HOOFDSTUK XXXVII.

21)Bevelvoerende Boerenofficier.

De stilte van den avond is nedergedaald op het oord waar eenige uren geleden zoo grimmig is gevochten.

Ge kunt de sporen van den strijd nog zien bij het licht der Afrikaansche sterren, en tusschen de door hoeven van vele paarden geknakte grashalmen en vertrapte veldbloemen schemeren kleine, donkerroode, opgedroogde plassen—plassen van menschenbloed.

Doch het gewoel van den strijd heeft zich verplaatst, en het geweervuur, dat de stilte verbreekt, komt wijd uit de verte.

Twee personen betreden thans het uitgestrekte terrein van het slagveld, en een groote hond loopt, met den neus langs den grond speurend, en in wijde kringen wegsnellend, om telkens terug te keeren, voor hen uit.

Het zijn een blanke en een kleurling.

De kleurling wendt zich nu links, en de blanke rechts.

De blanke roept: „Sultan,” en de hond volgt hem.

De blanke is ons even goed bekend als de kleurling, die zich snel verwijderend, in de duisternis niet meer zichtbaar is.

Het meesterke, de blanke, heeft met grooten vlijt geinformeerd naar Frits Jansen, doch niemand heeft hem meer gezien sinds hij achter den grijzen klipstapel de bemanning van het Maxim wegschoot. De Boeren, bij wie Frits Jansen zich had aangesloten, alvorens hij den even stouten als vermetelen aanval op het Maxim had gewaagd, waren door de wanhopige pogingen van Jameson, om door te breken, telkens verplicht geworden, om van positie te veranderen, en nog op dit oogenblik stonden zij, maar op een geheel andere plek, met den vinger aan den trekker van hun geweer. Zij vermoedden, dat het Maxim door de Engelschen reeds lang verplaatst was, en meenden, dat Frits Jansen het er goed had afgebracht.

Doch zij hadden er geen bewijs voor, en daar Frits Jansen bij de Boeren, die het meesterke heeft gesproken, niet is te vinden, is zijn hart vol zorg en kommer.

Gebukt loopt hij het terrein af, onderzoekt zorgvuldig den grond, enkamptmanmoedig tegen het innerlijke afgrijzen, dat hem aangrijpt op het veld van dood en vernieling.

Ja, 't is vreeselijk, zoo'n slagveld bij nacht, en sterker zenuwen dan die van het meesterke zouden er van terugdeinzen. Engelsche bommen hebben diepe kuilen in den grond geboord, boomen ontworteld, huizen uiteengeslagen. Hier ligt een muilezel met opengescheurden buik, ginds een infanterist met het hoofd voorovereneenige grashalmen in zijn verstijfde vingers, die hij in zijn doodstrijd uit den grond heeft gescheurd. Op een vlak terrein staat een Engelsche transportwagen, en het huiflinnen gelijkt op een zeef: zóó is het doornageld door de kogels der Boeren. Voor den disselboom liggen een paar ossen, en daarnaast de leidsels in de ééne en de zweep in de andere hand, een Kaffer met akelig opengesperde oogen. Waarschijnlijk heeft hij de ossen tot een uiterste krachtsinspanning willen aanzetten, om met den wagen uit het bereik van de vreeselijke Boerenkogels te komen, maar de dood heeft hem en zijne ossen overrompeld. Twintig pas verder staat een paard vredig te grazen, en somwijlen wendt het den korten nek naar zijn rechterzijde, en gaat met den ruigen kop snuivend over het doode lichaam van zijn ruiter, wiens hart heden middag nog zoo krachtig en moedig heeft geklopt. Met de linkerhand houdt de doodecavaleristnog de teugels van zijn paard omklemd, en in de rechterhand blinkt het blanke lemmet van zijn degen. Nu en dan doet het paard, naar voedsel zoekend, eenige stappen voorwaarts, en sleurt zijn ruiter mede....

In een onbeschrijfelijke gemoedsstemming zet het meesterke zijn treurigen tocht voort.

Hij hoopt Frits Jansen niet te vinden, want dan is hij waarschijnlijk nog onder de levenden, en onder het geweervuur, dat op dit oogenblik weer levendiger wordt, is misschien zijn schot.

Zooveel te beter, als het waar is, doch het onverklaarbaar gevoel, dat hem naar het slagveld dreef, bindt hem ook vast aan dat veld.

Nu en dan houdt Sultan bij zijn naspeuringen stil, stoot een kort geblaf uit en gaat weer door.

En diepernstige gedachten gaan door de ziel van het meesterke, terwijl hij hier wandelt op dit veld der dooden, en een diepe droefheid vervult zijn ziel.

Wat al bloed is er vergoten van af het bloed van den onschuldigen Abel, dien Kaïn doodsloeg, tot den laatsten verslagene toe, die hier op de velden van Krugersdorp is neergelegd! En welk een donkere, onmetelijke zee van bloed stroomt door de geschiedenis der menschheid heen! En als eens al de tranen waren vergaderd, die om die zee van bloed zijn geschreid, ze zouden een oceaan vormen van bruischend wee! En als eens al die gebroken harten waren geteld, welke die tranen hadden gestort, hun getal zou zijn als het getal der sterren, die zoo kalm en vriendelijk hun eeuwige banen beschrijven boven dit oord van zonde, jammer en ellende, dat aarde heet....

Peinzend schrijdt het meesterke voort.

De nachtwind strijkt over het veld, en het geruisch in de lage struiken ruischt hem in de ooren als een lange, bange stervenskreet....

Doch plotseling wordt hij uit zijn droeve mijmeringen gewekt door een luid en angstig geblaf uit de verte.

Dat is Sultan's stem.

Met een bonzend hart loopt het meesterke in de richting, van waar het geluid wordt gehoord, doch hij struikelt over een scherpen klipsteen, en valt languit tegen den grond. Hij richt zich op, hij heeft zich gekwetst aan de hand, maar let er niet op, en buiten adem bereikt hij de plek, waar Sultan is.

Het trouwe dier staat, als om het te beschermen, boven een lang donker voorwerp, in de onmiddelijke nabijheid van eene grijzen klipstapel, en het meesterke, die van een grijzen klipstapel heeft hooren spreken, twijfelt er niet aan, dat hij het doel van zijn tocht heeft bereikt.

Doch het hart slaat hem van vrees en ontsteltenis tot in de keel.

Hij knielt bij Frits Jansen neer.

Frits ligt achterover, met het hoofd op een kleine verhevenheid. Onder het hoofd een plas bloed.

Het gelaat is doodelijk bleek, doch de oogen, die bij andere gesneuvelden zoo akelig star kunnen opengesperd zijn, zijn bij hem gesloten.

Naast hem ligt zijn geweer.

Het meesterke heeft zich spoedig hersteld, en met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest ontbloot hij de borst van den jongen Boer, en legt zijn oor te luisteren.

In ademlooze spanning wacht hij eenige oogenblikken—eeneigenaardige trilling gaat over het gelaat van het meesterke—dan rijst hij op.

Hij heeft het zwakke kloppen van Frits Jansen's hart gehoord, en haast had ik gezegd, dat moeder Jansen bij deze ontdekking niet blijder had kunnen zijn dan het meesterke.

De hond kijkt den blanke aan met zijn schrandere oogen.

„Toe Sultan,” zegt het meesterke, „zoek Eliëzer—gauw!”

Het verstandige dier schijnt het meesterke begrepen te hebben, en in groote sprongen, aanhoudend luid blaffend, zoekt het den Kaffer op.

Het meesterke neemt middelerwijl zijn veldflesch, en bevochtigt de lippen van den zwaargewonde met eenige druppels wijn.

Uit steeds grootere verte komt het geblaf van den hond.

Het wachten duurt altijd lang, bovenal wanneer men zich op een afgrijselijk veld van dooden bevindt, bij een zwaargewonde wiens levenslampke elk oogenblik kan worden uitgebluscht.

Van een paar minuten kan hier het leven afhangen, en hoe lang moet het meesterke reeds wachten!

In der daad zijn het nog geen vijf minuten, maar het schijnt hem een eeuwigheid toe. Dat doet de zorg, de angst.

Maar het meesterke slaakt thans een zucht van verlichting, want het geblaf begint weer te naderen, en beweegt zich in de rechte richting naar hem toe.

Hij nadert snel, en in groote sprongen bereiken de Zoeloe en Sultan de plaats van het onheil.

„O meesterke,” roeptEliëzer, „leeft hij nog?”

„Hij leeft nog,” antwoordt het meesterke, „maar hij is zwaar gewond aan het hoofd.”

„Ach, dat hij herstellen mocht!” zucht de Zoeloe.

„Wij willen er om bidden,” zegt het meesterke.

„Ja, dat willen wij!” zegt de zwarte zoon van Cham.

„Maar hij moet thans vervoerd worden,” zegt het meesterke,—„weet ge een woning in de nabijheid?”

„Achter de heuvelen heb ik een oude woning zien staan,” antwoordt Eliëzer; „daarheen brengen wij ons baassie.”

Hij neemt het zware lichaam met de voorzichtigheid van eene moeder in zijne sterke, gespierde armen, en het meesterke onderstut het hoofd.

Zoo zet zich de kleine stoet in beweging, met Sultan voorop.

Het is een lange tocht; de Kaffer heeft geen gevoel meer in zijn armen, en zijn breede borst gaat zwoegend op en neer, als eindelijk de woning is bereikt.

Ze ziet er uit doodsch en verlaten; er brandt geen licht; de oude deur is niet gesloten, en men treedt het vertrek binnen.

Terwijl nu de Zoeloe met inspanning zijner laatste krachten den kostbaren last in zijn armen houdt, ontsteekt het meesterke een vuurhoutje.

Het schijnt wel, dat de bewoners heden middag voor het begin van den strijd, zijn gevlucht. In een open haard smeult nog eenig vuur, op den vloer liggen eenige gebroken scherven, en in den hoek van het vertrek bevindt zich een bedstee, waaruit het bed is weggenomen. Snel spreidt het meesterke—waar haalt hij die practische kennis toch van daan?—het stroo eenigszins goed, en terwijl het meesterke van zijn jas een soort hoofdpeluw maakt, legt de Zoeloe den zwaargewonde behoedzaam in de bedstee neer.

„Als we nu maar een kaars hadden!” fluistert het meesterke, doch na eenig zoeken vindt men in een belendende kast een eenvoudige, maar goed gevulde olielamp: een vondst, die op dit oogenblik meer waarde heeft dan de ontdekking eener Transvaalsche goudmijn. Ze wordt snel ontstoken, en in het achterhuis ontdekt Eliëzer een ton frisch water.

Het meesterke staart nu weer in het doodsbleek gelaat van zijn vriend.

„Wat denkt gij er nu van?” vraagt de Zoeloe.

„Ik weet het niet,” zegt het meesterke, wiens hoop van zoo even weer veel verminderd schijnt—„zoek gauw een dokter!”

„En den ouden baas!” meent de trouwe knecht.

„Ja, dat is goed,” zegt het meesterke.

Er waren geen twintig minuten voorbijgegaan, toen de hoefslag van een paard werd gehoord, en eene krachtige militaire stap werd vernomen.

„De dokter,” fluisterde Eliëzer, den geneesheer voorgaande.

't Was een oude, militaire arts, een Duitscher, bekwaam voor zijn taak en van een zekere ruwe goedhartigheid.

De dokter trad binnen met rinkelende sporen, trok den overjas uit, wierp eenige instrumenten op tafel en zeide: „Goeten Tag! Waar is de patient? Zoo—in dat hondenkat?”

Hij onderzocht den bewustelooze zeer nauwkeurig, mompelde eenige onverstaanbare woorden, en nam toen de oude snuifdoos uit den zak.

Het meesterke keek hem aan, alsof dood en leven van zijn afspraak afhing.

„'t Zal wel kaan. Sterk sjampsjot aan den kop; sjedelhuid beleedigd; bloedfat kesprongen, maor 't zal wel kaan, als keene onkunstige fersjainingen komen. Erg bloedferlies gehad, maor prachtige, sterke likkaamsbouw—'t zal wel kaan!”

Hij verbond de wond, nam weer een snuifje en ging voort: „Hai zal over enkele stonden wel bai komen—vorwärts, oude nigger, dan zal ik nog einige medicinen mit keven! Wat 'n tag! En dat hebben wi te danken aan de Englanders, die hallonken, die kalgestroppen! Adjuus! Vorwarts nigger, dat wi uit dit zwainenhok komen!”

Hij trok den overjas weer aan, borg de instrumenten op in den wijden buitenzak, maakte rechtsomkeert, en verliet in militairen pas, met rinkelende sporen, door Eliëzer gevolgd, het vertrek.

Baas Jansen had te vergeefs gereikhalst naar het oogenblik, waarop het hem vergund zou zijn, naar zijn kind om te zien. Als een gewonde buffel, die in wilde sprongen zich rechts en links, naar voren en naar achteren wendt, om aan de doodelijke omsingeling te ontkomen, had Jameson tot laat in den avond gestreden en geworsteld, om door den gordel van staal en vuur heen te breken. En dat het hem nochthans niet was gelukt, was te wijten aan de twee á driehonderd Boeren, die met onmiskenbaar talent, schitterende dapperheid en bewonderingswaardige vlugheid de reuzentaak volvoerden, hen door hun bevelhebber, kommandant, Cronjé, gesteld.

Doch nu de duisternis is gevallen, begint de aanval te verflauwen, en eindelijk—eindelijk mag Reinard Jansen aan de stem der vaderliefde gehoor geven.

Hij zoekt zijn bruinen klepper op, weert zijn zonen, die hem willen vergezellen, doch moeielijk gemist kunnen worden bij een mogelijk nieuwen Engelschen aanval, en rijdt in een wijden boog, overal naar zijn zoon vragende doch nergens inlichtingen verkrijgende, over het vlakke veld naar de plek, waar hij Frits heeft gezien.

Een Europeaan zou hoogst waarschijnlijk in den nacht in de richting zich hebben vergist, doch de ingeboren speurzin en de groote terreinkennis van den Afrikaanschen Boer doen Reinard Jansen met schier wiskundige nauwkeurigheid uitkomen, bij den klipwal, vanwaar zijn zoon zijn stouten tocht had ondernomen.

Nu stijgt hij van het paard, beklimt de hoogte en bij het licht der opkomende maan kan hij bijna met zekerheid bepalen, welken weg zijn zoon heeft genomen, alvorens hij den grijzen klipstapel, die er in de verte uitziet als een omgestort altaar, bereikte.

Doch van het Maximkanon is geen spoor meer te ontdekken, waarschijnlijk hebben het de Engelschen bij hun terugtocht meegenomen.

Jansen slaat de teugels van zijn paard om den arm, loopt om de hooge omwalling heen en wendt zich thans met een hart, sterker geslingerd dan het schip in de kokende branding, naar den grijzen klipstapel.

Op den klipstapel zit een donker voorwerp, dat bij de nadering van den Boer zich verwijdert.

Het slaat de zwarte vleugels uit, en luid krassend vliegt het weg.

Reinard Jansen rilt er van, doch thans heeft hij het doel van zijn tocht bereikt, en hij bukt zich.

Uiterlijk kalm en bedaard onderzoekt hij nauwkeurig den grond.

Eenige patroonhulzen liggen verspreid tusschen het lange vertrapte gras.

Anders is er niets bijzonders te zien—absoluut niets.

Ja toch—vlak bij de klip schemert eendonkerroodeplek.

Dat is bloed; het bloed van Frits Jansen.

Hij is er zoo vast van overtuigd als van het bestaan der schitterende sterren daarboven hem.

Uit de verte worden thans regelmatige voetstappen gehoord en een Boerenpatrouille nadert, met het geweer in den arm, den ongelukkigen man.

„Werda?” wordt geroepen.

Jansen maakte zich bekend.

De patrouille is nu vlak bij hem.

„Zoo, zijt gij Jansen?” zegt de grootste; „Reinard Jansen? Zoo even is hier een Engelsche militaire verpleger geweest, die ons naar u vraagde.”

„Wat wilde hij?”

„U bij een gewonde brengen, die u dringend wenschte te spreken. Hij moet ginds te vinden zijn, een paar minuten rechtuit van hier, en dan links, in een eenzame Kafferhut.”

„Noemde de verpleger de gewonde?” vraagt Jansen vol spanning.

De wacht schudt het hoofd.

„Was hij zwaar gewond?”

„De verpleger meende, dat hij den morgen wel niet halen zou.”

Het hart van den ongelukkigen vader krimpt ineen.

„Vermoedt ge, wie de gekwetste is?” vragen de wachten medelijdend.

„Wie anders kan het zijn dan mijn zoon!” komt het klagend over de lippen van Reinard Jansen.„Hier achter dezen klipsteen, heeft hij de doodelijke wond ontvangen!”

Doch hij is geen man, om zich willoos over te geven aan de smart. Trouwensnooitis de verzoening begeerlijker dan vlak voor de poorten des doods.

Hij schrijdt snel voort, de richting in, die de wachten hem hebben gewezen, en de bruine klepper stapt achter hem aan, en laat den kop moede en lusteloos hangen.

In de verte ontdekt hij spoedig een klein licht, en hij vindt de Kafferhut, die er van buiten uitziet als een bijenkorf.

Hij bindt het paard vast aan een half verdorde populier, en schuift het vuile, gele katoen, dat bij wijze van deur den ingang verspert, op zij.

Reeds hoort hij het gekerm van den gewonde, doet twee passen voorwaarts, maar indien de aarde op dit oogenblik onder zijn voeten was weggezonken, had hij niet heviger kunnen ontstellen dan thans. Want daar voor hem op den vloer, op een hoop vuil stroo, ligt, met de borst wijd ontbloot—Jack Williams!

Op zich zelf is er eigentlijk geen reden tot verbazing, datJack Williams gewond is. Immers het is nu duidelijk, dat hij zich heeft aangesloten bij de expeditie van Jameson, en de Boerenkogel, die op dezen dag zooveel Engelschen heeft neergelegd, konhemeven goed treffen als een ander. Daarover verwondert Jansen zich dan ook niet, maar hij heeft hierzijnzoon meenen te vinden, en hij vindt er eenander, den man, van wien hij een afkeer heeft, omdat hij hem, en niet ten onrechte, heeft beschouwd als den verleider van zijn zoon.

De vetkaars verspreidt een zwak en sober licht. Toch kan Reinard Jansen bij den eersten oogopslag zien, dat de uren van dezen gewonde zijn geteld.

„Jack Williams,” zegt hij, zijn afkeer overwinnende, met ernstige stem, „ge hebt naar mij gevraagd—hier ben ik.”

De gewonde slaat de van felle koortshitte gloeiende oogen tot den spreker op, en wenkt den verpleger.

„Gaat beiden hier dicht bij mij staan,” zegt hij, „want ik kan niet sterven, voordat ik mijn schuld heb beleden.”

En nu begint hij met hijgenden adem, met afgebroken klanken en in waren doodsangst een verhaal te doen, waarbij Reinard Jansen de haren te berge rijzen.

Hij legt een volkomen bekentenis af, en de stervende schijnt er een wreede voldoening in te vinden, om de waarlijk demonische trekken van zijn karakter in het helderste daglicht te plaatsen.

„Het pak kleeren van Frits,” gaat hij voort, „dat ik aantrok, om de verdenking op uw zoon te brengen, kunt ge vinden in de boomgaard van mijn ouders, waar ik ze nog dienzelfden nacht, na ze gebruikt te hebben, heb begraven: juist in het midden tusschen de twee grootste vijgeboomen in, diep in den grond.”

En terwijl hij op den verpleger wijst, laat hij er op volgen:

„Ik heb u dit gezegd met dezen man tot getuige, opdat uw zoon van elken schijn zal worden ontlast,” en hij staart met zijn gloeiende oogen Reinard Jansen aan als de doodschuldige zijn rechter.

Doch op het gelaat van den Boer vertoont zich de diepste afschuw, en strak en koud rusten zijn oogen op den stervende.

„Vergeef het me!” smeekt Jack Williams.

Reinard Jansen zegt geen woord.

„Ik kan niet sterven en ikmoet!” gilt de rampzalige op hartverscheurenden toon.

„En ge zult voor God moeten verschijnen, en rekenschap afleggen van uw werken der duisternis!” roept Jansen hard en onverbiddelijk. „Mijn kind, mijn eigen, geliefd kind heb ik voor den brandstichter gehouden—en gij zijt er oorzaak van!”

Maar als hij de tanden van den ongelukkige op elkander hoort klapperen, komt een gevoel van deernis op bij Reinard Jansen, en in zijn grijze oogen komt een zachter tint.

Zijn aandacht echter wordt afgeleid door snelle voetstappen buiten, en zich omkeerend, ziet hij den kroeskop van zijn Zoeloe in den ingang der hut.

„Baas, kom gauw, kom gauw!” roept Eliëzer op gejaagden toon; „ik zal u brengen bij den jongen baas, bij uw zoon, die zwaar gewond is!”

De Zoeloe is zoo opgewonden, dat hij niet eens Jack Williams herkent, maar baas Jansen schijnt als door een electrischen schok getroffen.

„Leeft hij nog, Eliëzer?”

„Hij leeft!” zegt de Kaffer.

„Meester Jansen, vergeef het mij!” gilt de stervende.

„Als ik het aangezicht van mijn kind in vrede mag aanschouwen aan deze zijde van het graf—dan Jack Williams!” zegt Reinard Jansen op langzamen, ernstigen toon, „danzal het u vergeven zijn!”

„En anders?” gilt de stervende—„en anders?”

Doch Reinard Jansen hoort die woorden niet meer; in één sprong is hij buiten, en hij springt in het zaâl.

„Grijpt je vast aan de manen,” beveelt de Boer, „en wijs mij den weg!”

En terwijl Eliëzer dit doet, gaat het voorwaarts, de snelvoetige Zoeloe naast het paard, door slooten en struiken, dwars over het veld, recht aan op het kleine, schemerende licht, waar Frits Jansen bewusteloos ligt neergestrekt op de sprei van stroo....

„Hier is het!” zegt Eliëzer, hijgend van den snellen loop.

Vol ontroering treedt Reinard Jansen binnen.

Dáár brandt de eenvoudige olielamp—dáár is de bedstee—en dáár, aan het hoofdeinde, met Sultan aan zijn voeten, zit op een schamelen stoel het kleine meesterke, en op dat bleek en fijn gesneden gelaat ligt de majesteit der dienende liefde.

Zonder een woord te zeggen, drukt baas Jansen de handvan het meesterke, en hij houdt ze lang en innig omklemd.

Dan gaat hij vlak bij de bedstede staan, en terwijl het meesterke licht, staart hij zwijgend in het edel, doodsbleek gelaat van zijn bewusteloos kind. En als een bange droom gaat het verleden aan zijn geestesoog voorbij....

Op zijn teenen komt Eliëzer binnen en staat achter zijn baas. Doch Reinard Jansen begint te beven over zijn gansche lichaam—hij wil zich vastgrijpen aan de stijlen, maar hij tast mis—en de sterke man zou tegen den grond zijn geslagen, had Eliëzer hem niet opgevangen.

Hij heeft zich echter spoedig hersteld, neemt een stoel en zet zich tegenover het meesterke: aan het voeteneinde der bedstede.

En hij zegt met een stem, schor van aandoening, uitputting en dorst: „Welk een dag!”

Nu verwijdert zich Eliëzer, haalt een glas water en reikt het aan zijn baas.

Maar Reinard Jansen weert het glas af.

„Zoo waarachtig als ik leef,” zegt hij, „ik zal er niet van drinken, voordat mijn jongen er van heeft gedronken!”

En zoo zitten dan Reinard Jansen en het meesterke bij den gewonde, en niets wordt gehoord dan het eentoonig geluid der krekels onder den schoorsteen, en met steeds langere tusschenpoozen het geweervuur in de verte.

Reinard Jansen zit voorover gebogen, het van den kruitdamp zwart geblaakte gelaat tusschen de groote, bruine handen, de oogen onafgebroken op zijn kind gevestigd, en nu en dan de drooge lippen van den bewustelooze bevochtigend met eenige druppels wijn uit den veldflesch van het meesterke.

Maar het meesterke heeft de handen gevouwen, en staart door de kleine ruiten naar buiten, naar het nachtelijk landschap en is vol hope.

Ik zal er me niet aan wagen, om het tooneel te schetsen, dat in den schemerenden morgen van den tweeden dag van het nieuwe jaar in den verlaten woning plaats greep, toen Frits Jansen, opblikkend uit zijn onmacht, in de oogen staarde van zijn vader.

Het meesterke verliet stil het vertrek, want in dit plechtig en heilig oogenblik voelde hij er zich te veel.

Hij ging naar buiten, en dronk met volle teugen de frissche morgenkoelte.

En Reinard Jansen en zijn zoon waren alleen.

Neen, alleen wel niet.

Licht hebben eenige engelen het roerende tooneel aanschouwd. Zij verblijden zich immers, als een zondaar zich bekeert, en zouden zij dan onverschillig zijn, als een vader zich verzoent met zijn kind, en de verbroken doch door God gewilde band vast en innig opnieuw wordt geknoopt?

Doch dit is heden morgen geschiedt, en thans is het namiddag.

Frits Jansen zit, het hoofd in doeken, zoo wel als het in de gegevenomstandighedenmaar wezen kan, in een wonderlijk gevaarte, door Eliëzer met vaardige hand in elkander gehamerd, en met den wijdschen naam van „ziekestoel” betiteld.

En Reinard Jansen zit naast hem, de handen van zijn jongen in de zijne. En het meesterke heeft zijn zakbijbeltje genomen en leest een kapittel voor uit het evangelie van Johannes, doch Eliëzer is een soort ordonnans geworden, en brengt tijdingen aan van den stand van het gevecht.

Want nog altijd knettert het geweervuur en ratelt het Maxim en dondert het Engelsche kanon. En zeer zeker zou Reinard Jansen hier niet zitten, had zijn Kommandant hem niet de stellige verzekering laten brengen, dat hij thans van wege de beduidende versterkingen, die de Boeren in den loop van dezen dag hadden ontvangen, kon worden gemist.

Doch plotseling mengt zich van een geheel andere zijde nieuw geschutvuur in de wilde oorlogsmuziek.

Reinard Jansen spitst de ooren.

„Dat zijnonzekanonnen, Frits!” roept hij met stralenden blik.

Daar volgt een tweede uitbarsting, zwaarder nog dan zoo even—driftig en dreigend!

„Onze kanonnen spreken een duidelijke taal,” zegt Frits, terwijl een lichte blos zijn bleeke wangen kleurt.

„Ze zeggen: Geef je over of ik vermorzel je!” roept Reinard Jansen, terwijl de oude strijdlust uit zijn grijze oogen schittert.

En nu verstomt plotseling de wilde oorlogsmuziek, en het gewoel van den slag bedaart.

„Gauw, Eliëzer, gauw!” beveelt Reinard Jansen; „neem den bruine, en breng ons spoedig goede tijding! Ze zoeken misschien hun heil in de vlucht—onze Boeren moetenhen keeren—o Frits, ik had er bij moeten zijn!”

„Ze moeten het dezen keer dan maar zonder u klaren,” schertst het meesterke.

Het duurt lang, heel lang, voordat Eliëzer terugkomt.

Reinard Jansen begint al te trappen van ongeduld.

Doch eindelijk ziet hij door de kleine ruiten den bruinen klepper aankomen. Eliëzer echter is niet alleen—een groep Boeren vergezelt hem—zij rennen zoo hard, alsof zij van plan zijn, om de oude woning onder den voet te rijden.

De oude Kloppers is de eerste die de woning binnentreedt. Achter hem aan komen Reinard Jansen's zonen en zijn eigen zoon Jan.

Jan's gelaat staat dubbel blijde, want hij heeft daar straks van een renbode, door de bezorgde Geertrui afgezonden, de goede tijding ontvangen, dat het gevaar bij zijn ziek kind geweken is.

Reinard Jansen echter is opgestaan; ook het meesterke.

Slechts Frits blijft door zijn zwakte, gevolg van het bloedverlies, aan den ziekenstoel gekluisterd.

„Wat brengt ge?” vraagt Reinard Jansen, doch hij behoeft het niet te vragen.

In de schitterende oogen der binnenkomenden ligt alreeds het antwoord.

„God de Heere gaf ons een volledige zegepraal,” zegt de grijze Kloppers.

„En niemand is ontkomen—niemand!” roepen de anderen.

Daar ontbloot Reinard Jansen het hoofd, wuift met den hoed en roept met machtige stem: „Zoo moge het al de vijanden van ons volk vergaan!—Hoera!—Leve onze Republiek!”

En al de aanwezigen stemmen in met dien kreet; zelfs Reinard Jansen's heldenzoon kan het niet uithouden in zijn ruststoel, en de oude ruiten rammelen in hun sponningen: „Hoera!—Leve de Zuid-Afrikaansche Republiek!”

Toen den Engelschen de donder van het Transvaalsche geschut in de ooren klonk, gaven zij 't op. De schrik sloeg hen om het hart, en in den doodelijken angst, die hen vervulde, grepen zij—de vuile, witte voorschoot van eene oude Kaffermeid, en bonden de voorschoot als een bewijs van overgave aan de spits van een bajonet.

Doch die voorschoot was nog niet voldoende; zij namen handdoeken, lakens en wat zij maar grijpen of vangen konden, om aan dien moorddadigen kogelregen toch maar een snel einde te maken.

Toen kommandant-generaal Joubert eenige dagen later de woning binnentrad, waar die oude Kaffermeid woonde, kwam zij met de volgende klacht: „Mijnheer, de Engelschen hebben mijn voorschoten en handdoeken en lakens gevat, zonder mij daarvoor iets te betalen, en op wien moet ik het nu verhalen?”

De generaal lachte smakelijk en gaf haar een halve kroon.

Het ambtelijk rapport van kommandant Cronjé over het laatstebedrijfvan het Jameson-treurspel luidt als volgt:

„Toen ik met den uitersten spoed door den drift bij den eigenlijken Doornkop was doorgesneld, en het klipkopje voornoemd bereikte, zag ik de witte vlaggen reeds omhoog gestoken. Ik zond toen dadelijk een ordonnans om te vragen, wat Jameson's plannen waren, en gaf den burgers orders, om niet meer te schieten. Het antwoord was, dat hij onmiddelijk zou terugkeeren, indien wij zijn leven en dat zijner manschappen spaarden. Mijn antwoord daarop was, dat het nu te laat was, om terug te keeren, doch dat zij onmiddelijk vlag en wapens moesten afgeven, en dat ik hen daar zou brengen, waar ik meende, dat zij behoorden te zijn. Verder zeide ik, dat ik op voorwaarde, dat zij alle schade, der Regeering aangedaan, betaalden, hun leven zou sparen, zoolang zij onder mijn bevel stonden, en dat er binnen dertig minuten op deze eischen bescheid moest worden gegeven. Deed Jameson dit niet, dan moest hij zich gereed maken, om opnieuw te vechten.

Ik liet toen al de posities in de nabijheid door de burgers innemen, en gaf kennis, dat ik op zekere hoogte zou staan, om, indien de vijand hardnekkig bleef weigeren, aan mijn eischen te voldoen, de roode vlag te hijschen als sein, om opnieuw den vijand aan te vallen, en hem tot den laatsten man neer te schieten.

Drie en twintig minuten later kwam het antwoord: „Wij geven ons geheel en al met alles in uwe handen over op voorwaarde, dat gij voor ons leven instaat.”

Ik sprong toen te paard met ongeveer 500 burgers en vertrok naar den vijand. Bij het oude woonhuis gekomen, vroeg ik naar den bevelhebber, waarop vier officieren verschenen. Ik was verbaasd te zien, hoe ellendig en vuil zij er uit zagen. Een der officieren lag te sterven. Om hem heen stonden verscheidene manschappen, die hem beweenden, inzonderheid scheen Majoor Willoughby zeer verslagen en weende bitterlijk.

Jameson zelf beefde als een riet, maar weende niet, schoon hij niet bij machte was, een woord uit te brengen.

Ik zeide tot hem: „Ik zal mijne burgers aan de ééne zijde van den weg vóór hunne paarden stellen met geladen geweren, en ik verwacht, dat gij uwe mannen zult gelasten, aan de andere zijde van het pad de wapens neer te leggen, zoodanig dat de kolf of romp van het geweer aan onzen kant moet liggen.””

En zoo geschiedde het.

En terwijl Jameson met zijn hoofdofficieren naar Pretoria werden vervoerd, en de overige manschappen elders werden gevangen gezet, namen de dappere Boeren onder luid gejuich bezit van de Engelsche kanonnen en maxims.

Twee dagen na Jameson's overgave, Zaterdag 4 Januari, kwam Sir Hercules Robinson, de gouverneur der Engelsche Kaapkolonie22), te Pretoria, en Maandag 6 Januari had het eerste onderhoud plaats met de Transvaalsche Regeering.

Een jaar te voren had Sir Hercules de Transvaalsche spoorwegfeesten meegevierd. Toen was zijn houding fier, bijna hooghartig, en in spijt van zijn zeventig jaren bewoog hij zich tusschen de feestgenooten recht als een kaars, met veerkrachtigen tred.

Thans trad hij gebogen, leunend op een stok, de raadzaalbinnen onder den indruk der pijnlijke taak, die hem wachtte.

Hij kwam ongeroepen, en zijn aanbod, om te komen, was twee dagen lang onbeantwoord ter zijde gelegd. En in het bescheid, dat hem toen gewerd, was als reden de veelzeggende zinsnede ingelascht: „om verder bloedvergieten te voorkomen.” Immers al zat Jameson met zijn gezellen achter de ijzeren grendels, het revolutionaire Johannesburg moest nog gemuilband worden.

Doch eere wien eere toekomt! Sir Hercules heeft getoond, een eerlijk, rechtschapen man te zijn, vrij van alle Jingoïsme, en dat hij Jameson's inval hoogelijk afkeurde, was oprecht gemeend.

Dit neemt niet weg, dat hij een moeielijke positie had, en toen hij in de loop van het eerste onderhoud over hervormingen begon te spreken, was hij op een punt gekomen, waar Paul Kruger niet willens was hem te volgen.

„Er kan over niets anders worden gesproken dan over maatregelen, om verder bloedvergieten te voorkomen,” zei de President, terwijl hij den stevigen kop schudde; „Johannesburg moet de wapens nederleggen—”

„Ja, doch op welke voorwaarden?” vraagde Sir Hercules.

„Zonder voorwaarden—onvoorwaardelijk!” was het besliste antwoord.

„Dan vrees ik, dat de Johannesburgers de wapens niet zullen nederleggen,” meende Sir Hercules aarzelend.

„Dan ga ik ze halen,” zeide de President, en met een ijzige kalmte liet hij er op volgen: „Ik geef aan Johannesburg vier en twintig uren tijd, om aan mijn eisch te voldoen.”

Paul Kruger bezat de macht, om aan dien eisch klem bij te zetten, want twaalfduizend Boeren, die zich in de nabijheid van Johannesburg hadden gelegerd, verlangden naar het oogenblik, om met de Johannesburgers af te rekenen.

Doch zoover kwam het niet.

Johannesburg boog het trotsche hoofd, leverde de wapens uit, 10 Januari vaardigde Paul Kruger de volgende Proklamatie uit, een meesterstuk van staatsmanswijsheid:

„Aan alle Ingezetenen van Johannesburg!

Ik Stephanus Johannes Paul Kruger, Staatspresident der Zuid-Afrikaansche Republiek, met advies en consent van den Uitvoerenden Raad, blijkens artikel 6 zijner notulen dato 10 Januari 1896, maak aan alle ingezetenen van Johannesburg en omstreken bekend, dat ik met onuitsprekelijken dank aan God vervuld ben, dat door de kloekmoedigheid endapperheid mijner burgers de verachtelijke en verradelijke inval in mijn land is teruggeslagen, en de onafhankelijkheid der Republiek is gered.

De personen, die schuldig aan dit misdrijf zijn, moeten natuurlijk volgens de wet worden gestraft, dat wil zeggen, terechtstaan voor het Hoog Gerechtshof en eene Jurie. Maar er zijn duizenden, die misleid en bedrogen zijn geworden, en het is mij duidelijk gebleken, dat zelfs onder de zoogenaamde leiders der beweging velen zijn, die men heeft bedrogen.

Een klein aantal listige mannen binnen en buiten het land hebben de arme ingezetenen van Johannesburg en omgeving kunstmatig opgestookt; onder den schijn van voor politieke rechten te strijden dag aan dag als het ware opgehitst; en toen zij in hun waanzin meenden, dat het oogenblik gekomen was, hebben zij een Dr. Jameson de grenzen der Republiek doen overtrekken.

Hebben zij zich zelven ooit afgevraagd, waaraan zij u blootstelden?

Ik huiver als ik er aan denk, wat bloedbad er zou zijn aangericht, indien niet een genadige Voorzienigheid u en mijne burgers had gered.

Ik spreek niet van de geldelijk aangerichte schade.

Nu wend ik mij met vol vertrouwen op u, sterkt nu de handen der Regeering, en werkt met haar samen, om deze Republiek te maken tot een land, waar alle nationaliteiten als het ware broederlijk samenwonen.

Maanden en maanden lang heb ik beraamd, welke veranderingen en verbeteringen in het Staatsbestuur, wenschelijk zouden kunnen worden geacht, maar de gruwelijke opstokerij, vooral van de pers, hebben mij terug gehouden. Dezelfde mannen, die nu in het openbaar zijn opgetreden als leiders, hebben van mij verbeteringen geëischt op een toon en op een wijs, die zij in hun eigen vaderland uit vrees voor de strafwet niet zouden gewaagd hebben aan te slaan of te volgen. Daardoor werd het mij en mijne burgers, de stichters dezer Republiek, onmogelijk gemaakt, hunne ruwe voorstellen in overweging te nemen.

Het is mijn plan, om in de eerste gewone zitting van den Volksraad een voorstel van wet te doen, waarbij een stadsraad met een burgemeester aan het hoofd van Johannesburg wordt benoemd, waaraan het geheele (gemeentelijke) beheer der stad zal worden toevertrouwd.

Naar alle constitutioneele beginselen zou zulk een stadsraaddoor rechtstreeksche keuze der ingezetenen moeten worden benoemd.

Ik vraag u echter met ernst, legt de hand op het hart en beantwoordt mij deze vraag: Kan en mag ik, na het gebeurde, dit aan de volksvertegenwoordiging voorstellen?

Wat ik zelf op die vraag antwoord, is dit: Ik weet, dat er duizenden in Johannesburg en omgeving zijn, aan wie ik met vertrouwen die rechtstreeksche keuze kan toevertrouwen.

Ingezetenen van Johannesburg! Maakt het nu aan de Regeering mogelijk, om voor den Volksraad op te treden met de leuze: Vergeven en vergeten!

God behoede Land en Volk.”

Op dienzelfden Maandag, 6 Januari, waarop het onderhoud met Sir Hercules Robinson had plaats gehad, begon des namiddags om vier uur eene andere beraadslaging, die eene der aangrijpendste momenten uit die dagen genoemd mag worden.

De Regeering was na rijp beraad tot het merkwaardig besluit gekomen, om Jameson en zijn soldaten aan de Engelsche regeering ter bestraffing over te leveren, en nu kwam het er op aan, de kommandanten, die als de tolken van het volk beschouwd konden worden, voor dit plan te winnen.

Met verwonderlijke welsprekendheid ontwikkelde Paul Kruger de redenen, die de Regeering hadden geleid tot dit besluit, doch met strakke en stalen gezichten staarden de wakkere voormannen des volks hem aan. En hoe krachtiger hij aandrong, des te heftiger en hartstochtelijker werd het verzet.

„Er moet een afschrikwekkend voorbeeld worden gesteld,23)” riepen zij,„en Jameson met zijn hoofdofficieren zijn aan het zwaard der gerechtigheid vervallen!”

Vele uren lang kon men het schouwspel waarnemen, hoe een krachtig man kampte en worstelde, om onwilligen over te halen. Zes, zeven maal rees Paul Kruger op en bezwoer in bewoordingen van steeds klimmende aandoening„zijne broeders, zijne vrienden,” toch op het doorzicht der Regeering te vertrouwen.

De beraadslaging liep uit op een heftige woordenwisseling, en den volgenden morgen te vier uur was het lot van Jameson nog niet beslist.

Kruger was zichzelven bijna niet meer meester. Hij dreigde,hijsmeekte—alles te vergeefs!

De kommandanten stonden daar als de vertegenwoordigers van het volk, en het Afrikaansche bloed, dat van toorn en verontwaardiging over den even schandelijken als schaamteloozen inval aan 't koken was geraakt, eischte zijn rechtvaardige offers.

Toen stond Piet Joubert op, de Kommandant-generaal, die den President steunde.

„Vrienden,” zeide hij, „veronderstelt, ik heb een hoeve, en de honden van mijn buurman komen en plagen en dooden mijn schapen. Zal ik die honden nu dooden? Of zal ik ze niet liever vangen, ze terugbrengen aan den eigenaar en tot hem zeggen: „Hier zijn uwe honden; straf ze en vergoed mij de schade, die ze hebben aangericht?””

Niemand antwoordde, en na een oogenblik pauze vervolgde Joubert: „Wij hebben de honden gevangen. Zou het nu niet het verstandigste zijn, hen aan de Engelsche regeering terug te zenden, om hen te doen straffen, schadevergoeding te eischen?”

De gelijkenis pakte; men kon het zien op de gebaarde gezichten der kommandanten.

Twee afgevaardigden der zusterrepubliek Oranje-Vrijstaat sloten zich in een treffende rede, die in ademlooze stilte werd aangehoord, bij het voorstel van Paul Kruger aan, en eindelijk—eindelijk kenterde het getij.

Schalk Burger stond op en zeide: „Broeders, ik ben het nog niet eens met het voorstel der Regeering, doch ik begrijp, dat wij moeten buigen voor de grootere wijsheid van onzen President. Ik acht het onzen plicht, ons overtuigd te houden, dat hij grooter doorzicht en kennis heeft in politieke zaken dan wij. Daarom stel ik u voor, met algemeene stemmen het besluit te nemen om de Jameson-kwestie te laten in handen van den President en den Uitvoerenden Raad, en hun beslissing te verdedigen bij het volk.”

De kommandanten legden zich bij dit voorstel neer, en Paul Kruger had gezegevierd.

Doch de Engelsche Jingo's waren al weer niet tevreden. Zij waren van meening, dat Paul Kruger's edelmoedigheid ten slotte niets anders was dan een doortrapt slimme streek, om de hoogst moeielijke taak van het straffen der Engelsche regeering op den hals te schuiven.

Wij willen daarop slechts dit antwoorden, dat de daad van Paul Kruger evenzeer het uitvloeisel was van Christelijke edelmoedigheid als van hooge staatsmanswijsheid, en door Jameson met zijn gezellen aan de Engelsche regeering ter bestraffing over te leveren, heeft hij zich het hart van het beschaafde Europa stormenderhand veroverd.


Back to IndexNext