeer geschikte positie in op een half uur afstands ten westen van Krugersdorp, terwijl Kommandant Malan van Rustenburg, na eene rit, die voor dien van Cronjé niet onder deed, met 250 man, en Kommandant Potgieter van Krugersdorp met 100 man kwamen opdagen, en aan het kleine legertje van Cronjé een zeer welkome versterking boden. Nu kon men de lijn der verdediging uitbreiden, en terwijl de Boeren zich in groepen verdeelden, achter heuvels, in slooten, tusschen klipwallen stelling namen, waren de Engelsche troepen genaderd.

Jameson waande zich van de overwinning zeker.

Zijn laatste halteplek vóór Krugersdorp was Rietspruit, bij een winkel. De geheele voorraad eet- en drinkwaren werd opgekocht, en Jameson zeide heel bedaard tot den winkelier, die om betaling vroeg: „Stuur je rekening maaraan Dr. Jameson te Johannesburg. Daar zal ik morgen zijn na eerst een paar schermutselingen met de Boeren gehad te hebben, want ik ga den weg voor mij schoonvegen.”

Vol zelfvertrouwen trokken de troepen nu op Krugersdorp los, en terwijl Jameson de burgerij liet waarschuwen, vrouwen en kinderen te verwijderen, want binnen een half uur zou hij het dorp bombardeeren, opende hij 's middags te drie uur het vuur uit zijn grof geschut.

Het eerste schot was te kort; het tweede ging veel te ver, doch de derde bom ontplofte in de gevaarlijke nabijheid van eenammunitie-wagen, waar Boeren bezig waren, zich van patronen te voorzien, doch niemand hunner werd gekwetst.

„Sommige huizen,” schreef een ooggetuige, „waren liederlijk vol gaten geschoten door die bom. Hier zien wij de hand van God; de kogels gaan in de huizen, maar niet in de Boeren.”

Frits Jansen was op het oorlogsterrein aangekomen, en wendde zich naar een vallei, waar een stoet Boerenpaarden schuilden onder de hoede van twee Boeren.

De scherpe knal van het geweer vermengde zich met den luiden knal van het kanon.

„Hoe staat het?” vraagde Frits Jansen.

„De Maxims zijn gevaarlijke dingen,”zeidede jongste der twee Boeren; „onze manschappen kunnen niet dicht genoeg bij den vijand komen; wij moesten ook kanonnen hebben.”

„We zullen ze ook zonder de kanonnen wel klein krijgen,”zeide de oudste, die een wild geworden paard trachtte te bedaren. „Stil paardje—we hebben ze zonder kanonnen wel van den Amajuba gehaald—sta dan, bruine!”

Frits nam het geweer van den schouder, en spoedde zich naar een wal van harde klippen, waar achter zich een groep Boeren had vastgezet. Hij voegde zich bij hen, schoof den eersten scherpen patroon in den loop van het geweer, en staarde vol aandacht over het slagveld.

Het was een snikheete dag, zonder wind, en grijze kruitwolken dreven langzaam omhoog.

De Maxims waren nog in volle werking, doch plotseling verstomde het kanonvuur, en een afdeeling cavalerie ginggevolgd door een Maxim, met het blanke wapen los op een Boerenstelling, bezet door manschappen van Kommandant Malan.

Nóg was het stil achter de bruine heuvelen, maar onverhoeds werden de breedgerande Boerenhoeden zichtbaar, kleine rookwolkjes teekenden zich boven den top der hoogten, en de korte, scherpe knal van het Boerengeweer werd gehoord.

Ruiters waggelden op hun paarden of stortten voorover uit het zaâl; gewonde paarden steigerden wild omhoog, en de schitterende ruiterstoet holde, door de Boerenkogels achtervolgd, in schromelijke verwarring terug.

Het Maximkanon werd achtergelaten, doch later door de Engelschen teruggehaald. Een ongeduldige Boer had tot Cronjé, den Kommandant, gezegd: „Laat ons dat Maxim pakken,” en Cronjé had bedaard geantwoord: „De springbok is reeds gekwetst; hij moet van zelf in onze handen vallen, heb maar geduld, ouwe!”

Een nieuwe afdeeling cavalerie stormde thans voorwaarts, doch in een andere richting, om den ijzeren gordel te breken, door een paar honderd Boeren gespannen. Zij trokken recht af op de verschansing, waarachter Bodenstein met zijn burgers stelling had genomen, doch dezeafdeelingwerd volkomen vernietigd. Niemand keerde terug. Wat niet sneuvelde, moest zich overgeven.

Hier was het, dat een Transvaalsche Boer, (genaamd Jakobs), door barmhartigheid gedreven, een gewonden Engelschman laafde met water uit zijn veldflesch, doch door dezen man werd doodgeschoten. Een andere Boer, die het zag, joeg toen in zijn verontwaardiging den Engelschman een kogel door het hoofd.

In begrijpelijke spanning was Frits Jansen deze tooneelen met zijn oogen, zoover als hij het waar kon nemen, gevolgd, en met een luid hoera bemerkte hij, dat de vijand na deze mislukte cavalerie-aanvallen was genoodzaakt, om zijn oorspronkelijke richting op te geven en naar het zuid-oosten af te deinzen.

Doch hij keerde de Boeren, die hem wilden achtervolgen, op door het vuur van vier Maxims.

De Kommandant was nu in de nabijheid gekomen van den klipwal, waar Frits Jansen zich bevond.

„Hoe jammer,” zeide hij, „dat er onze kanonnen nog niet zijn; dat ééne Maxim daar links vooral hindert ons geweldig.”

Frits had die woorden gehoord, en richtte zich op van achter de klip.

„Dat Maxim zal ik het slot op den mond leggen, Kommandant,” zeide hij vastberaden.

De ervaren bevelhebber schudde het hoofd.

„'t Is haast niet te doen,” zeide hij.

„Ik zal het wagen,” meende Frits.

„De Maxims vegen het veld schoon als de bezem den dorschvloer,” zeide de Kommandant.

„Niet elke kogel treft,” zeide Frits bedaard.

„Ik mag zoo'n jeugdig leven niet prijsgeven aan een bijna onvermijdelijke dood,” zeide de Kommandant, terwijl zijn oog vol deelneming rustte op de frissche krachtige gestalte van den jongen krijger.

„Ziet u die sloot?” vraagde Frits.

De Kommandant knikte bevestigend.

„En dien klipstapel daarginds?” vraagde Frits, de hand uitstrekkend.

„Ik begrijp u,” zeide de Kommandant. „Door de sloot komt ge nog wel heen, dat geloof ik ook, maar of gij de klip kunt bereiken van uit de sloot, dat is de vraag.”

„Ik zal het onderzoeken,” zeide Frits.

Er lag geen zweem van grootspraak in die woorden, doch vrees evenmin.

„Nu, ge moet het zelf weten,” meende de Kommandant, wien de gedachte begon te bekooren, dat het brutale Maxim tot zwijgen zou worden gebracht.

„Ikzalhet weten,” zeide Frits met moedige stem, en over den beschermenden klipwal heenspringend, dook hij weg, plat op zijn buik, in de sloot, die als een soort loopgraaf in schuine richting naar het Maxim liep.

Als een slang sloop hij vooruit, tot hij de klip, die hem als dekking moest dienen, tot op vijf pas was genaderd.

Nu wachtte hij een oogenblik.

Een regen van kogels hagelde over het veld.

Ja, 't was een gevaarlijk stuk werk.

Langzaam, voorzichtig dook hij op uit de sloot, en met den sprong van een panter wierp hij zich achter de klip.

Hij haalde ruim adem.

Geen kogel had hem getroffen; zelfs geen schram had hij opgeloopen.

Dat meende hij ten minste. Daarom verwonderde hij zich te meer, dat hij bloed bespeurde op zijn jas.

Hij betastte zijn hoofd, zijn lichaam en stroopte zijn armen op. Een schampschot had zijn linker voorarm geraakt.

„Een veeg van het vel,” dacht hij, voorzichtig over den klipstapel heenglurend naar dat moordwerktuig daar voor hem, dat Maxim wordt genoemd.

O hij kende het wel; hij was met de constructie volkomen op de hoogte.

Datis de lange, bronzen loop, endatis de pantserplaat, waarachter gedekt de artillerist zijn vreeselijk werk kan uitvoeren. Onder den vuurmond, in de kist, liggen opgevouwen banden, waarvan elke band 300 of meer scherpe patronen opneemt. Het einde van den band wordt in een sleuf van het kanon gebracht, en één druk op den dubbelen knop van den drukstang is voldoende, om het vernielende vuur te openen.

Daar achter die pantserplaat voelt de artillerist zich zoo veilig als de Boer achter zijn klipwal, maar Frits Jansen zal hem bewijzen, dat de Transvaalsche scherpschutter den doodelijken kogel door het kleine ronde kijkgat der pantserplaat weet heen te schieten.

Frits Jansen onderzoekt nog eens zijn Henri-Martini-geweer, meet op het gezicht nauwkeurig den afstand—zooveel meter—en stelt het vizier.

En nu ligt hij achter de klip in hinderlaag als de jager, die loert op het wild, en al zijn kracht schijnt zich samen te trekken in dat speurend, flikkerend oog en in dien vinger aan den trekker van het geweer, en nu en dan wordt een klein, nietig rookwolkje zichtbaar boven de klip, en tuimelt een artillerist, als door den bliksem getroffen, tegen den grond.

Vijf artilleristen liggen dood neergestrekt bij het kanon, en niemand wil de zesde zijn.

Frits Jansen heeft zijn woord gestandgedaan: hijheefthet Maxim een slot op den mond gelegd, maar een der Engelsche officieren, die het Maxim nadert, wendt zich met een streng gelaat tot eenige manschappen, die plat op den buik achter den vuurmond liggen.

„Waarom vuurt ge niet?” roept hij woedend. „Merkt ge dan niet, ezels, dat de Boeren beginnen op te dringen aan dezen kant?”

„Me dunkt, luitenant,” zegt één der manschappen, „dat wij ons daggeld van daag al zuur genoeg hebben verdiend. Daar achter dien grijzen klipstapel zit een scherpschutter,die onze mannen wegblaast als kaf. Reeds vijf zijn het hoekje om, en als wij het Maxim nog twintig minuten bedienen, dan is het dozijn vol.”

De officier zegt geen woord, maar neemt den omtrek nauwkeurig op. Hier en daar verspreid, ziet hij groote klippen, die als borstwering dienst kunnen doen.

„Ik zal onmiddellijk eenige scherpschutters laten komen,” zegt de officier,„en dan zullen wij eens zien, of het de Boer niet te heet krijgt achter die klippen.”

Geen twee minuten later is hij reeds terug met drie scherpschutters.

„Kan jullie den Boer daar achter die klip niet wegknallen?” vraagt hij.

„Dat kunststuk is niet zoo groot,” meenen de scherpschutters; „we zullen hem omtrekken, ieder achter een klip dekking nemen, en hem wegschieten als een vogel van zijn nest.”

Het gevecht van Krugersdorp is een aaneenschakeling geweest van bloedige schermutselingen, die in een wijden kring hebben plaats gehad, en terwijl Frits achter den grijzen klipwal het Maxim in bedwang hield, waren Reinard Jansen en zijn vier andere zonen op een geheel ander terrein van het slagveld.

Juist had baas Jansen met zijn strijdmakkers een wanhopige poging der Engelschen, om hier door te breken, met kracht en succes weerstaan, en daar de vijand op ditpuntwel geen nieuwen aanval zou wagen, had hij zich met een afdeeling Boeren naar eene andere plek gespoed, waar zijn hulp misschien van noode zou kunnen zijn.

Zoo ontmoette hij een groep jonge Boeren, goed gedekt achter een aarden verschansing en voegde zich bij hen.

Hij, Reinard Jansen, was in een opgewekte stemming. Zijn oogen straalden van strijdlust, en de oude pijn, dieknaagde aan zijn hart, scheen begraven te worden in den kruitdamp en den kogelregen van Krugersdorp.

„Heb je ook al een roodbaatje doodgeschoten?” vraagde een heldere stem vlak naast hem.

Reinard Jansen keek den spreker aan: een aardigen, guitigen jongen van misschien twaalf jaar.

„Zoo kleine kerel,” zeide Jansen verwonderd, „waar kom jij van daan?”

„Uit Krugersdorp,” zeide de jongen op vroolijken toon; „ik behoef van daag eens lekker niet naar school.”

De Boer kreeg pleizier in den jongen.

„Leer je goed?”

„Leeren?” antwoordde de jongen, de schouders ophalend; „mijn vader zegt dat ik er een broertje aan dood heb.”

Hij haalde een stuk chocolade uit zijn zak.

„Ook een stuk, Oom? 't Is goeie, hoor! Ik heb ze zoo even dien dooden Engelschman uit den zak gehaald. Kijk, daar ligt hij, bij die struiken!”

„Ge moet van de lijken afblijven,” zeide baas Jansen op strengen, berispenden toon.

„En de chocolade laten bederven?” vraagde de jongen in de grootste verbazing; „'t zou toch zonde zijn! Hier, Oom, heb je ook een stuk! Licht dat wij er dàt van hebben!”

Er kwam een heldere glimlach op Jansen's stroef gelaat.

„Jij bent een vreemde snaak,” zeide hij; „waar is je geweer?”

„Hier, Oom!” zeide de jongen, een Engelschen karabijn omhoog houdend.

„Waar heb je dat gehaald?”

„Wel van dienzelfden dooden Engelschman—dat mag zeker ook niet?”

„Datmag wèl,” zeide Jansen met nadruk.

„Hoe heet jij?” liet hij er op volgen.

„Pieter Kooten, Oom.”

„En wat moet je worden?”

„Mijn vader is schoenmaker, Oom, en dat wil hij mij nu ook maken, maar ik besterf het, als ik dat moet worden. Dat gaat den geheelen dag maar zoo; Ssiet—ssiet,” en hij maakte het gebaar van pikdraad trekken.

Jansen keek scherp over de verschansing heen. Hij meende, achter een heuvel de punten van eenige Engelsche pinhelmen waar te nemen, doch die punten verdwenen weer.

„Zoo, jongen, zoo,” zeide Jansen vriendelijk, „en waar heb je eigenlijk zin in?”

„Ik wil boer worden, Oom, boer, midden in de wildernis, en niet in zoo'n eng gat, zoo'n schoenmakershok, worden opgesloten!”

„Ben je ook boer, Oom?” liet hij er op volgen, een nieuwsgierigen, vorschenden blik op zijn buurman werpend.

„Ik denk het wel,” zeide Jansen in de beste luim, „en je komt mij later maar eens opzoeken, als je vader het goedkeurt, en ge vraagt dan maar naar meester Jansen op Waterfontein, en ik zal zien, of ik dan nog niet een flinken boer van je kan maken.”

„Ten minste, als wij beiden er hetlevendafbrengen,” liet hij er ernstiger op volgen.

„Maar wat heeft je toch bewogen om mee te vechten?” vraagde Reinard Jansen.

„Wel Oom,” zeide de leuke jongen, „in de eerste plaats behoef ik nu niet in het muffe schoolgebouw te zitten, en ten andere wou ik dolgraag meehelpen, om de Engelschen op hun baatje te geven. Ge hadt het daar straks maar eens moeten zien, Oom, toen die Engelschen op hun brieschende paarden kwamen aanstormen! Men zou gedacht hebben, dat er van ons geen stuk of staal was terecht gekomen maar ja wel hoor—boem!—daar lagen ze! Ik heb nooit van mijn leven zoo'n herrie gezien, als toen onze kogels er tusschen vlogen!”

„Maarjijhebt toch niet geschoten, Piet?”

De jongen schudde het hoofd.

„Ik had dat geweer nog niet, maar ik riep maar: „Ssa!—toe jongens!—schiet die roode rakkers dood!” en toen deden zij 't.”

Baas Jansen moest er toch om lachen, zooals die jongen dat vertelde, maar hij brak het gesprek nu af, en klom boven op de aarden verschansing om het terrein op te nemen.

De veldkornet21),een betrekkelijk jonge man met een innemend, schrander uiterlijk, wien men bij den eersten oogopslag kon aanzien, dat hij een broer was van Lena Marling, stond naast hem, met den verrekijker in de hand.

„De Roodbaatjes laten ons hier nog al lang met rust,” meende Jansen.

„Ik had ze zooeven verwacht,” zeide de veldkornet, „maarzij schijnen het niet aan te durven,” en de hand uitstrekkende, beval hij met luide stem: „Op mannen! Wij zullen onmiddellijk gindschen heuvel bezetten, om dichter bij den vijand te komen!”

Het bevel werd stipt en snel uitgevoerd, en Jansen was met den veldkornet een der eersten boven op den hoogen heuvel, van waar men een uitstekend vergezicht had.

„Ginds staat een Maxim,” riep Reinard Jansen.

„En het geeft geen vuur!” liet hij er in verbazing op volgen.

„Ik heb het reeds opgemerkt,” zeide de veldkornet, terwijl hij den verrekijker van de oogen nam en aan Jansen overreikte.

De Boer nam het instrument en staarde aandachtig naar het zwijgende Maxim. Vervolgens onderzocht hij, den verrekijker langzaam wendende, den omtrek.

Op een grijzen klipheuvel bleef de verrekijker wat langer gericht.

„Ge ziet die grijze klip zeker?” meende de veldkornet; „ik heb ze ook opgemerkt. Daar zit één der onzen, die dat leelijke beest in bedwang houdt.”

Hij bedoelt met het leelijke beest het Maxim.

Jansen echter zeide geen woord.

„'t Is een voorgeschoven post der onzen—een kloek en kranig stuk,” zeide de veldkornet. „'t Is ongehoord, om metéénman een Maximkanon te muilbanden!”

Doch waarom begint de kijker te schudden in de handen van baas Jansen? Waarom beefde die hand, die zoo even, in de bloedige worsteling, geen beven had gekend? Waarom week de laatste bloeddrup uit zijn gelaat?

„Wordt ge niet wel?” vraagde de veldkornet bezorgd, meteen de zonen van Jansen roepend, die achter den heuvel stonden.

Doch Reinard Jansen riep met heftig bewogen stem: „Ginds, achter de klip, ligt mijn kind, en hij houdt geheel alleen een Maxim in toom!”

Hij sprong op; hij stormde de helling af en zocht zijn paard.

„Vader,” riep Zeger, „wat wilt ge?”

„Wat ik wil?” antwoordde hij. „Wat ik wil? Begrijpt ge dan niet, dat Engeland zijn scherpschutters op mijn Frits zal afzenden, en hem een kogel zal jagen door het moedige hart? Ik wil hem redden; redden wil ik hem—of met hem sterven!”

Zeger wenkte zijn broeders.

Hij behoefde geen woord te zeggen; zij begrepen hem. En zonder twijfel! zij zouden hun vader volgen tot in den muil van den leeuw....

In groote sprongen ijlde de oude Jansen zijn kinderen vooruit, om zijn paard te zoeken, dat met een stoet andere paarden in een vallei dicht bij een plas troebel water, gedeeltelijk gekluisterd en onder behoorlijk opzicht, liep te grazen.

Was de stugge, harde Jansen, die niets vergeten kon, vergeten, dat zijn zoon een brandstichter was? Vergeten, dat hij met Cecil Rhodes, den vijand zijns volks, had geheuld?

Neen, hij was het niet vergeten, doch als bij ingeving begreep hij, dat Frits zijn vreeselijke dwaling thans wilde goed maken met zijn bloed en zijn leven, en al had FritstienWaterfonteins in vlammen doen opgaan, de oude Jansen zou het hem thans vergeven hebben!

Waar waren nu zijn toorn en bitterheid? Ze waren verdwenen als een mistwolk voor de morgenzon; ze waren verteerd als een ijle vlasdraad in de hitte van het vuur, en geen hijgend hert, der jacht ontkomen, kon sterker schreeuwen naar de frissche waterbronnen, danzijneziel schreeuwde naar verzoening met zijn kind! En bij het kletteren van den ijzeren hagel der Maxims, in het aangezicht des doods, wilde hij zijn kind in de ooren fluisteren: „Frits mijn jongen—'t is alles, alles vergeven! Gij zijt geen bastaard, maar mijn kind, mijn lieveling! Wij zijn verzoend!”

Ja verzoend! doch de gedachte, dat hij te laat kon komen en dat zijn kind onverzoend met zijn vader voor den eeuwigen Rechter van hemel en aarde zou kunnen verschijnen was hem schier ondragelijk, en hij steunde als een hert, dat de wond voelt, diep in de borst....

Hij had nu zijn paard gevonden, en terwijl hij in 't zadel sprong, deden zijn zonen hetzelfde.

Hij keek hen even aan zonder iets te vragen.

Doch met het geweer in de hand en zwart van den kruitdamp, kwam de oude Dirk Kloppers juist aan van den anderen kant.

Hij greep den bruinen klepper van Reinard Jansen bij den teugel en riep: „Halt Neef, waarheen?”

„Dáár heen!” riep Reinard Jansen, met de hand wijzend, en in korte, ongeduldige woorden deelde hij de reden mee.

Om den hoek van den heuvel verscheen thans eenordonnansvan kommandant Cronjé.

Hij had hard gereden; het schuim spatte het paard van de flanken.

„Laat los!” riep Reinard Jansen, doch de oude Voortrekker hield den teugel nog vast van den bruinen klepper.

„Wacht nog even, om te hooren, wat de ordonnans heeft mede te deelen,” zeide hij bedaard, en de ordonnans, zijn paard stil houdend, riep haastig: „Mannen, ge gaat de verkeerde richting uit! Ik zal u den weg wijzen! Allen te paard! Snel, snel! Waar is de veldkornet? De Engelschen staan op het punt om door te breken!”

Het gelaat van Reinard Jansen werd valer dan de vale klip, waartegen zijn bruine klepper de voorhoeven sloeg, en in het hart van den ongelukkigen man moest de strijd worden uitgestreden tusschen vaderliefde en burgerplicht.

Doch de wijze grijsaard van Vredenoord begreep dien strijd, en hij zeide met diep ernstige stem: „Zult gij de heilige zaak, waarvoor uw kind zijn leven waagt, bederven door er de Engelschen door te laten? En is God, Die ons niet handelt naar onze zonden, niet machtig, om uw kind te bewaren?”

Langzaam wendde Reinard Jansen den klepper, doch toen gaf hij zijn paard de sporen, en snelde met zijn strijdmakkers naar het bedreigde punt.

En deze daad was grooter dan de daad van Jan Kloppers, toen hij zich losscheurde van het krankbed van zijn doodziek kind, en grooter dan de daad van moeder Jansen, toen zij haar pas terug ontvangen kind weer afstond aan de vreeselijke kansen van den oorlog.

En met saamgeperste lippen en gefronste wenkbrauwen heeft Reinard Jansen, gelegen achter den harden bazaltmuur, tegen welken de Engelschen met groote dapperheid instormden, en elken keer, dat zijn breedgerande hoed zichtbaar werd boven de borstwering, heeft zijn kogel een Engelschman neergestrekt.


Back to IndexNext