DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met den Engelschenlord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde misschien nog hulp te kunnen brengen.Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg bij was: “Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?”“Ja, hen en hun legerplaats.”“En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?”“Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven.”“Waaraan hebt gij dat ontdekt?”“Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard.”“Hoe groot is hun aantal wel?”“Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er ook nog wel geweest zijn.”“Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch misschien opgejaagd naar één kant?”“Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, en keken allen in het water.”“Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?”Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof hij er bij gestaan en alles gezien had: “Neen, zij willen hen niet verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven.”“Hebt gij reden om dat te vermoeden?”“Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren.”“Zoo is het,” zei Old Firehand; “ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij moeten ons haasten, om hen te redden.”“Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om zelf te sterven.”“Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit als een vijand van de Utahs heb doen kennen.”“Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden ook u niet sparen.”“Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!”“Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien.”“Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?”“Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.“Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren.”“Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het tegendeel doen denken.”“En die redenen zijn?”“Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen.”“En ten tweede?”De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: “Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken.”“Wie is dat?”“Old Shatterhand.”“Wat!” riep de jager, van verwondering opspringende. “Old Shatterhand, dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die werkelijk reeds hier zijn?”“Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster aan den hemel.”“Hebt gij hem gezien?”“Neen.”“Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?”“Ik wist dat gisteren reeds.”“Zonder het mij te zeggen?”“Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben.”“Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?”“Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels uit Old Shatterhand’s wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben.”“Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen wij doen? Wat stelt gij ons voor?”“Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!”Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men hem volgde.De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend klimmendebergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak der Utahs te kunnen begluren.Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: “Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein kereltje.”Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: “Oef! dat is Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij kan den Roodhuid onmogelijk inhalen.”“Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?” vroeg Old Firehand. “Dan mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij moeten een besluit nemen!”“Nu nog niet!” zei de Apache. “Er is nu nog geen gevaar. Old Shatterhand is immers bij hen?”De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.“Frank het eerst!” riep Old Firehand. “Hoe is dat mogelijk!”“Door list,” antwoordde Winnetou. “Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken.”“Ik ook,” riep Droll. “Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en die kleine Hobble-Frank.”Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: “Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn.”“Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, om er ruiterlijk naar toe te rijden.”“Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf hier,” antwoordde de Apache zeer beslist. “Old Shatterhand kent de omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt.”Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de mededeeling: “Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen.”“En heimelijk? Dus vluchten?” vroeg Old Firehand. “Dan vatten wij post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet.”“Noch het een, noch het ander,” hernam de Apache hoofdschuddende.“Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens op tegenspraak te stuiten!”“Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?”“Dan zullen zij hen achternazetten.”“Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden heeft men daartoe noodig?”“Wel twintig—zeg dertig.”“Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen.”“Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons hoe velen wij zijn.”“Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, dat zich achter hen bevindt.”“O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?”“Juist.”“Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?”“Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en ik. Luister! Wat is dat?”Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk daaropzag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, en daarlangs berg-op te rijden.“Daar komen zij aan,” zei Winnetou. “Old Firehand kan mij volgen. Maar mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden meenemen.”Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, klonk het van boven: “Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een oogenblik halt houden.”De vier kortten den teugel, en keken naar boven.“Winnetou, Winnetou!” riepen alle vier tegelijk.“Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen,” antwoordde deze. “En hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is.”Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.“Old Firehand!” riep Old Shatterhand. “Gij hier, gij! Ik moet naar boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!”In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een beweging om van zijn paard af te springen.“Blijf zitten, blijf zitten!” riep Old Firehand hem toe. “En naar u toe komen kan ik ook niet!”“Waarom niet?”“De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij hier zijn.”“O! Zijt gij alleen?”“Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?”“Naar het Zilvermeer.”“Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!”“Heerlijk, heerlijk!” riep Old Shatterhand. “Welk een blijdschap en welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?”“Ja.”“Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het noodigste vertellen.”De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid van diemannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: “Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten Night-Canon genoemd wordt?”“Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest.”“Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?”“Ja, zeer goed.”“Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten of zich over te geven.”“Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het Zilvermeer?”“Dat zal ik u zeggen,” antwoordde Old Firehand. “Er ligt daarboven een uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft.”Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk glimlachje, toen hij zei: “Een mijn? Wie heeft die ontdekt?”“Ik ben zelf ook daarbij geweest.”“Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij twee vliegen in één klap slaan.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, in vergelijking, niets is.”“O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?”“Natuurlijk.”“Wat weet gij daarvan?”“Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien zijt gij dat te weten gekomen?”“Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de legerplaats komen.”“Hierheen?”“Ja, te paard.”“Hoeveel?”“Vijf.”“Pshaw!Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit dus! Tot weerziens in den Night-Canon!”Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: “Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van de plannen harer krijgslieden te weten komen.”“Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen,” antwoordde de Apache.Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: “Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten.”“En wat is dat?” werd er gevraagd.“Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf.”“Dus is die niet gekwetst?”“Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt het kamp opgebroken.”“Waar gaan zij naar toe?”“De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar zijveilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken.”“Waar is dat?”“Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg.”“Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk een overmacht tegen vier blanken!”“Old Shatterhand is mijn vriend en leerling,” zei Winnetou met fiere zelfvoldoening. “Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang te zijn.”Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit het legerkamp.Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, en nog tien minuten daarna braken de anderen op.Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling had het langs de beek aangericht.Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.De richting naar denNight-canon liep op de smalste plaats der Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden aanwenden.Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar niet voor lang, want reeds na verloopvan eenige minuten was men er doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.“Dat is deNight-canon,” zei Old Firehand, naar die rots-spleet wijzende. “Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, daarbeneden!”Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de rotsspleet verdwenen.Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old Firehand aan. “Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!”“En tochmoetenwij naar omlaag,” zei Old Firehand. “Stijg uit denzadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen.”Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal baanwerkers daarbij aangesloten had.Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, en men bewoog zich in een akelig schemerduister.En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen—allen bleven onwillekeurig stilstaan—hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen tegelijk afgeschoten werden.“Lieve hemel, wat is dat?” vroeg Butler, de ingenieur. “Storten de rotsen in?”“Het was een geweerschot!” antwoordde Old Firehand. “Het oogenblik is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen voortreden! Afstijgen!”In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.“De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!” klonk een forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, of uit den grond naar boven.“Neer de wapenen!” bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als het rollende gerommel van donder.Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, en vormde een ruimte, die men genoeglijk een “ridderzaal in de rots” zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van de schoten schichtig waren geworden.“Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!” klonk opnieuw de stem van Old Shatterhand.En van de andere zijde klonk het: “Hier staat Old Firehand! Als gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!”En terstond daarop riep de Apache: “Wie kent Winnetou, den hoofdman der Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!”Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden geweerloopen blinken.Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige onderhandeling, dat konden zij nietvan zich verkrijgen. Hun talmen ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: “Werp uw geweer neer of ik schiet u overhoop!”De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.“Ook den tomahawk en het mes!” klonk het gebiedend.De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde wapens er uit, en wierp die op den grond.“Nu uw lasso!” gebood Droll.Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: “Kom hier, onkel! en bindtgijnu zijn handen!”De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:“Bloed behoeft er niet te vloeien!’k Heb hem in mijn macht, om vlugZijn handen op zijn rugMet zijn eigen riem te boeien!”Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste voren in het zadel zitten.“Heavens!Wat heeft dàt te beteekenen?” vroeg Frank. “Wilt gij komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown werkzaam geweest?”“Neen, master!” antwoordde de dikke. “Ik heb louter de gewoonte om de feestdagen zoo te vieren als zij vallen.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik.”“Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet kwalijk nemen: ik keer mij óók om.”Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: “Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien.”“Waar dan?”“In mijn verbeelding.”“Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het met het opzeggen van de huur?”“Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs van u gehoord.”“Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?”“Voor Tante Droll.”“En waar hebt gij van die tante gehoord?”“Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou geweest ben.”“Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?”“Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park en zaten ook in het Estacato.”“Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?”“Ineens geraden! Kent gij mij?”“Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd.”“Een.... kleinen held!” zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig lachje over zijn gelaat gleed. “Een.... kleinen.... held! Dat moet ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu weet ik nog niet ofikgoed geraden heb?”“Voor wien houdt gij mij dan?”“Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll.”“Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!”“Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier.”“Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?”“In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik hebdikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders dan die tante.”“Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?”“Ja, dat is waar.”“Dus een Duitscher?”“Ja.”“Waar vandaan dan?”“Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks.”“Wel drommels! Wat voor een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?”“Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?”“Natuurlijk.”“Waar vandaan?” vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.“Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg.”“Wel, sapperloot!” riep de kleine uit. “Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?”“Niet uit de residentie, maar uit Langenleube.”“Langen...leube?” vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef staan.“Langenleube-Niederhain?”“Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den Altenburger plattelandskost.”“Precies!” zei Droll met een hoofdknikje. “Wat kermishouden is, weten wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?”“Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel.”“Zoo. En wat deed die voor den kost?”“Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, en ook....”“Stop!” viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm grijpende. “Hoe was zijn naam?”“Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn‘van’was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel.”“Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?” riep Droll. “Had hij kinderen?”“Ja, een zwerm!”“Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?”“Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel.”“Bastel, dus Sebastiaan.”“Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette—dien naam hebben in Altenburg van de tien menschen negen.”“Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet gij ook wat er van hem geworden is?”“Tot mijn leedwezen, neen!”“Kijkmijeens aan! Kijk mij eens goed aan!”“Waarom?”“Omdatikhet ben wat er van hem geworden is.”“Gij.... gij?” vroeg de kleine.“Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later knecht bij den boschwachter geworden is.”“Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!”“Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!”Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een grooteren en veel breederen canon.Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in den omtrek bevonden.Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd dan ook behoorlijkgebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak zijn gevoelen uit als volgt: “Totdat de wedstrijden afgeloopen waren zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden.”“Dat ben ik volkomen met u eens,” zei Old Shatterhand; “maar zij hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook niet gedaan.”“Well!Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de daad nemen.”“En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?”“Ja, dat is moeilijk te beslissen.”“Toch niet met den dood?”“Neen.”“Met gevangenschap, met tuchthuis?”“Pshaw!Ransel hen goed af.”“Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland.”“Leg hun dan een geldboete op.”“Hebben zij geld?”“Neen; maar zij hebben paarden en wapenen.”“Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in handen van hun vijanden vallen.”“Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, datgijzoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het ergst vergrepen hebben.”“En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over hun lot te beslissen hebben.”“Doe dan met hen, zooals gij verkiest!” zei de lord, terwijl hij zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old Shatterhand en vroeg: “Willen wij eens wedden?”“Waarover?”“Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te zachtmoedig behandelt.”“Neen.”“Ik wed om tien dollars.”“Ik niet.”“Ik zet twintig dollars tegen tien!”“En ik wed in ’t geheel niet!”“Nooit?”“Neen.”“Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen zooals gij verkiest!”Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, dat beviel hem niet erg.De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven woord gestand te doen.Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.“Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?” vroeg Old Shatterhand in de taal der Utahs.De gevraagde gaf geen antwoord.“De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet.”Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den jager aan, en zei: “Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, is hij een leugenaar.”“Geef dan antwoord! Overigens moogtgijniet van leugens spreken; want gij zijt het, die zich er van bediend heeft.”“Dat is niet waar.”“Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat hebt gij mij daarop geantwoord?”“Dat gij dan heen kondt gaan.”“Was dat geen leugen?”“Neen, wat gij zijt immers gegaan.”“Maar gij hebt ons vervolgd!”“Neen!”“Wilt gij dat ontkennen?”“Ja, dat ontken ik.”“Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?”“Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te vervolgen.”“Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?”“Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en als datgebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet.”“Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?”“Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had.”“Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt.”“Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel uitgelegd.”“Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt.”Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van zins waren geweest.“Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken,” vervolgde hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. “Maar ik heb een onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was ons te dooden.”“Dat vermoedt gij maar.”“Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de ouden in het gebergte. Is dat waar?”“Ja.”“Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?”De Groote Wolf gaf geen antwoord.“Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; gij hebt dus meerverdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt zal worden.”“Zegt uw tong dat of uw hart?” vroeg de hoofdman, met een ongeloovig uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.“Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid mij die belofte te geven?”“Ja.”“Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, van dit oogenblik af aan broeders zijn?”“Ja.”“Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?”“Ja.”“En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?”“Ja, daar ben ik bereid toe.”Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikkeverfkorst, die er op zat.“Dan zullen wij de pijp laten rondgaan,” vervolgde Old Shatterhand. “Ik zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet.”“Zeg ze, ik zal ze nazeggen.”Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten er een waarschuwing bij te voegen: “Ik hoop, dat gij het dezen keer eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!”De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: “Ik ben de Groote Wolf, de hoofdman derYampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn eed. Ik heb gezegd, Howgh!”Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden.Zelfs de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en vroeg toen aan Old Shatterhand: “Heeft mijn broeder ons de vrijheid volkomen teruggegeven?”“Ja, volkomen.”“Dus mogen wij wegrijden?”“Ja, waarheen gij wilt.”“Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren.”“O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?”“Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat zouden komen. Wij gaan terug.”“Door de rotsspleet?”“Ja. Vaarwel!”Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.“En de kerel is toch een schobberd!” zei de oude Blenter. “Als de verf niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!”Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: “Mijn broeder kan gelijk hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren.”Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, dan iets anders.De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, en bovendien conserven, meel en zooalmeer, welk een en ander men uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het bosch verdwenen.Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze was voor volkomen veiligheid gezorgd.Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.

DERTIENDE HOOFDSTUK.GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met den Engelschenlord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde misschien nog hulp te kunnen brengen.Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg bij was: “Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?”“Ja, hen en hun legerplaats.”“En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?”“Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven.”“Waaraan hebt gij dat ontdekt?”“Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard.”“Hoe groot is hun aantal wel?”“Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er ook nog wel geweest zijn.”“Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch misschien opgejaagd naar één kant?”“Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, en keken allen in het water.”“Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?”Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof hij er bij gestaan en alles gezien had: “Neen, zij willen hen niet verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven.”“Hebt gij reden om dat te vermoeden?”“Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren.”“Zoo is het,” zei Old Firehand; “ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij moeten ons haasten, om hen te redden.”“Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om zelf te sterven.”“Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit als een vijand van de Utahs heb doen kennen.”“Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden ook u niet sparen.”“Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!”“Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien.”“Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?”“Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.“Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren.”“Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het tegendeel doen denken.”“En die redenen zijn?”“Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen.”“En ten tweede?”De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: “Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken.”“Wie is dat?”“Old Shatterhand.”“Wat!” riep de jager, van verwondering opspringende. “Old Shatterhand, dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die werkelijk reeds hier zijn?”“Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster aan den hemel.”“Hebt gij hem gezien?”“Neen.”“Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?”“Ik wist dat gisteren reeds.”“Zonder het mij te zeggen?”“Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben.”“Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?”“Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels uit Old Shatterhand’s wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben.”“Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen wij doen? Wat stelt gij ons voor?”“Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!”Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men hem volgde.De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend klimmendebergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak der Utahs te kunnen begluren.Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: “Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein kereltje.”Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: “Oef! dat is Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij kan den Roodhuid onmogelijk inhalen.”“Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?” vroeg Old Firehand. “Dan mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij moeten een besluit nemen!”“Nu nog niet!” zei de Apache. “Er is nu nog geen gevaar. Old Shatterhand is immers bij hen?”De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.“Frank het eerst!” riep Old Firehand. “Hoe is dat mogelijk!”“Door list,” antwoordde Winnetou. “Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken.”“Ik ook,” riep Droll. “Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en die kleine Hobble-Frank.”Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: “Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn.”“Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, om er ruiterlijk naar toe te rijden.”“Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf hier,” antwoordde de Apache zeer beslist. “Old Shatterhand kent de omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt.”Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de mededeeling: “Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen.”“En heimelijk? Dus vluchten?” vroeg Old Firehand. “Dan vatten wij post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet.”“Noch het een, noch het ander,” hernam de Apache hoofdschuddende.“Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens op tegenspraak te stuiten!”“Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?”“Dan zullen zij hen achternazetten.”“Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden heeft men daartoe noodig?”“Wel twintig—zeg dertig.”“Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen.”“Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons hoe velen wij zijn.”“Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, dat zich achter hen bevindt.”“O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?”“Juist.”“Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?”“Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en ik. Luister! Wat is dat?”Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk daaropzag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, en daarlangs berg-op te rijden.“Daar komen zij aan,” zei Winnetou. “Old Firehand kan mij volgen. Maar mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden meenemen.”Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, klonk het van boven: “Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een oogenblik halt houden.”De vier kortten den teugel, en keken naar boven.“Winnetou, Winnetou!” riepen alle vier tegelijk.“Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen,” antwoordde deze. “En hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is.”Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.“Old Firehand!” riep Old Shatterhand. “Gij hier, gij! Ik moet naar boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!”In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een beweging om van zijn paard af te springen.“Blijf zitten, blijf zitten!” riep Old Firehand hem toe. “En naar u toe komen kan ik ook niet!”“Waarom niet?”“De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij hier zijn.”“O! Zijt gij alleen?”“Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?”“Naar het Zilvermeer.”“Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!”“Heerlijk, heerlijk!” riep Old Shatterhand. “Welk een blijdschap en welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?”“Ja.”“Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het noodigste vertellen.”De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid van diemannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: “Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten Night-Canon genoemd wordt?”“Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest.”“Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?”“Ja, zeer goed.”“Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten of zich over te geven.”“Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het Zilvermeer?”“Dat zal ik u zeggen,” antwoordde Old Firehand. “Er ligt daarboven een uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft.”Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk glimlachje, toen hij zei: “Een mijn? Wie heeft die ontdekt?”“Ik ben zelf ook daarbij geweest.”“Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij twee vliegen in één klap slaan.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, in vergelijking, niets is.”“O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?”“Natuurlijk.”“Wat weet gij daarvan?”“Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien zijt gij dat te weten gekomen?”“Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de legerplaats komen.”“Hierheen?”“Ja, te paard.”“Hoeveel?”“Vijf.”“Pshaw!Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit dus! Tot weerziens in den Night-Canon!”Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: “Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van de plannen harer krijgslieden te weten komen.”“Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen,” antwoordde de Apache.Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: “Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten.”“En wat is dat?” werd er gevraagd.“Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf.”“Dus is die niet gekwetst?”“Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt het kamp opgebroken.”“Waar gaan zij naar toe?”“De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar zijveilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken.”“Waar is dat?”“Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg.”“Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk een overmacht tegen vier blanken!”“Old Shatterhand is mijn vriend en leerling,” zei Winnetou met fiere zelfvoldoening. “Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang te zijn.”Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit het legerkamp.Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, en nog tien minuten daarna braken de anderen op.Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling had het langs de beek aangericht.Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.De richting naar denNight-canon liep op de smalste plaats der Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden aanwenden.Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar niet voor lang, want reeds na verloopvan eenige minuten was men er doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.“Dat is deNight-canon,” zei Old Firehand, naar die rots-spleet wijzende. “Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, daarbeneden!”Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de rotsspleet verdwenen.Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old Firehand aan. “Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!”“En tochmoetenwij naar omlaag,” zei Old Firehand. “Stijg uit denzadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen.”Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal baanwerkers daarbij aangesloten had.Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, en men bewoog zich in een akelig schemerduister.En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen—allen bleven onwillekeurig stilstaan—hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen tegelijk afgeschoten werden.“Lieve hemel, wat is dat?” vroeg Butler, de ingenieur. “Storten de rotsen in?”“Het was een geweerschot!” antwoordde Old Firehand. “Het oogenblik is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen voortreden! Afstijgen!”In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.“De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!” klonk een forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, of uit den grond naar boven.“Neer de wapenen!” bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als het rollende gerommel van donder.Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, en vormde een ruimte, die men genoeglijk een “ridderzaal in de rots” zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van de schoten schichtig waren geworden.“Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!” klonk opnieuw de stem van Old Shatterhand.En van de andere zijde klonk het: “Hier staat Old Firehand! Als gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!”En terstond daarop riep de Apache: “Wie kent Winnetou, den hoofdman der Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!”Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden geweerloopen blinken.Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige onderhandeling, dat konden zij nietvan zich verkrijgen. Hun talmen ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: “Werp uw geweer neer of ik schiet u overhoop!”De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.“Ook den tomahawk en het mes!” klonk het gebiedend.De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde wapens er uit, en wierp die op den grond.“Nu uw lasso!” gebood Droll.Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: “Kom hier, onkel! en bindtgijnu zijn handen!”De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:“Bloed behoeft er niet te vloeien!’k Heb hem in mijn macht, om vlugZijn handen op zijn rugMet zijn eigen riem te boeien!”Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste voren in het zadel zitten.“Heavens!Wat heeft dàt te beteekenen?” vroeg Frank. “Wilt gij komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown werkzaam geweest?”“Neen, master!” antwoordde de dikke. “Ik heb louter de gewoonte om de feestdagen zoo te vieren als zij vallen.”“Hoe bedoelt gij dat?”“Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik.”“Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet kwalijk nemen: ik keer mij óók om.”Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: “Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien.”“Waar dan?”“In mijn verbeelding.”“Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het met het opzeggen van de huur?”“Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs van u gehoord.”“Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?”“Voor Tante Droll.”“En waar hebt gij van die tante gehoord?”“Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou geweest ben.”“Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?”“Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park en zaten ook in het Estacato.”“Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?”“Ineens geraden! Kent gij mij?”“Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd.”“Een.... kleinen held!” zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig lachje over zijn gelaat gleed. “Een.... kleinen.... held! Dat moet ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu weet ik nog niet ofikgoed geraden heb?”“Voor wien houdt gij mij dan?”“Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll.”“Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!”“Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier.”“Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?”“In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik hebdikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders dan die tante.”“Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?”“Ja, dat is waar.”“Dus een Duitscher?”“Ja.”“Waar vandaan dan?”“Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks.”“Wel drommels! Wat voor een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?”“Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?”“Natuurlijk.”“Waar vandaan?” vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.“Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg.”“Wel, sapperloot!” riep de kleine uit. “Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?”“Niet uit de residentie, maar uit Langenleube.”“Langen...leube?” vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef staan.“Langenleube-Niederhain?”“Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den Altenburger plattelandskost.”“Precies!” zei Droll met een hoofdknikje. “Wat kermishouden is, weten wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?”“Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel.”“Zoo. En wat deed die voor den kost?”“Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, en ook....”“Stop!” viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm grijpende. “Hoe was zijn naam?”“Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn‘van’was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel.”“Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?” riep Droll. “Had hij kinderen?”“Ja, een zwerm!”“Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?”“Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel.”“Bastel, dus Sebastiaan.”“Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette—dien naam hebben in Altenburg van de tien menschen negen.”“Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet gij ook wat er van hem geworden is?”“Tot mijn leedwezen, neen!”“Kijkmijeens aan! Kijk mij eens goed aan!”“Waarom?”“Omdatikhet ben wat er van hem geworden is.”“Gij.... gij?” vroeg de kleine.“Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later knecht bij den boschwachter geworden is.”“Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!”“Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!”Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een grooteren en veel breederen canon.Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in den omtrek bevonden.Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd dan ook behoorlijkgebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak zijn gevoelen uit als volgt: “Totdat de wedstrijden afgeloopen waren zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden.”“Dat ben ik volkomen met u eens,” zei Old Shatterhand; “maar zij hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook niet gedaan.”“Well!Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de daad nemen.”“En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?”“Ja, dat is moeilijk te beslissen.”“Toch niet met den dood?”“Neen.”“Met gevangenschap, met tuchthuis?”“Pshaw!Ransel hen goed af.”“Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland.”“Leg hun dan een geldboete op.”“Hebben zij geld?”“Neen; maar zij hebben paarden en wapenen.”“Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in handen van hun vijanden vallen.”“Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, datgijzoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het ergst vergrepen hebben.”“En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over hun lot te beslissen hebben.”“Doe dan met hen, zooals gij verkiest!” zei de lord, terwijl hij zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old Shatterhand en vroeg: “Willen wij eens wedden?”“Waarover?”“Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te zachtmoedig behandelt.”“Neen.”“Ik wed om tien dollars.”“Ik niet.”“Ik zet twintig dollars tegen tien!”“En ik wed in ’t geheel niet!”“Nooit?”“Neen.”“Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen zooals gij verkiest!”Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, dat beviel hem niet erg.De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven woord gestand te doen.Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.“Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?” vroeg Old Shatterhand in de taal der Utahs.De gevraagde gaf geen antwoord.“De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet.”Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den jager aan, en zei: “Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, is hij een leugenaar.”“Geef dan antwoord! Overigens moogtgijniet van leugens spreken; want gij zijt het, die zich er van bediend heeft.”“Dat is niet waar.”“Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat hebt gij mij daarop geantwoord?”“Dat gij dan heen kondt gaan.”“Was dat geen leugen?”“Neen, wat gij zijt immers gegaan.”“Maar gij hebt ons vervolgd!”“Neen!”“Wilt gij dat ontkennen?”“Ja, dat ontken ik.”“Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?”“Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te vervolgen.”“Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?”“Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en als datgebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet.”“Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?”“Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had.”“Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt.”“Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel uitgelegd.”“Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt.”Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van zins waren geweest.“Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken,” vervolgde hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. “Maar ik heb een onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was ons te dooden.”“Dat vermoedt gij maar.”“Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de ouden in het gebergte. Is dat waar?”“Ja.”“Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?”De Groote Wolf gaf geen antwoord.“Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; gij hebt dus meerverdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt zal worden.”“Zegt uw tong dat of uw hart?” vroeg de hoofdman, met een ongeloovig uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.“Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid mij die belofte te geven?”“Ja.”“Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, van dit oogenblik af aan broeders zijn?”“Ja.”“Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?”“Ja.”“En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?”“Ja, daar ben ik bereid toe.”Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikkeverfkorst, die er op zat.“Dan zullen wij de pijp laten rondgaan,” vervolgde Old Shatterhand. “Ik zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet.”“Zeg ze, ik zal ze nazeggen.”Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten er een waarschuwing bij te voegen: “Ik hoop, dat gij het dezen keer eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!”De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: “Ik ben de Groote Wolf, de hoofdman derYampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn eed. Ik heb gezegd, Howgh!”Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden.Zelfs de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en vroeg toen aan Old Shatterhand: “Heeft mijn broeder ons de vrijheid volkomen teruggegeven?”“Ja, volkomen.”“Dus mogen wij wegrijden?”“Ja, waarheen gij wilt.”“Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren.”“O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?”“Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat zouden komen. Wij gaan terug.”“Door de rotsspleet?”“Ja. Vaarwel!”Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.“En de kerel is toch een schobberd!” zei de oude Blenter. “Als de verf niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!”Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: “Mijn broeder kan gelijk hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren.”Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, dan iets anders.De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, en bovendien conserven, meel en zooalmeer, welk een en ander men uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het bosch verdwenen.Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze was voor volkomen veiligheid gezorgd.Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.

Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met den Engelschenlord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.

Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde misschien nog hulp te kunnen brengen.

Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.

Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg bij was: “Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?”

“Ja, hen en hun legerplaats.”

“En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?”

“Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven.”

“Waaraan hebt gij dat ontdekt?”

“Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard.”

“Hoe groot is hun aantal wel?”

“Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er ook nog wel geweest zijn.”

“Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch misschien opgejaagd naar één kant?”

“Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, en keken allen in het water.”

“Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?”

Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof hij er bij gestaan en alles gezien had: “Neen, zij willen hen niet verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven.”

“Hebt gij reden om dat te vermoeden?”

“Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren.”

“Zoo is het,” zei Old Firehand; “ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij moeten ons haasten, om hen te redden.”

“Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om zelf te sterven.”

“Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit als een vijand van de Utahs heb doen kennen.”

“Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden ook u niet sparen.”

“Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!”

“Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien.”

“Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?”

“Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.

“Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren.”

“Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het tegendeel doen denken.”

“En die redenen zijn?”

“Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen.”

“En ten tweede?”

De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: “Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken.”

“Wie is dat?”

“Old Shatterhand.”

“Wat!” riep de jager, van verwondering opspringende. “Old Shatterhand, dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die werkelijk reeds hier zijn?”

“Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster aan den hemel.”

“Hebt gij hem gezien?”

“Neen.”

“Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?”

“Ik wist dat gisteren reeds.”

“Zonder het mij te zeggen?”

“Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben.”

“Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?”

“Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels uit Old Shatterhand’s wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben.”

“Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen wij doen? Wat stelt gij ons voor?”

“Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!”

Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men hem volgde.

De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend klimmendebergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.

Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak der Utahs te kunnen begluren.

Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: “Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein kereltje.”

Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: “Oef! dat is Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij kan den Roodhuid onmogelijk inhalen.”

“Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?” vroeg Old Firehand. “Dan mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij moeten een besluit nemen!”

“Nu nog niet!” zei de Apache. “Er is nu nog geen gevaar. Old Shatterhand is immers bij hen?”

De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.

“Frank het eerst!” riep Old Firehand. “Hoe is dat mogelijk!”

“Door list,” antwoordde Winnetou. “Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken.”

“Ik ook,” riep Droll. “Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en die kleine Hobble-Frank.”

Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: “Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn.”

“Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, om er ruiterlijk naar toe te rijden.”

“Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf hier,” antwoordde de Apache zeer beslist. “Old Shatterhand kent de omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt.”

Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de mededeeling: “Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen.”

“En heimelijk? Dus vluchten?” vroeg Old Firehand. “Dan vatten wij post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet.”

“Noch het een, noch het ander,” hernam de Apache hoofdschuddende.

“Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens op tegenspraak te stuiten!”

“Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?”

“Dan zullen zij hen achternazetten.”

“Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden heeft men daartoe noodig?”

“Wel twintig—zeg dertig.”

“Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen.”

“Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons hoe velen wij zijn.”

“Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, dat zich achter hen bevindt.”

“O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?”

“Juist.”

“Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?”

“Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en ik. Luister! Wat is dat?”

Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk daaropzag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, en daarlangs berg-op te rijden.

“Daar komen zij aan,” zei Winnetou. “Old Firehand kan mij volgen. Maar mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden meenemen.”

Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.

Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, klonk het van boven: “Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een oogenblik halt houden.”

De vier kortten den teugel, en keken naar boven.

“Winnetou, Winnetou!” riepen alle vier tegelijk.

“Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen,” antwoordde deze. “En hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is.”

Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.

“Old Firehand!” riep Old Shatterhand. “Gij hier, gij! Ik moet naar boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!”

In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een beweging om van zijn paard af te springen.

“Blijf zitten, blijf zitten!” riep Old Firehand hem toe. “En naar u toe komen kan ik ook niet!”

“Waarom niet?”

“De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij hier zijn.”

“O! Zijt gij alleen?”

“Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?”

“Naar het Zilvermeer.”

“Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!”

“Heerlijk, heerlijk!” riep Old Shatterhand. “Welk een blijdschap en welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?”

“Ja.”

“Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het noodigste vertellen.”

De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid van diemannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: “Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten Night-Canon genoemd wordt?”

“Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest.”

“Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?”

“Ja, zeer goed.”

“Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten of zich over te geven.”

“Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het Zilvermeer?”

“Dat zal ik u zeggen,” antwoordde Old Firehand. “Er ligt daarboven een uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft.”

Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk glimlachje, toen hij zei: “Een mijn? Wie heeft die ontdekt?”

“Ik ben zelf ook daarbij geweest.”

“Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij twee vliegen in één klap slaan.”

“Hoe bedoelt gij dat?”

“Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, in vergelijking, niets is.”

“O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?”

“Natuurlijk.”

“Wat weet gij daarvan?”

“Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien zijt gij dat te weten gekomen?”

“Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de legerplaats komen.”

“Hierheen?”

“Ja, te paard.”

“Hoeveel?”

“Vijf.”

“Pshaw!Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit dus! Tot weerziens in den Night-Canon!”

Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.

Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: “Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van de plannen harer krijgslieden te weten komen.”

“Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen,” antwoordde de Apache.

Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: “Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten.”

“En wat is dat?” werd er gevraagd.

“Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf.”

“Dus is die niet gekwetst?”

“Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt het kamp opgebroken.”

“Waar gaan zij naar toe?”

“De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar zijveilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken.”

“Waar is dat?”

“Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg.”

“Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk een overmacht tegen vier blanken!”

“Old Shatterhand is mijn vriend en leerling,” zei Winnetou met fiere zelfvoldoening. “Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang te zijn.”

Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit het legerkamp.

Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, en nog tien minuten daarna braken de anderen op.

Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling had het langs de beek aangericht.

Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.

De richting naar denNight-canon liep op de smalste plaats der Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.

Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden aanwenden.

Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar niet voor lang, want reeds na verloopvan eenige minuten was men er doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.

Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.

“Dat is deNight-canon,” zei Old Firehand, naar die rots-spleet wijzende. “Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, daarbeneden!”

Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de rotsspleet verdwenen.

Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old Firehand aan. “Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!”

“En tochmoetenwij naar omlaag,” zei Old Firehand. “Stijg uit denzadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen.”

Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.

Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal baanwerkers daarbij aangesloten had.

Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.

Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, en men bewoog zich in een akelig schemerduister.

En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.

Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen—allen bleven onwillekeurig stilstaan—hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen tegelijk afgeschoten werden.

“Lieve hemel, wat is dat?” vroeg Butler, de ingenieur. “Storten de rotsen in?”

“Het was een geweerschot!” antwoordde Old Firehand. “Het oogenblik is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen voortreden! Afstijgen!”

In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.

“De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!” klonk een forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, of uit den grond naar boven.

“Neer de wapenen!” bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als het rollende gerommel van donder.

Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.

Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, en vormde een ruimte, die men genoeglijk een “ridderzaal in de rots” zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.

De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van de schoten schichtig waren geworden.

“Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!” klonk opnieuw de stem van Old Shatterhand.

En van de andere zijde klonk het: “Hier staat Old Firehand! Als gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!”

En terstond daarop riep de Apache: “Wie kent Winnetou, den hoofdman der Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!”

Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden geweerloopen blinken.

Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige onderhandeling, dat konden zij nietvan zich verkrijgen. Hun talmen ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: “Werp uw geweer neer of ik schiet u overhoop!”

De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.

“Ook den tomahawk en het mes!” klonk het gebiedend.

De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde wapens er uit, en wierp die op den grond.

“Nu uw lasso!” gebood Droll.

Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: “Kom hier, onkel! en bindtgijnu zijn handen!”

De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:

“Bloed behoeft er niet te vloeien!’k Heb hem in mijn macht, om vlugZijn handen op zijn rugMet zijn eigen riem te boeien!”

“Bloed behoeft er niet te vloeien!’k Heb hem in mijn macht, om vlugZijn handen op zijn rugMet zijn eigen riem te boeien!”

“Bloed behoeft er niet te vloeien!

’k Heb hem in mijn macht, om vlug

Zijn handen op zijn rug

Met zijn eigen riem te boeien!”

Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.

Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.

Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste voren in het zadel zitten.

“Heavens!Wat heeft dàt te beteekenen?” vroeg Frank. “Wilt gij komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown werkzaam geweest?”

“Neen, master!” antwoordde de dikke. “Ik heb louter de gewoonte om de feestdagen zoo te vieren als zij vallen.”

“Hoe bedoelt gij dat?”

“Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik.”

“Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet kwalijk nemen: ik keer mij óók om.”

Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: “Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien.”

“Waar dan?”

“In mijn verbeelding.”

“Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het met het opzeggen van de huur?”

“Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs van u gehoord.”

“Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?”

“Voor Tante Droll.”

“En waar hebt gij van die tante gehoord?”

“Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou geweest ben.”

“Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?”

“Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park en zaten ook in het Estacato.”

“Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?”

“Ineens geraden! Kent gij mij?”

“Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd.”

“Een.... kleinen held!” zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig lachje over zijn gelaat gleed. “Een.... kleinen.... held! Dat moet ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu weet ik nog niet ofikgoed geraden heb?”

“Voor wien houdt gij mij dan?”

“Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll.”

“Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!”

“Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier.”

“Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?”

“In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik hebdikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders dan die tante.”

“Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?”

“Ja, dat is waar.”

“Dus een Duitscher?”

“Ja.”

“Waar vandaan dan?”

“Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks.”

“Wel drommels! Wat voor een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?”

“Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?”

“Natuurlijk.”

“Waar vandaan?” vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.

“Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg.”

“Wel, sapperloot!” riep de kleine uit. “Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?”

“Niet uit de residentie, maar uit Langenleube.”

“Langen...leube?” vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef staan.“Langenleube-Niederhain?”

“Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den Altenburger plattelandskost.”

“Precies!” zei Droll met een hoofdknikje. “Wat kermishouden is, weten wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?”

“Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel.”

“Zoo. En wat deed die voor den kost?”

“Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, en ook....”

“Stop!” viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm grijpende. “Hoe was zijn naam?”

“Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn‘van’was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel.”

“Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?” riep Droll. “Had hij kinderen?”

“Ja, een zwerm!”

“Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?”

“Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel.”

“Bastel, dus Sebastiaan.”

“Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette—dien naam hebben in Altenburg van de tien menschen negen.”

“Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet gij ook wat er van hem geworden is?”

“Tot mijn leedwezen, neen!”

“Kijkmijeens aan! Kijk mij eens goed aan!”

“Waarom?”

“Omdatikhet ben wat er van hem geworden is.”

“Gij.... gij?” vroeg de kleine.

“Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later knecht bij den boschwachter geworden is.”

“Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!”

“Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!”

Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.

De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een grooteren en veel breederen canon.

Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in den omtrek bevonden.

Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.

De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd dan ook behoorlijkgebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.

De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak zijn gevoelen uit als volgt: “Totdat de wedstrijden afgeloopen waren zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden.”

“Dat ben ik volkomen met u eens,” zei Old Shatterhand; “maar zij hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook niet gedaan.”

“Well!Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de daad nemen.”

“En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?”

“Ja, dat is moeilijk te beslissen.”

“Toch niet met den dood?”

“Neen.”

“Met gevangenschap, met tuchthuis?”

“Pshaw!Ransel hen goed af.”

“Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland.”

“Leg hun dan een geldboete op.”

“Hebben zij geld?”

“Neen; maar zij hebben paarden en wapenen.”

“Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in handen van hun vijanden vallen.”

“Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, datgijzoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het ergst vergrepen hebben.”

“En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over hun lot te beslissen hebben.”

“Doe dan met hen, zooals gij verkiest!” zei de lord, terwijl hij zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old Shatterhand en vroeg: “Willen wij eens wedden?”

“Waarover?”

“Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te zachtmoedig behandelt.”

“Neen.”

“Ik wed om tien dollars.”

“Ik niet.”

“Ik zet twintig dollars tegen tien!”

“En ik wed in ’t geheel niet!”

“Nooit?”

“Neen.”

“Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen zooals gij verkiest!”

Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, dat beviel hem niet erg.

De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven woord gestand te doen.

Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.

“Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?” vroeg Old Shatterhand in de taal der Utahs.

De gevraagde gaf geen antwoord.

“De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet.”

Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den jager aan, en zei: “Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, is hij een leugenaar.”

“Geef dan antwoord! Overigens moogtgijniet van leugens spreken; want gij zijt het, die zich er van bediend heeft.”

“Dat is niet waar.”

“Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat hebt gij mij daarop geantwoord?”

“Dat gij dan heen kondt gaan.”

“Was dat geen leugen?”

“Neen, wat gij zijt immers gegaan.”

“Maar gij hebt ons vervolgd!”

“Neen!”

“Wilt gij dat ontkennen?”

“Ja, dat ontken ik.”

“Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?”

“Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te vervolgen.”

“Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?”

“Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en als datgebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet.”

“Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?”

“Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had.”

“Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt.”

“Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel uitgelegd.”

“Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt.”

Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van zins waren geweest.

“Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken,” vervolgde hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. “Maar ik heb een onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was ons te dooden.”

“Dat vermoedt gij maar.”

“Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de ouden in het gebergte. Is dat waar?”

“Ja.”

“Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?”

De Groote Wolf gaf geen antwoord.

“Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; gij hebt dus meerverdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt zal worden.”

“Zegt uw tong dat of uw hart?” vroeg de hoofdman, met een ongeloovig uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.

“Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid mij die belofte te geven?”

“Ja.”

“Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, van dit oogenblik af aan broeders zijn?”

“Ja.”

“Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?”

“Ja.”

“En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?”

“Ja, daar ben ik bereid toe.”

Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikkeverfkorst, die er op zat.

“Dan zullen wij de pijp laten rondgaan,” vervolgde Old Shatterhand. “Ik zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet.”

“Zeg ze, ik zal ze nazeggen.”

Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten er een waarschuwing bij te voegen: “Ik hoop, dat gij het dezen keer eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!”

De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: “Ik ben de Groote Wolf, de hoofdman derYampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn eed. Ik heb gezegd, Howgh!”

Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden.Zelfs de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.

Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en vroeg toen aan Old Shatterhand: “Heeft mijn broeder ons de vrijheid volkomen teruggegeven?”

“Ja, volkomen.”

“Dus mogen wij wegrijden?”

“Ja, waarheen gij wilt.”

“Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren.”

“O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?”

“Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat zouden komen. Wij gaan terug.”

“Door de rotsspleet?”

“Ja. Vaarwel!”

Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.

“En de kerel is toch een schobberd!” zei de oude Blenter. “Als de verf niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!”

Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: “Mijn broeder kan gelijk hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren.”

Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.

Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, dan iets anders.

De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.

Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, en bovendien conserven, meel en zooalmeer, welk een en ander men uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.

Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het bosch verdwenen.

Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze was voor volkomen veiligheid gezorgd.

Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.


Back to IndexNext