TWAALFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.OP DOOD EN LEVENDe Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het klaarlichte dag.Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers aan dat bevel, en reden weg.Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men in de verte de vuren zag branden.“Oef!” liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn stem hooren. “Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw lot beslist worden.”“Vandaag nog?” vroeg Old Shatterhand.“Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den slaap nieuwe krachten geput hebt.”“Dat klonk niet onakelig!” zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet door de Roodhuiden verstaan te worden. “Onze doodsstrijd! Hij schijnt dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt gij daarvan, oude Frank?”“Vooreerst nog niemendal,” antwoordde de kleine Saks. “Spreken zal ik eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ikvan plan toch ook een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar de Elize geëxpediëerd heb.”“Bedoelt gij naar het Elyzee?” vroeg de dikke.“Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; de leege vaten klinken het hardst.”Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter wilde beesten bestond.Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken vervaardigde hutten—tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang om de blanken heen te dansen.Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep zijn metgezellen eenige woordentoe, waarop zij neerknielden en hun geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.“Wat is dat?” riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. “Zijn wij gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!”De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden “Old Shatterhand” en “Geweer des doods” duidelijk gehoord werden. Er traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old Shatterhand zich bediend had, sprak hij: “De hoofdman der Yampa-Utahs is niet trouweloos; hijhoudtden calumet der beraadslaging in eere, en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?”“Ja,” antwoordde deze. “Maar ik verlang, dat onze paarden in de nabijheid van onze tent zullen blijven.”“Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk ontkomen kan.”Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Blz.265.“Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat toch doen, dan heb ik er niets tegen.”“Komt dan maar mee.”Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle kanten ten scherpste bewaakt werd.Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken vleesch lagen.“Oho!” zei Hobble-Frank lachende. “Dat is vast ons avondeten. Een pot vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven hebben met rattenkruit?”“Rattenkruit?” lachte de dikke. “Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel.”“Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid verheven acht boven uw pigment-gestalte.”“Pygmeën-gestalte,” verbeterde Jemmy.“Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!” gebood de kleine. “Breng mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen.”“Ja, braad maar!” knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den kleine een afleiding te geven.“Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de tent uit mag om aan het vuur te komen.”“Dat zult gij dienen te probeeren!”“Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft;feni, fidi, fidzji—ik ga er uit!”Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende zilverstreep naar beneden kronkelde,een riviertje, of juister gezegd een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; de omtrek van dat meer was vlak en effen.Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old Shatterhand en zijn metgezellen.Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een toon van groote zelfvoldoening: “Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien.”“Op welke manier?” vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.“Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder genoemd mag worden,” antwoordde de kleine. “Ik heb eens gelezen, dat houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren—en dat mankeert ons hier—maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn als hij het proeft.”“O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan van uw verstand beroofd!”“Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan toch al lang overtuigd moest wezen. De aschiseen chemisch product, dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel ten onder gebracht zou worden.”“Maar,” hernam Jemmy hoofdschuddende, “gij zegt zelf, dat de vlam eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden.”“Praat niet, maar kauw!” viel Frank uit. “Het is zeer ongezond, onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in de maag in de milt terecht.”“Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog vleesch?”Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een donkere, vettige laag asch.“Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?” antwoordde Frank.“Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet.”“Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen gij proeft.”“Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven.”“Neen, die wordt er eerst afgeveegd.”“Doe mij dat dan eens voor.”“Met koninklijk gemak!”Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.“Dat doet men zoo!” sprak hij triomfantelijk. “Het mankeert u altijd aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat....”Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.“Nu,” lachte Jemmy, “bijt maar toe!”“Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat er stil bij.”“Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen.”“Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat malscher kunnen kloppen?”“Probeer dat maar eens!” zei Old Shatterhand lachende. “Maar ik, ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is.”“Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het afvegen.”Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst waagstuk geweest zijn.Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.“Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!” sprak Davy. “Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen op de eeuwige jachtgronden.”“Ten minste een of twee of drie van ons.” antwoordde Jemmy.“Hoe dat zoo?” vroeg Old Shatterhand.“Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te vergrijpen.”“Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste van ons vieren viel.”“Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult.”“Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot onzen dood zullen besluiten.”“Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?”“Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen geven. Maar onzenamen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten.”“Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten.”“Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken.”“Maar,” zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, “het vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben.”“Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden Elandsvleesch?” vroeg Jemmy.“Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land op te jagen?”“Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders,” merkte Jemmy aan.Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: “Nu wordt het al te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen.Requiriescat in pänem!”Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd dan nu en dan door het geknapper van het vuur.Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid keek naar binnen, en zei: “De bleekgezichten kunnen opstaan en met mij medegaan.”Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.“Wat scheelt dat volkje?” vroeg Frank. “Zij staan mij aan te gapen, zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil.”“Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij zullen om ons leven moeten wedstrijden.”“Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?”Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich zelf dacht.“Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven.”Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, en zei: “Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven.”“Wij zouden dat liever niet willen zien,” antwoordde Old Shatterhand.“Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden.”“Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet.”“Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den dood gestraft.”Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde hij met tegenzin: “Welnu, wij zullen blijven.”“Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, zal u eeneervolledood beschoren zijn.”Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel zou aanvangen.De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: “Redt mij, messieurs! redt mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?”“Neen,” antwoordde Old Shatterhand; “wij zijn zelf gedwongen hier, en kunnen niets voor u doen!”“Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De Roodhuiden zullen wel naar u luisteren.”“Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er voor te dragen.”“Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft Knox gedaan!”“Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld hiernamaals!”“Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!”Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnente rammelen en kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te bewegen een goed woord voor hem te doen.“Nu, ik zal het probeeren,” zei deze. “Van den dood zal ik u niet kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling wat spoediger ten einde brengen.”Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid toe: “Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan.”“Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen.” Dit was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.“Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op de straf, die de daders ondergaan zullen.”Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog eens tot Old Shatterhand, en zei: “Dit zijn de bloedverwanten van hen, die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, de strafoefening te beginnen.”“Waarin bestaat die?” vroeg de jager.“In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar hen geworpen.”Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.“Den rechterduim!” gebood de Groote Wolf.De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee groepjes, heteene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.“Den wijsvinger!” gebood de hoofdman.Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat zou achten.Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij blijven aanhooren.Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannenop, en sprak: “Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd.”Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: “Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!”Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, en zei: “De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn.”Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; en toen werd alles weer stil.“Luister!” zei Jemmy. “Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij die twee door de honden laten opvreten.”“Het is mogelijk, maar ik geloof het niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw overspannen verbeelding.Ook de mijne is in een zeer opgewonden toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien.”Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn geweer aan, en mikte.“Niet schieten!” gebood Old Shatterhand. “De Roodhuiden zouden het ons zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag.”Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, zijn handen naar omlaag houdende.“Gij zijt verloren!” riep de Groote Wolf hem toe.“Wacht het af!” antwoordde de jager.Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het beest te gemoet—een botsing van hond en mensch.—Old Shatterhand sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, en smeet hem toen op den grond.“Daar ligt hij!” riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. “Laat hem vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen.”“Oef, oegh, oegh, oef!” klonk het van de lippen der verbaasde Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei op bewonderenden toon: “Mijn blanke broeder is een held! In plaats van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?”“Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen.”“Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had.”“Pshaw!Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?”“Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?”“Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik genegen ben om met u medelijden te hebben.”De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van de beraadslaging konden afluisteren.Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven hebben.De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde een algemeen met luider stemme geroepen “howgh” het einde van de vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. “De vier bleekgezichten,” sprak hij, “hebben reeds gehoord waarom wij de strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar gij zult om uw leven mogen kampen.”Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, om de vraag tot hem te richten: “Met wie? Wij met ons vieren tegen u allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd.”Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de hand, en antwoordde: “Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden.”“Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?”“Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich vrijwilligers voor aanmelden.”“En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?”“Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen.”“O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?”“Neen.”“Dat is onbillijk.”“Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen.”“Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?”“Wel, zoo velen tegen vier!”“Pshaw!Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem iets zal voorgeven.”“Die bang is?” vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. “Wilt gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, datwijbang zijn?”“Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen.”De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: “Wij hebben reeds zooveel inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp wel gewaarworden.”“Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?”“Ja.”“Dus zal niemand mij dan iets doen?”“Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal overwinnen!”“Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, dat het anders uitvalt dan gij denkt.”“Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft.”“Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden.”“Word niet te stekelig, pas op!” snauwde de hoofdman hem driftig toe. “Gijhebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, ja of neen.”“En als wij dat nu eens niet doen?”“Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet aan denken zult u te verzetten.”“Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en behandeld zal worden als vriend.”“Dat beloof ik u!”“Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!”“Gelooft gij mij dan niet?” riep de Groote Wolf.Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: “Kom aan, ik geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd maar op!”Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei tegen zijn metgezellen: “Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik.”“Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen waren,” zei de lange Davy.“Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één zal opkomen om met mij aan te binden.”“O, zeer zeker.”“Wie dan?”“De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, een echte olifant.”“Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht te kiezen.”“Wij zullen het maar afwachten,” zei Jemmy. “Al maken wij ons nòg zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig en de oogen maar open houden.”“En het hoofd op de rechte plaats,” voegde Hobble-Frank er bij. “Wat mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, dat de vonken heel tot Groenland spatten.”Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende vrijwilligers.“Wijs nu dan de paren maar aan,” verzocht Old Shatterhand.De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: “Hier staatPagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om zijn leven wil zwemmen.”De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik vol minachting, die hij op Davy wierp.Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: “Dit hier is Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, mag hem doodsteken.”De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: “Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met dit bleekgezicht om het leven te harddraven.”Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!“En wie is mijn tegenstander?” vroeg Old Shatterhand.“Ik!” antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn giganten-gestalte met fierheid oprichtte. “Gij hebt zeker gedacht, dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin vergist hebt.”“Dat doet mij genoegen,” antwoordde de blanke vriendelijk. “Ik heb tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht.”“Gij zult het onderspit delven.”“Old Shatterhand wordt nooit overwonnen.”“En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, dat hij mij overwonnen heeft!”“Dat zalikvandaag reeds vertellen.”“En zalikmeester van uw leven zijn.”“Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!”Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk antwoordde deze schielijk: “Ik heb niets met uw Geweer van den Dood te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen.”“Ook dat vind ik goed.”“Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u is dus ook uw paard, mijn eigendom.”“Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?”“Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan kan het daar verroesten en verrotten.”“Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de verschillende wedkampen zullen plaats hebben.”“Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen.”De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.“De Roode Visch!” mompelde hij. “Dien naam hebben ze natuurlijk aan den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is.”“En gij?” vroeg Old Shatterhand. “Ik heb u wel eens zien zwemmen, maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?”“Niet al te best.”“O wee!”“Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind.”“Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?”“Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten.”“Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt gij wel eens op uw rug gezwommen?”“Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan.”“Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer regelmatigen druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd dan de handen onder den rug.”“Well!Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het loodje wel laten leggen.”“Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt.”“Welke list?”“Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in.”“Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?”“Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren.”“Wij weten niet eenswaargezwommen moet worden.”“Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander slaat.”“Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, moet ik dan den kerel overhoopsteken?”“Hebt gij daar trek in?”“Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele beetje goed, dat ik bezit.”“Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten.”“Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?”“In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn.”“Well, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?”“Niets beter,” antwoordde de dikke. “Mijn tegenstander heet Groote Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?”“Nu?”“Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken.”“Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!” troostte Old Shatterhand. “Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer spierkracht heb, dan hij.”“Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist ik ook maar zulk een list te bedenken.”“Dat behoeft niet!” viel Hobble-Frank hem in de rede. “Die list ligt voorde hand. Alsikhet met dien platvoeter moest uitvechten, zou ik mij volstrekt niet ongerust maken.”“Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!”“Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest moet men overwinnen. Vat ge mij?”“Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?”“Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit.”“Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt.”“Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik gelijk of niet?”“Ja. Maar verder.”“Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, niet anders kan strekken dan tot uw voordeel.”“Hoe zoo dan? Maak het kort!” drong Jemmy.“Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?”Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: “Frank! gij zijt geenkwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed einde leiden.”Over Frank’s eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: “Genoeg, genoeg, beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden wordt. Daarom....”“Kiezelsteen, niet tegelsteen!” viel Jemmy hem in de rede. “Lieve hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een tegelsteen had!”“Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?”“Neen.”“Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt.”“Hebt gij er dan een gevonden?”“Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken.”

TWAALFDE HOOFDSTUK.OP DOOD EN LEVENDe Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het klaarlichte dag.Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers aan dat bevel, en reden weg.Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men in de verte de vuren zag branden.“Oef!” liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn stem hooren. “Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw lot beslist worden.”“Vandaag nog?” vroeg Old Shatterhand.“Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den slaap nieuwe krachten geput hebt.”“Dat klonk niet onakelig!” zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet door de Roodhuiden verstaan te worden. “Onze doodsstrijd! Hij schijnt dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt gij daarvan, oude Frank?”“Vooreerst nog niemendal,” antwoordde de kleine Saks. “Spreken zal ik eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ikvan plan toch ook een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar de Elize geëxpediëerd heb.”“Bedoelt gij naar het Elyzee?” vroeg de dikke.“Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; de leege vaten klinken het hardst.”Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter wilde beesten bestond.Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken vervaardigde hutten—tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang om de blanken heen te dansen.Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep zijn metgezellen eenige woordentoe, waarop zij neerknielden en hun geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.“Wat is dat?” riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. “Zijn wij gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!”De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden “Old Shatterhand” en “Geweer des doods” duidelijk gehoord werden. Er traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old Shatterhand zich bediend had, sprak hij: “De hoofdman der Yampa-Utahs is niet trouweloos; hijhoudtden calumet der beraadslaging in eere, en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?”“Ja,” antwoordde deze. “Maar ik verlang, dat onze paarden in de nabijheid van onze tent zullen blijven.”“Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk ontkomen kan.”Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Blz.265.“Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat toch doen, dan heb ik er niets tegen.”“Komt dan maar mee.”Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle kanten ten scherpste bewaakt werd.Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken vleesch lagen.“Oho!” zei Hobble-Frank lachende. “Dat is vast ons avondeten. Een pot vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven hebben met rattenkruit?”“Rattenkruit?” lachte de dikke. “Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel.”“Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid verheven acht boven uw pigment-gestalte.”“Pygmeën-gestalte,” verbeterde Jemmy.“Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!” gebood de kleine. “Breng mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen.”“Ja, braad maar!” knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den kleine een afleiding te geven.“Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de tent uit mag om aan het vuur te komen.”“Dat zult gij dienen te probeeren!”“Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft;feni, fidi, fidzji—ik ga er uit!”Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende zilverstreep naar beneden kronkelde,een riviertje, of juister gezegd een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; de omtrek van dat meer was vlak en effen.Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old Shatterhand en zijn metgezellen.Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een toon van groote zelfvoldoening: “Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien.”“Op welke manier?” vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.“Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder genoemd mag worden,” antwoordde de kleine. “Ik heb eens gelezen, dat houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren—en dat mankeert ons hier—maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn als hij het proeft.”“O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan van uw verstand beroofd!”“Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan toch al lang overtuigd moest wezen. De aschiseen chemisch product, dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel ten onder gebracht zou worden.”“Maar,” hernam Jemmy hoofdschuddende, “gij zegt zelf, dat de vlam eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden.”“Praat niet, maar kauw!” viel Frank uit. “Het is zeer ongezond, onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in de maag in de milt terecht.”“Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog vleesch?”Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een donkere, vettige laag asch.“Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?” antwoordde Frank.“Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet.”“Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen gij proeft.”“Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven.”“Neen, die wordt er eerst afgeveegd.”“Doe mij dat dan eens voor.”“Met koninklijk gemak!”Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.“Dat doet men zoo!” sprak hij triomfantelijk. “Het mankeert u altijd aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat....”Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.“Nu,” lachte Jemmy, “bijt maar toe!”“Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat er stil bij.”“Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen.”“Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat malscher kunnen kloppen?”“Probeer dat maar eens!” zei Old Shatterhand lachende. “Maar ik, ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is.”“Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het afvegen.”Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst waagstuk geweest zijn.Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.“Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!” sprak Davy. “Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen op de eeuwige jachtgronden.”“Ten minste een of twee of drie van ons.” antwoordde Jemmy.“Hoe dat zoo?” vroeg Old Shatterhand.“Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te vergrijpen.”“Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste van ons vieren viel.”“Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult.”“Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot onzen dood zullen besluiten.”“Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?”“Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen geven. Maar onzenamen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten.”“Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten.”“Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken.”“Maar,” zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, “het vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben.”“Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden Elandsvleesch?” vroeg Jemmy.“Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land op te jagen?”“Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders,” merkte Jemmy aan.Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: “Nu wordt het al te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen.Requiriescat in pänem!”Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd dan nu en dan door het geknapper van het vuur.Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid keek naar binnen, en zei: “De bleekgezichten kunnen opstaan en met mij medegaan.”Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.“Wat scheelt dat volkje?” vroeg Frank. “Zij staan mij aan te gapen, zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil.”“Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij zullen om ons leven moeten wedstrijden.”“Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?”Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich zelf dacht.“Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven.”Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, en zei: “Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven.”“Wij zouden dat liever niet willen zien,” antwoordde Old Shatterhand.“Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden.”“Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet.”“Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den dood gestraft.”Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde hij met tegenzin: “Welnu, wij zullen blijven.”“Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, zal u eeneervolledood beschoren zijn.”Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel zou aanvangen.De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: “Redt mij, messieurs! redt mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?”“Neen,” antwoordde Old Shatterhand; “wij zijn zelf gedwongen hier, en kunnen niets voor u doen!”“Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De Roodhuiden zullen wel naar u luisteren.”“Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er voor te dragen.”“Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft Knox gedaan!”“Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld hiernamaals!”“Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!”Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnente rammelen en kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te bewegen een goed woord voor hem te doen.“Nu, ik zal het probeeren,” zei deze. “Van den dood zal ik u niet kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling wat spoediger ten einde brengen.”Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid toe: “Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan.”“Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen.” Dit was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.“Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op de straf, die de daders ondergaan zullen.”Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog eens tot Old Shatterhand, en zei: “Dit zijn de bloedverwanten van hen, die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, de strafoefening te beginnen.”“Waarin bestaat die?” vroeg de jager.“In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar hen geworpen.”Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.“Den rechterduim!” gebood de Groote Wolf.De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee groepjes, heteene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.“Den wijsvinger!” gebood de hoofdman.Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat zou achten.Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij blijven aanhooren.Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannenop, en sprak: “Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd.”Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: “Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!”Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, en zei: “De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn.”Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; en toen werd alles weer stil.“Luister!” zei Jemmy. “Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij die twee door de honden laten opvreten.”“Het is mogelijk, maar ik geloof het niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw overspannen verbeelding.Ook de mijne is in een zeer opgewonden toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien.”Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn geweer aan, en mikte.“Niet schieten!” gebood Old Shatterhand. “De Roodhuiden zouden het ons zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag.”Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, zijn handen naar omlaag houdende.“Gij zijt verloren!” riep de Groote Wolf hem toe.“Wacht het af!” antwoordde de jager.Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het beest te gemoet—een botsing van hond en mensch.—Old Shatterhand sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, en smeet hem toen op den grond.“Daar ligt hij!” riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. “Laat hem vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen.”“Oef, oegh, oegh, oef!” klonk het van de lippen der verbaasde Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei op bewonderenden toon: “Mijn blanke broeder is een held! In plaats van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?”“Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen.”“Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had.”“Pshaw!Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?”“Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?”“Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik genegen ben om met u medelijden te hebben.”De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van de beraadslaging konden afluisteren.Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven hebben.De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde een algemeen met luider stemme geroepen “howgh” het einde van de vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. “De vier bleekgezichten,” sprak hij, “hebben reeds gehoord waarom wij de strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar gij zult om uw leven mogen kampen.”Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, om de vraag tot hem te richten: “Met wie? Wij met ons vieren tegen u allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd.”Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de hand, en antwoordde: “Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden.”“Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?”“Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich vrijwilligers voor aanmelden.”“En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?”“Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen.”“O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?”“Neen.”“Dat is onbillijk.”“Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen.”“Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?”“Wel, zoo velen tegen vier!”“Pshaw!Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem iets zal voorgeven.”“Die bang is?” vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. “Wilt gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, datwijbang zijn?”“Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen.”De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: “Wij hebben reeds zooveel inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp wel gewaarworden.”“Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?”“Ja.”“Dus zal niemand mij dan iets doen?”“Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal overwinnen!”“Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, dat het anders uitvalt dan gij denkt.”“Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft.”“Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden.”“Word niet te stekelig, pas op!” snauwde de hoofdman hem driftig toe. “Gijhebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, ja of neen.”“En als wij dat nu eens niet doen?”“Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet aan denken zult u te verzetten.”“Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en behandeld zal worden als vriend.”“Dat beloof ik u!”“Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!”“Gelooft gij mij dan niet?” riep de Groote Wolf.Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: “Kom aan, ik geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd maar op!”Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei tegen zijn metgezellen: “Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik.”“Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen waren,” zei de lange Davy.“Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één zal opkomen om met mij aan te binden.”“O, zeer zeker.”“Wie dan?”“De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, een echte olifant.”“Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht te kiezen.”“Wij zullen het maar afwachten,” zei Jemmy. “Al maken wij ons nòg zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig en de oogen maar open houden.”“En het hoofd op de rechte plaats,” voegde Hobble-Frank er bij. “Wat mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, dat de vonken heel tot Groenland spatten.”Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende vrijwilligers.“Wijs nu dan de paren maar aan,” verzocht Old Shatterhand.De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: “Hier staatPagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om zijn leven wil zwemmen.”De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik vol minachting, die hij op Davy wierp.Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: “Dit hier is Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, mag hem doodsteken.”De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: “Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met dit bleekgezicht om het leven te harddraven.”Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!“En wie is mijn tegenstander?” vroeg Old Shatterhand.“Ik!” antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn giganten-gestalte met fierheid oprichtte. “Gij hebt zeker gedacht, dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin vergist hebt.”“Dat doet mij genoegen,” antwoordde de blanke vriendelijk. “Ik heb tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht.”“Gij zult het onderspit delven.”“Old Shatterhand wordt nooit overwonnen.”“En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, dat hij mij overwonnen heeft!”“Dat zalikvandaag reeds vertellen.”“En zalikmeester van uw leven zijn.”“Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!”Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk antwoordde deze schielijk: “Ik heb niets met uw Geweer van den Dood te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen.”“Ook dat vind ik goed.”“Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u is dus ook uw paard, mijn eigendom.”“Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?”“Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan kan het daar verroesten en verrotten.”“Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de verschillende wedkampen zullen plaats hebben.”“Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen.”De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.“De Roode Visch!” mompelde hij. “Dien naam hebben ze natuurlijk aan den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is.”“En gij?” vroeg Old Shatterhand. “Ik heb u wel eens zien zwemmen, maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?”“Niet al te best.”“O wee!”“Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind.”“Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?”“Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten.”“Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt gij wel eens op uw rug gezwommen?”“Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan.”“Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer regelmatigen druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd dan de handen onder den rug.”“Well!Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het loodje wel laten leggen.”“Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt.”“Welke list?”“Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in.”“Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?”“Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren.”“Wij weten niet eenswaargezwommen moet worden.”“Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander slaat.”“Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, moet ik dan den kerel overhoopsteken?”“Hebt gij daar trek in?”“Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele beetje goed, dat ik bezit.”“Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten.”“Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?”“In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn.”“Well, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?”“Niets beter,” antwoordde de dikke. “Mijn tegenstander heet Groote Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?”“Nu?”“Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken.”“Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!” troostte Old Shatterhand. “Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer spierkracht heb, dan hij.”“Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist ik ook maar zulk een list te bedenken.”“Dat behoeft niet!” viel Hobble-Frank hem in de rede. “Die list ligt voorde hand. Alsikhet met dien platvoeter moest uitvechten, zou ik mij volstrekt niet ongerust maken.”“Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!”“Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest moet men overwinnen. Vat ge mij?”“Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?”“Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit.”“Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt.”“Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik gelijk of niet?”“Ja. Maar verder.”“Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, niet anders kan strekken dan tot uw voordeel.”“Hoe zoo dan? Maak het kort!” drong Jemmy.“Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?”Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: “Frank! gij zijt geenkwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed einde leiden.”Over Frank’s eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: “Genoeg, genoeg, beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden wordt. Daarom....”“Kiezelsteen, niet tegelsteen!” viel Jemmy hem in de rede. “Lieve hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een tegelsteen had!”“Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?”“Neen.”“Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt.”“Hebt gij er dan een gevonden?”“Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken.”

De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het klaarlichte dag.

Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers aan dat bevel, en reden weg.

Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men in de verte de vuren zag branden.

“Oef!” liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn stem hooren. “Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw lot beslist worden.”

“Vandaag nog?” vroeg Old Shatterhand.

“Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den slaap nieuwe krachten geput hebt.”

“Dat klonk niet onakelig!” zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet door de Roodhuiden verstaan te worden. “Onze doodsstrijd! Hij schijnt dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt gij daarvan, oude Frank?”

“Vooreerst nog niemendal,” antwoordde de kleine Saks. “Spreken zal ik eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ikvan plan toch ook een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar de Elize geëxpediëerd heb.”

“Bedoelt gij naar het Elyzee?” vroeg de dikke.

“Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; de leege vaten klinken het hardst.”

Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter wilde beesten bestond.

Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.

Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken vervaardigde hutten—tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang om de blanken heen te dansen.

Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep zijn metgezellen eenige woordentoe, waarop zij neerknielden en hun geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.

“Wat is dat?” riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. “Zijn wij gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!”

De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden “Old Shatterhand” en “Geweer des doods” duidelijk gehoord werden. Er traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old Shatterhand zich bediend had, sprak hij: “De hoofdman der Yampa-Utahs is niet trouweloos; hijhoudtden calumet der beraadslaging in eere, en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?”

“Ja,” antwoordde deze. “Maar ik verlang, dat onze paarden in de nabijheid van onze tent zullen blijven.”

“Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk ontkomen kan.”

Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.Blz.265.

Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen.

Blz.265.

“Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat toch doen, dan heb ik er niets tegen.”

“Komt dan maar mee.”

Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.

De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle kanten ten scherpste bewaakt werd.

Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken vleesch lagen.

“Oho!” zei Hobble-Frank lachende. “Dat is vast ons avondeten. Een pot vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven hebben met rattenkruit?”

“Rattenkruit?” lachte de dikke. “Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel.”

“Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid verheven acht boven uw pigment-gestalte.”

“Pygmeën-gestalte,” verbeterde Jemmy.

“Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!” gebood de kleine. “Breng mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen.”

“Ja, braad maar!” knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den kleine een afleiding te geven.

“Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de tent uit mag om aan het vuur te komen.”

“Dat zult gij dienen te probeeren!”

“Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft;feni, fidi, fidzji—ik ga er uit!”

Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.

De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende zilverstreep naar beneden kronkelde,een riviertje, of juister gezegd een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; de omtrek van dat meer was vlak en effen.

Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old Shatterhand en zijn metgezellen.

Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een toon van groote zelfvoldoening: “Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien.”

“Op welke manier?” vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.

“Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder genoemd mag worden,” antwoordde de kleine. “Ik heb eens gelezen, dat houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren—en dat mankeert ons hier—maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn als hij het proeft.”

“O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan van uw verstand beroofd!”

“Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan toch al lang overtuigd moest wezen. De aschiseen chemisch product, dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel ten onder gebracht zou worden.”

“Maar,” hernam Jemmy hoofdschuddende, “gij zegt zelf, dat de vlam eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden.”

“Praat niet, maar kauw!” viel Frank uit. “Het is zeer ongezond, onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in de maag in de milt terecht.”

“Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog vleesch?”

Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een donkere, vettige laag asch.

“Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?” antwoordde Frank.

“Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet.”

“Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen gij proeft.”

“Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven.”

“Neen, die wordt er eerst afgeveegd.”

“Doe mij dat dan eens voor.”

“Met koninklijk gemak!”

Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.

“Dat doet men zoo!” sprak hij triomfantelijk. “Het mankeert u altijd aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat....”

Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.

“Nu,” lachte Jemmy, “bijt maar toe!”

“Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat er stil bij.”

“Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen.”

“Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat malscher kunnen kloppen?”

“Probeer dat maar eens!” zei Old Shatterhand lachende. “Maar ik, ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is.”

“Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het afvegen.”

Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.

Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst waagstuk geweest zijn.

Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.

Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.

“Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!” sprak Davy. “Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen op de eeuwige jachtgronden.”

“Ten minste een of twee of drie van ons.” antwoordde Jemmy.

“Hoe dat zoo?” vroeg Old Shatterhand.

“Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te vergrijpen.”

“Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste van ons vieren viel.”

“Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult.”

“Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot onzen dood zullen besluiten.”

“Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?”

“Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen geven. Maar onzenamen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten.”

“Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten.”

“Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken.”

“Maar,” zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, “het vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben.”

“Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden Elandsvleesch?” vroeg Jemmy.

“Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land op te jagen?”

“Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders,” merkte Jemmy aan.

Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: “Nu wordt het al te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen.Requiriescat in pänem!”

Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd dan nu en dan door het geknapper van het vuur.

Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid keek naar binnen, en zei: “De bleekgezichten kunnen opstaan en met mij medegaan.”

Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.

Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.

“Wat scheelt dat volkje?” vroeg Frank. “Zij staan mij aan te gapen, zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil.”

“Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij zullen om ons leven moeten wedstrijden.”

“Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?”

Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich zelf dacht.

“Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven.”

Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, en zei: “Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven.”

“Wij zouden dat liever niet willen zien,” antwoordde Old Shatterhand.

“Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden.”

“Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet.”

“Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den dood gestraft.”

Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde hij met tegenzin: “Welnu, wij zullen blijven.”

“Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, zal u eeneervolledood beschoren zijn.”

Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel zou aanvangen.

De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.

Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.

De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: “Redt mij, messieurs! redt mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?”

“Neen,” antwoordde Old Shatterhand; “wij zijn zelf gedwongen hier, en kunnen niets voor u doen!”

“Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De Roodhuiden zullen wel naar u luisteren.”

“Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er voor te dragen.”

“Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft Knox gedaan!”

“Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld hiernamaals!”

“Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!”

Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnente rammelen en kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te bewegen een goed woord voor hem te doen.

“Nu, ik zal het probeeren,” zei deze. “Van den dood zal ik u niet kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling wat spoediger ten einde brengen.”

Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid toe: “Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan.”

“Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen.” Dit was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.

“Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op de straf, die de daders ondergaan zullen.”

Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog eens tot Old Shatterhand, en zei: “Dit zijn de bloedverwanten van hen, die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, de strafoefening te beginnen.”

“Waarin bestaat die?” vroeg de jager.

“In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar hen geworpen.”

Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.

“Den rechterduim!” gebood de Groote Wolf.

De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee groepjes, heteene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.

“Den wijsvinger!” gebood de hoofdman.

Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat zou achten.

Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij blijven aanhooren.

Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.

Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannenop, en sprak: “Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd.”

Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.

Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: “Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!”

Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, en zei: “De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn.”

Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.

Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; en toen werd alles weer stil.

“Luister!” zei Jemmy. “Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij die twee door de honden laten opvreten.”

“Het is mogelijk, maar ik geloof het niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw overspannen verbeelding.Ook de mijne is in een zeer opgewonden toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien.”

Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn geweer aan, en mikte.

“Niet schieten!” gebood Old Shatterhand. “De Roodhuiden zouden het ons zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag.”

Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, zijn handen naar omlaag houdende.

“Gij zijt verloren!” riep de Groote Wolf hem toe.

“Wacht het af!” antwoordde de jager.

Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het beest te gemoet—een botsing van hond en mensch.—Old Shatterhand sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, en smeet hem toen op den grond.

“Daar ligt hij!” riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. “Laat hem vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen.”

“Oef, oegh, oegh, oef!” klonk het van de lippen der verbaasde Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei op bewonderenden toon: “Mijn blanke broeder is een held! In plaats van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?”

“Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen.”

“Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had.”

“Pshaw!Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?”

“Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?”

“Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik genegen ben om met u medelijden te hebben.”

De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van de beraadslaging konden afluisteren.

Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven hebben.

De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde een algemeen met luider stemme geroepen “howgh” het einde van de vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. “De vier bleekgezichten,” sprak hij, “hebben reeds gehoord waarom wij de strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar gij zult om uw leven mogen kampen.”

Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, om de vraag tot hem te richten: “Met wie? Wij met ons vieren tegen u allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd.”

Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de hand, en antwoordde: “Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden.”

“Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?”

“Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich vrijwilligers voor aanmelden.”

“En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?”

“Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen.”

“O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?”

“Neen.”

“Dat is onbillijk.”

“Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen.”

“Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?”

“Wel, zoo velen tegen vier!”

“Pshaw!Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem iets zal voorgeven.”

“Die bang is?” vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. “Wilt gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, datwijbang zijn?”

“Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen.”

De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: “Wij hebben reeds zooveel inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp wel gewaarworden.”

“Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden.”

“Hoe bedoelt gij dat?”

“Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?”

“Ja.”

“Dus zal niemand mij dan iets doen?”

“Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal overwinnen!”

“Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, dat het anders uitvalt dan gij denkt.”

“Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft.”

“Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden.”

“Word niet te stekelig, pas op!” snauwde de hoofdman hem driftig toe. “Gijhebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, ja of neen.”

“En als wij dat nu eens niet doen?”

“Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet aan denken zult u te verzetten.”

“Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en behandeld zal worden als vriend.”

“Dat beloof ik u!”

“Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!”

“Gelooft gij mij dan niet?” riep de Groote Wolf.

Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: “Kom aan, ik geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd maar op!”

Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei tegen zijn metgezellen: “Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik.”

“Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen waren,” zei de lange Davy.

“Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één zal opkomen om met mij aan te binden.”

“O, zeer zeker.”

“Wie dan?”

“De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, een echte olifant.”

“Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht te kiezen.”

“Wij zullen het maar afwachten,” zei Jemmy. “Al maken wij ons nòg zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig en de oogen maar open houden.”

“En het hoofd op de rechte plaats,” voegde Hobble-Frank er bij. “Wat mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, dat de vonken heel tot Groenland spatten.”

Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende vrijwilligers.

“Wijs nu dan de paren maar aan,” verzocht Old Shatterhand.

De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: “Hier staatPagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om zijn leven wil zwemmen.”

De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik vol minachting, die hij op Davy wierp.

Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: “Dit hier is Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, mag hem doodsteken.”

De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.

Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: “Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met dit bleekgezicht om het leven te harddraven.”

Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!

“En wie is mijn tegenstander?” vroeg Old Shatterhand.

“Ik!” antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn giganten-gestalte met fierheid oprichtte. “Gij hebt zeker gedacht, dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin vergist hebt.”

“Dat doet mij genoegen,” antwoordde de blanke vriendelijk. “Ik heb tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht.”

“Gij zult het onderspit delven.”

“Old Shatterhand wordt nooit overwonnen.”

“En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, dat hij mij overwonnen heeft!”

“Dat zalikvandaag reeds vertellen.”

“En zalikmeester van uw leven zijn.”

“Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!”

Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk antwoordde deze schielijk: “Ik heb niets met uw Geweer van den Dood te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen.”

“Ook dat vind ik goed.”

“Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u is dus ook uw paard, mijn eigendom.”

“Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?”

“Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan kan het daar verroesten en verrotten.”

“Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de verschillende wedkampen zullen plaats hebben.”

“Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen.”

De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.

“De Roode Visch!” mompelde hij. “Dien naam hebben ze natuurlijk aan den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is.”

“En gij?” vroeg Old Shatterhand. “Ik heb u wel eens zien zwemmen, maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?”

“Niet al te best.”

“O wee!”

“Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind.”

“Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?”

“Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten.”

“Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt gij wel eens op uw rug gezwommen?”

“Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan.”

“Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer regelmatigen druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd dan de handen onder den rug.”

“Well!Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het loodje wel laten leggen.”

“Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt.”

“Welke list?”

“Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in.”

“Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?”

“Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren.”

“Wij weten niet eenswaargezwommen moet worden.”

“Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander slaat.”

“Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, moet ik dan den kerel overhoopsteken?”

“Hebt gij daar trek in?”

“Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele beetje goed, dat ik bezit.”

“Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten.”

“Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?”

“In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn.”

“Well, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?”

“Niets beter,” antwoordde de dikke. “Mijn tegenstander heet Groote Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?”

“Nu?”

“Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken.”

“Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!” troostte Old Shatterhand. “Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer spierkracht heb, dan hij.”

“Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist ik ook maar zulk een list te bedenken.”

“Dat behoeft niet!” viel Hobble-Frank hem in de rede. “Die list ligt voorde hand. Alsikhet met dien platvoeter moest uitvechten, zou ik mij volstrekt niet ongerust maken.”

“Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!”

“Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest moet men overwinnen. Vat ge mij?”

“Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?”

“Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit.”

“Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt.”

“Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik gelijk of niet?”

“Ja. Maar verder.”

“Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, niet anders kan strekken dan tot uw voordeel.”

“Hoe zoo dan? Maak het kort!” drong Jemmy.

“Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?”

Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: “Frank! gij zijt geenkwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed einde leiden.”

Over Frank’s eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: “Genoeg, genoeg, beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden wordt. Daarom....”

“Kiezelsteen, niet tegelsteen!” viel Jemmy hem in de rede. “Lieve hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een tegelsteen had!”

“Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?”

“Neen.”

“Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt.”

“Hebt gij er dan een gevonden?”

“Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken.”


Back to IndexNext