Chapter 14

“Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!”Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit de kogel hem raken kon.“Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!” klonken luid verscheiden stemmen (= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: “Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?”“Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan.”“Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn dood ontzettend aan u gewroken worden.”“Wij zijn niet bang voor wraak.”“Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem zoekt te dooden?”“De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En daarom zal hij zich nu óók laten zien.”Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale gestalte duidelijk te zien kwam.“Is Old Shatterhand nu voldaan?” vroeg hij.“Neen!”“Wat verlangt hij dan nog meer?”“Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen.”“Wilt gij niet liever bij ons komen?”“Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den andere halverwegen tegemoet te komen.”“Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen.”“Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan waart gij natuurlijk een verloren man.”“Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de groote blanke jager gewapend zijn?”“Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat het vrij, te doen zooals gij goedvindt.”“De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!”De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, en wachtte toen Old Shatterhand af.“Gij waagt te veel,” antwoordde Jemmy hem. “Zijt gij inderdaad overtuigd, dat gij het durft besteken?”“Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik hem vertrouwen.”“En wat moeten wij ondertusschen doen?”“Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word.”Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand den hoofdman de hand toe, en zei: “Ik heb den Grooten Wolf nog nooit gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te kunnen begroeten.”De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: “Laat ons gaan zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, dien ik als vriend begroeten kan.”Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand’s mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: “De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte is daaraan niet geëvenredigd.”Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: “Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, is daaraan niet geëvenredigd?”“Dat zou een beleediging zijn,” antwoordde de Roodhuid met vlammenschietende oogen, “waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel te geven den strijd te beginnen.”“Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet tot een gewenscht doel kunnen leiden.”Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.“Er is maar één doel en geen ander,” verklaarde de Groote Wolf.“En dat is?”“Uw dood!”“Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan.”“Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!”“Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts overvallen hebben?”“Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan teruggehouden hebben.”“Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?”“Omdat gij met hen meegereden zijt.”“Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en toen ons spoor hebben gevolgd.”“Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed moeten wij houden, en gij zijt een blanke.”“Maar een blanke, die onschuldig is.”“Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, dan onze tegenstanders en moordenaars?”“Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een vriend der roode mannen ben.”“Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en rechtvaardiger te handelen.”Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar toch antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf denkt slechts aan zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen geweest zijn.”“Wij—dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie metgezellen? Wie zijn dat dan?”“De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: den dikken Jemmy en den langen Davy.”“Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult.”Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter niets daarvanblijken, en antwoordde: “Uw bedoeling is zeer goed, en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn.”“Ik belach hen; zij kunnen komen!”“Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij honderdtallen zult kunnen tellen?”“Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!”“Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!”“Wie dan alzoo?”“Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand.”“Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder prairie-honden is,” erkende de hoofdman. “Maar dat zou ook de eenige zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen.”“O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult.”“Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook moeten sterven; hij is onze vijand.”“Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders.”“Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die tegen ons opgehitst.”“Weet gij dat al?”“De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt.”“En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?”De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte pauze: “Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger sterft en spoediger vernietigdwordt? De blik, dien gij mij in de toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite,het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”“Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?’“Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben aangekondigd?”“Ja,” antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid als in verrassing uitriep: “Geef dan uw wapenen maar over!”“Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!”“En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!” riep de andere op een toon van groote verwondering.“Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?”“Ja, dat heb ik gezegd,” knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.“Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op dit oogenblik is dat het geval nog niet.”“Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?”“Zeer zeker denk ik dat.”“Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik bij mij heb? Over de tweehonderd!”“Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij te vangen of vast te houden.”“Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel gaatje waardoor gij ontsnappen kunt.”“Dan zullen wij zulk een gaatje maken.”“Daarbij wordt gij immers gedood!”“Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt.”Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: “Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?”“O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?”“Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik niets van; want dat is een onmogelijkheid.”“Wil ik u dat eens laten zien?”“Ja, laat mij dat eens zien!” riep de hoofdman, als geëlectriseerd door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk te maken.“Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!”De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die terstond weer achteruit, en vroeg: “Mag ook iemand anders dan gij het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen.”Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: “De geheimen van dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer het zelf maar eens.”Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, maar stellig den een of den ander moest raken.Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. “Zou ik het wagen, of zou ik het niet doen?” Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.“Hebikhem gekwetst?” vroeg de hoofdman ontsteld.“Wie anders?” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is nu maar gebeurd, om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de tweede kogel......”“Neen, neen!” riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een afwerende beweging maakte. “Het is werkelijk een toovergeweer, en bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en met dat schot raakt hijzijn eigen vrienden, of misschien wel zich zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!”“Dat is zeer verstandig van u,” sprak Old Shatterhand op een ernstigen toon. “Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één keer afgegaan is.Hetzal louter geweest zijn om u een klein lesje te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van elkander af zullen staan.”Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: “Ga nu eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart zou kunnen raken, als ik dat wilde.”De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van datoogenblikmaakte de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch bewegenden bol te schuiven.“Oef! Oef! Oef!” hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren zonder iets te zeggen, en sprak toen: “Ik zie dat gij een uitverkorene van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, wat er van verteld wordt, waarheid is.”“Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven.”“Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen neer te leggen.”“Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien.”“Wij zullen achter de boomen staan!”“Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden.”Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: “Als wij niet gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen eed moet men houden.”“Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men terugnemen.”“Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad.”“Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad.”“Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met wien zou ik dus te rade kunnen gaan!”Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: “De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft.”“Wacht nog even!” antwoordde de Roodhuid schielijk. “Zult gij ons niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te gaan vechten?”“O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, hen hier noodeloos dood te laten schieten.”“Gij hebt gelijk,” antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. “Ik zelf kan mijn eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal.”“En als wij nu eens weigeren dat te doen?”“Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met kogels te overstelpen.”“Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden.”“Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt.”Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: “Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien gij vermijden wilt.”“Oef!” riep de hoofdman onwillekeurig. “Uw woorden treffen evengoed als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, maar ook een meester in de redekunst.”“Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van uw vijand te moeten zijn?”De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde hij: “Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten de wapenen maar beslissen.”“Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en iktwijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; maar niet als gevangenen, dat nooit!”“Als wat dan anders?”“Als begeleiders.”“Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten binden?”“Neen, in geen geval!”“Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!”Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf moet erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken.”“Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo handelen zult.”Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks (= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: “Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!”“Howgh!” knikte de hoofdman. “Nu is het goed!”“Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen,” verklaarde Old Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: “Aan de vier blanken zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!”Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.“Neen,” antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. “Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen.”“Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!” riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.“Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen,” zei de hoofdman op zeer strengen toon. “Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren.”De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.“Moorden?” vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. “Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?”“Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt.”Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: “Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest.”“Lieg niet!”“Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden.”“Vlei u niet met die ijdele hoop!” voegde Old Shatterhand hem toe. “Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen.”Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.“Maar sir!” riep Knox. “Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!”“Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen.”“Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook watmijte doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf.” En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. “Waarom behandelt gij de vier met verschooning?” vroeg hij. “Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!”Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: “Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, naniwietsj!”Die twee Utah-woorden beduiden: “mijn mes, mijn mes!”Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.“Om Godswil neen!” gilde de bedreigde. “Mij levend scalpeeren, neen, neen!”Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer—drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.“Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!” riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.“Dat ziet er niet best uit,” merkte Jemmy aan. “Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?”“Neen, dat was een onmogelijkheid.”“Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen.”“Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben.”“Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen.”“Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten.”“Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn.”“En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest.”“De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad—twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest.”“En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren.”“Dat is zeer juist gezien,” merkte Hobble-Frank aan. “Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt.”“Dat spreekt vanzelf,” antwoordde deze. “Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben.”“Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?” vroeg Jemmy. “Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal.”“Dat zou ik hun maar niet raden,” dreigde Frank. “Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten.”“Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek.”“Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig...”“Astronomischen wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.“Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen,” zei de kleine driftig. “Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria.”Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: “Frank heeft mij goedbegrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik.”“En dan is allereerst de vraag,” merkte Davy op, “of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?”“Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken.”Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder deboomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.

“Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!”Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit de kogel hem raken kon.“Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!” klonken luid verscheiden stemmen (= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: “Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?”“Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan.”“Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn dood ontzettend aan u gewroken worden.”“Wij zijn niet bang voor wraak.”“Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem zoekt te dooden?”“De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En daarom zal hij zich nu óók laten zien.”Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale gestalte duidelijk te zien kwam.“Is Old Shatterhand nu voldaan?” vroeg hij.“Neen!”“Wat verlangt hij dan nog meer?”“Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen.”“Wilt gij niet liever bij ons komen?”“Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den andere halverwegen tegemoet te komen.”“Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen.”“Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan waart gij natuurlijk een verloren man.”“Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de groote blanke jager gewapend zijn?”“Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat het vrij, te doen zooals gij goedvindt.”“De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!”De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, en wachtte toen Old Shatterhand af.“Gij waagt te veel,” antwoordde Jemmy hem. “Zijt gij inderdaad overtuigd, dat gij het durft besteken?”“Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik hem vertrouwen.”“En wat moeten wij ondertusschen doen?”“Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word.”Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand den hoofdman de hand toe, en zei: “Ik heb den Grooten Wolf nog nooit gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te kunnen begroeten.”De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: “Laat ons gaan zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, dien ik als vriend begroeten kan.”Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand’s mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: “De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte is daaraan niet geëvenredigd.”Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: “Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, is daaraan niet geëvenredigd?”“Dat zou een beleediging zijn,” antwoordde de Roodhuid met vlammenschietende oogen, “waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel te geven den strijd te beginnen.”“Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet tot een gewenscht doel kunnen leiden.”Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.“Er is maar één doel en geen ander,” verklaarde de Groote Wolf.“En dat is?”“Uw dood!”“Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan.”“Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!”“Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts overvallen hebben?”“Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan teruggehouden hebben.”“Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?”“Omdat gij met hen meegereden zijt.”“Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en toen ons spoor hebben gevolgd.”“Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed moeten wij houden, en gij zijt een blanke.”“Maar een blanke, die onschuldig is.”“Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, dan onze tegenstanders en moordenaars?”“Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een vriend der roode mannen ben.”“Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en rechtvaardiger te handelen.”Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar toch antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf denkt slechts aan zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen geweest zijn.”“Wij—dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie metgezellen? Wie zijn dat dan?”“De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: den dikken Jemmy en den langen Davy.”“Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult.”Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter niets daarvanblijken, en antwoordde: “Uw bedoeling is zeer goed, en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn.”“Ik belach hen; zij kunnen komen!”“Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij honderdtallen zult kunnen tellen?”“Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!”“Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!”“Wie dan alzoo?”“Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand.”“Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder prairie-honden is,” erkende de hoofdman. “Maar dat zou ook de eenige zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen.”“O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult.”“Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook moeten sterven; hij is onze vijand.”“Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders.”“Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die tegen ons opgehitst.”“Weet gij dat al?”“De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt.”“En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?”De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte pauze: “Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger sterft en spoediger vernietigdwordt? De blik, dien gij mij in de toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite,het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”“Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?’“Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben aangekondigd?”“Ja,” antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid als in verrassing uitriep: “Geef dan uw wapenen maar over!”“Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!”“En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!” riep de andere op een toon van groote verwondering.“Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?”“Ja, dat heb ik gezegd,” knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.“Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op dit oogenblik is dat het geval nog niet.”“Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?”“Zeer zeker denk ik dat.”“Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik bij mij heb? Over de tweehonderd!”“Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij te vangen of vast te houden.”“Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel gaatje waardoor gij ontsnappen kunt.”“Dan zullen wij zulk een gaatje maken.”“Daarbij wordt gij immers gedood!”“Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt.”Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: “Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?”“O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?”“Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik niets van; want dat is een onmogelijkheid.”“Wil ik u dat eens laten zien?”“Ja, laat mij dat eens zien!” riep de hoofdman, als geëlectriseerd door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk te maken.“Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!”De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die terstond weer achteruit, en vroeg: “Mag ook iemand anders dan gij het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen.”Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: “De geheimen van dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer het zelf maar eens.”Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, maar stellig den een of den ander moest raken.Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. “Zou ik het wagen, of zou ik het niet doen?” Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.“Hebikhem gekwetst?” vroeg de hoofdman ontsteld.“Wie anders?” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is nu maar gebeurd, om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de tweede kogel......”“Neen, neen!” riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een afwerende beweging maakte. “Het is werkelijk een toovergeweer, en bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en met dat schot raakt hijzijn eigen vrienden, of misschien wel zich zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!”“Dat is zeer verstandig van u,” sprak Old Shatterhand op een ernstigen toon. “Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één keer afgegaan is.Hetzal louter geweest zijn om u een klein lesje te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van elkander af zullen staan.”Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: “Ga nu eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart zou kunnen raken, als ik dat wilde.”De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van datoogenblikmaakte de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch bewegenden bol te schuiven.“Oef! Oef! Oef!” hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren zonder iets te zeggen, en sprak toen: “Ik zie dat gij een uitverkorene van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, wat er van verteld wordt, waarheid is.”“Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven.”“Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen neer te leggen.”“Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien.”“Wij zullen achter de boomen staan!”“Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden.”Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: “Als wij niet gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen eed moet men houden.”“Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men terugnemen.”“Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad.”“Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad.”“Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met wien zou ik dus te rade kunnen gaan!”Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: “De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft.”“Wacht nog even!” antwoordde de Roodhuid schielijk. “Zult gij ons niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te gaan vechten?”“O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, hen hier noodeloos dood te laten schieten.”“Gij hebt gelijk,” antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. “Ik zelf kan mijn eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal.”“En als wij nu eens weigeren dat te doen?”“Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met kogels te overstelpen.”“Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden.”“Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt.”Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: “Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien gij vermijden wilt.”“Oef!” riep de hoofdman onwillekeurig. “Uw woorden treffen evengoed als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, maar ook een meester in de redekunst.”“Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van uw vijand te moeten zijn?”De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde hij: “Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten de wapenen maar beslissen.”“Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en iktwijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; maar niet als gevangenen, dat nooit!”“Als wat dan anders?”“Als begeleiders.”“Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten binden?”“Neen, in geen geval!”“Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!”Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf moet erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken.”“Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo handelen zult.”Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks (= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: “Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!”“Howgh!” knikte de hoofdman. “Nu is het goed!”“Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen,” verklaarde Old Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: “Aan de vier blanken zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!”Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.“Neen,” antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. “Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen.”“Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!” riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.“Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen,” zei de hoofdman op zeer strengen toon. “Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren.”De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.“Moorden?” vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. “Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?”“Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt.”Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: “Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest.”“Lieg niet!”“Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden.”“Vlei u niet met die ijdele hoop!” voegde Old Shatterhand hem toe. “Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen.”Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.“Maar sir!” riep Knox. “Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!”“Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen.”“Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook watmijte doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf.” En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. “Waarom behandelt gij de vier met verschooning?” vroeg hij. “Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!”Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: “Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, naniwietsj!”Die twee Utah-woorden beduiden: “mijn mes, mijn mes!”Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.“Om Godswil neen!” gilde de bedreigde. “Mij levend scalpeeren, neen, neen!”Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer—drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.“Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!” riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.“Dat ziet er niet best uit,” merkte Jemmy aan. “Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?”“Neen, dat was een onmogelijkheid.”“Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen.”“Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben.”“Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen.”“Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten.”“Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn.”“En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest.”“De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad—twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest.”“En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren.”“Dat is zeer juist gezien,” merkte Hobble-Frank aan. “Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt.”“Dat spreekt vanzelf,” antwoordde deze. “Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben.”“Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?” vroeg Jemmy. “Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal.”“Dat zou ik hun maar niet raden,” dreigde Frank. “Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten.”“Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek.”“Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig...”“Astronomischen wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.“Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen,” zei de kleine driftig. “Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria.”Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: “Frank heeft mij goedbegrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik.”“En dan is allereerst de vraag,” merkte Davy op, “of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?”“Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken.”Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder deboomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.

“Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!”

Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit de kogel hem raken kon.

“Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!” klonken luid verscheiden stemmen (= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).

Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: “Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?”

“Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan.”

“Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn dood ontzettend aan u gewroken worden.”

“Wij zijn niet bang voor wraak.”

“Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem zoekt te dooden?”

“De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En daarom zal hij zich nu óók laten zien.”

Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale gestalte duidelijk te zien kwam.

“Is Old Shatterhand nu voldaan?” vroeg hij.

“Neen!”

“Wat verlangt hij dan nog meer?”

“Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen.”

“Wilt gij niet liever bij ons komen?”

“Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den andere halverwegen tegemoet te komen.”

“Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen.”

“Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan waart gij natuurlijk een verloren man.”

“Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de groote blanke jager gewapend zijn?”

“Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat het vrij, te doen zooals gij goedvindt.”

“De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!”

De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, en wachtte toen Old Shatterhand af.

“Gij waagt te veel,” antwoordde Jemmy hem. “Zijt gij inderdaad overtuigd, dat gij het durft besteken?”

“Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik hem vertrouwen.”

“En wat moeten wij ondertusschen doen?”

“Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word.”

Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand den hoofdman de hand toe, en zei: “Ik heb den Grooten Wolf nog nooit gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te kunnen begroeten.”

De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: “Laat ons gaan zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, dien ik als vriend begroeten kan.”

Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand’s mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.

Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: “De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte is daaraan niet geëvenredigd.”

Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: “Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, is daaraan niet geëvenredigd?”

“Dat zou een beleediging zijn,” antwoordde de Roodhuid met vlammenschietende oogen, “waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel te geven den strijd te beginnen.”

“Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet tot een gewenscht doel kunnen leiden.”

Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.

“Er is maar één doel en geen ander,” verklaarde de Groote Wolf.

“En dat is?”

“Uw dood!”

“Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan.”

“Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!”

“Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts overvallen hebben?”

“Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan teruggehouden hebben.”

“Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?”

“Omdat gij met hen meegereden zijt.”

“Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en toen ons spoor hebben gevolgd.”

“Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed moeten wij houden, en gij zijt een blanke.”

“Maar een blanke, die onschuldig is.”

“Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, dan onze tegenstanders en moordenaars?”

“Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een vriend der roode mannen ben.”

“Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en rechtvaardiger te handelen.”

Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar toch antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf denkt slechts aan zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen geweest zijn.”

“Wij—dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie metgezellen? Wie zijn dat dan?”

“De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: den dikken Jemmy en den langen Davy.”

“Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult.”

Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter niets daarvanblijken, en antwoordde: “Uw bedoeling is zeer goed, en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn.”

“Ik belach hen; zij kunnen komen!”

“Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij honderdtallen zult kunnen tellen?”

“Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!”

“Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!”

“Wie dan alzoo?”

“Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand.”

“Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder prairie-honden is,” erkende de hoofdman. “Maar dat zou ook de eenige zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen.”

“O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult.”

“Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook moeten sterven; hij is onze vijand.”

“Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders.”

“Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die tegen ons opgehitst.”

“Weet gij dat al?”

“De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt.”

“En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?”

De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte pauze: “Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger sterft en spoediger vernietigdwordt? De blik, dien gij mij in de toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite,het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”

“Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?’

“Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben aangekondigd?”

“Ja,” antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid als in verrassing uitriep: “Geef dan uw wapenen maar over!”

“Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!”

“En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!” riep de andere op een toon van groote verwondering.

“Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?”

“Ja, dat heb ik gezegd,” knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.

“Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op dit oogenblik is dat het geval nog niet.”

“Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?”

“Zeer zeker denk ik dat.”

“Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik bij mij heb? Over de tweehonderd!”

“Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij te vangen of vast te houden.”

“Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel gaatje waardoor gij ontsnappen kunt.”

“Dan zullen wij zulk een gaatje maken.”

“Daarbij wordt gij immers gedood!”

“Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt.”

Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: “Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?”

“O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?”

“Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik niets van; want dat is een onmogelijkheid.”

“Wil ik u dat eens laten zien?”

“Ja, laat mij dat eens zien!” riep de hoofdman, als geëlectriseerd door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.

Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk te maken.

“Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!”

De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die terstond weer achteruit, en vroeg: “Mag ook iemand anders dan gij het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen.”

Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: “De geheimen van dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer het zelf maar eens.”

Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, maar stellig den een of den ander moest raken.

Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. “Zou ik het wagen, of zou ik het niet doen?” Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.

“Hebikhem gekwetst?” vroeg de hoofdman ontsteld.

“Wie anders?” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is nu maar gebeurd, om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de tweede kogel......”

“Neen, neen!” riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een afwerende beweging maakte. “Het is werkelijk een toovergeweer, en bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en met dat schot raakt hijzijn eigen vrienden, of misschien wel zich zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!”

“Dat is zeer verstandig van u,” sprak Old Shatterhand op een ernstigen toon. “Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één keer afgegaan is.Hetzal louter geweest zijn om u een klein lesje te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van elkander af zullen staan.”

Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: “Ga nu eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart zou kunnen raken, als ik dat wilde.”

De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van datoogenblikmaakte de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch bewegenden bol te schuiven.

“Oef! Oef! Oef!” hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren zonder iets te zeggen, en sprak toen: “Ik zie dat gij een uitverkorene van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, wat er van verteld wordt, waarheid is.”

“Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven.”

“Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen neer te leggen.”

“Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien.”

“Wij zullen achter de boomen staan!”

“Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden.”

Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: “Als wij niet gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen eed moet men houden.”

“Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men terugnemen.”

“Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad.”

“Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad.”

“Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met wien zou ik dus te rade kunnen gaan!”

Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.

Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: “De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft.”

“Wacht nog even!” antwoordde de Roodhuid schielijk. “Zult gij ons niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te gaan vechten?”

“O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, hen hier noodeloos dood te laten schieten.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. “Ik zelf kan mijn eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal.”

“En als wij nu eens weigeren dat te doen?”

“Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met kogels te overstelpen.”

“Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden.”

“Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt.”

Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: “Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien gij vermijden wilt.”

“Oef!” riep de hoofdman onwillekeurig. “Uw woorden treffen evengoed als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, maar ook een meester in de redekunst.”

“Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van uw vijand te moeten zijn?”

De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde hij: “Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten de wapenen maar beslissen.”

“Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en iktwijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; maar niet als gevangenen, dat nooit!”

“Als wat dan anders?”

“Als begeleiders.”

“Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten binden?”

“Neen, in geen geval!”

“Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!”

Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: “De Groote Wolf moet erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken.”

“Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo handelen zult.”

Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks (= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: “Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!”

“Howgh!” knikte de hoofdman. “Nu is het goed!”

“Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen,” verklaarde Old Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.

Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: “Aan de vier blanken zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!”

Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.

“Neen,” antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. “Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen.”

“Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!” riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.

“Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen,” zei de hoofdman op zeer strengen toon. “Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren.”

De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.

“Moorden?” vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. “Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?”

“Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt.”

Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: “Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest.”

“Lieg niet!”

“Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden.”

“Vlei u niet met die ijdele hoop!” voegde Old Shatterhand hem toe. “Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen.”

Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.

“Maar sir!” riep Knox. “Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!”

“Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen.”

“Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook watmijte doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf.” En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. “Waarom behandelt gij de vier met verschooning?” vroeg hij. “Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!”

Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: “Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, naniwietsj!”

Die twee Utah-woorden beduiden: “mijn mes, mijn mes!”Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.

“Om Godswil neen!” gilde de bedreigde. “Mij levend scalpeeren, neen, neen!”

Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer—drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.

“Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!” riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.

Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.

De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.

Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.

“Dat ziet er niet best uit,” merkte Jemmy aan. “Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?”

“Neen, dat was een onmogelijkheid.”

“Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen.”

“Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben.”

“Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen.”

“Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten.”

“Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn.”

“En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest.”

“De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad—twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest.”

“En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren.”

“Dat is zeer juist gezien,” merkte Hobble-Frank aan. “Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt.”

“Dat spreekt vanzelf,” antwoordde deze. “Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben.”

“Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?” vroeg Jemmy. “Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal.”

“Dat zou ik hun maar niet raden,” dreigde Frank. “Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten.”

“Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek.”

“Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig...”

“Astronomischen wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.

“Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen,” zei de kleine driftig. “Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria.”

Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: “Frank heeft mij goedbegrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik.”

“En dan is allereerst de vraag,” merkte Davy op, “of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?”

“Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken.”

Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.

Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder deboomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.


Back to IndexNext