VIERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.“Verduiveld!” riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. “Wij dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham’s schoot.”“Ben ook in levensgevaar geweest,” antwoordde de oude; “op het punt geweest om overgekolfd te worden in Abraham’s schoot, namelijk door de kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt nog iets van hen kunnen leeren,boys(= jongens)!”“En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?”“Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt gij u iets kranigers voorstellen?”Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij tegen hen zeide: “Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps te doen kreegt.”“De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik verdien,” antwoordde de Oude Beer bescheiden. “De tramps hebben maken een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?’“Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij.”Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: “Als hij niet gestorven van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen zijn bloed!”“Halt!” riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. “Die kerel behoort niet aan u, hij is mijn!”De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, en vroeg toen: “Gij ook verlangen wraak tegen hem?”“Ja, en welke!”“Bloed?”“Bloed en leven!”“Sedert wanneer?”“Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten doodranselen.”“Gij u niet vergissen?” vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der prairie verplicht was.“Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten.”“Gij hem dus dooden?”“Ja, zonder genade of medelijden.”“Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?”“Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?”“Dan Tonkawa hem doodschieten terstond.”“Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid te betrachten.”“Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?” vroeg de Indiaan, daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: “Nu, dan ooren mijn, en ik die nemen terstond.”Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: “Wat gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?”“Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks spreken,” antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.“En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk laten zien,” voegde Old Firehand er bij. “Wij hebben uw zakken nog niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit.”Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de brieventasch van den kornel.Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.“Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!” lachte Old Firehand. “Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt.”De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.“Ziezoo!” zei hij. “Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden.”“Nu?” vroeg Old Firehand. “Wilt gij niet met mij rijden, niet althans nog dezen nacht bij ons blijven?”“Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!”Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.“Waar hebben zij hun paarden?” vroeg Old Firehand.“Hooger op, bij ons blokhuis,” antwoordde de Missouriër. “Natuurlijk gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel.”“Maak u daarover volstrekt niet ongerust,” zei de jager. “Zij kennen den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?”“De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te duchten hebben.”“O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, eenige wachten uitzetten.”De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner drie metgezellen halen, en toen kon het “Savannen-gerecht” beginnen.Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild gevoerd haddenwerden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt.Vannachtzouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: “Hij is het, hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!”Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: “Vergist gij u niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn.”“O ja, hij is het, hij is het stellig!” hield de jongeling vol. “Zie maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu alle hoop kan opgeven.”“Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot herkend hebben.”“Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen.”“Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is.”De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: “Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders.”“Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden.”“Dat wel niet,” mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; “maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode pruik opzetten.”“Och kom? zou dat hier....?” vroeg Droll, zonder zijn volzin te voltooien.“Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik.”“Onmogelijk!” zei Droll. “Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het hoofd afgetrokken zijn!”“Pshaw!Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen.”De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen hij onverschillig. Al zijn aandachtwas op de woorden van de beide sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar hield vast; het was werkelijk eigen haar.“All devils, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!” riep hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de toestand zoo hoog ernstig geweest.Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: “Nu, leugenaar en lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!”De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en zei radeloos tegen laatstgenoemde: “Zeg mij nu toch, sir! wat gij daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen kunnen mij onmogelijk bedriegen.”“En toch zoudt gij u kunnen vergissen,” antwoordde de jager. “Naar het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht.”“Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen.”“Doe ze dan beter open!” snauwde de kornel hoonend. “De duivel mag mij halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!”“Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!”“Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongenboyniet, en....”Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk herstellende, vervolgde hij: “....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel.”Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, die niemand bevreemden kon, daarhet door het gaan-opzitten van den roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man nu—dat zoogenaamde lijk—was volstrekt niet dood; hij was niet eens gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel bevond, ensleeptehem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: “Waarikiets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!”“Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen verven?!”“O, dat is zoo onmogelijk niet,” gaf de jager op veelbeteekenenden toon ten bescheid.“Misschien metruddle(= roodsteen)?” vroeg de kornel met een half spottenden lach. “Dat zou immers erg afgeven!”“Lach maar zoo hard als gij wilt,” hernam Old Firehand ernstig; “langzult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen draaien, mij evenwel niet!”Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: “Zoodra men u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen.”Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, en vroeg hem: “Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die bij u?”Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die zeker is van zijn zaak: “Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?”Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: “Ja, ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet zulk een klein ding:een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (Celtis occidentalis L.). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?”“Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen woord heb verstaan, veel minder begrepen,” antwoordde de kornel allesbehalve gepolijst. “Ik zou wel eens iemand willen zien, met een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben.”“Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken.”“Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten,” merkte Fred aan. “Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met het mes in de kuiten,aan de eene zijde er in en aan de andere zijde er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens nog te zien zijn.”Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: “Well, beste boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den persoon vergist.” Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En meteen sprong de kornel overeind.“Good bye, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken,” riep hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte over op het geboomte aan.Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle vergelijking onmogelijk was.Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het werk van een paar seconden.“Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!” riep hij, en wendde zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen zou hebben.De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen “nachtjapon” aangehadhad, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers achternazette.“Staan blijven, Droll!” riep hij dezen daarbij toe.Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de duisternis, die onder het geboomte heerschte.“Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!” schreeuwde Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog slechts vier passen van hem af.“Moet hem hebben, moet hem hebben!” antwoordde hijgend de in een staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.“He, komt gij alleen terug?” riep de oude Missouriër reeds van verre Old Firehand toe.“Dat ziet gij,” antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.“Was hij dan niet te pakken te krijgen?”“Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp.”“Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is.”“Nu, oude Blenter! ik geloof niet datgijde man zijt, die het recht heeft om het hardst daarover te klagen.”“Hoe zoo dat?”“Wel omdat het eigenlijk gezegduwschuld is.”“Mijnschuld?” vroeg de oude verwonderd. “Dat vat ik niet. Gij moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom gij dat aan mij wijt?”“O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend geworden is?”“Dat hebik, natuurlijk.”“En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?”“Ook dat hebik.”“Maar zijn mes hebt gij hem laten houden.”“Hij had in het geheel geen mes.”“O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen losgesneden,waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar hem tevens het mes gegeven.”“Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?” vroeg Blenter verlegen.“Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers.”Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als waanzinnig uit: “Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, dat hij degene was, waarvoor ik hem hield.”“Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene niet hier tegenwoordig is.”Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den terugtocht aangenomen.Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: “Maar hebt gij dan niet gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te blijven staan?”“Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord,” was het antwoord.“En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?”“Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten.”“En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?”“Wat had ik dan moeten doen? Had hijmijmisschien moeten naloopen?”“Neen, dat niet,” hernam Old Firehand lachende. “Maar om iemand in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, worden de voetstappen van anderen onhoorbaar—begrepen?”“Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven staan?”“Juist.”“Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!”“Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij te laten loopen.”“Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom moeten zijn om langer alleen te loopen.”“En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een heksenmeester, dat weet ik reeds.”“Dat wil ik gelooven,” antwoordde Droll, door die lofspraak gestreeld. “Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?”“Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij hem inhalen.”Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude Missouriër verklaarde: “Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas sedert kort aan het werk.”“Dat doet mij plezier,” zei Old Firehand. “Ik heb onderweg reeds besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, wel zult aannemen.”“En wat is dat?”“Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis.”“Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?”“Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te gaan nemen.”“Zounds!Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij wegkomen.”“Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit het vuur meenemen.”De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen,liep hij met zijn handen vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.“Nu hebben wij er ten minste reeds een,” zei een dier mannen, “en die zal boeten voor al de anderen.”De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: “Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!”Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: “Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden.”“Dat hadden ze ook,” hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind kwam; “maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd.”“Wij hielden u voor een rafter.”“Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven.”“Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeftmijhier gebracht. Ik zou graag dit blokhuis in brand steken—dan zijn zij hun logies kwijt.”“Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, of daar niets van onze gading te vinden is.”“Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden.”“Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben ze niet uitgeplunderd.”“Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?”“Ja, alles!”“En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen vallen?”“Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, toen u overslag kwam.”“Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, om weer naar hier te komen.”“Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat wij weg waren?”“Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben.”Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van den wind door de toppen der boomen.“Zij komen nog niet,” zei Woodward. “Wat nu?”“Maken dat wij wegkomen, natuurlijk,” antwoordde de kornel.“Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend.”“Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten.”“Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water.”“Welnu, dan zullen wij varen!”“Waarmee? Waarin?”“In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats.”“Waar dat is weten wij niet.”“Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen.”Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in de verte het geschreeuw van drie stemmen—dat waren die van den ouden Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren naar het blokhuis.“Zij zijn op de komst,” zei de kornel. “Laat ons maar gauw maken, dat wij een boot vinden.”Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano’s, ieder met plaats voor vier personen.“Hangt de twee andere achteraan,” gebood de roodbaard. “Wij moeten die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die kapot slaan.”Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.“Dat’s verkeerd!” zei de aanvoerder tegen hem. “Wij moeten voor stroom af.”“Maar wij moeten immers verder Kansas in,” antwoordde de man, “naar de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps).”“Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, om hem van ons spoor af te brengen.”“Dan maken wij een ijselijken omweg!”“Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het spoor te komen.”De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis bereikten.Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. “Het is juist zooals ik gedacht heb,” zeide hij; “ik begreep, dat de kornel zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden.”“Hoe dat?” vroeg de Missouriër.“Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is.”De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.“Eer ik begin messieurs!” sprak de jager, “moet ik u verzoeken mij uwwoord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, op wier woord ik mij verlaten kan.”Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: “Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, dat men het Zilvermeer noemt?”“Ik wel,” antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. “Ieder onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze gentlemen opmaken mag.”“Well!Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen.”“Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!” riep de oude Missouriër, geheel in verrukking gebracht. “Dat Old Firehand goed en eerlijk betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: ik moet eerst den kornel hebben.”“En ik ook,” zei Droll, “ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen.”Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, terwijl hij antwoordde: “Ik hoor daar van u beiden een verlangen, dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleenuit een gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?”De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen en den kornel verraden had.“Nu,” richtte Old Firehand het woord tot hem, “gij ziet, dat ik niet ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet ge eigenlijk?”“Ik heet Nolley, sir!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met tranen in de oogen de hand gaf. “Ik wil u niet lastig vallen met mijn levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen.”“En die zijn?”“Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden worden door de visschen.”“Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?”“Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, die binnenkort gehouden zal worden.”“Heigh-day(= Ei ei)!” riep Droll nu. “Dan ben ik toch zoo kwaad niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?”“Ja,” antwoordde Nolley. “Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk achter Harper, en de naam is Osage-nook.”“He! Diennook(= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?”“Ja,” knikte de oude. “Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir Firehand kunnen blijven.”“Wel,” hernam de jager, “ik zie volstrekt niet in, waarom wij van elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?”“O ja,” antwoordde de bekeerde tramp. “Na afloop van de meeting wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn.”“Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail.”“En mocht hij ook daar ontsnappen,” hernam Nolley, “dan kunt gij hem later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer.”Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: “Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?”“Daar wil hij een schat gaan halen.”“Een schat? Zal die daar te vinden zijn?”“Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige plattegrond-teekening waar men die zoeken moet.”“Hebt gij die teekening gezien?”“Neen, die wil hij aan niemand laten zien.”“Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een teekening geleek.”“Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar begraven heeft.”Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller zweeg, riep Fred: “Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft aan mijn vader toebehoord!”Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, door te zeggen: “Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta.”“Ik ook!” verklaarde de oude Missouriër op een toon vol geestdrift. “Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch allen ook mee, kameraden?”“Ja, ja, natuurlijk ja,” klonk het uit den mond van al de rafters.“Well!”zei Old Firehand, “dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!”

VIERDE HOOFDSTUK.AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.“Verduiveld!” riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. “Wij dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham’s schoot.”“Ben ook in levensgevaar geweest,” antwoordde de oude; “op het punt geweest om overgekolfd te worden in Abraham’s schoot, namelijk door de kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt nog iets van hen kunnen leeren,boys(= jongens)!”“En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?”“Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt gij u iets kranigers voorstellen?”Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij tegen hen zeide: “Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps te doen kreegt.”“De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik verdien,” antwoordde de Oude Beer bescheiden. “De tramps hebben maken een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?’“Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij.”Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: “Als hij niet gestorven van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen zijn bloed!”“Halt!” riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. “Die kerel behoort niet aan u, hij is mijn!”De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, en vroeg toen: “Gij ook verlangen wraak tegen hem?”“Ja, en welke!”“Bloed?”“Bloed en leven!”“Sedert wanneer?”“Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten doodranselen.”“Gij u niet vergissen?” vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der prairie verplicht was.“Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten.”“Gij hem dus dooden?”“Ja, zonder genade of medelijden.”“Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?”“Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?”“Dan Tonkawa hem doodschieten terstond.”“Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid te betrachten.”“Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?” vroeg de Indiaan, daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: “Nu, dan ooren mijn, en ik die nemen terstond.”Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: “Wat gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?”“Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks spreken,” antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.“En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk laten zien,” voegde Old Firehand er bij. “Wij hebben uw zakken nog niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit.”Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de brieventasch van den kornel.Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.“Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!” lachte Old Firehand. “Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt.”De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.“Ziezoo!” zei hij. “Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden.”“Nu?” vroeg Old Firehand. “Wilt gij niet met mij rijden, niet althans nog dezen nacht bij ons blijven?”“Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!”Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.“Waar hebben zij hun paarden?” vroeg Old Firehand.“Hooger op, bij ons blokhuis,” antwoordde de Missouriër. “Natuurlijk gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel.”“Maak u daarover volstrekt niet ongerust,” zei de jager. “Zij kennen den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?”“De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te duchten hebben.”“O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, eenige wachten uitzetten.”De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner drie metgezellen halen, en toen kon het “Savannen-gerecht” beginnen.Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild gevoerd haddenwerden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt.Vannachtzouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: “Hij is het, hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!”Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: “Vergist gij u niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn.”“O ja, hij is het, hij is het stellig!” hield de jongeling vol. “Zie maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu alle hoop kan opgeven.”“Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot herkend hebben.”“Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen.”“Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is.”De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: “Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders.”“Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden.”“Dat wel niet,” mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; “maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode pruik opzetten.”“Och kom? zou dat hier....?” vroeg Droll, zonder zijn volzin te voltooien.“Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik.”“Onmogelijk!” zei Droll. “Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het hoofd afgetrokken zijn!”“Pshaw!Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen.”De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen hij onverschillig. Al zijn aandachtwas op de woorden van de beide sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar hield vast; het was werkelijk eigen haar.“All devils, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!” riep hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de toestand zoo hoog ernstig geweest.Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: “Nu, leugenaar en lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!”De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en zei radeloos tegen laatstgenoemde: “Zeg mij nu toch, sir! wat gij daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen kunnen mij onmogelijk bedriegen.”“En toch zoudt gij u kunnen vergissen,” antwoordde de jager. “Naar het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht.”“Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen.”“Doe ze dan beter open!” snauwde de kornel hoonend. “De duivel mag mij halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!”“Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!”“Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongenboyniet, en....”Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk herstellende, vervolgde hij: “....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel.”Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, die niemand bevreemden kon, daarhet door het gaan-opzitten van den roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man nu—dat zoogenaamde lijk—was volstrekt niet dood; hij was niet eens gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel bevond, ensleeptehem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: “Waarikiets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!”“Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen verven?!”“O, dat is zoo onmogelijk niet,” gaf de jager op veelbeteekenenden toon ten bescheid.“Misschien metruddle(= roodsteen)?” vroeg de kornel met een half spottenden lach. “Dat zou immers erg afgeven!”“Lach maar zoo hard als gij wilt,” hernam Old Firehand ernstig; “langzult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen draaien, mij evenwel niet!”Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: “Zoodra men u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen.”Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, en vroeg hem: “Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die bij u?”Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die zeker is van zijn zaak: “Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?”Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: “Ja, ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet zulk een klein ding:een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (Celtis occidentalis L.). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?”“Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen woord heb verstaan, veel minder begrepen,” antwoordde de kornel allesbehalve gepolijst. “Ik zou wel eens iemand willen zien, met een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben.”“Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken.”“Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten,” merkte Fred aan. “Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met het mes in de kuiten,aan de eene zijde er in en aan de andere zijde er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens nog te zien zijn.”Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: “Well, beste boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den persoon vergist.” Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En meteen sprong de kornel overeind.“Good bye, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken,” riep hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte over op het geboomte aan.Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle vergelijking onmogelijk was.Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het werk van een paar seconden.“Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!” riep hij, en wendde zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen zou hebben.De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen “nachtjapon” aangehadhad, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers achternazette.“Staan blijven, Droll!” riep hij dezen daarbij toe.Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de duisternis, die onder het geboomte heerschte.“Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!” schreeuwde Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog slechts vier passen van hem af.“Moet hem hebben, moet hem hebben!” antwoordde hijgend de in een staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.“He, komt gij alleen terug?” riep de oude Missouriër reeds van verre Old Firehand toe.“Dat ziet gij,” antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.“Was hij dan niet te pakken te krijgen?”“Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp.”“Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is.”“Nu, oude Blenter! ik geloof niet datgijde man zijt, die het recht heeft om het hardst daarover te klagen.”“Hoe zoo dat?”“Wel omdat het eigenlijk gezegduwschuld is.”“Mijnschuld?” vroeg de oude verwonderd. “Dat vat ik niet. Gij moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom gij dat aan mij wijt?”“O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend geworden is?”“Dat hebik, natuurlijk.”“En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?”“Ook dat hebik.”“Maar zijn mes hebt gij hem laten houden.”“Hij had in het geheel geen mes.”“O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen losgesneden,waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar hem tevens het mes gegeven.”“Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?” vroeg Blenter verlegen.“Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers.”Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als waanzinnig uit: “Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, dat hij degene was, waarvoor ik hem hield.”“Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene niet hier tegenwoordig is.”Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den terugtocht aangenomen.Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: “Maar hebt gij dan niet gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te blijven staan?”“Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord,” was het antwoord.“En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?”“Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten.”“En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?”“Wat had ik dan moeten doen? Had hijmijmisschien moeten naloopen?”“Neen, dat niet,” hernam Old Firehand lachende. “Maar om iemand in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, worden de voetstappen van anderen onhoorbaar—begrepen?”“Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven staan?”“Juist.”“Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!”“Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij te laten loopen.”“Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom moeten zijn om langer alleen te loopen.”“En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een heksenmeester, dat weet ik reeds.”“Dat wil ik gelooven,” antwoordde Droll, door die lofspraak gestreeld. “Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?”“Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij hem inhalen.”Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude Missouriër verklaarde: “Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas sedert kort aan het werk.”“Dat doet mij plezier,” zei Old Firehand. “Ik heb onderweg reeds besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, wel zult aannemen.”“En wat is dat?”“Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis.”“Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?”“Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te gaan nemen.”“Zounds!Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij wegkomen.”“Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit het vuur meenemen.”De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen,liep hij met zijn handen vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.“Nu hebben wij er ten minste reeds een,” zei een dier mannen, “en die zal boeten voor al de anderen.”De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: “Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!”Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: “Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden.”“Dat hadden ze ook,” hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind kwam; “maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd.”“Wij hielden u voor een rafter.”“Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven.”“Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeftmijhier gebracht. Ik zou graag dit blokhuis in brand steken—dan zijn zij hun logies kwijt.”“Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, of daar niets van onze gading te vinden is.”“Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden.”“Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben ze niet uitgeplunderd.”“Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?”“Ja, alles!”“En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen vallen?”“Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, toen u overslag kwam.”“Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, om weer naar hier te komen.”“Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat wij weg waren?”“Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben.”Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van den wind door de toppen der boomen.“Zij komen nog niet,” zei Woodward. “Wat nu?”“Maken dat wij wegkomen, natuurlijk,” antwoordde de kornel.“Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend.”“Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten.”“Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water.”“Welnu, dan zullen wij varen!”“Waarmee? Waarin?”“In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats.”“Waar dat is weten wij niet.”“Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen.”Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in de verte het geschreeuw van drie stemmen—dat waren die van den ouden Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren naar het blokhuis.“Zij zijn op de komst,” zei de kornel. “Laat ons maar gauw maken, dat wij een boot vinden.”Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano’s, ieder met plaats voor vier personen.“Hangt de twee andere achteraan,” gebood de roodbaard. “Wij moeten die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die kapot slaan.”Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.“Dat’s verkeerd!” zei de aanvoerder tegen hem. “Wij moeten voor stroom af.”“Maar wij moeten immers verder Kansas in,” antwoordde de man, “naar de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps).”“Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, om hem van ons spoor af te brengen.”“Dan maken wij een ijselijken omweg!”“Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het spoor te komen.”De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis bereikten.Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. “Het is juist zooals ik gedacht heb,” zeide hij; “ik begreep, dat de kornel zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden.”“Hoe dat?” vroeg de Missouriër.“Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is.”De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.“Eer ik begin messieurs!” sprak de jager, “moet ik u verzoeken mij uwwoord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, op wier woord ik mij verlaten kan.”Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: “Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, dat men het Zilvermeer noemt?”“Ik wel,” antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. “Ieder onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze gentlemen opmaken mag.”“Well!Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen.”“Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!” riep de oude Missouriër, geheel in verrukking gebracht. “Dat Old Firehand goed en eerlijk betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: ik moet eerst den kornel hebben.”“En ik ook,” zei Droll, “ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen.”Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, terwijl hij antwoordde: “Ik hoor daar van u beiden een verlangen, dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleenuit een gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?”De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen en den kornel verraden had.“Nu,” richtte Old Firehand het woord tot hem, “gij ziet, dat ik niet ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet ge eigenlijk?”“Ik heet Nolley, sir!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met tranen in de oogen de hand gaf. “Ik wil u niet lastig vallen met mijn levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen.”“En die zijn?”“Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden worden door de visschen.”“Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?”“Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, die binnenkort gehouden zal worden.”“Heigh-day(= Ei ei)!” riep Droll nu. “Dan ben ik toch zoo kwaad niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?”“Ja,” antwoordde Nolley. “Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk achter Harper, en de naam is Osage-nook.”“He! Diennook(= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?”“Ja,” knikte de oude. “Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir Firehand kunnen blijven.”“Wel,” hernam de jager, “ik zie volstrekt niet in, waarom wij van elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?”“O ja,” antwoordde de bekeerde tramp. “Na afloop van de meeting wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn.”“Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail.”“En mocht hij ook daar ontsnappen,” hernam Nolley, “dan kunt gij hem later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer.”Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: “Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?”“Daar wil hij een schat gaan halen.”“Een schat? Zal die daar te vinden zijn?”“Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige plattegrond-teekening waar men die zoeken moet.”“Hebt gij die teekening gezien?”“Neen, die wil hij aan niemand laten zien.”“Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een teekening geleek.”“Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar begraven heeft.”Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller zweeg, riep Fred: “Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft aan mijn vader toebehoord!”Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, door te zeggen: “Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta.”“Ik ook!” verklaarde de oude Missouriër op een toon vol geestdrift. “Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch allen ook mee, kameraden?”“Ja, ja, natuurlijk ja,” klonk het uit den mond van al de rafters.“Well!”zei Old Firehand, “dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!”

Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.

“Verduiveld!” riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. “Wij dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham’s schoot.”

“Ben ook in levensgevaar geweest,” antwoordde de oude; “op het punt geweest om overgekolfd te worden in Abraham’s schoot, namelijk door de kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt nog iets van hen kunnen leeren,boys(= jongens)!”

“En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?”

“Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt gij u iets kranigers voorstellen?”

Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij tegen hen zeide: “Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps te doen kreegt.”

“De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik verdien,” antwoordde de Oude Beer bescheiden. “De tramps hebben maken een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?’

“Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij.”

Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: “Als hij niet gestorven van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen zijn bloed!”

“Halt!” riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. “Die kerel behoort niet aan u, hij is mijn!”

De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, en vroeg toen: “Gij ook verlangen wraak tegen hem?”

“Ja, en welke!”

“Bloed?”

“Bloed en leven!”

“Sedert wanneer?”

“Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten doodranselen.”

“Gij u niet vergissen?” vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der prairie verplicht was.

“Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten.”

“Gij hem dus dooden?”

“Ja, zonder genade of medelijden.”

“Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?”

“Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?”

“Dan Tonkawa hem doodschieten terstond.”

“Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid te betrachten.”

“Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?” vroeg de Indiaan, daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: “Nu, dan ooren mijn, en ik die nemen terstond.”

Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: “Wat gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?”

“Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks spreken,” antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.

“En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk laten zien,” voegde Old Firehand er bij. “Wij hebben uw zakken nog niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit.”

Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de brieventasch van den kornel.

Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.

“Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!” lachte Old Firehand. “Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt.”

De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.

“Ziezoo!” zei hij. “Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden.”

“Nu?” vroeg Old Firehand. “Wilt gij niet met mij rijden, niet althans nog dezen nacht bij ons blijven?”

“Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!”

Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.

“Waar hebben zij hun paarden?” vroeg Old Firehand.

“Hooger op, bij ons blokhuis,” antwoordde de Missouriër. “Natuurlijk gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel.”

“Maak u daarover volstrekt niet ongerust,” zei de jager. “Zij kennen den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?”

“De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te duchten hebben.”

“O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, eenige wachten uitzetten.”

De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner drie metgezellen halen, en toen kon het “Savannen-gerecht” beginnen.

Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild gevoerd haddenwerden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt.Vannachtzouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.

Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: “Hij is het, hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!”

Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: “Vergist gij u niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn.”

“O ja, hij is het, hij is het stellig!” hield de jongeling vol. “Zie maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu alle hoop kan opgeven.”

“Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot herkend hebben.”

“Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen.”

“Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is.”

De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: “Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders.”

“Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden.”

“Dat wel niet,” mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; “maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode pruik opzetten.”

“Och kom? zou dat hier....?” vroeg Droll, zonder zijn volzin te voltooien.

“Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik.”

“Onmogelijk!” zei Droll. “Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het hoofd afgetrokken zijn!”

“Pshaw!Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen.”

De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen hij onverschillig. Al zijn aandachtwas op de woorden van de beide sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar hield vast; het was werkelijk eigen haar.

“All devils, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!” riep hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de toestand zoo hoog ernstig geweest.

Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: “Nu, leugenaar en lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!”

De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en zei radeloos tegen laatstgenoemde: “Zeg mij nu toch, sir! wat gij daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen kunnen mij onmogelijk bedriegen.”

“En toch zoudt gij u kunnen vergissen,” antwoordde de jager. “Naar het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht.”

“Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen.”

“Doe ze dan beter open!” snauwde de kornel hoonend. “De duivel mag mij halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!”

“Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!”

“Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongenboyniet, en....”

Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk herstellende, vervolgde hij: “....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel.”

Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, die niemand bevreemden kon, daarhet door het gaan-opzitten van den roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man nu—dat zoogenaamde lijk—was volstrekt niet dood; hij was niet eens gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel bevond, ensleeptehem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.

Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: “Waarikiets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!”

“Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen verven?!”

“O, dat is zoo onmogelijk niet,” gaf de jager op veelbeteekenenden toon ten bescheid.

“Misschien metruddle(= roodsteen)?” vroeg de kornel met een half spottenden lach. “Dat zou immers erg afgeven!”

“Lach maar zoo hard als gij wilt,” hernam Old Firehand ernstig; “langzult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen draaien, mij evenwel niet!”

Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: “Zoodra men u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen.”

Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, en vroeg hem: “Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die bij u?”

Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die zeker is van zijn zaak: “Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?”

Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: “Ja, ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet zulk een klein ding:een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (Celtis occidentalis L.). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?”

“Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen woord heb verstaan, veel minder begrepen,” antwoordde de kornel allesbehalve gepolijst. “Ik zou wel eens iemand willen zien, met een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben.”

“Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken.”

“Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten,” merkte Fred aan. “Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met het mes in de kuiten,aan de eene zijde er in en aan de andere zijde er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens nog te zien zijn.”

Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: “Well, beste boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den persoon vergist.” Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En meteen sprong de kornel overeind.

“Good bye, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken,” riep hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte over op het geboomte aan.

Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle vergelijking onmogelijk was.

Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het werk van een paar seconden.

“Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!” riep hij, en wendde zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.

Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen zou hebben.

De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen “nachtjapon” aangehadhad, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers achternazette.

“Staan blijven, Droll!” riep hij dezen daarbij toe.

Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de duisternis, die onder het geboomte heerschte.

“Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!” schreeuwde Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog slechts vier passen van hem af.

“Moet hem hebben, moet hem hebben!” antwoordde hijgend de in een staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.

Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.

“He, komt gij alleen terug?” riep de oude Missouriër reeds van verre Old Firehand toe.

“Dat ziet gij,” antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.

“Was hij dan niet te pakken te krijgen?”

“Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp.”

“Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is.”

“Nu, oude Blenter! ik geloof niet datgijde man zijt, die het recht heeft om het hardst daarover te klagen.”

“Hoe zoo dat?”

“Wel omdat het eigenlijk gezegduwschuld is.”

“Mijnschuld?” vroeg de oude verwonderd. “Dat vat ik niet. Gij moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom gij dat aan mij wijt?”

“O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend geworden is?”

“Dat hebik, natuurlijk.”

“En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?”

“Ook dat hebik.”

“Maar zijn mes hebt gij hem laten houden.”

“Hij had in het geheel geen mes.”

“O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen losgesneden,waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar hem tevens het mes gegeven.”

“Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?” vroeg Blenter verlegen.

“Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers.”

Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als waanzinnig uit: “Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, dat hij degene was, waarvoor ik hem hield.”

“Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene niet hier tegenwoordig is.”

Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den terugtocht aangenomen.

Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: “Maar hebt gij dan niet gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te blijven staan?”

“Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord,” was het antwoord.

“En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?”

“Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten.”

“En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?”

“Wat had ik dan moeten doen? Had hijmijmisschien moeten naloopen?”

“Neen, dat niet,” hernam Old Firehand lachende. “Maar om iemand in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, worden de voetstappen van anderen onhoorbaar—begrepen?”

“Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven staan?”

“Juist.”

“Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!”

“Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij te laten loopen.”

“Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom moeten zijn om langer alleen te loopen.”

“En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een heksenmeester, dat weet ik reeds.”

“Dat wil ik gelooven,” antwoordde Droll, door die lofspraak gestreeld. “Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?”

“Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij hem inhalen.”

Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude Missouriër verklaarde: “Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas sedert kort aan het werk.”

“Dat doet mij plezier,” zei Old Firehand. “Ik heb onderweg reeds besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, wel zult aannemen.”

“En wat is dat?”

“Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis.”

“Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?”

“Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te gaan nemen.”

“Zounds!Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij wegkomen.”

“Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit het vuur meenemen.”

De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen,liep hij met zijn handen vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.

Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.

“Nu hebben wij er ten minste reeds een,” zei een dier mannen, “en die zal boeten voor al de anderen.”

De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: “Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!”

Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: “Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden.”

“Dat hadden ze ook,” hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind kwam; “maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd.”

“Wij hielden u voor een rafter.”

“Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven.”

“Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeftmijhier gebracht. Ik zou graag dit blokhuis in brand steken—dan zijn zij hun logies kwijt.”

“Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, of daar niets van onze gading te vinden is.”

“Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden.”

“Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben ze niet uitgeplunderd.”

“Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?”

“Ja, alles!”

“En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen vallen?”

“Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, toen u overslag kwam.”

“Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, om weer naar hier te komen.”

“Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat wij weg waren?”

“Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben.”

Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.

Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van den wind door de toppen der boomen.

“Zij komen nog niet,” zei Woodward. “Wat nu?”

“Maken dat wij wegkomen, natuurlijk,” antwoordde de kornel.

“Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend.”

“Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten.”

“Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water.”

“Welnu, dan zullen wij varen!”

“Waarmee? Waarin?”

“In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats.”

“Waar dat is weten wij niet.”

“Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen.”

Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.

Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in de verte het geschreeuw van drie stemmen—dat waren die van den ouden Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren naar het blokhuis.

“Zij zijn op de komst,” zei de kornel. “Laat ons maar gauw maken, dat wij een boot vinden.”

Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano’s, ieder met plaats voor vier personen.

“Hangt de twee andere achteraan,” gebood de roodbaard. “Wij moeten die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die kapot slaan.”

Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.

“Dat’s verkeerd!” zei de aanvoerder tegen hem. “Wij moeten voor stroom af.”

“Maar wij moeten immers verder Kansas in,” antwoordde de man, “naar de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps).”

“Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, om hem van ons spoor af te brengen.”

“Dan maken wij een ijselijken omweg!”

“Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het spoor te komen.”

De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis bereikten.

Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. “Het is juist zooals ik gedacht heb,” zeide hij; “ik begreep, dat de kornel zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden.”

“Hoe dat?” vroeg de Missouriër.

“Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is.”

De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.

“Eer ik begin messieurs!” sprak de jager, “moet ik u verzoeken mij uwwoord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, op wier woord ik mij verlaten kan.”

Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: “Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, dat men het Zilvermeer noemt?”

“Ik wel,” antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. “Ieder onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze gentlemen opmaken mag.”

“Well!Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen.”

“Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!” riep de oude Missouriër, geheel in verrukking gebracht. “Dat Old Firehand goed en eerlijk betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: ik moet eerst den kornel hebben.”

“En ik ook,” zei Droll, “ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen.”

Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, terwijl hij antwoordde: “Ik hoor daar van u beiden een verlangen, dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleenuit een gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?”

De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen en den kornel verraden had.

“Nu,” richtte Old Firehand het woord tot hem, “gij ziet, dat ik niet ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet ge eigenlijk?”

“Ik heet Nolley, sir!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met tranen in de oogen de hand gaf. “Ik wil u niet lastig vallen met mijn levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen.”

“En die zijn?”

“Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden worden door de visschen.”

“Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?”

“Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, die binnenkort gehouden zal worden.”

“Heigh-day(= Ei ei)!” riep Droll nu. “Dan ben ik toch zoo kwaad niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?”

“Ja,” antwoordde Nolley. “Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk achter Harper, en de naam is Osage-nook.”

“He! Diennook(= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?”

“Ja,” knikte de oude. “Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir Firehand kunnen blijven.”

“Wel,” hernam de jager, “ik zie volstrekt niet in, waarom wij van elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?”

“O ja,” antwoordde de bekeerde tramp. “Na afloop van de meeting wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn.”

“Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail.”

“En mocht hij ook daar ontsnappen,” hernam Nolley, “dan kunt gij hem later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer.”

Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: “Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?”

“Daar wil hij een schat gaan halen.”

“Een schat? Zal die daar te vinden zijn?”

“Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige plattegrond-teekening waar men die zoeken moet.”

“Hebt gij die teekening gezien?”

“Neen, die wil hij aan niemand laten zien.”

“Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een teekening geleek.”

“Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar begraven heeft.”

Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller zweeg, riep Fred: “Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft aan mijn vader toebehoord!”

Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, door te zeggen: “Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta.”

“Ik ook!” verklaarde de oude Missouriër op een toon vol geestdrift. “Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch allen ook mee, kameraden?”

“Ja, ja, natuurlijk ja,” klonk het uit den mond van al de rafters.

“Well!”zei Old Firehand, “dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!”


Back to IndexNext