ACHTSTE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee een langdurende voetreis gepaard gaat.Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk zijn gezicht eensklaps opklaarde—hij had daarginds aan den verren horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef stilstaan om hem dichterbij te laten komen.Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid spreekwoordelijk is geworden.Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de hoogte, en groette: “Good day, kameraad! Waar komt gij vandaan?”“Van Kinsley daarbeneden,” antwoordde de gevraagde, met de hand rugwaarts wijzende. “En gij?”“Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter mij ligt.”“En waar wilt gij naar toe?”“Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar vóór ons ligt.”“Ligt daar dan een boerderij?”“Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen hebben eer wij daar zijn.”“God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen uithouden.”Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, want hij stond te waggelen op zijn beenen.“Niet langer uithouden? Waarom niet?”“Van den honger.”“Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u dadelijk wel iets te verorberen geven.”Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: “Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den honger zijn ze probatum!”De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: “Gij zijt wel goed, sir! Maar deze dingen zijn voorubestemd; en alsikdie nu opeet, zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?”“Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil.”“Zijt gij dan daar bekend?”“Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar niet langer—eet liever.”De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: “Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel eenigszins bijgekomen zijn?”“Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen gekomen.”“Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis meegenomen?”“Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij mijn vertrek.”“Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een maal eten kunnen aankloppen.”“Ik heb de boerderijen moeten mijden.”“O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier of daar een stuk wild kunnen schieten.”“Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan raken, dan een hond die vlak voor mij zat.”“Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?”“Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken.”De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: “Hoor eens master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?’“Naar Sheridan, aan den spoorweg.”“Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de schoen wringt. Misschien kaniku wel helpen.”“Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel.”Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan den Yankee. Deze las:“Waarde Charoy!“Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoorzijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!UwBent Norton.”Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: “Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild.”“O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij.”“Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?”“O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was.”“En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden.”“O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, zijn boezemvrienden.”“En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?”“Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat Mr. Charoy mij dat ook zal betalen.”“Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken.”“Wat? Is het tòch waar?” riep de klerk zichtbaar blij verrast. “Zestien dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!”“Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen sparen.”“En waar is die betrekking? Bij wien?”“Bij mij.”“Bij ... u?” klonk het op een toon van teleurstelling.“Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is.”“Hum! Ik ken u niet.”“Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, geneesheer en veearts van mijn beroep.”“Dus, arts voor menschen en voor paarden?”“Ja, arts voor menschen en dieren,” knikte de Yankee. “Hebt gij er zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, dat ik gezegd heb.”“Maar ik versta niets van dat vak,” zeide Haller bescheiden.“Ik ook niet,” bekende de dokter.“Niet?” vroeg de andere verwonderd. “Gij moet toch in de medicijnen gestudeerd hebben?”“Dat is nooit in mij opgekomen.”“Maar, als gij arts zijt, en dokter....”“Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, want ik heb die zelf aan mij verleend.”“Gij ... gij zelf?”“Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er op na houd.”Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.“Dit is dus uw apotheek!” zei Haller. “Waar haalt gij al die medicamenten?”“Die maak ik zelf.”“Och kom! Gij verstaat er immers niets van?”“O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, dataquaheet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij hier opschriften als:Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua chimborassolaria, Aqua invocabulatariaen zoo al meer. Gij kunt u niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt gij mijn famulus zijn?”“Hm!” mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. “Het ding komt mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik.”“Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen.”“Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken.”“Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij oprukken. Vooruit maar!”Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden de waardigheid van een arts was.Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.“Thunderstorm!” riep een hunner. “Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, de muzikant met de harmonica!”“Een kennis van u?” vroeg de tweede. “Hebt gij iets met hem aan de hand gehad?”“O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat ik óók goede zaken gemaakt heb.”“Weet hij, dat gij dat geweest zijt?”“Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen.”Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om binnen te komen.“Messieurs!” riep zij den binnenzittenden toe, “daar komt een hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap van die heeren u wel aangenaam zal wezen.”“Hooggeleerde arts!” mompelde de kornel half binnensmonds. “De onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe ik over hem denk!”De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die tegen desmartness(= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt niet opgewassen waren.Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt te ontvangen: “Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?”“Welk een zonderlinge vraag!” antwoordde de kwakzalver. “Ik ben arts en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen en dieren.”“Well, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, maar nooit gestudeerd hebben.”“Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige beunhaas!” hernam Hartley, een hooge borst zettende. “Hoe zou ik mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen—van dieren die legio zijn, spreek ik niet eens—aan mij hun leven en hun gezondheid te danken hebben.”“Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven.”“Pshaw!Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel vertellen of er nog iets aan te doen is.”Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw tenemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig gezicht, en zei: “Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje metAqua sylvestropoliaeens aan.”Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het begin van een wen, en kreegAqua sumatralia. De landbouwer leed aan rheumatiek, en moestAqua sensationisinnemen. De dochter, een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten omAqua furoniate nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen doorAqua ministerialia. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd en antwoordde: “Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, kan kureer ik mij op de Zweedsche manier.”“Hoe zoo?”“Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?”Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: “Wij zijn in westelijke richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden.”“In die hoop vergist gij u, sir!” antwoordde Haller. “Wat gij mij biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen.”Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl hij medelijdend zijnhoofd schudde: “Ik heb het goed met u gemeend, maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is.”“Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk.”“Well!Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij ten minste nog bij elkander blijven.”Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij aan tafel hadden gezeten.“Woe to me!” zuchtte Hartley onwillekeurig. “Dat schijnt op mij gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben meer weg van landloopers, dan van trappers.”Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon tot den kwakzalver: “Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden.”“Mij vinden?” vroeg de Yankee.“Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk achterna gegaan, om zijn geld terug te halen.”“Onzin, sir!”“Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen.”“Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken.”“Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan.”Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij mocht zijn zoo goedkoopvan hen af te komen. Daarom haalde hij drie dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: “Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken.”“Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?” hernam de kornel lachende. “Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig sommetje bij u zult hebben.”“O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet,” zei Hartley ontsteld.“Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen pijp tabak waard.”Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: “Hum! Die fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen bodem in die kist is.”Hartley’s gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.“Ha, ha!” lachte de kornel: “nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn.”Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig doodelijk getroffen hebben,indien hij niet in zulk een snelle beweging geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.“Goed zoo, schobbejak!” riep de kornel. “Gij moogt weer opstaan; maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus onder handen nemen.”Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller aan.“Ik ben zijn famulus niet,” zei deze angstig. “Ik heb hem aangetroffen pas kort eer wij op de boerderij aankwamen.”“Zoo? Wie en wat zijt gij dan?”Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: “Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken.” En zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: “Ik heb gesproken van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen.”Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar het gebergte te begeven.Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een der twee anderen tramps tegen den kornel: “Het is eigenlijk jammer, dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft.”“Pshaw!Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet.”“Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft laten lezen?”“Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan.”“Wat zegt gij? Is het toch waar?” riep de kerel uit.”En dien brief hebt gij hem teruggegeven?”“Natuurlijk. Wat hadikaan dat vod?”“Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen.”“Verduiveld,” riep de kornel. “Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn.”“En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn om dat verzuim te herstellen?”“O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen.”“Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten.”“Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige te weten te komen en deelt dat mee aan ons.”“Maar waar en hoe?”“Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult gij stellig aantreffen, dat kan niet missen.”“Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft.”“Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg.”“Uitmuntend!” merkte de tweede tramp, die Faller heette, op.“Werk zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap naar Eagle-tail te brengen.”Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, het tenuitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:“Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken.”“Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden,” zei Haller. “Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?”“Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen gevonden hebben.”“Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers gaan wij nu uit?”“Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen.”Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het ’t spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging,dat de tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede munt kon aannemen.Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken—zoo redeneerde hij—want een kind des doods was de man anders toch.Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de hooge toppen van enkele hickory’s, eiken-, noteboomen en water-olmen uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: “Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig middel om u al die moeite te besparen.”“Zoo? waarin bestaat dat middel dan?” vroeg Haller argeloos.“Gij vervolgt in ’s hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb.”“Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u.”“Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden.”“Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou.”“Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in gevaar brengen.”“In gevaar?”“Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff van Kinsley. Wordtgij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus regelrecht in den mond loopen.”“Daar zal ik wel zalig op passen,” zeide Haller verschrikt. “Wilt gij werkelijk daar naar toe?”“Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u.”Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, en mompelde bij zich zelf: “Het spijt mij voor den man; maar het kan niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind waar ik mij schuilhouden kan!”Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, en Haller stortte op den grond neer.“Het is afgeloopen,” mompelde Hartley. “Wacht maar, schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu zullen doen.”Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing van den Yankee kwam die terug,terwijl zijn beide metgezellen niet met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en reed toen weg—waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, en kwam nu ook naderbij.Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het Amerikaansche ras.Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, des te meer begon hijtot de overtuiging te komen, dat hij van dien man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een half onderdrukte uitroep zijn oor trof. “Oef!” dat was de klank, dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, die vroeg: “Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars van het bleekgezicht getogen zijn?”Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blankebowie-mesin de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: “Ik heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, omdat ik niet weet of hij weg is of niet.”“Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten.”“Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij wel zeker dat hij niet meer hier is?”“O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is.”De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende oogen, en zei toen: “Van het zuiden af zijn twee mannen te voet hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?”“Ja, zoo is het precies gebeurd,” antwoordde Hartley.“Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, die uw arm gekwetst hebben?”De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen eensklaps met een doorborenden blik op hem: “Dus heeft uw kameraad voor uw leven moeten boeten met het zijne?”De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: “Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat verkoos hij niet.”“Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?”“Ja.”“En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?”“Ja.”“Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts naar de boerderij gewezen?”“Om hem van den weg af te brengen.”“Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?”“Neen,” antwoordde Hartley met een bevende stem.“Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?”Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: “Ik heb het u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben.”“Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?”“Ja.”“En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?”“Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun dat met een brief, dien hij bij zich had.”“Een brief? Hebben zij dien gehouden?“Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven.”“Waar heeft hij dien geborgen?”“In den borstzak van zijn jas.”“Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben.”“Dat kan ik bezwaarlijk denken,” zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij op een toon van innige overtuiging: “Uw kameraad wilde naar Sheridan gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor Haller wil uitgeven.”“Maar met welk doel?”“Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen.”“Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?”“Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?”“Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd hebben, nog wel terug.”“Dus wilt gij met mij meerijden?“En mijn gekwetsten arm dan?”“Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm maar eens zien.”De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren.Toen verklaarde hij: “Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet voordat hij hoog en droog in Sheridan is.”“Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde moordenaar doet?” vroeg Hartley.“Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken daar te waarschuwen.”“Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij dan geen argwaan krijgen?”“Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg.”“En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?”“Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt.”“Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet.”“Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, en dus later aankomen dan wij.”“En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?”“Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op het graf.”De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.“Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen,” zei de roodhuid. “Het heeft een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik neem het andere.”Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den horizon;de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.“Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?”“Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht al de kamers van zijn huis kent.”“Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan.”“Winnetou’s oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard geen enkele misstap doen.”Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag “waar zijn wij nu?” Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een dikke mist over de aarde hing.“Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier,” verklaarde de hoofdman. “Die zullen wij spoedig bereiken.”Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, en vloog voorbij,ventre à terre, pijlsnel als een bliksemflits. De twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.“Oef!” riep Winnetou verrast. “Een bleekgezicht! Zooals die man reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?”“Old Firehand?” zeide de Yankee. “Dat is een hoogberoemde naam.”“Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou kent. Hij is hun vriend.”“De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar toe willen?”“Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen we wel te weten komen wie die ruiter geweest is.”De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk was, die rivier over te steken.Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in het oog kregen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee een langdurende voetreis gepaard gaat.Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk zijn gezicht eensklaps opklaarde—hij had daarginds aan den verren horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef stilstaan om hem dichterbij te laten komen.Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid spreekwoordelijk is geworden.Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de hoogte, en groette: “Good day, kameraad! Waar komt gij vandaan?”“Van Kinsley daarbeneden,” antwoordde de gevraagde, met de hand rugwaarts wijzende. “En gij?”“Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter mij ligt.”“En waar wilt gij naar toe?”“Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar vóór ons ligt.”“Ligt daar dan een boerderij?”“Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen hebben eer wij daar zijn.”“God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen uithouden.”Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, want hij stond te waggelen op zijn beenen.“Niet langer uithouden? Waarom niet?”“Van den honger.”“Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u dadelijk wel iets te verorberen geven.”Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: “Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den honger zijn ze probatum!”De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: “Gij zijt wel goed, sir! Maar deze dingen zijn voorubestemd; en alsikdie nu opeet, zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?”“Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil.”“Zijt gij dan daar bekend?”“Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar niet langer—eet liever.”De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: “Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel eenigszins bijgekomen zijn?”“Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen gekomen.”“Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis meegenomen?”“Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij mijn vertrek.”“Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een maal eten kunnen aankloppen.”“Ik heb de boerderijen moeten mijden.”“O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier of daar een stuk wild kunnen schieten.”“Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan raken, dan een hond die vlak voor mij zat.”“Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?”“Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken.”De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: “Hoor eens master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?’“Naar Sheridan, aan den spoorweg.”“Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de schoen wringt. Misschien kaniku wel helpen.”“Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel.”Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan den Yankee. Deze las:“Waarde Charoy!“Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoorzijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!UwBent Norton.”Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: “Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild.”“O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij.”“Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?”“O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was.”“En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden.”“O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, zijn boezemvrienden.”“En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?”“Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat Mr. Charoy mij dat ook zal betalen.”“Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken.”“Wat? Is het tòch waar?” riep de klerk zichtbaar blij verrast. “Zestien dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!”“Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen sparen.”“En waar is die betrekking? Bij wien?”“Bij mij.”“Bij ... u?” klonk het op een toon van teleurstelling.“Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is.”“Hum! Ik ken u niet.”“Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, geneesheer en veearts van mijn beroep.”“Dus, arts voor menschen en voor paarden?”“Ja, arts voor menschen en dieren,” knikte de Yankee. “Hebt gij er zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, dat ik gezegd heb.”“Maar ik versta niets van dat vak,” zeide Haller bescheiden.“Ik ook niet,” bekende de dokter.“Niet?” vroeg de andere verwonderd. “Gij moet toch in de medicijnen gestudeerd hebben?”“Dat is nooit in mij opgekomen.”“Maar, als gij arts zijt, en dokter....”“Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, want ik heb die zelf aan mij verleend.”“Gij ... gij zelf?”“Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er op na houd.”Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.“Dit is dus uw apotheek!” zei Haller. “Waar haalt gij al die medicamenten?”“Die maak ik zelf.”“Och kom! Gij verstaat er immers niets van?”“O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, dataquaheet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij hier opschriften als:Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua chimborassolaria, Aqua invocabulatariaen zoo al meer. Gij kunt u niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt gij mijn famulus zijn?”“Hm!” mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. “Het ding komt mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik.”“Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen.”“Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken.”“Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij oprukken. Vooruit maar!”Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden de waardigheid van een arts was.Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.“Thunderstorm!” riep een hunner. “Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, de muzikant met de harmonica!”“Een kennis van u?” vroeg de tweede. “Hebt gij iets met hem aan de hand gehad?”“O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat ik óók goede zaken gemaakt heb.”“Weet hij, dat gij dat geweest zijt?”“Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen.”Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om binnen te komen.“Messieurs!” riep zij den binnenzittenden toe, “daar komt een hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap van die heeren u wel aangenaam zal wezen.”“Hooggeleerde arts!” mompelde de kornel half binnensmonds. “De onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe ik over hem denk!”De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die tegen desmartness(= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt niet opgewassen waren.Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt te ontvangen: “Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?”“Welk een zonderlinge vraag!” antwoordde de kwakzalver. “Ik ben arts en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen en dieren.”“Well, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, maar nooit gestudeerd hebben.”“Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige beunhaas!” hernam Hartley, een hooge borst zettende. “Hoe zou ik mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen—van dieren die legio zijn, spreek ik niet eens—aan mij hun leven en hun gezondheid te danken hebben.”“Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven.”“Pshaw!Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel vertellen of er nog iets aan te doen is.”Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw tenemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig gezicht, en zei: “Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje metAqua sylvestropoliaeens aan.”Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het begin van een wen, en kreegAqua sumatralia. De landbouwer leed aan rheumatiek, en moestAqua sensationisinnemen. De dochter, een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten omAqua furoniate nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen doorAqua ministerialia. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd en antwoordde: “Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, kan kureer ik mij op de Zweedsche manier.”“Hoe zoo?”“Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?”Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: “Wij zijn in westelijke richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden.”“In die hoop vergist gij u, sir!” antwoordde Haller. “Wat gij mij biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen.”Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl hij medelijdend zijnhoofd schudde: “Ik heb het goed met u gemeend, maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is.”“Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk.”“Well!Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij ten minste nog bij elkander blijven.”Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij aan tafel hadden gezeten.“Woe to me!” zuchtte Hartley onwillekeurig. “Dat schijnt op mij gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben meer weg van landloopers, dan van trappers.”Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon tot den kwakzalver: “Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden.”“Mij vinden?” vroeg de Yankee.“Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk achterna gegaan, om zijn geld terug te halen.”“Onzin, sir!”“Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen.”“Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken.”“Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan.”Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij mocht zijn zoo goedkoopvan hen af te komen. Daarom haalde hij drie dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: “Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken.”“Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?” hernam de kornel lachende. “Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig sommetje bij u zult hebben.”“O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet,” zei Hartley ontsteld.“Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen pijp tabak waard.”Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: “Hum! Die fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen bodem in die kist is.”Hartley’s gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.“Ha, ha!” lachte de kornel: “nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn.”Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig doodelijk getroffen hebben,indien hij niet in zulk een snelle beweging geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.“Goed zoo, schobbejak!” riep de kornel. “Gij moogt weer opstaan; maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus onder handen nemen.”Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller aan.“Ik ben zijn famulus niet,” zei deze angstig. “Ik heb hem aangetroffen pas kort eer wij op de boerderij aankwamen.”“Zoo? Wie en wat zijt gij dan?”Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: “Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken.” En zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: “Ik heb gesproken van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen.”Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar het gebergte te begeven.Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een der twee anderen tramps tegen den kornel: “Het is eigenlijk jammer, dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft.”“Pshaw!Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet.”“Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft laten lezen?”“Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan.”“Wat zegt gij? Is het toch waar?” riep de kerel uit.”En dien brief hebt gij hem teruggegeven?”“Natuurlijk. Wat hadikaan dat vod?”“Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen.”“Verduiveld,” riep de kornel. “Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn.”“En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn om dat verzuim te herstellen?”“O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen.”“Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten.”“Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige te weten te komen en deelt dat mee aan ons.”“Maar waar en hoe?”“Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult gij stellig aantreffen, dat kan niet missen.”“Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft.”“Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg.”“Uitmuntend!” merkte de tweede tramp, die Faller heette, op.“Werk zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap naar Eagle-tail te brengen.”Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, het tenuitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:“Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken.”“Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden,” zei Haller. “Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?”“Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen gevonden hebben.”“Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers gaan wij nu uit?”“Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen.”Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het ’t spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging,dat de tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede munt kon aannemen.Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken—zoo redeneerde hij—want een kind des doods was de man anders toch.Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de hooge toppen van enkele hickory’s, eiken-, noteboomen en water-olmen uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: “Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig middel om u al die moeite te besparen.”“Zoo? waarin bestaat dat middel dan?” vroeg Haller argeloos.“Gij vervolgt in ’s hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb.”“Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u.”“Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden.”“Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou.”“Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in gevaar brengen.”“In gevaar?”“Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff van Kinsley. Wordtgij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus regelrecht in den mond loopen.”“Daar zal ik wel zalig op passen,” zeide Haller verschrikt. “Wilt gij werkelijk daar naar toe?”“Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u.”Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, en mompelde bij zich zelf: “Het spijt mij voor den man; maar het kan niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind waar ik mij schuilhouden kan!”Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, en Haller stortte op den grond neer.“Het is afgeloopen,” mompelde Hartley. “Wacht maar, schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu zullen doen.”Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing van den Yankee kwam die terug,terwijl zijn beide metgezellen niet met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en reed toen weg—waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, en kwam nu ook naderbij.Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het Amerikaansche ras.Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, des te meer begon hijtot de overtuiging te komen, dat hij van dien man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een half onderdrukte uitroep zijn oor trof. “Oef!” dat was de klank, dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, die vroeg: “Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars van het bleekgezicht getogen zijn?”Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blankebowie-mesin de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: “Ik heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, omdat ik niet weet of hij weg is of niet.”“Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten.”“Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij wel zeker dat hij niet meer hier is?”“O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is.”De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende oogen, en zei toen: “Van het zuiden af zijn twee mannen te voet hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?”“Ja, zoo is het precies gebeurd,” antwoordde Hartley.“Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, die uw arm gekwetst hebben?”De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen eensklaps met een doorborenden blik op hem: “Dus heeft uw kameraad voor uw leven moeten boeten met het zijne?”De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: “Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat verkoos hij niet.”“Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?”“Ja.”“En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?”“Ja.”“Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts naar de boerderij gewezen?”“Om hem van den weg af te brengen.”“Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?”“Neen,” antwoordde Hartley met een bevende stem.“Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?”Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: “Ik heb het u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben.”“Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?”“Ja.”“En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?”“Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun dat met een brief, dien hij bij zich had.”“Een brief? Hebben zij dien gehouden?“Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven.”“Waar heeft hij dien geborgen?”“In den borstzak van zijn jas.”“Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben.”“Dat kan ik bezwaarlijk denken,” zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij op een toon van innige overtuiging: “Uw kameraad wilde naar Sheridan gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor Haller wil uitgeven.”“Maar met welk doel?”“Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen.”“Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?”“Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?”“Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd hebben, nog wel terug.”“Dus wilt gij met mij meerijden?“En mijn gekwetsten arm dan?”“Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm maar eens zien.”De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren.Toen verklaarde hij: “Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet voordat hij hoog en droog in Sheridan is.”“Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde moordenaar doet?” vroeg Hartley.“Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken daar te waarschuwen.”“Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij dan geen argwaan krijgen?”“Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg.”“En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?”“Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt.”“Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet.”“Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, en dus later aankomen dan wij.”“En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?”“Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op het graf.”De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.“Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen,” zei de roodhuid. “Het heeft een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik neem het andere.”Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den horizon;de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.“Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?”“Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht al de kamers van zijn huis kent.”“Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan.”“Winnetou’s oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard geen enkele misstap doen.”Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag “waar zijn wij nu?” Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een dikke mist over de aarde hing.“Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier,” verklaarde de hoofdman. “Die zullen wij spoedig bereiken.”Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, en vloog voorbij,ventre à terre, pijlsnel als een bliksemflits. De twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.“Oef!” riep Winnetou verrast. “Een bleekgezicht! Zooals die man reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?”“Old Firehand?” zeide de Yankee. “Dat is een hoogberoemde naam.”“Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou kent. Hij is hun vriend.”“De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar toe willen?”“Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen we wel te weten komen wie die ruiter geweest is.”De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk was, die rivier over te steken.Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in het oog kregen.

Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee een langdurende voetreis gepaard gaat.

Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk zijn gezicht eensklaps opklaarde—hij had daarginds aan den verren horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef stilstaan om hem dichterbij te laten komen.

Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid spreekwoordelijk is geworden.

Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de hoogte, en groette: “Good day, kameraad! Waar komt gij vandaan?”

“Van Kinsley daarbeneden,” antwoordde de gevraagde, met de hand rugwaarts wijzende. “En gij?”

“Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter mij ligt.”

“En waar wilt gij naar toe?”

“Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar vóór ons ligt.”

“Ligt daar dan een boerderij?”

“Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen hebben eer wij daar zijn.”

“God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen uithouden.”

Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, want hij stond te waggelen op zijn beenen.

“Niet langer uithouden? Waarom niet?”

“Van den honger.”

“Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u dadelijk wel iets te verorberen geven.”

Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: “Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den honger zijn ze probatum!”

De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: “Gij zijt wel goed, sir! Maar deze dingen zijn voorubestemd; en alsikdie nu opeet, zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?”

“Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil.”

“Zijt gij dan daar bekend?”

“Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar niet langer—eet liever.”

De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: “Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel eenigszins bijgekomen zijn?”

“Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen gekomen.”

“Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis meegenomen?”

“Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij mijn vertrek.”

“Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een maal eten kunnen aankloppen.”

“Ik heb de boerderijen moeten mijden.”

“O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier of daar een stuk wild kunnen schieten.”

“Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan raken, dan een hond die vlak voor mij zat.”

“Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?”

“Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken.”

De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: “Hoor eens master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?’

“Naar Sheridan, aan den spoorweg.”

“Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de schoen wringt. Misschien kaniku wel helpen.”

“Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel.”

Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan den Yankee. Deze las:

“Waarde Charoy!“Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoorzijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!UwBent Norton.”

“Waarde Charoy!

“Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoorzijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!

Uw

Bent Norton.”

Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: “Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild.”

“O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij.”

“Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?”

“O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was.”

“En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden.”

“O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, zijn boezemvrienden.”

“En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?”

“Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat Mr. Charoy mij dat ook zal betalen.”

“Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken.”

“Wat? Is het tòch waar?” riep de klerk zichtbaar blij verrast. “Zestien dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!”

“Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen sparen.”

“En waar is die betrekking? Bij wien?”

“Bij mij.”

“Bij ... u?” klonk het op een toon van teleurstelling.

“Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is.”

“Hum! Ik ken u niet.”

“Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, geneesheer en veearts van mijn beroep.”

“Dus, arts voor menschen en voor paarden?”

“Ja, arts voor menschen en dieren,” knikte de Yankee. “Hebt gij er zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, dat ik gezegd heb.”

“Maar ik versta niets van dat vak,” zeide Haller bescheiden.

“Ik ook niet,” bekende de dokter.

“Niet?” vroeg de andere verwonderd. “Gij moet toch in de medicijnen gestudeerd hebben?”

“Dat is nooit in mij opgekomen.”

“Maar, als gij arts zijt, en dokter....”

“Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, want ik heb die zelf aan mij verleend.”

“Gij ... gij zelf?”

“Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er op na houd.”

Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.

“Dit is dus uw apotheek!” zei Haller. “Waar haalt gij al die medicamenten?”

“Die maak ik zelf.”

“Och kom! Gij verstaat er immers niets van?”

“O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, dataquaheet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij hier opschriften als:Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua chimborassolaria, Aqua invocabulatariaen zoo al meer. Gij kunt u niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt gij mijn famulus zijn?”

“Hm!” mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. “Het ding komt mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik.”

“Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen.”

“Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken.”

“Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij oprukken. Vooruit maar!”

Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden de waardigheid van een arts was.

Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.

“Thunderstorm!” riep een hunner. “Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, de muzikant met de harmonica!”

“Een kennis van u?” vroeg de tweede. “Hebt gij iets met hem aan de hand gehad?”

“O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat ik óók goede zaken gemaakt heb.”

“Weet hij, dat gij dat geweest zijt?”

“Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen.”

Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.

De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om binnen te komen.

“Messieurs!” riep zij den binnenzittenden toe, “daar komt een hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap van die heeren u wel aangenaam zal wezen.”

“Hooggeleerde arts!” mompelde de kornel half binnensmonds. “De onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe ik over hem denk!”

De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.

Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die tegen desmartness(= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt niet opgewassen waren.

Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt te ontvangen: “Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?”

“Welk een zonderlinge vraag!” antwoordde de kwakzalver. “Ik ben arts en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen en dieren.”

“Well, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, maar nooit gestudeerd hebben.”

“Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige beunhaas!” hernam Hartley, een hooge borst zettende. “Hoe zou ik mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen—van dieren die legio zijn, spreek ik niet eens—aan mij hun leven en hun gezondheid te danken hebben.”

“Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven.”

“Pshaw!Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel vertellen of er nog iets aan te doen is.”

Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw tenemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig gezicht, en zei: “Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje metAqua sylvestropoliaeens aan.”

Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het begin van een wen, en kreegAqua sumatralia. De landbouwer leed aan rheumatiek, en moestAqua sensationisinnemen. De dochter, een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten omAqua furoniate nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen doorAqua ministerialia. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd en antwoordde: “Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, kan kureer ik mij op de Zweedsche manier.”

“Hoe zoo?”

“Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?”

Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: “Wij zijn in westelijke richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden.”

“In die hoop vergist gij u, sir!” antwoordde Haller. “Wat gij mij biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen.”

Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl hij medelijdend zijnhoofd schudde: “Ik heb het goed met u gemeend, maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is.”

“Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk.”

“Well!Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij ten minste nog bij elkander blijven.”

Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij aan tafel hadden gezeten.

“Woe to me!” zuchtte Hartley onwillekeurig. “Dat schijnt op mij gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben meer weg van landloopers, dan van trappers.”

Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon tot den kwakzalver: “Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden.”

“Mij vinden?” vroeg de Yankee.

“Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk achterna gegaan, om zijn geld terug te halen.”

“Onzin, sir!”

“Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen.”

“Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken.”

“Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan.”

Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij mocht zijn zoo goedkoopvan hen af te komen. Daarom haalde hij drie dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: “Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken.”

“Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?” hernam de kornel lachende. “Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig sommetje bij u zult hebben.”

“O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet,” zei Hartley ontsteld.

“Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen pijp tabak waard.”

Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.

Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.

De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: “Hum! Die fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen bodem in die kist is.”

Hartley’s gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.

“Ha, ha!” lachte de kornel: “nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn.”

Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig doodelijk getroffen hebben,indien hij niet in zulk een snelle beweging geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.

“Goed zoo, schobbejak!” riep de kornel. “Gij moogt weer opstaan; maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus onder handen nemen.”

Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller aan.

“Ik ben zijn famulus niet,” zei deze angstig. “Ik heb hem aangetroffen pas kort eer wij op de boerderij aankwamen.”

“Zoo? Wie en wat zijt gij dan?”

Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: “Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken.” En zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: “Ik heb gesproken van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen.”

Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar het gebergte te begeven.

Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een der twee anderen tramps tegen den kornel: “Het is eigenlijk jammer, dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft.”

“Pshaw!Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet.”

“Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft laten lezen?”

“Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan.”

“Wat zegt gij? Is het toch waar?” riep de kerel uit.”En dien brief hebt gij hem teruggegeven?”

“Natuurlijk. Wat hadikaan dat vod?”

“Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen.”

“Verduiveld,” riep de kornel. “Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn.”

“En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn om dat verzuim te herstellen?”

“O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen.”

“Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten.”

“Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige te weten te komen en deelt dat mee aan ons.”

“Maar waar en hoe?”

“Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult gij stellig aantreffen, dat kan niet missen.”

“Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft.”

“Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg.”

“Uitmuntend!” merkte de tweede tramp, die Faller heette, op.“Werk zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap naar Eagle-tail te brengen.”

Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, het tenuitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.

Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:

“Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken.”

“Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden,” zei Haller. “Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?”

“Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen gevonden hebben.”

“Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers gaan wij nu uit?”

“Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen.”

Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.

Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het ’t spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging,dat de tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede munt kon aannemen.

Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken—zoo redeneerde hij—want een kind des doods was de man anders toch.

Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de hooge toppen van enkele hickory’s, eiken-, noteboomen en water-olmen uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: “Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig middel om u al die moeite te besparen.”

“Zoo? waarin bestaat dat middel dan?” vroeg Haller argeloos.

“Gij vervolgt in ’s hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb.”

“Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u.”

“Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden.”

“Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou.”

“Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in gevaar brengen.”

“In gevaar?”

“Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff van Kinsley. Wordtgij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus regelrecht in den mond loopen.”

“Daar zal ik wel zalig op passen,” zeide Haller verschrikt. “Wilt gij werkelijk daar naar toe?”

“Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u.”

Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, en mompelde bij zich zelf: “Het spijt mij voor den man; maar het kan niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind waar ik mij schuilhouden kan!”

Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.

De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, en Haller stortte op den grond neer.

“Het is afgeloopen,” mompelde Hartley. “Wacht maar, schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu zullen doen.”

Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing van den Yankee kwam die terug,terwijl zijn beide metgezellen niet met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en reed toen weg—waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.

Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.

Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, en kwam nu ook naderbij.

Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.

In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het Amerikaansche ras.

Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, des te meer begon hijtot de overtuiging te komen, dat hij van dien man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.

Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een half onderdrukte uitroep zijn oor trof. “Oef!” dat was de klank, dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, die vroeg: “Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars van het bleekgezicht getogen zijn?”

Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blankebowie-mesin de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: “Ik heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, omdat ik niet weet of hij weg is of niet.”

“Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten.”

“Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij wel zeker dat hij niet meer hier is?”

“O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is.”

De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende oogen, en zei toen: “Van het zuiden af zijn twee mannen te voet hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?”

“Ja, zoo is het precies gebeurd,” antwoordde Hartley.

“Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, die uw arm gekwetst hebben?”

De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen eensklaps met een doorborenden blik op hem: “Dus heeft uw kameraad voor uw leven moeten boeten met het zijne?”

De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: “Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat verkoos hij niet.”

“Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?”

“Ja.”

“En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?”

“Ja.”

“Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts naar de boerderij gewezen?”

“Om hem van den weg af te brengen.”

“Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?”

“Neen,” antwoordde Hartley met een bevende stem.

“Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?”

Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: “Ik heb het u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben.”

“Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?”

“Ja.”

“En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?”

“Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun dat met een brief, dien hij bij zich had.”

“Een brief? Hebben zij dien gehouden?

“Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven.”

“Waar heeft hij dien geborgen?”

“In den borstzak van zijn jas.”

“Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben.”

“Dat kan ik bezwaarlijk denken,” zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.

De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij op een toon van innige overtuiging: “Uw kameraad wilde naar Sheridan gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor Haller wil uitgeven.”

“Maar met welk doel?”

“Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen.”

“Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?”

“Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?”

“Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd hebben, nog wel terug.”

“Dus wilt gij met mij meerijden?

“En mijn gekwetsten arm dan?”

“Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm maar eens zien.”

De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren.Toen verklaarde hij: “Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet voordat hij hoog en droog in Sheridan is.”

“Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde moordenaar doet?” vroeg Hartley.

“Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken daar te waarschuwen.”

“Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij dan geen argwaan krijgen?”

“Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg.”

“En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?”

“Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt.”

“Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet.”

“Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, en dus later aankomen dan wij.”

“En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?”

“Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op het graf.”

De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.

“Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen,” zei de roodhuid. “Het heeft een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik neem het andere.”

Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.

De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den horizon;de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.

“Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?”

“Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht al de kamers van zijn huis kent.”

“Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan.”

“Winnetou’s oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard geen enkele misstap doen.”

Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag “waar zijn wij nu?” Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.

In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een dikke mist over de aarde hing.

“Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier,” verklaarde de hoofdman. “Die zullen wij spoedig bereiken.”

Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, en vloog voorbij,ventre à terre, pijlsnel als een bliksemflits. De twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.

“Oef!” riep Winnetou verrast. “Een bleekgezicht! Zooals die man reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?”

“Old Firehand?” zeide de Yankee. “Dat is een hoogberoemde naam.”

“Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou kent. Hij is hun vriend.”

“De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar toe willen?”

“Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen we wel te weten komen wie die ruiter geweest is.”

De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk was, die rivier over te steken.

Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in het oog kregen.


Back to IndexNext