DERDE HOOFDSTUK.NACHTELIJKE GEVECHTEN.Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit laatste bestond uit zoogenaamdeclapboards, planken die men ruw uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker vol vleeschnat uit den kokenden ketel.Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der achterbosschen.Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen defarmers(= landbouwers) en detrappers(= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst nabij de beschavingstaat en tot de lieden behoort, die een vaste woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eenecounty(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar een twist aanvangen.Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om “vleesch te maken”. In streken waar overvloed van wild is, valt hun dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden optrekken—zelfs ingewand.Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij warendan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, geschikt om den lachlust gaande te maken.“Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,” zei een oude grijsaard, “dien hadt ge moeten zien! Het was een man, natuurlijk, en toch werd hij door iedereentantegenoemd.”“Was dat misschien Tante Droll?” vroeg er een.“Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens ontmoet?”“Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen.”“Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, de hersens inslaan.”“He, Blenter! gij? Waarom dat?”“Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden zien. Wij zijn den dans ontsprongen?”“Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens.”“Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll.”“Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de klem te komen.”“Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden.”“Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel.”“Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de Roodhuidenal hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?”“Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn leven kosten.”“En is deze plaats dan uw eigendom?”“Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste niets voor betaald.”“Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen verzetten, veroordeelt gij hen.”“Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders.”“Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij eenboy(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven—aan de Roodhuiden of aan de Blanken?”“Dat kaniktoch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken.”“Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!”De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als iemand, die bij zich zelf spreekt: “Doodgeschoten of doodgestoken heb ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen.”Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner de vraag:“Zeg Blenter, wie was die kerel?”De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: “Wie hij was? Het was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen—ik wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig zelf ben: een rafter!”“Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?”“Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven en spitsboeven.”Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: “Deze rivier, waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?”Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: “En met zulke roovers kreeg ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart geweest?”“Ik had de kerels overhoop geschoten,” antwoordde er een. “En daartoe zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund de doodstraf.”“Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel van hen gevergd, geloof ik?”“Neen, allesbehalve?” riepen verscheiden stem men. “En deden zij dat niet?”“O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, dat zij mij uitlachten. Toen ik henden volgenden morgen opzocht, hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen.”“Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,” riep er een. “Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later gewroken heeft.”“Ja, hij heeft hem gewroken,” knikte de oude, meteen opstaande om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: “Wij waren gelukkig op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveldwas, eer ik aan tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten.”“Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel op zijn hoede wezen.”“Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester gemaakt van mijnbrandy(= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een schot viel. Ik was bewusteloos geworden.”“O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!”“Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, dat mijn leven geenpenny(= stuiver) meer waard was. Daarom had hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zijkunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te ontkomen naar het bosch.”“Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn.”“Westman?Pshaw!Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!”“Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!”“Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou.”“Winnetou, de Apache?Good lack!Ja, dàn willen wij het wel gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?”“Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk zijn verschijning alleen reeds maakt.”“Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?”“Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij was derafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden.”“Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is Winnetou niet met u meegegaan?”“Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En nu....behold(= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?”Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend zijn hand omhoog, en zei: “Niet vrees hebben, want wij niet vijanden zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?”“Ja, dien kennen wij,” antwoordde de oude Blenter.“Hij voor u weg, om te halen geld?”“Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder bij ons zijn.”“Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, anders wijd gehoord worden.”Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: “Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen honger hebben.”Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te zeggen: “Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet precies alsof deze plaats aan u toebehoort.”“Wij niets wagen,” luidde het antwoord. “Roode man moet niet zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat ondervinden.”“Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een Pueblo zijt.”“Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon.”“Wat, de Groote Beer,” riepen verscheiden rafters verwonderd, en de Missouriër voegde er bij: “Is die jongen dan de Jonge Beer?”“Juist geraden!” zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.“Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?”“Wij komen, om rafters waarschuwen.”“Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?”“Groot gevaar.”“Welk gevaar dan? Spreek!”“Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken.”Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen wigwam.“Hebt gij paarden bij u?” vroeg de oude Blenter. “En dat in den nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!’“Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden.”“Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden te verweren.’“Missouri-Blenter zich vergissen.”“He, weet gij mijn naam?”“Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs door weinig vijanden.”Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: “Nu Tonkawa spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld.”“Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis hebben.”“Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen.”Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee Tonkawa rondzwervendeChoktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en ander mededeeling te doen.“Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?” vroeg de oude Missouriër.“Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen.”“Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?”“Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is.”“Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht.”“Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk doorrijden om rafters waarschuwen, want...”Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel zachter fluisterend: “Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken.”Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, dien iedere Westman kent—den doodsgil van een mensch. Kort daarop kwam de Tonkawa-hoofdman terug.“Een spion van de tramps,” zei hij. “Tonkawa hem gegeven het mes, van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen misschien beluisteren tramps.”“Dat is waar,” fluisterde de Missouriër. “Ik zal meegaan en gij zult mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht te weten wat zij van plan zijn te doen.”“Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn.”“En wat doen onderwijl de anderen hier?”“In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen.”Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven vanRolling-Prairie(= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert de duisternis van den nacht reeds begonnen was.Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van het bosch bevonden.“Tramps even onvoorzichtig als rafters,” fluisterde de Tonkawa-hoofdman tegen zijn tochtgenoot. “Branden groot vuur, alsof zij braden wilden geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken dan klein vuur. Vlamniet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien.”“Ja, er komen kunnen wij,” zei Blenter. “Maar of wij zoo dicht bij hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog de vraag.”“Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk bosch in.”Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen en weer slaan van hun staarten onderscheiden.Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de tramps zaten.De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte gaan, en vroeg toen zacht: “Wie is nu die kornel, van wien gij ons verteld hebt?”“Kornel niet daar; hij weg!” fluisterde de Indiaan terug.“Misschien óók wel om naar ons te zoeken.”“Ja; bijna niet anders kunnen zijn.”“Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?”“Neen, hij dat niet zijn.”“Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?”“Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel.”“Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; en dien andere zult gij doodgestoken hebben.”“Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen.”De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: “Ik benbenieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren.”“Ze zijn er nog, en dichtbij ook,” antwoordde een ander. “De houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren.”“Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen.”“En dat zullen wij niet krijgen,” merkte een ander op.“Waarom niet?”“Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan.”“Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!”“Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en....”Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: “Ik breng geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad.”“Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?” kwamen de vragen uit aller mond. “Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?”“Bruns?” antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. “Die komt in het geheel niet weerom; die is dood!”“Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood kan geen mensch hem gemaakt hebben.”“Wat zijt gij een snuggere piet!” hernam de kornel, zich tot den laatsten spreker wendende. “Verongelukt is de arme drommel—dat hebt gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat een ander hem in zijn hart heeft gestoken.”Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: “Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn neus bracht ons bij de rafters.”“Zijn neus?” vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor al de anderen.“Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.“Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote en de Jonge Beer van den Dogfish.”De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: “Ik zag dat de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerustover hem te maken, en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu maakte ik mij ijlings uit de voeten.”De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door te zeggen: “Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!’“Waarom dat?” werd er gevraagd.“Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder.”“Maar waarnaar toe?”“Naar Eagle-tail.”“O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij dus in den steek moeten laten.”“Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, en....”Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van verwondering, die de anderen niet begrepen.“Wat is het? Wat scheelt u?” vroeg er een. “Spreek verder!”De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd uit de biezen omhoogstak.“Niet zien laten!” fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen achteruit.Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met groote sluwheid, want hij zei: “Ik herinner mij daar, dat ik bij de paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!”Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en linkerzijdegezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde hij hun toe: “Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus vooruit maar!”Bij deze woorden “vooruit maar!”, die hij zoo luid mogelijk uitsprak, draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: “Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!”Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij achter zich reeds het “vooruit maar!” van den kornel, en omkijkende zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee andere tramps dadelijk volgden.De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de kornel legde hun het zwijgen op. “Stil!” gebood hij; “wij weten niet of er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken.”Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig gauw weggegaan, om hulp te halen.Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: “Kerel! ikken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je vroeger al eens gezien hebben?”De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer onverschillig gezicht te zetten.“Ja, ik moet je ergens gezien hebben,” herhaalde de kornel. “Wie zijt gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?”“Ja,” antwoordde de gevraagde.“Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?”“Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, voor wie men zich in acht dient te nemen.”“Rekent gij ook ons daaronder?”“Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten blijken. Want ik ken u niet.”“Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet dus zeer goed wie en wat wij zijn.”“Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt.”Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:“Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik je. Wilt gij dat bekennen?”“Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet mij voor een ander aan.”“Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?”“Ja.”“En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?”“Ja, geen woord!”“Hoe is uw naam?”“Adams—ik heet Adams,” loog de Missouriër, die alle reden meende te hebben, om zijn waren naam niet te noemen.“Adams,” zei de kornel hem peinzend na. “Adams! ... Ik heb nooit een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet gij hoe ik heet?”“Neen,” verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid.“Maar laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijkeWestmannenzijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten.”“Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen,” lachte de roodbaard. “Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is gedaan met u!”“Wat? Wilt gij mij vermoorden?”“Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden.” En zich tot de zijnen wendende: “Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte.”Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.“Verzuipen dus!” zeide de kornel. “Bindt zijn armen en zijn beenen stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!”Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver weg, in de doodsche stilte van den nacht.“All lightnings!” vloekte de roodbaard. “Laat hem toch niet zoo hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!”Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, want....Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken nauwlettend bekeken had, zeide hij: “De kerels zijn ons ongeveer een Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen.”“Waarom dat?” vroeg Tom.“Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben.”“Is dat niet gevaarlijk voor ons?”“Voor zoover ik weet volstrekt niet.”“Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordthun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen precies in den mond loopen.”“Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?”Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn plat-Duitsch: “Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, dat de boomen er van beginnen te waggelen.”Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: “Wij hebben ruim een mijl afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te voet, en de paarden bij den toom leiden.”Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het viertal hield dus halt.“Wat nu?” vroeg Tom. “Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren.”“Neen,” antwoordde Droll. “Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes door, totdat wij hen vinden.”“Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!”“Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, mijnheer Firehand?”“Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen,” luidde zijn antwoord. “Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij ons gewaarworden.”“En als zij geen vuur hebben?” wierp Tom tegen.“Dan ruiken wij hun paarden,” zeide Droll.“In het bosch ruikt men de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren naar rechts.”Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere bosch slechts zeer langzaam kon gaan.Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: “Dat is rook; die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur.”Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old Firehand greep toe, met beide handen.“Halt!” gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver gehoord te worden. “Wie zijt gij?”“Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia(= ik weet niet, niemand),” antwoordde de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: “Dat is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt.”De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde schielijk in zijn gebroken Engelsch: “ik Nientropan-hawi; gij Old Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?”“Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht in de nabijheid; neem u dus in acht!”“Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand mij vasthouden.”“Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar zijn zij?”“Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden.”“Is de roodharige kornel bij hen?”“Ja, hij daar zijn.”“Waar hebben zij hun paarden?”“Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan vuur komen.”“En waar zijn de rafters?”“Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken.”Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand antwoordde: “Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, dat de houtvlotters onverwijld hier komen.”De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de paarden staan.Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, van den ouden Missouriër.“Zij vermoorden hem!” zeide Old Firehand nog altijd fluisterend. “Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade voor wien zich verweert!”Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn macht, om hun schrik te verhoogen.Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, was er geen volle minuut verloopen.“Hen achterna!” riep Old Firehand. “Ik blijf hier. Laat hen niet aan de paarden komen.”Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder het bosch in.Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, op de terugkomst van hun twee verspieders—den Missouriër en den Tonkawa-hoofdman—gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.“Gauw komen, gauw!” riep hij. “Old Firehand daar zijn, en op de tramps schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!”Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder gehaast. Menig hunner lieptegen een boom, en liep zoodoende een kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.
DERDE HOOFDSTUK.NACHTELIJKE GEVECHTEN.Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit laatste bestond uit zoogenaamdeclapboards, planken die men ruw uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker vol vleeschnat uit den kokenden ketel.Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der achterbosschen.Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen defarmers(= landbouwers) en detrappers(= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst nabij de beschavingstaat en tot de lieden behoort, die een vaste woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eenecounty(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar een twist aanvangen.Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om “vleesch te maken”. In streken waar overvloed van wild is, valt hun dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden optrekken—zelfs ingewand.Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij warendan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, geschikt om den lachlust gaande te maken.“Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,” zei een oude grijsaard, “dien hadt ge moeten zien! Het was een man, natuurlijk, en toch werd hij door iedereentantegenoemd.”“Was dat misschien Tante Droll?” vroeg er een.“Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens ontmoet?”“Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen.”“Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, de hersens inslaan.”“He, Blenter! gij? Waarom dat?”“Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden zien. Wij zijn den dans ontsprongen?”“Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens.”“Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll.”“Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de klem te komen.”“Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden.”“Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel.”“Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de Roodhuidenal hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?”“Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn leven kosten.”“En is deze plaats dan uw eigendom?”“Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste niets voor betaald.”“Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen verzetten, veroordeelt gij hen.”“Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders.”“Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij eenboy(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven—aan de Roodhuiden of aan de Blanken?”“Dat kaniktoch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken.”“Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!”De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als iemand, die bij zich zelf spreekt: “Doodgeschoten of doodgestoken heb ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen.”Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner de vraag:“Zeg Blenter, wie was die kerel?”De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: “Wie hij was? Het was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen—ik wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig zelf ben: een rafter!”“Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?”“Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven en spitsboeven.”Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: “Deze rivier, waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?”Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: “En met zulke roovers kreeg ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart geweest?”“Ik had de kerels overhoop geschoten,” antwoordde er een. “En daartoe zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund de doodstraf.”“Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel van hen gevergd, geloof ik?”“Neen, allesbehalve?” riepen verscheiden stem men. “En deden zij dat niet?”“O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, dat zij mij uitlachten. Toen ik henden volgenden morgen opzocht, hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen.”“Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,” riep er een. “Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later gewroken heeft.”“Ja, hij heeft hem gewroken,” knikte de oude, meteen opstaande om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: “Wij waren gelukkig op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveldwas, eer ik aan tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten.”“Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel op zijn hoede wezen.”“Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester gemaakt van mijnbrandy(= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een schot viel. Ik was bewusteloos geworden.”“O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!”“Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, dat mijn leven geenpenny(= stuiver) meer waard was. Daarom had hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zijkunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te ontkomen naar het bosch.”“Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn.”“Westman?Pshaw!Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!”“Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!”“Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou.”“Winnetou, de Apache?Good lack!Ja, dàn willen wij het wel gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?”“Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk zijn verschijning alleen reeds maakt.”“Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?”“Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij was derafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden.”“Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is Winnetou niet met u meegegaan?”“Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En nu....behold(= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?”Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend zijn hand omhoog, en zei: “Niet vrees hebben, want wij niet vijanden zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?”“Ja, dien kennen wij,” antwoordde de oude Blenter.“Hij voor u weg, om te halen geld?”“Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder bij ons zijn.”“Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, anders wijd gehoord worden.”Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: “Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen honger hebben.”Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te zeggen: “Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet precies alsof deze plaats aan u toebehoort.”“Wij niets wagen,” luidde het antwoord. “Roode man moet niet zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat ondervinden.”“Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een Pueblo zijt.”“Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon.”“Wat, de Groote Beer,” riepen verscheiden rafters verwonderd, en de Missouriër voegde er bij: “Is die jongen dan de Jonge Beer?”“Juist geraden!” zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.“Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?”“Wij komen, om rafters waarschuwen.”“Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?”“Groot gevaar.”“Welk gevaar dan? Spreek!”“Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken.”Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen wigwam.“Hebt gij paarden bij u?” vroeg de oude Blenter. “En dat in den nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!’“Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden.”“Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden te verweren.’“Missouri-Blenter zich vergissen.”“He, weet gij mijn naam?”“Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs door weinig vijanden.”Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: “Nu Tonkawa spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld.”“Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis hebben.”“Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen.”Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee Tonkawa rondzwervendeChoktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en ander mededeeling te doen.“Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?” vroeg de oude Missouriër.“Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen.”“Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?”“Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is.”“Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht.”“Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk doorrijden om rafters waarschuwen, want...”Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel zachter fluisterend: “Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken.”Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, dien iedere Westman kent—den doodsgil van een mensch. Kort daarop kwam de Tonkawa-hoofdman terug.“Een spion van de tramps,” zei hij. “Tonkawa hem gegeven het mes, van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen misschien beluisteren tramps.”“Dat is waar,” fluisterde de Missouriër. “Ik zal meegaan en gij zult mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht te weten wat zij van plan zijn te doen.”“Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn.”“En wat doen onderwijl de anderen hier?”“In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen.”Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven vanRolling-Prairie(= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert de duisternis van den nacht reeds begonnen was.Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van het bosch bevonden.“Tramps even onvoorzichtig als rafters,” fluisterde de Tonkawa-hoofdman tegen zijn tochtgenoot. “Branden groot vuur, alsof zij braden wilden geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken dan klein vuur. Vlamniet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien.”“Ja, er komen kunnen wij,” zei Blenter. “Maar of wij zoo dicht bij hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog de vraag.”“Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk bosch in.”Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen en weer slaan van hun staarten onderscheiden.Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de tramps zaten.De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte gaan, en vroeg toen zacht: “Wie is nu die kornel, van wien gij ons verteld hebt?”“Kornel niet daar; hij weg!” fluisterde de Indiaan terug.“Misschien óók wel om naar ons te zoeken.”“Ja; bijna niet anders kunnen zijn.”“Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?”“Neen, hij dat niet zijn.”“Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?”“Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel.”“Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; en dien andere zult gij doodgestoken hebben.”“Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen.”De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: “Ik benbenieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren.”“Ze zijn er nog, en dichtbij ook,” antwoordde een ander. “De houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren.”“Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen.”“En dat zullen wij niet krijgen,” merkte een ander op.“Waarom niet?”“Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan.”“Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!”“Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en....”Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: “Ik breng geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad.”“Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?” kwamen de vragen uit aller mond. “Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?”“Bruns?” antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. “Die komt in het geheel niet weerom; die is dood!”“Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood kan geen mensch hem gemaakt hebben.”“Wat zijt gij een snuggere piet!” hernam de kornel, zich tot den laatsten spreker wendende. “Verongelukt is de arme drommel—dat hebt gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat een ander hem in zijn hart heeft gestoken.”Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: “Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn neus bracht ons bij de rafters.”“Zijn neus?” vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor al de anderen.“Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.“Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote en de Jonge Beer van den Dogfish.”De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: “Ik zag dat de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerustover hem te maken, en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu maakte ik mij ijlings uit de voeten.”De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door te zeggen: “Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!’“Waarom dat?” werd er gevraagd.“Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder.”“Maar waarnaar toe?”“Naar Eagle-tail.”“O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij dus in den steek moeten laten.”“Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, en....”Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van verwondering, die de anderen niet begrepen.“Wat is het? Wat scheelt u?” vroeg er een. “Spreek verder!”De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd uit de biezen omhoogstak.“Niet zien laten!” fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen achteruit.Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met groote sluwheid, want hij zei: “Ik herinner mij daar, dat ik bij de paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!”Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en linkerzijdegezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde hij hun toe: “Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus vooruit maar!”Bij deze woorden “vooruit maar!”, die hij zoo luid mogelijk uitsprak, draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: “Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!”Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij achter zich reeds het “vooruit maar!” van den kornel, en omkijkende zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee andere tramps dadelijk volgden.De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de kornel legde hun het zwijgen op. “Stil!” gebood hij; “wij weten niet of er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken.”Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig gauw weggegaan, om hulp te halen.Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: “Kerel! ikken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je vroeger al eens gezien hebben?”De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer onverschillig gezicht te zetten.“Ja, ik moet je ergens gezien hebben,” herhaalde de kornel. “Wie zijt gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?”“Ja,” antwoordde de gevraagde.“Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?”“Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, voor wie men zich in acht dient te nemen.”“Rekent gij ook ons daaronder?”“Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten blijken. Want ik ken u niet.”“Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet dus zeer goed wie en wat wij zijn.”“Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt.”Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:“Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik je. Wilt gij dat bekennen?”“Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet mij voor een ander aan.”“Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?”“Ja.”“En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?”“Ja, geen woord!”“Hoe is uw naam?”“Adams—ik heet Adams,” loog de Missouriër, die alle reden meende te hebben, om zijn waren naam niet te noemen.“Adams,” zei de kornel hem peinzend na. “Adams! ... Ik heb nooit een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet gij hoe ik heet?”“Neen,” verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid.“Maar laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijkeWestmannenzijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten.”“Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen,” lachte de roodbaard. “Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is gedaan met u!”“Wat? Wilt gij mij vermoorden?”“Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden.” En zich tot de zijnen wendende: “Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte.”Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.“Verzuipen dus!” zeide de kornel. “Bindt zijn armen en zijn beenen stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!”Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver weg, in de doodsche stilte van den nacht.“All lightnings!” vloekte de roodbaard. “Laat hem toch niet zoo hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!”Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, want....Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken nauwlettend bekeken had, zeide hij: “De kerels zijn ons ongeveer een Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen.”“Waarom dat?” vroeg Tom.“Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben.”“Is dat niet gevaarlijk voor ons?”“Voor zoover ik weet volstrekt niet.”“Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordthun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen precies in den mond loopen.”“Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?”Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn plat-Duitsch: “Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, dat de boomen er van beginnen te waggelen.”Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: “Wij hebben ruim een mijl afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te voet, en de paarden bij den toom leiden.”Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het viertal hield dus halt.“Wat nu?” vroeg Tom. “Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren.”“Neen,” antwoordde Droll. “Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes door, totdat wij hen vinden.”“Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!”“Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, mijnheer Firehand?”“Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen,” luidde zijn antwoord. “Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij ons gewaarworden.”“En als zij geen vuur hebben?” wierp Tom tegen.“Dan ruiken wij hun paarden,” zeide Droll.“In het bosch ruikt men de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren naar rechts.”Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere bosch slechts zeer langzaam kon gaan.Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: “Dat is rook; die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur.”Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old Firehand greep toe, met beide handen.“Halt!” gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver gehoord te worden. “Wie zijt gij?”“Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia(= ik weet niet, niemand),” antwoordde de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: “Dat is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt.”De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde schielijk in zijn gebroken Engelsch: “ik Nientropan-hawi; gij Old Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?”“Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht in de nabijheid; neem u dus in acht!”“Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand mij vasthouden.”“Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar zijn zij?”“Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden.”“Is de roodharige kornel bij hen?”“Ja, hij daar zijn.”“Waar hebben zij hun paarden?”“Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan vuur komen.”“En waar zijn de rafters?”“Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken.”Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand antwoordde: “Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, dat de houtvlotters onverwijld hier komen.”De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de paarden staan.Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, van den ouden Missouriër.“Zij vermoorden hem!” zeide Old Firehand nog altijd fluisterend. “Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade voor wien zich verweert!”Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn macht, om hun schrik te verhoogen.Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, was er geen volle minuut verloopen.“Hen achterna!” riep Old Firehand. “Ik blijf hier. Laat hen niet aan de paarden komen.”Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder het bosch in.Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, op de terugkomst van hun twee verspieders—den Missouriër en den Tonkawa-hoofdman—gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.“Gauw komen, gauw!” riep hij. “Old Firehand daar zijn, en op de tramps schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!”Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder gehaast. Menig hunner lieptegen een boom, en liep zoodoende een kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.
Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit laatste bestond uit zoogenaamdeclapboards, planken die men ruw uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.
Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker vol vleeschnat uit den kokenden ketel.
Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.
Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der achterbosschen.
Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen defarmers(= landbouwers) en detrappers(= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst nabij de beschavingstaat en tot de lieden behoort, die een vaste woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eenecounty(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.
De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.
En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar een twist aanvangen.
Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om “vleesch te maken”. In streken waar overvloed van wild is, valt hun dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden optrekken—zelfs ingewand.
Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij warendan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, geschikt om den lachlust gaande te maken.
“Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,” zei een oude grijsaard, “dien hadt ge moeten zien! Het was een man, natuurlijk, en toch werd hij door iedereentantegenoemd.”
“Was dat misschien Tante Droll?” vroeg er een.
“Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens ontmoet?”
“Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen.”
“Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, de hersens inslaan.”
“He, Blenter! gij? Waarom dat?”
“Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden zien. Wij zijn den dans ontsprongen?”
“Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens.”
“Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll.”
“Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de klem te komen.”
“Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden.”
“Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel.”
“Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de Roodhuidenal hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?”
“Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn leven kosten.”
“En is deze plaats dan uw eigendom?”
“Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste niets voor betaald.”
“Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen verzetten, veroordeelt gij hen.”
“Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders.”
“Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij eenboy(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven—aan de Roodhuiden of aan de Blanken?”
“Dat kaniktoch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken.”
“Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!”
De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als iemand, die bij zich zelf spreekt: “Doodgeschoten of doodgestoken heb ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen.”
Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner de vraag:
“Zeg Blenter, wie was die kerel?”
De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: “Wie hij was? Het was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen—ik wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig zelf ben: een rafter!”
“Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?”
“Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven en spitsboeven.”
Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: “Deze rivier, waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?”
Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: “En met zulke roovers kreeg ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart geweest?”
“Ik had de kerels overhoop geschoten,” antwoordde er een. “En daartoe zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund de doodstraf.”
“Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel van hen gevergd, geloof ik?”
“Neen, allesbehalve?” riepen verscheiden stem men. “En deden zij dat niet?”
“O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, dat zij mij uitlachten. Toen ik henden volgenden morgen opzocht, hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen.”
“Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,” riep er een. “Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later gewroken heeft.”
“Ja, hij heeft hem gewroken,” knikte de oude, meteen opstaande om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: “Wij waren gelukkig op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveldwas, eer ik aan tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten.”
“Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel op zijn hoede wezen.”
“Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester gemaakt van mijnbrandy(= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een schot viel. Ik was bewusteloos geworden.”
“O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!”
“Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, dat mijn leven geenpenny(= stuiver) meer waard was. Daarom had hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zijkunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te ontkomen naar het bosch.”
“Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn.”
“Westman?Pshaw!Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!”
“Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!”
“Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou.”
“Winnetou, de Apache?Good lack!Ja, dàn willen wij het wel gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?”
“Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk zijn verschijning alleen reeds maakt.”
“Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?”
“Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij was derafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden.”
“Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is Winnetou niet met u meegegaan?”
“Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En nu....behold(= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?”
Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend zijn hand omhoog, en zei: “Niet vrees hebben, want wij niet vijanden zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?”
“Ja, dien kennen wij,” antwoordde de oude Blenter.
“Hij voor u weg, om te halen geld?”
“Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder bij ons zijn.”
“Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, anders wijd gehoord worden.”
Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: “Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen honger hebben.”
Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te zeggen: “Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet precies alsof deze plaats aan u toebehoort.”
“Wij niets wagen,” luidde het antwoord. “Roode man moet niet zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat ondervinden.”
“Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een Pueblo zijt.”
“Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon.”
“Wat, de Groote Beer,” riepen verscheiden rafters verwonderd, en de Missouriër voegde er bij: “Is die jongen dan de Jonge Beer?”
“Juist geraden!” zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.
“Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?”
“Wij komen, om rafters waarschuwen.”
“Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?”
“Groot gevaar.”
“Welk gevaar dan? Spreek!”
“Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken.”
Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen wigwam.
“Hebt gij paarden bij u?” vroeg de oude Blenter. “En dat in den nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!’
“Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden.”
“Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden te verweren.’
“Missouri-Blenter zich vergissen.”
“He, weet gij mijn naam?”
“Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs door weinig vijanden.”
Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: “Nu Tonkawa spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld.”
“Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis hebben.”
“Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen.”
Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee Tonkawa rondzwervendeChoktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en ander mededeeling te doen.
“Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?” vroeg de oude Missouriër.
“Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen.”
“Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?”
“Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is.”
“Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht.”
“Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk doorrijden om rafters waarschuwen, want...”
Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel zachter fluisterend: “Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken.”
Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, dien iedere Westman kent—den doodsgil van een mensch. Kort daarop kwam de Tonkawa-hoofdman terug.
“Een spion van de tramps,” zei hij. “Tonkawa hem gegeven het mes, van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen misschien beluisteren tramps.”
“Dat is waar,” fluisterde de Missouriër. “Ik zal meegaan en gij zult mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht te weten wat zij van plan zijn te doen.”
“Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn.”
“En wat doen onderwijl de anderen hier?”
“In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen.”
Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.
De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven vanRolling-Prairie(= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.
Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.
Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert de duisternis van den nacht reeds begonnen was.
Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van het bosch bevonden.
“Tramps even onvoorzichtig als rafters,” fluisterde de Tonkawa-hoofdman tegen zijn tochtgenoot. “Branden groot vuur, alsof zij braden wilden geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken dan klein vuur. Vlamniet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien.”
“Ja, er komen kunnen wij,” zei Blenter. “Maar of wij zoo dicht bij hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog de vraag.”
“Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk bosch in.”
Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen en weer slaan van hun staarten onderscheiden.
Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de tramps zaten.
De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.
Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte gaan, en vroeg toen zacht: “Wie is nu die kornel, van wien gij ons verteld hebt?”
“Kornel niet daar; hij weg!” fluisterde de Indiaan terug.
“Misschien óók wel om naar ons te zoeken.”
“Ja; bijna niet anders kunnen zijn.”
“Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?”
“Neen, hij dat niet zijn.”
“Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?”
“Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel.”
“Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; en dien andere zult gij doodgestoken hebben.”
“Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen.”
De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: “Ik benbenieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren.”
“Ze zijn er nog, en dichtbij ook,” antwoordde een ander. “De houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren.”
“Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen.”
“En dat zullen wij niet krijgen,” merkte een ander op.
“Waarom niet?”
“Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan.”
“Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!”
“Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en....”
Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: “Ik breng geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad.”
“Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?” kwamen de vragen uit aller mond. “Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?”
“Bruns?” antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. “Die komt in het geheel niet weerom; die is dood!”
“Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood kan geen mensch hem gemaakt hebben.”
“Wat zijt gij een snuggere piet!” hernam de kornel, zich tot den laatsten spreker wendende. “Verongelukt is de arme drommel—dat hebt gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat een ander hem in zijn hart heeft gestoken.”
Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: “Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn neus bracht ons bij de rafters.”
“Zijn neus?” vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor al de anderen.
“Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.
“Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote en de Jonge Beer van den Dogfish.”
De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: “Ik zag dat de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerustover hem te maken, en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu maakte ik mij ijlings uit de voeten.”
De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door te zeggen: “Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!’
“Waarom dat?” werd er gevraagd.
“Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder.”
“Maar waarnaar toe?”
“Naar Eagle-tail.”
“O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij dus in den steek moeten laten.”
“Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, en....”
Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van verwondering, die de anderen niet begrepen.
“Wat is het? Wat scheelt u?” vroeg er een. “Spreek verder!”
De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd uit de biezen omhoogstak.
“Niet zien laten!” fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen achteruit.
Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met groote sluwheid, want hij zei: “Ik herinner mij daar, dat ik bij de paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!”
Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en linkerzijdegezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde hij hun toe: “Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus vooruit maar!”
Bij deze woorden “vooruit maar!”, die hij zoo luid mogelijk uitsprak, draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.
De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: “Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!”
Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij achter zich reeds het “vooruit maar!” van den kornel, en omkijkende zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee andere tramps dadelijk volgden.
De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.
Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de kornel legde hun het zwijgen op. “Stil!” gebood hij; “wij weten niet of er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken.”
Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig gauw weggegaan, om hulp te halen.
Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: “Kerel! ikken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je vroeger al eens gezien hebben?”
De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer onverschillig gezicht te zetten.
“Ja, ik moet je ergens gezien hebben,” herhaalde de kornel. “Wie zijt gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?”
“Ja,” antwoordde de gevraagde.
“Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?”
“Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, voor wie men zich in acht dient te nemen.”
“Rekent gij ook ons daaronder?”
“Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten blijken. Want ik ken u niet.”
“Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet dus zeer goed wie en wat wij zijn.”
“Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt.”
Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:
“Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik je. Wilt gij dat bekennen?”
“Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet mij voor een ander aan.”
“Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?”
“Ja.”
“En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?”
“Ja, geen woord!”
“Hoe is uw naam?”
“Adams—ik heet Adams,” loog de Missouriër, die alle reden meende te hebben, om zijn waren naam niet te noemen.
“Adams,” zei de kornel hem peinzend na. “Adams! ... Ik heb nooit een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet gij hoe ik heet?”
“Neen,” verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid.“Maar laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijkeWestmannenzijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten.”
“Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen,” lachte de roodbaard. “Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is gedaan met u!”
“Wat? Wilt gij mij vermoorden?”
“Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden.” En zich tot de zijnen wendende: “Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte.”
Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.
“Verzuipen dus!” zeide de kornel. “Bindt zijn armen en zijn beenen stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!”
Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver weg, in de doodsche stilte van den nacht.
“All lightnings!” vloekte de roodbaard. “Laat hem toch niet zoo hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!”
Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, want....
Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken nauwlettend bekeken had, zeide hij: “De kerels zijn ons ongeveer een Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen.”
“Waarom dat?” vroeg Tom.
“Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben.”
“Is dat niet gevaarlijk voor ons?”
“Voor zoover ik weet volstrekt niet.”
“Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordthun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen precies in den mond loopen.”
“Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?”
Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn plat-Duitsch: “Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, dat de boomen er van beginnen te waggelen.”
Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.
Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: “Wij hebben ruim een mijl afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te voet, en de paarden bij den toom leiden.”
Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het viertal hield dus halt.
“Wat nu?” vroeg Tom. “Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren.”
“Neen,” antwoordde Droll. “Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes door, totdat wij hen vinden.”
“Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!”
“Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, mijnheer Firehand?”
“Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen,” luidde zijn antwoord. “Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij ons gewaarworden.”
“En als zij geen vuur hebben?” wierp Tom tegen.
“Dan ruiken wij hun paarden,” zeide Droll.“In het bosch ruikt men de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren naar rechts.”
Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere bosch slechts zeer langzaam kon gaan.
Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: “Dat is rook; die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur.”
Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old Firehand greep toe, met beide handen.
“Halt!” gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver gehoord te worden. “Wie zijt gij?”
“Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia(= ik weet niet, niemand),” antwoordde de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.
Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: “Dat is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt.”
De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde schielijk in zijn gebroken Engelsch: “ik Nientropan-hawi; gij Old Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?”
“Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht in de nabijheid; neem u dus in acht!”
“Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand mij vasthouden.”
“Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar zijn zij?”
“Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden.”
“Is de roodharige kornel bij hen?”
“Ja, hij daar zijn.”
“Waar hebben zij hun paarden?”
“Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan vuur komen.”
“En waar zijn de rafters?”
“Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken.”
Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand antwoordde: “Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, dat de houtvlotters onverwijld hier komen.”
De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de paarden staan.
Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, van den ouden Missouriër.
“Zij vermoorden hem!” zeide Old Firehand nog altijd fluisterend. “Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade voor wien zich verweert!”
Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.
Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn macht, om hun schrik te verhoogen.
Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, was er geen volle minuut verloopen.
“Hen achterna!” riep Old Firehand. “Ik blijf hier. Laat hen niet aan de paarden komen.”
Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder het bosch in.
Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, op de terugkomst van hun twee verspieders—den Missouriër en den Tonkawa-hoofdman—gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.
“Gauw komen, gauw!” riep hij. “Old Firehand daar zijn, en op de tramps schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!”
Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder gehaast. Menig hunner lieptegen een boom, en liep zoodoende een kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.