“Dat is zeer juist gedacht,” merkte Old Shatterhand aan. “Wij hebben nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, beste Frank?”“Beste Frank!” herhaalde de kleine. “Wat een heerlijke acoustiek ligt er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, harddraven! Wat zou ik anders doen?”“Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven.”“Dat weet ik wel.”“Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er één doet.”“Dat is jammer genoeg.”“De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?”“O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen genoeg van gegeven.”“Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen zijn.”“Hum! Dat zullen wij zien.”“Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap.”“Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het eind van den rit kom.”“Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen.”“Oho! Waarom niet?”“Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens bij de zijne!”“O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?”“Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij het om dood en leven gaat?”“Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan.”“Daar loopt men toch niet mee!”“Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij terugkomen?Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af.”“Ik begrijp u niet,” zei Old Shatterhand, verwonderd over de bedaardheid van den kleine.“Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of sprongen, die het doel voorbijstreven.”“Hebt gij dan zulk een gedachte?”“Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun bescheiden deel gehad hebben.”Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen,om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar zou de zwemwedstrijd plaats hebben.Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, was hij misschien gered.De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: “Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?”“O ja,” antwoordde de gevraagde; “maar wij kennen de nadere bepalingen nog niet.”“Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere overhoop.”“Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar links?”“Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug.”“Moeten zij naast elkander zwemmen?”“Natuurlijk.”“Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de linkerhand?”“Neen, omgekeerd.”“Waarom?”“Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den versten afstand af te leggen heeft.”“Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug.”“Gij hebt gelijk,” verklaarde de hoofdman. “Maar wie moet rechts en wie moet links?”“Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, wie den kortsten trekt naar rechts.”“Goed, zoo zal het zijn. Howgh!”Dat laatste woord werd tot Davy’s geluk gesproken, want het bewees dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend tegen Old Shatterhand: “Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat moeite hebben om er tegen op te komen.”Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn handen—een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs den oever naar rechts.“Houd u goed, Davy!” riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich nu beiden op de lange zijde van het meer.Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor verdubbelde zijn snelheid, enweldra was hij den Rooden Visch vooruit, hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij later te boven zou moeten zien te komen.Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade te slaan.“De Roodhuid haalt hem weer in,” zei Jemmy op angstigen toon. “Hij zal verliezen!”“Als hij zich nog maar drie el verder werkt,” antwoordde Old Shatterhand, “dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering overwonnen, en dan is hij behouden.”“Ja, ja,” merkte Frank aan; “hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; hij is er overheen. Hoera, hoera!”Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.“Hoera!” riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar woedend gebrul.Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de dooden verrezene, te begroeten.“Wie had dat gedacht!” zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen drukte. “Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!”“Door een grashalm!” antwoordde de jager met een glimlachje.“Hoe hebt gij dat toch bewerkt?”“Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door benadeeld werden.”“Zoo is het!” zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde over de door zijn vriend behaalde overwinning. “Uw leven heeft niet aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook bij het wedloopen. De beenen alleen doen het ’m niet, dat gelijkt er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd komt het ’t meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!”De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den overwonnene den doodsteek zou geven.Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: “Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!”Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: “No wiesj—not pokai!”Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: “Waarom doodt gij hem niet?”“Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven.”“Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben.”“Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij mag leven.”“Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, vrouw en kinderen?”“Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat hij heeft.”“Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn.”Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke hem niet doodstak enscalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.De twee kampioenen ontblootten hetbovenlijfen gingen toen met den rug tegen elkander staan. De kruin van Jemmy’s hoofd reikte niet eens tot aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het voordeel van laatstbedoelde, reikten deeindenvan de lasso juist zoo ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.“Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den strik open te trekken,” zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn voorbeeld.“Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen,” riep Hobble-Frank. “Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet.”Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen te hooren. Hij antwoordde: “Ik ben geen Groote Visch, die zich laat overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, spoedig dooddrukken en verpletteren.”Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste boven ging.Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken list van den Indiaan.Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan te brengen, dat er geenandereaanval volgen kon of zou. Maar nu greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar niet geheel.Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den dikke schielijk toe: “Gooi hem overboord; hij draait zich om!”“Ik weet het!” antwoordde Jemmy.Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy’s hoofd, zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes op de hartstreek.Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den hoofdman, en vroeg: “Ziet gij, dat hij verloren is?”“Neen!” antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.“Waarom niet?” vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij was gekomen.“Hij is niet overwonnen.”“Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen.”“Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt.”“Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, en daarbij den riem losgewrongen.”“Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, en de worsteling moet van voren af aan beginnen.”“Neen, Jemmy! laat hem niet los!” gebood de jager. “Zoodra hij zich verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!”Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: “Wie heeft hier te bevelen, gij of ik?”“Gij en ik, wij beiden.”“Wie zegt dat?”“Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar en bedrieger.”“Gij—gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al mijn roode krijgslieden?”“Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang eerlijkheid en trouw. Wanneerikniet meer spreken mag, welnu, dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken.”Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die op een veelzeggende manier in de hand.“Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?” vroeg de hoofdman op een vrij wat minder hoogen toon.“Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?”“Ja.”“Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is dat eerlijk? En datmoetgij gezien hebben!”“Ja, dat is zoo,” antwoordde de hoofdman aarzelend.“En hij zou moeten sterven, die den anderbovenzich zou krijgen op den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?”“Ja, zoo is het.”“Welnu, wie ligt er nu onder?”“De Groote Voet.”“Wie is dus de overwonnene?”“Hij ......” antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van den hoofdman aanraakte.“Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?”Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: “Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij hem doodsteken kan.”“Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar hij zal het niet doen.”“Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?”“Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken los te wringen.”“Waarom hem te binden?Hij zal u niet ontvluchten.”“Staat gij mij daar borg voor?”“Ja.”“Waarmee?”“Met alles wat ik bezit.”“Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden afgeloopen zijn.”Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting zouden geven of niet.Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de overwinning zeker.Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old Shatterhand, en zei: “Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?”“Neen!”“Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald te hebben.”“Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?”“Oef!” riep het Springende Hert. “Ik durf een wedloop aan met een ree.”Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het Hert bekeken.“Wel, wat denkt gij van hem?” vroeg hem Old Shatterhand.“Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan,” antwoordde de kleine.“Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?”“Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat den kopbetreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en gauwer, dan hij met zijn beenen.”Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: “Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?”“Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen.”Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar het zuiden, en zei: “Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen hier en het bosch?”“Ja.”“Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar.”Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal hij veel beter sprak dan Duitsch:“Maar ik hoop, dat alles eerlijk zal gaan!”“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?” vroeg de hoofdman schamper.“Ja.”“Moet ik u neerslaan?”“Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te werk gaan?”“Dat was niet oneerlijk, maar listig.”“O! En zijn zulke listen geoorloofd?”De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij “ja” zei, was daarmee de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: “List is geen bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?”“Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?”“Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden.”“Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te beginnen. Waar is honk?”“Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen en ook eindigen.”Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen stonden.“Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik,” zei Old Shatterhand.“Ja; kunt gij dat aan mij zien?”“Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest.”“Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer grooten dienst mee gedaan.”“Hoe zoo?”“Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch, waar wij driemaal omheen moeten dansen?”“Een beukeboom.”“En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?”“Een pijnboom.”“Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?”“Naar den beuk.”“Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan.”“Zijt gij dwaas!”“Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is.”“Maar wat beoogt gij daarmee?”“Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen mogelijkheid vergissen.”“Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is.”“Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen, zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen ze mij niet kunnen nageven.”“Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog wel een goeden raad geven.”“Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven; en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?”“Owomb.”“Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen pijnboom?”“Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden.”“Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?”“Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar komt de hoofdman aan!”De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond, en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.“In welke kleeding?” vroeg Hobble-Frank.“Naar ieders verkiezing.”Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek op zijntegenstander neer met een blik, die den superlatief van minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld van idiotismus in den hoogsten graad.“Frank, pas op, hoor!” maande Jemmy hem aan. “Denk er om, dat Davy en ik overwonnen hebben.”“Huilt maar niet,” troostte de kleine. “Als gij nog niet weet of ik goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren.”Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu, na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit, en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken, dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn, alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk, dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende: De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk, dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.“Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben,” riep de hoofdman Old Shatterhand toe.“Neen!”“Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!”“Ja, juist.”“Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn.”“Neen!”“Niet?” vroeg de Groote Wolf verwonderd.“Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund.”“Oef, oef! Ja.” En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een driehonderdtal schredenzijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet hooren wat hij daarbij zeide.“Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen pijnboom)!” riep hij namelijk den Roodhuid toe.Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven was er immers mee gemoeid!De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij, en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy, toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar loopen kon den terugtocht aan. Viervijfde gedeeltenvan den afstand legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien, dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: “Wel, oude kameraad! wie heeft overwonnen?”“Hij die de voorwaarden vervuld heeft,” antwoordde de Roodhuid barsch.“Dat ben ik.”“Gij?”“Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?”“Dat heb ik gezien.”“En ik ben immers het eerst weder hier?”“Dat zie ik.”“Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom heen gedaan?”“Waarom twee keeren meer?”Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Blz.296.“Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens omheenwas geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet over hem te klagen zou hebben.”“Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?”“Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij, dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien zelf wel zeggen.”“Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?”“Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had,hij of ik.”“Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?”“Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand.”Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: “Hebt gij het Springende Hert misschien bedrogen?”“Bedrogen? Moet ik u neerslaan?” voer de kleine schijnbaar in drift uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman vroeger zelf gebezigd had.“Of hebt gij een list gebruikt?”“Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?”“Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen.”“Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij blameert er u mee.”De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des te hartelijker vreugde verwelkomd werd.“’k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?” vroeg hij aan Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop begon.“Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een meesterstuk.”“Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het ’m niet, zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het ’t meest aan!”Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: “Wie heeft overwonnen?”“Het bleekgezicht,” luidde bedeesd het antwoord.“Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?”“Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de eindpaal was.”Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den hoofdman: “Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!”Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor nog toorniger, en hij riep: “Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar; maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u.”“Neen, neen!” zei de kleine afwerend. “Ik wil er niets van hebben. Houd hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben.”Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de hoofdman grauwde hem toe: “Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang duren.”“Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij.”“Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom.”“Maak maar geen misrekening,” waarschuwde Old Shatterhand ernstig. “Ik lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor dat van een ander willen inruilen.”“Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden, als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste, grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen.”De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.“Heb ik misschien iets te veel gezegd?” vroeg Hobble-Frank op een toon van bezorgdheid.“Volstrekt niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Het is heel goed, dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren; want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben, houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. Dehoofdzaakis, dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden, en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen, dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij, Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt; maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen klein te maken. Daartoe zalikmijn best doen, nu ik mij met hem ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden, want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker.”Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso’s bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het trof Old Shatterhand’s opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso’s wijzende, vroeg deze: “Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?”“Neen, maar dat kan ik wel begrijpen,” antwoordde de jager. “Wij moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn.”“Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal om ons lijf gebonden worden.”“Waarom dat?”“Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten.”“Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden, om met mijn goede eigenschappenmijn voordeel te doen. Enfin, het is mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?”“Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden dood is.”Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old Shatterhand antwoordde doodbedaard: “Ik zal er genoegen mee nemen.”“Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig overwonnen.”“Dat zullen we afwachten.”“Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt.”Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte, om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging een “oef!” van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: “Hij houdt zich maar zoo, om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker, dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten, totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden waar Abram den mosterd haalt.”De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van gemoedelijkheid: “Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint.”“Dank u, dat is niet noodig,” antwoordde Old Shatterhand kalm. “Ik zal mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!”“Dat zal ik. Wie zou mij helpen?”“Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend, alsof zij moeten gaan vechten?”“Zijn uw metgezellen dan ongewapend?”“Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven, dat ook gij een dapper man zijt?”“Wilt gij mij beleedigen?” riep de Roodhuid driftig. “Ik heb geen hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in de tenten brengen, als de uwen dat ook doen.”“Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn mes behouden.”Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch: “Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt, schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig.”“Wat hebt gij met dien man te praten?” grauwde de hoofdman hem toe. “En waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?”“Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat.”“Wat hebt gij tegen hem gezegd?”“Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven om ze te bewaken.”“Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?”“Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt.”“Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken.”Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af, en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon, zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug, om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den kleinen Saks.“Nu hebt gij uw zin gehad,” zei de Groote Wolf. “Willen we nu beginnen?”“Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij mij doodt?”“Die zullen onze gevangenen zijn.”“Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar zij willen.”“Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als gijzelaars.”“Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig, daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval dat ik u dood?”“Dat zal het geval niet worden,” antwoordde de Roodhuid hooghartig.“Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken.”“Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!”“En zal niemand ons tegenhouden?”“Geen mensch!”“Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen.”“Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier hebt gij een tomahawk.”Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even, en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.“Wat doet gij?” vroeg de hoofdman verwonderd.“Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters gevlogen zijn.”“Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?”“Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders niets.”Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: “Het stond u vrij de bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere.”“Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan.”“Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt niet zoo sterk als ik ben.”“Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten oordeelen wie de sterkste is, gij of ik.”Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij bleef liggen.“Doe mij dat eens na!” riep hij den Roodhuid toe.“Oef, oef, oef!” klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: “Verbeeldt gij u, dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!”“Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen,” antwoordde Old Shatterhand glimlachende. “Dus, gij zoudt graag mijn scalp hebben?”“Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den overwinnaar ... Bindt ons maar vast!”Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den hoofdman en Old Shatterhand de lasso’s om de heupen bonden, en toen achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, dat de twee lasso’s een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp te ontwijken.Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk tot vlug en krachtig handelen over te gaan.De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts overeind—het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke zijn tegenstander, zoosnel dat niemand er iets van zag, met het harde heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: “Wie is de overwinnaar?”Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er verslagen van.“Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den overwinnaar toebehoort,” vervolgde Old Shatterhand. “Zijn scalp is dus mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar mijn tent.”Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.“Vlug te paard en voort!” gebood Old Shatterhand. “Praten kunnen wij naderhand.”In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was overtuigd, dat de Utah’s dadelijk zouden opbreken om hen achterna te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor te volgen.
“Dat is zeer juist gedacht,” merkte Old Shatterhand aan. “Wij hebben nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, beste Frank?”“Beste Frank!” herhaalde de kleine. “Wat een heerlijke acoustiek ligt er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, harddraven! Wat zou ik anders doen?”“Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven.”“Dat weet ik wel.”“Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er één doet.”“Dat is jammer genoeg.”“De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?”“O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen genoeg van gegeven.”“Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen zijn.”“Hum! Dat zullen wij zien.”“Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap.”“Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het eind van den rit kom.”“Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen.”“Oho! Waarom niet?”“Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens bij de zijne!”“O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?”“Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij het om dood en leven gaat?”“Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan.”“Daar loopt men toch niet mee!”“Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij terugkomen?Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af.”“Ik begrijp u niet,” zei Old Shatterhand, verwonderd over de bedaardheid van den kleine.“Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of sprongen, die het doel voorbijstreven.”“Hebt gij dan zulk een gedachte?”“Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun bescheiden deel gehad hebben.”Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen,om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar zou de zwemwedstrijd plaats hebben.Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, was hij misschien gered.De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: “Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?”“O ja,” antwoordde de gevraagde; “maar wij kennen de nadere bepalingen nog niet.”“Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere overhoop.”“Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar links?”“Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug.”“Moeten zij naast elkander zwemmen?”“Natuurlijk.”“Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de linkerhand?”“Neen, omgekeerd.”“Waarom?”“Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den versten afstand af te leggen heeft.”“Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug.”“Gij hebt gelijk,” verklaarde de hoofdman. “Maar wie moet rechts en wie moet links?”“Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, wie den kortsten trekt naar rechts.”“Goed, zoo zal het zijn. Howgh!”Dat laatste woord werd tot Davy’s geluk gesproken, want het bewees dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend tegen Old Shatterhand: “Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat moeite hebben om er tegen op te komen.”Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn handen—een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs den oever naar rechts.“Houd u goed, Davy!” riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich nu beiden op de lange zijde van het meer.Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor verdubbelde zijn snelheid, enweldra was hij den Rooden Visch vooruit, hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij later te boven zou moeten zien te komen.Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade te slaan.“De Roodhuid haalt hem weer in,” zei Jemmy op angstigen toon. “Hij zal verliezen!”“Als hij zich nog maar drie el verder werkt,” antwoordde Old Shatterhand, “dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering overwonnen, en dan is hij behouden.”“Ja, ja,” merkte Frank aan; “hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; hij is er overheen. Hoera, hoera!”Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.“Hoera!” riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar woedend gebrul.Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de dooden verrezene, te begroeten.“Wie had dat gedacht!” zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen drukte. “Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!”“Door een grashalm!” antwoordde de jager met een glimlachje.“Hoe hebt gij dat toch bewerkt?”“Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door benadeeld werden.”“Zoo is het!” zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde over de door zijn vriend behaalde overwinning. “Uw leven heeft niet aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook bij het wedloopen. De beenen alleen doen het ’m niet, dat gelijkt er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd komt het ’t meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!”De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den overwonnene den doodsteek zou geven.Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: “Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!”Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: “No wiesj—not pokai!”Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: “Waarom doodt gij hem niet?”“Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven.”“Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben.”“Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij mag leven.”“Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, vrouw en kinderen?”“Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat hij heeft.”“Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn.”Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke hem niet doodstak enscalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.De twee kampioenen ontblootten hetbovenlijfen gingen toen met den rug tegen elkander staan. De kruin van Jemmy’s hoofd reikte niet eens tot aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het voordeel van laatstbedoelde, reikten deeindenvan de lasso juist zoo ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.“Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den strik open te trekken,” zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn voorbeeld.“Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen,” riep Hobble-Frank. “Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet.”Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen te hooren. Hij antwoordde: “Ik ben geen Groote Visch, die zich laat overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, spoedig dooddrukken en verpletteren.”Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste boven ging.Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken list van den Indiaan.Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan te brengen, dat er geenandereaanval volgen kon of zou. Maar nu greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar niet geheel.Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den dikke schielijk toe: “Gooi hem overboord; hij draait zich om!”“Ik weet het!” antwoordde Jemmy.Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy’s hoofd, zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes op de hartstreek.Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den hoofdman, en vroeg: “Ziet gij, dat hij verloren is?”“Neen!” antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.“Waarom niet?” vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij was gekomen.“Hij is niet overwonnen.”“Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen.”“Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt.”“Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, en daarbij den riem losgewrongen.”“Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, en de worsteling moet van voren af aan beginnen.”“Neen, Jemmy! laat hem niet los!” gebood de jager. “Zoodra hij zich verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!”Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: “Wie heeft hier te bevelen, gij of ik?”“Gij en ik, wij beiden.”“Wie zegt dat?”“Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar en bedrieger.”“Gij—gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al mijn roode krijgslieden?”“Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang eerlijkheid en trouw. Wanneerikniet meer spreken mag, welnu, dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken.”Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die op een veelzeggende manier in de hand.“Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?” vroeg de hoofdman op een vrij wat minder hoogen toon.“Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?”“Ja.”“Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is dat eerlijk? En datmoetgij gezien hebben!”“Ja, dat is zoo,” antwoordde de hoofdman aarzelend.“En hij zou moeten sterven, die den anderbovenzich zou krijgen op den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?”“Ja, zoo is het.”“Welnu, wie ligt er nu onder?”“De Groote Voet.”“Wie is dus de overwonnene?”“Hij ......” antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van den hoofdman aanraakte.“Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?”Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: “Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij hem doodsteken kan.”“Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar hij zal het niet doen.”“Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?”“Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken los te wringen.”“Waarom hem te binden?Hij zal u niet ontvluchten.”“Staat gij mij daar borg voor?”“Ja.”“Waarmee?”“Met alles wat ik bezit.”“Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden afgeloopen zijn.”Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting zouden geven of niet.Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de overwinning zeker.Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old Shatterhand, en zei: “Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?”“Neen!”“Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald te hebben.”“Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?”“Oef!” riep het Springende Hert. “Ik durf een wedloop aan met een ree.”Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het Hert bekeken.“Wel, wat denkt gij van hem?” vroeg hem Old Shatterhand.“Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan,” antwoordde de kleine.“Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?”“Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat den kopbetreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en gauwer, dan hij met zijn beenen.”Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: “Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?”“Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen.”Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar het zuiden, en zei: “Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen hier en het bosch?”“Ja.”“Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar.”Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal hij veel beter sprak dan Duitsch:“Maar ik hoop, dat alles eerlijk zal gaan!”“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?” vroeg de hoofdman schamper.“Ja.”“Moet ik u neerslaan?”“Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te werk gaan?”“Dat was niet oneerlijk, maar listig.”“O! En zijn zulke listen geoorloofd?”De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij “ja” zei, was daarmee de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: “List is geen bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?”“Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?”“Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden.”“Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te beginnen. Waar is honk?”“Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen en ook eindigen.”Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen stonden.“Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik,” zei Old Shatterhand.“Ja; kunt gij dat aan mij zien?”“Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest.”“Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer grooten dienst mee gedaan.”“Hoe zoo?”“Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch, waar wij driemaal omheen moeten dansen?”“Een beukeboom.”“En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?”“Een pijnboom.”“Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?”“Naar den beuk.”“Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan.”“Zijt gij dwaas!”“Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is.”“Maar wat beoogt gij daarmee?”“Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen mogelijkheid vergissen.”“Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is.”“Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen, zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen ze mij niet kunnen nageven.”“Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog wel een goeden raad geven.”“Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven; en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?”“Owomb.”“Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen pijnboom?”“Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden.”“Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?”“Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar komt de hoofdman aan!”De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond, en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.“In welke kleeding?” vroeg Hobble-Frank.“Naar ieders verkiezing.”Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek op zijntegenstander neer met een blik, die den superlatief van minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld van idiotismus in den hoogsten graad.“Frank, pas op, hoor!” maande Jemmy hem aan. “Denk er om, dat Davy en ik overwonnen hebben.”“Huilt maar niet,” troostte de kleine. “Als gij nog niet weet of ik goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren.”Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu, na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit, en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken, dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn, alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk, dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende: De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk, dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.“Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben,” riep de hoofdman Old Shatterhand toe.“Neen!”“Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!”“Ja, juist.”“Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn.”“Neen!”“Niet?” vroeg de Groote Wolf verwonderd.“Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund.”“Oef, oef! Ja.” En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een driehonderdtal schredenzijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet hooren wat hij daarbij zeide.“Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen pijnboom)!” riep hij namelijk den Roodhuid toe.Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven was er immers mee gemoeid!De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij, en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy, toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar loopen kon den terugtocht aan. Viervijfde gedeeltenvan den afstand legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien, dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: “Wel, oude kameraad! wie heeft overwonnen?”“Hij die de voorwaarden vervuld heeft,” antwoordde de Roodhuid barsch.“Dat ben ik.”“Gij?”“Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?”“Dat heb ik gezien.”“En ik ben immers het eerst weder hier?”“Dat zie ik.”“Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom heen gedaan?”“Waarom twee keeren meer?”Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Blz.296.“Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens omheenwas geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet over hem te klagen zou hebben.”“Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?”“Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij, dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien zelf wel zeggen.”“Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?”“Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had,hij of ik.”“Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?”“Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand.”Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: “Hebt gij het Springende Hert misschien bedrogen?”“Bedrogen? Moet ik u neerslaan?” voer de kleine schijnbaar in drift uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman vroeger zelf gebezigd had.“Of hebt gij een list gebruikt?”“Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?”“Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen.”“Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij blameert er u mee.”De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des te hartelijker vreugde verwelkomd werd.“’k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?” vroeg hij aan Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop begon.“Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een meesterstuk.”“Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het ’m niet, zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het ’t meest aan!”Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: “Wie heeft overwonnen?”“Het bleekgezicht,” luidde bedeesd het antwoord.“Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?”“Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de eindpaal was.”Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den hoofdman: “Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!”Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor nog toorniger, en hij riep: “Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar; maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u.”“Neen, neen!” zei de kleine afwerend. “Ik wil er niets van hebben. Houd hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben.”Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de hoofdman grauwde hem toe: “Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang duren.”“Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij.”“Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom.”“Maak maar geen misrekening,” waarschuwde Old Shatterhand ernstig. “Ik lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor dat van een ander willen inruilen.”“Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden, als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste, grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen.”De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.“Heb ik misschien iets te veel gezegd?” vroeg Hobble-Frank op een toon van bezorgdheid.“Volstrekt niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Het is heel goed, dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren; want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben, houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. Dehoofdzaakis, dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden, en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen, dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij, Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt; maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen klein te maken. Daartoe zalikmijn best doen, nu ik mij met hem ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden, want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker.”Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso’s bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het trof Old Shatterhand’s opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso’s wijzende, vroeg deze: “Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?”“Neen, maar dat kan ik wel begrijpen,” antwoordde de jager. “Wij moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn.”“Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal om ons lijf gebonden worden.”“Waarom dat?”“Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten.”“Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden, om met mijn goede eigenschappenmijn voordeel te doen. Enfin, het is mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?”“Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden dood is.”Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old Shatterhand antwoordde doodbedaard: “Ik zal er genoegen mee nemen.”“Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig overwonnen.”“Dat zullen we afwachten.”“Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt.”Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte, om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging een “oef!” van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: “Hij houdt zich maar zoo, om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker, dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten, totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden waar Abram den mosterd haalt.”De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van gemoedelijkheid: “Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint.”“Dank u, dat is niet noodig,” antwoordde Old Shatterhand kalm. “Ik zal mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!”“Dat zal ik. Wie zou mij helpen?”“Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend, alsof zij moeten gaan vechten?”“Zijn uw metgezellen dan ongewapend?”“Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven, dat ook gij een dapper man zijt?”“Wilt gij mij beleedigen?” riep de Roodhuid driftig. “Ik heb geen hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in de tenten brengen, als de uwen dat ook doen.”“Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn mes behouden.”Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch: “Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt, schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig.”“Wat hebt gij met dien man te praten?” grauwde de hoofdman hem toe. “En waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?”“Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat.”“Wat hebt gij tegen hem gezegd?”“Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven om ze te bewaken.”“Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?”“Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt.”“Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken.”Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af, en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon, zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug, om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den kleinen Saks.“Nu hebt gij uw zin gehad,” zei de Groote Wolf. “Willen we nu beginnen?”“Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij mij doodt?”“Die zullen onze gevangenen zijn.”“Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar zij willen.”“Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als gijzelaars.”“Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig, daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval dat ik u dood?”“Dat zal het geval niet worden,” antwoordde de Roodhuid hooghartig.“Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken.”“Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!”“En zal niemand ons tegenhouden?”“Geen mensch!”“Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen.”“Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier hebt gij een tomahawk.”Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even, en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.“Wat doet gij?” vroeg de hoofdman verwonderd.“Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters gevlogen zijn.”“Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?”“Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders niets.”Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: “Het stond u vrij de bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere.”“Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan.”“Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt niet zoo sterk als ik ben.”“Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten oordeelen wie de sterkste is, gij of ik.”Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij bleef liggen.“Doe mij dat eens na!” riep hij den Roodhuid toe.“Oef, oef, oef!” klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: “Verbeeldt gij u, dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!”“Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen,” antwoordde Old Shatterhand glimlachende. “Dus, gij zoudt graag mijn scalp hebben?”“Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den overwinnaar ... Bindt ons maar vast!”Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den hoofdman en Old Shatterhand de lasso’s om de heupen bonden, en toen achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, dat de twee lasso’s een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp te ontwijken.Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk tot vlug en krachtig handelen over te gaan.De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts overeind—het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke zijn tegenstander, zoosnel dat niemand er iets van zag, met het harde heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: “Wie is de overwinnaar?”Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er verslagen van.“Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den overwinnaar toebehoort,” vervolgde Old Shatterhand. “Zijn scalp is dus mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar mijn tent.”Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.“Vlug te paard en voort!” gebood Old Shatterhand. “Praten kunnen wij naderhand.”In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was overtuigd, dat de Utah’s dadelijk zouden opbreken om hen achterna te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor te volgen.
“Dat is zeer juist gedacht,” merkte Old Shatterhand aan. “Wij hebben nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, beste Frank?”
“Beste Frank!” herhaalde de kleine. “Wat een heerlijke acoustiek ligt er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, harddraven! Wat zou ik anders doen?”
“Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven.”
“Dat weet ik wel.”
“Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er één doet.”
“Dat is jammer genoeg.”
“De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?”
“O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen genoeg van gegeven.”
“Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen zijn.”
“Hum! Dat zullen wij zien.”
“Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap.”
“Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het eind van den rit kom.”
“Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen.”
“Oho! Waarom niet?”
“Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens bij de zijne!”
“O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?”
“Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij het om dood en leven gaat?”
“Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan.”
“Daar loopt men toch niet mee!”
“Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij terugkomen?Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af.”
“Ik begrijp u niet,” zei Old Shatterhand, verwonderd over de bedaardheid van den kleine.
“Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of sprongen, die het doel voorbijstreven.”
“Hebt gij dan zulk een gedachte?”
“Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun bescheiden deel gehad hebben.”
Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen,om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar zou de zwemwedstrijd plaats hebben.
Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, was hij misschien gered.
De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.
Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: “Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?”
“O ja,” antwoordde de gevraagde; “maar wij kennen de nadere bepalingen nog niet.”
“Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere overhoop.”
“Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar links?”
“Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug.”
“Moeten zij naast elkander zwemmen?”
“Natuurlijk.”
“Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de linkerhand?”
“Neen, omgekeerd.”
“Waarom?”
“Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den versten afstand af te leggen heeft.”
“Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug.”
“Gij hebt gelijk,” verklaarde de hoofdman. “Maar wie moet rechts en wie moet links?”
“Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, wie den kortsten trekt naar rechts.”
“Goed, zoo zal het zijn. Howgh!”
Dat laatste woord werd tot Davy’s geluk gesproken, want het bewees dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend tegen Old Shatterhand: “Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat moeite hebben om er tegen op te komen.”
Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn handen—een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs den oever naar rechts.
“Houd u goed, Davy!” riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.
Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich nu beiden op de lange zijde van het meer.
Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.
Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor verdubbelde zijn snelheid, enweldra was hij den Rooden Visch vooruit, hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij later te boven zou moeten zien te komen.
Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.
Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade te slaan.
“De Roodhuid haalt hem weer in,” zei Jemmy op angstigen toon. “Hij zal verliezen!”
“Als hij zich nog maar drie el verder werkt,” antwoordde Old Shatterhand, “dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering overwonnen, en dan is hij behouden.”
“Ja, ja,” merkte Frank aan; “hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; hij is er overheen. Hoera, hoera!”
Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.
De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.
“Hoera!” riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar woedend gebrul.
Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.
Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de dooden verrezene, te begroeten.
“Wie had dat gedacht!” zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen drukte. “Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!”
“Door een grashalm!” antwoordde de jager met een glimlachje.
“Hoe hebt gij dat toch bewerkt?”
“Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door benadeeld werden.”
“Zoo is het!” zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde over de door zijn vriend behaalde overwinning. “Uw leven heeft niet aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook bij het wedloopen. De beenen alleen doen het ’m niet, dat gelijkt er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd komt het ’t meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!”
De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den overwonnene den doodsteek zou geven.
Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: “Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!”
Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: “No wiesj—not pokai!”
Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: “Waarom doodt gij hem niet?”
“Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven.”
“Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben.”
“Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij mag leven.”
“Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, vrouw en kinderen?”
“Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat hij heeft.”
“Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn.”
Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke hem niet doodstak enscalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.
Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.
Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.
De twee kampioenen ontblootten hetbovenlijfen gingen toen met den rug tegen elkander staan. De kruin van Jemmy’s hoofd reikte niet eens tot aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het voordeel van laatstbedoelde, reikten deeindenvan de lasso juist zoo ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.
“Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den strik open te trekken,” zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.
Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn voorbeeld.
“Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen,” riep Hobble-Frank. “Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet.”
Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen te hooren. Hij antwoordde: “Ik ben geen Groote Visch, die zich laat overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, spoedig dooddrukken en verpletteren.”
Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.
Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste boven ging.
Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken list van den Indiaan.
Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan te brengen, dat er geenandereaanval volgen kon of zou. Maar nu greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar niet geheel.
Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den dikke schielijk toe: “Gooi hem overboord; hij draait zich om!”
“Ik weet het!” antwoordde Jemmy.
Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy’s hoofd, zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes op de hartstreek.
Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den hoofdman, en vroeg: “Ziet gij, dat hij verloren is?”
“Neen!” antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.
“Waarom niet?” vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij was gekomen.
“Hij is niet overwonnen.”
“Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen.”
“Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt.”
“Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, en daarbij den riem losgewrongen.”
“Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, en de worsteling moet van voren af aan beginnen.”
“Neen, Jemmy! laat hem niet los!” gebood de jager. “Zoodra hij zich verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!”
Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: “Wie heeft hier te bevelen, gij of ik?”
“Gij en ik, wij beiden.”
“Wie zegt dat?”
“Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar en bedrieger.”
“Gij—gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al mijn roode krijgslieden?”
“Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang eerlijkheid en trouw. Wanneerikniet meer spreken mag, welnu, dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken.”
Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die op een veelzeggende manier in de hand.
“Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?” vroeg de hoofdman op een vrij wat minder hoogen toon.
“Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?”
“Ja.”
“Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is dat eerlijk? En datmoetgij gezien hebben!”
“Ja, dat is zoo,” antwoordde de hoofdman aarzelend.
“En hij zou moeten sterven, die den anderbovenzich zou krijgen op den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?”
“Ja, zoo is het.”
“Welnu, wie ligt er nu onder?”
“De Groote Voet.”
“Wie is dus de overwonnene?”
“Hij ......” antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van den hoofdman aanraakte.
“Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?”
Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: “Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij hem doodsteken kan.”
“Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar hij zal het niet doen.”
“Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?”
“Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken los te wringen.”
“Waarom hem te binden?Hij zal u niet ontvluchten.”
“Staat gij mij daar borg voor?”
“Ja.”
“Waarmee?”
“Met alles wat ik bezit.”
“Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden afgeloopen zijn.”
Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting zouden geven of niet.
Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.
De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de overwinning zeker.
Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old Shatterhand, en zei: “Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?”
“Neen!”
“Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald te hebben.”
“Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?”
“Oef!” riep het Springende Hert. “Ik durf een wedloop aan met een ree.”
Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.
Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het Hert bekeken.
“Wel, wat denkt gij van hem?” vroeg hem Old Shatterhand.
“Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan,” antwoordde de kleine.
“Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?”
“Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat den kopbetreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en gauwer, dan hij met zijn beenen.”
Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: “Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?”
“Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen.”
Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar het zuiden, en zei: “Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen hier en het bosch?”
“Ja.”
“Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar.”
Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal hij veel beter sprak dan Duitsch:“Maar ik hoop, dat alles eerlijk zal gaan!”
“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?” vroeg de hoofdman schamper.
“Ja.”
“Moet ik u neerslaan?”
“Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te werk gaan?”
“Dat was niet oneerlijk, maar listig.”
“O! En zijn zulke listen geoorloofd?”
De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij “ja” zei, was daarmee de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: “List is geen bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?”
“Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?”
“Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden.”
“Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te beginnen. Waar is honk?”
“Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen en ook eindigen.”
Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen stonden.
“Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik,” zei Old Shatterhand.
“Ja; kunt gij dat aan mij zien?”
“Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest.”
“Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer grooten dienst mee gedaan.”
“Hoe zoo?”
“Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch, waar wij driemaal omheen moeten dansen?”
“Een beukeboom.”
“En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?”
“Een pijnboom.”
“Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?”
“Naar den beuk.”
“Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan.”
“Zijt gij dwaas!”
“Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is.”
“Maar wat beoogt gij daarmee?”
“Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen mogelijkheid vergissen.”
“Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is.”
“Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen, zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen ze mij niet kunnen nageven.”
“Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog wel een goeden raad geven.”
“Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven; en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?”
“Owomb.”
“Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen pijnboom?”
“Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden.”
“Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?”
“Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar komt de hoofdman aan!”
De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond, en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.
“In welke kleeding?” vroeg Hobble-Frank.
“Naar ieders verkiezing.”
Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek op zijntegenstander neer met een blik, die den superlatief van minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld van idiotismus in den hoogsten graad.
“Frank, pas op, hoor!” maande Jemmy hem aan. “Denk er om, dat Davy en ik overwonnen hebben.”
“Huilt maar niet,” troostte de kleine. “Als gij nog niet weet of ik goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren.”
Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu, na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit, en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken, dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.
Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn, alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.
De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk, dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende: De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk, dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.
“Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben,” riep de hoofdman Old Shatterhand toe.
“Neen!”
“Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!”
“Ja, juist.”
“Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn.”
“Neen!”
“Niet?” vroeg de Groote Wolf verwonderd.
“Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund.”
“Oef, oef! Ja.” En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.
Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een driehonderdtal schredenzijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.
Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet hooren wat hij daarbij zeide.
“Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen pijnboom)!” riep hij namelijk den Roodhuid toe.
Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven was er immers mee gemoeid!
De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij, en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.
Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy, toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.
Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar loopen kon den terugtocht aan. Viervijfde gedeeltenvan den afstand legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien, dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.
Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: “Wel, oude kameraad! wie heeft overwonnen?”
“Hij die de voorwaarden vervuld heeft,” antwoordde de Roodhuid barsch.
“Dat ben ik.”
“Gij?”
“Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?”
“Dat heb ik gezien.”
“En ik ben immers het eerst weder hier?”
“Dat zie ik.”
“Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom heen gedaan?”
“Waarom twee keeren meer?”
Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.Blz.296.
Binnen weinige oogenblikken stoof hij hem voorbij.
Blz.296.
“Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens omheenwas geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet over hem te klagen zou hebben.”
“Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?”
“Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij, dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien zelf wel zeggen.”
“Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?”
“Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had,hij of ik.”
“Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?”
“Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand.”
Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: “Hebt gij het Springende Hert misschien bedrogen?”
“Bedrogen? Moet ik u neerslaan?” voer de kleine schijnbaar in drift uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman vroeger zelf gebezigd had.
“Of hebt gij een list gebruikt?”
“Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?”
“Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen.”
“Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij blameert er u mee.”
De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.
Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des te hartelijker vreugde verwelkomd werd.
“’k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?” vroeg hij aan Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop begon.
“Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een meesterstuk.”
“Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het ’m niet, zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het ’t meest aan!”
Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: “Wie heeft overwonnen?”
“Het bleekgezicht,” luidde bedeesd het antwoord.
“Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?”
“Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de eindpaal was.”
Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den hoofdman: “Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!”
Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor nog toorniger, en hij riep: “Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar; maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u.”
“Neen, neen!” zei de kleine afwerend. “Ik wil er niets van hebben. Houd hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben.”
Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de hoofdman grauwde hem toe: “Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang duren.”
“Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij.”
“Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom.”
“Maak maar geen misrekening,” waarschuwde Old Shatterhand ernstig. “Ik lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor dat van een ander willen inruilen.”
“Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden, als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste, grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen.”
De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.
“Heb ik misschien iets te veel gezegd?” vroeg Hobble-Frank op een toon van bezorgdheid.
“Volstrekt niet,” antwoordde Old Shatterhand. “Het is heel goed, dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren; want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben, houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. Dehoofdzaakis, dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden, en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen, dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij, Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt; maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen klein te maken. Daartoe zalikmijn best doen, nu ik mij met hem ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden, want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker.”
Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.
Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso’s bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het trof Old Shatterhand’s opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso’s wijzende, vroeg deze: “Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?”
“Neen, maar dat kan ik wel begrijpen,” antwoordde de jager. “Wij moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn.”
“Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal om ons lijf gebonden worden.”
“Waarom dat?”
“Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten.”
“Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden, om met mijn goede eigenschappenmijn voordeel te doen. Enfin, het is mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?”
“Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden dood is.”
Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old Shatterhand antwoordde doodbedaard: “Ik zal er genoegen mee nemen.”
“Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig overwonnen.”
“Dat zullen we afwachten.”
“Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt.”
Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte, om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging een “oef!” van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: “Hij houdt zich maar zoo, om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker, dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten, totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden waar Abram den mosterd haalt.”
De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van gemoedelijkheid: “Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint.”
“Dank u, dat is niet noodig,” antwoordde Old Shatterhand kalm. “Ik zal mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!”
“Dat zal ik. Wie zou mij helpen?”
“Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend, alsof zij moeten gaan vechten?”
“Zijn uw metgezellen dan ongewapend?”
“Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven, dat ook gij een dapper man zijt?”
“Wilt gij mij beleedigen?” riep de Roodhuid driftig. “Ik heb geen hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in de tenten brengen, als de uwen dat ook doen.”
“Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn mes behouden.”
Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch: “Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt, schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig.”
“Wat hebt gij met dien man te praten?” grauwde de hoofdman hem toe. “En waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?”
“Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat.”
“Wat hebt gij tegen hem gezegd?”
“Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven om ze te bewaken.”
“Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?”
“Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt.”
“Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken.”
Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af, en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon, zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug, om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den kleinen Saks.
“Nu hebt gij uw zin gehad,” zei de Groote Wolf. “Willen we nu beginnen?”
“Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij mij doodt?”
“Die zullen onze gevangenen zijn.”
“Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar zij willen.”
“Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als gijzelaars.”
“Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig, daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval dat ik u dood?”
“Dat zal het geval niet worden,” antwoordde de Roodhuid hooghartig.
“Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken.”
“Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!”
“En zal niemand ons tegenhouden?”
“Geen mensch!”
“Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen.”
“Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier hebt gij een tomahawk.”
Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even, en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.
“Wat doet gij?” vroeg de hoofdman verwonderd.
“Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters gevlogen zijn.”
“Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?”
“Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders niets.”
Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: “Het stond u vrij de bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere.”
“Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan.”
“Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt niet zoo sterk als ik ben.”
“Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten oordeelen wie de sterkste is, gij of ik.”
Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij bleef liggen.
“Doe mij dat eens na!” riep hij den Roodhuid toe.
“Oef, oef, oef!” klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: “Verbeeldt gij u, dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!”
“Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen,” antwoordde Old Shatterhand glimlachende. “Dus, gij zoudt graag mijn scalp hebben?”
“Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den overwinnaar ... Bindt ons maar vast!”
Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den hoofdman en Old Shatterhand de lasso’s om de heupen bonden, en toen achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, dat de twee lasso’s een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.
De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.
Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp te ontwijken.
Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.
Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk tot vlug en krachtig handelen over te gaan.
De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts overeind—het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke zijn tegenstander, zoosnel dat niemand er iets van zag, met het harde heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: “Wie is de overwinnaar?”
Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er verslagen van.
“Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den overwinnaar toebehoort,” vervolgde Old Shatterhand. “Zijn scalp is dus mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar mijn tent.”
Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.
“Vlug te paard en voort!” gebood Old Shatterhand. “Praten kunnen wij naderhand.”
In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.
De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was overtuigd, dat de Utah’s dadelijk zouden opbreken om hen achterna te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor te volgen.