VEERTIENDE HOOFDSTUK.GEVANGEN EN BEVRIJD.Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar de rotsspleet in de laagte, en zei: “Zij zullen ons denkelijk wel in het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren.”“Doen wij dat dan niet?” vroeg een zijner onderhebbenden, die zich waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.“Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?” voer de Groote Wolf tegen hem uit. “Wraak moeten wij hebben, wraak moeten wij nemen op dat blanke ontuig.”“En het zijn nu onze vrienden en broeders?”“Neen.”“Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?”“Van wien was die pijp?”“Van Old Shatterhand.”“Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waaromis hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt gij dat niet?”“De Groote Wolf heeft altijd gelijk,” antwoordde de man, die het met de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.“Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen,” vervolgde de hoofdman.“Wilt gij hen overrompelen?”“Ja.”“Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken.”“Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger op in het P’a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts.”Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op een goed onderhouden straatweg.Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde en tot steen verschroeide vlakte.Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P’a mow, het Woud van het Water, waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam “Nanap neaw” toe. Die twee woorden beteekenden “oude hoofdman”. Daarmede was stellig de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: “De boom werpt in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?”Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend verwijt in.“Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen,” antwoordde de Groote Wolf.“Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer dragen mag?”“Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de handen van honderd andere blanke mannen.”“Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand.”“Die is het!”“Oef!” ontsnapte het aan de lippen van den oude, en “oef!” klonk het ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: “Dus heeft de Groote Wolf dien beroemden blanke gezien?”“Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen.”De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen schok aanhun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.“De Groote Wolf kan vertellen!” zei hij.Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: “En wat wil de Groote Wolf nu doen?”“Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog eer de dag van morgen aanbreekt.”De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.“Nog eer de dag van morgen aanbreekt?” vroeg hij. “Zijn dat woorden van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die woorden van den Grooten Wolf?”“De blanken moeten aan den martelpaal!” antwoordde een der hoofdmannen.“Wij moeten hen levend vangen!” sprak de tweede.“Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!” was het oordeel van den derde.“Mijn broeders hebben goed gesproken,” prees de oude. “Wij zullen die honden levend grijpen.”“De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn,” waarschuwde de Groote Wolf. “Old Shatterhand duwt den kop van een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is een groot krijgsman....”“Maar een Apache,” viel de oude hem driftig in de rede. “Behooren de Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen.”“Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?”“Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te vorengedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen.”Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: “Hier is een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden.”De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de Roodhuiden was.Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in het geheel niet tot een gevecht kon komen.Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drieEngelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het raadzaam voorzichtiger te zijn.Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem van den canon doordrong.Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, en kropen aan den anderen kant verder—een niet zeer gevaarlijke tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, om nu den grooten slag te gaan slaan.De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, ook zijn manschappen hetwater te laten oversteken. Dit geschiedde inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.“Voorwaarts!” klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, eer zij nog goed wakker waren geworden.En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst werd.Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling gelukt was.Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de steken enschoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.“Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!” zei de hoofdman grimmig. “Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren.”“Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?” vroeg er een. “Dat gaat vanzelf af, endoodthem, die het aanraakt, en nog vele anderen bovendien.”“Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?”Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; maar de karabijn zag men nergens.De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op zijn gemak was: “Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt.”Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen uur verstreken.“Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen!” had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, en zij haddenelkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst volstrekt niet ontbrak aan stof.Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.“Luister!” fluisterde Frank zijn neef (?) toe. “Hebt gij óók iets gehoord?”“Ja, ik heb óók iets gehoord,” antwoordde de Tante zacht. “Wat kan dat geweest zijn?”“Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn.”“Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen op de been zijn—naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, op zijn minst wel een paar honderd....”Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en hoorde men hun stemmen.“Verduiveld, er wordt gevochten!” vervolgde Hobble-Frank. “Ik geloof warendig dat wij overrompeld zijn.”“Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker,” antwoordde Droll; “dat moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is.”Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen weergalmde de oorlogskreet der Indianen.“God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!” riep Frank. “Er op los, er op los! Gauw, gauw!”Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:“Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en voorwaarts kruipen.”Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der rotsspleet was de baan vrij.“Gauw achter mij en het water over!” fluisterde Droll.Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. “Old Shatterhand’s Henry-karabijn!” Dat was zijn eerste gedachte. En hij nam het geweer mee.Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den rotswand en het water zoo smal, datDroll aanried: “Wij moeten weer het water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn.”Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen, of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: “Blijf toch eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt ge dan geen ambitie meer in je lijf?”“Ambitie?” antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten adem van het loopen. “Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd.”“Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!”“Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?”“Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden.”“Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd zoudt hebben.”“Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten wurgen en doodsteken.”“Hihihihi! Wurgen en doodsteken,” lachte Droll met zijn onnavolgbaar eigenaardig lachje. “Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden hebben.”“Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of doodgeslagen?”“Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet ik zeker.”“Dat zou mij gerust kunnen stellen.”“Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?”“Ja.”“En wie hebben dan geschoten? De Indianen?”“Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten.”“Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt; zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden laten nemen.”“Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen, dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk kapot van!”“Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou, Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen, maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten het dus maar bedaard afwachten.”“Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest zijn?”“Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd; maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben.”“De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?”“Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen kunnen.”“En dan?”“Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten, wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!”Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.“Wat?” vroeg hij. “Hebt gij twee geweren?”“Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn.”“O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar kunt gij er wel mee schieten?”“Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen, als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld.”“Of gekregen,” antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.“Zwijg!” zei deze. “Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor Moreau allebei zijn beenen—de twee eenige, die hij had; aan de Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maaraanraden, het bij mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen, morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zondos à dosmet het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet op het bloedige slagveld!”Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde, als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later, tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links, liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan, zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: “Halt! Hier moeten wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links.”“Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken,” antwoordde Frank. “Wij moeten het zijdal in.”“Waarom?”“Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt ge dat óók niet?”“Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen.”“Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in onze imponderabele positie de hoofdzaak is.”Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden, dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan, toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud, zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk eendicht loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun legerkamp hadden opgeslagen.De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar hetZuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten diepe wegen had ingevreten.“Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!” zei Frank. “Beter konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats, zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat óók niet?”“Neen!” antwoordde Tante Droll. “Dit woud komt mij verdacht voor, of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet.”“Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?”“Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even gevaarlijk zijn.”“Wat voor creaturen dan?”“Indianen.”“Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel.”“Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk.”“Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch te expliceeren?”Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: “Wie zal wel beter weten, dat hier een woud is, wij of de Roodhuiden?”“De Indianen natuurlijk.”“Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud het best verschuilen kan?”“Natuurlijk.”“Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen moeten zijn?”“Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald.”“Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon, of in het gemakkelijke woud?”“In het woud natuurlijk.”“Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn.”“Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?”“Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?”“Neen, hoegenaamd niets.”“Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd, of er leven in de kist is. Vooruit maar!”In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht in, en vroeg zacht: “Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En jij niet?”“Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half zweempje van een kwartspoor van rook.”“Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er naar toe sluipen.”Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen, des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend: “Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet comprimeeren kan?”“Een gevaar is het zeer zeker,” antwoordde Droll; “maar wij moeten het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden.”“Hier?”“Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij regelrecht hierheen komen.”“Dat zou een buitenkansje wezen!”“Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven kosten.”“Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al niet meer aan terugkeeren.”“Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!”Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen spoedig nog meer vuren.“Een groot, zeer groot bivak,” fluisterde Droll. “Dat zullen de Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen.”“Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet....”Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit honderden kelen—geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.“O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht,” sprak Droll. “De Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen.”Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand, die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het vuur der hoofdmannen brandde.“Een vijver of een meer,” fluisterde Droll. “Dat heb ik wel gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer naar links.”Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten, die nu gebracht werden.“Nu is goed oppassen de boodschap,” zei Droll. “Kunt gij in een boom klimmen, neef?”“Als een eekhoorn.”“Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden.”Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte, zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken; maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het eerst het woord te nemen.De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.“Wie zijt gij?” vroeg hij hem. “Hebt gij een naam, en hoe heet de schurftige hond, dien gij uw vader noemt?”Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: “Wie mij niet kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen.”“Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode rat!” voegde de oude hem hoonend toe. “Al deze bleekgezichten zullen een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften.”“Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien, en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der Apachen is bereid,om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen laat hij zich door een Utah niet.”“Wat wilt gij mij maken?” lachte de oude hardop. “Uw armen zijn geboeid!”“Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben.”“Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken, waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt gij. De stank, dien gij....”Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen, dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar de plaats waar hij gestaan had.Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd, toen deze riep: “Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen.”De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende, en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede; maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn, te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij gebood: “Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!”“Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!” riep Old Shatterhand hem toe.“Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen, die ik nog te leven heb?”“Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben.”“Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan zal ik ze laten uitsteken!”“Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid heeft gesproken?”“Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een.”“De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden, en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet, omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb, eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?”“De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden van een bleekgezicht.”“Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd, als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult gij sterven!”“Wanneer?” grijnsde de Wolf.“Morgen.”“Door wiens hand?”“Door de mijne.”“Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!”“Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is, maar dat hij ook weet te straffen.”“Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld, en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige dagen zullen duren, totdat gij sterft.”De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen, om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans een volslagen onmogelijkheid te zijn.Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen verstaan. Nu kwamhet er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante Droll als een groote geruststelling beschouwde.Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.“Weet gij wat dat is?” vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.“Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, geloof ik.”“Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog ’t lijk ijskoud is geworden.’“Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen bepaald opzoeken.”“Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij hen toch niet.”“Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen en ontwijken.”“Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer voorwaarts! Ik kruip voorop.”“Waarom gij?”“Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen beter afgericht ben dan gij.”“Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek laten zal ik u niet!”De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, om een uur te slapen.Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: “Het oogenblik schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?”“Ja, hij is hier vlak bij, de eerste.”“Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij óók geboeid zijt.”“En gij?”“Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou.”“Dat is gevaarlijk.”“Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!”Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar zijn buurmantoe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam vastgebonden waren.“Frank, gij?” vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op een toon van verwondering. “Waar is Droll?”“Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou.”“God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt bij mij hebt kunnen komen.”“Wist ge dan, dat wij komen zouden?”“Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, dat je niet onder de gevangenen was.”“Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij gepakt konden worden!”“Pshaw!De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen.”“Dat is kras! Dat is veel gedurfd!”“Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!”“Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en verplichtingen niet punktueel nagekomen?”“Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!”“Ja, zonder ons was u happa geweest.”“Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten helpen. Zie maar eens hier!”Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.“Deze hand heb ik reeds losgemaakt,” vervolgde de jager; “de andere zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, die daarginds bij de hoofdmannen liggen ...”“Weet gij dat óók?”“Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?”“Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij.”“Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?”“Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het dag was, hetspoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij voor u konden doen.”“O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch gevonden hebt?”“Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen.”“Gij wordt ironiek.”“Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen heen met u te assimileeren.”“Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken.”“En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink.”“Neen, dat niet; wij blijven hier!”“Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij dat redding?”“Ja.”“Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!”“Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen.”“Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden te verstaan heb.”“De hoofdmannen.”“O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!”“Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen.”Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in omloop. Daarop ging Old Shatterhand’s bevel zacht van mond tot mond, dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur uitgebluscht had.“Het vuur uitgebluscht?” bromde Frank. “Hoe wilt gij dat klaren?”“Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten.”Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten der bevrijden op zich aanstormen—eenige seconden later waren zij op den grond geworpen, ontwapend en geboeid.Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al de anderen deed aansnellen.Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de harten der hoofdmannen doorboren.“Blijft daar!” riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. “Ik zal met de bleekgezichten spreken.”“Met u hebben wij niets te maken,” voegde Old Shatterhand hem toe. “De anderen kunnen spreken.”“Waaromikniet?”“Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens.”“Ik zal waarheid spreken.”“Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar gij zijt de mijne; en nu gebiediku precies hetzelfde. Als gij spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes door uw hart.—Hoe is uw naam?”Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: “Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met u spreken.”“Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van u verlangen.”“Wat verlangt gij dan? De vrijheid?”“Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!”“Wat moeten die?”“Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen hun geduld te verliezen.”“Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal.”Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand’s bevel te voldoen. In de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol ontzetting riep hij uit: “Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!”“Het toovergeweer, het toovergeweer!” hoorde men de stemmen der verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.“Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren.”“Oef! Dat is te veel van ons gevergd,” antwoordde Vuurhart. “Dat kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan.”“Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen geweest, entoch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren.”“Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; en nu zijnwijde geknevelden, en gij schrijft aanonsde wet voor!”“Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!”Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: “Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar toe te rijden?”“Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken,” antwoordde Old Shatterhand. “Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!”Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, bijna fluisterende stem hooren: “Mai iwe!”Die twee woorden beteekenen: “Kijk hierheen!” Ze waren niet toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds doorhen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin nog knapper was dan zij.Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: “De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?”“Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg.”“Nu, wat hebben zij gezegd?”“De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de Sampietsje-Utahs,wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden.”“Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen.”“Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is.”“Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode broeder daarvan?”“Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één groot gebrek.”“En dat is?”“Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij wat ons te doen staat.”“Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn een omweg van minstens een dagreis of vier te maken.”“Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet in handen van de Utahs vallen.”“Is dat mogelijk?”“Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan de keus wel niet twijfelachtig zijn.”“Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?”“Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter den rug hebben.”“Maar den Grooten Wolf?” vroeg Old Shatterhand. “Zullen wij dien óók weer vrijlaten?”“Wilt gij hem dooden?” vroeg Winnetou.“Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor alle andere Roodhuiden.”“Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande nog niet te verklaren.”Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan Vuurhart: “De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?”“Eer ik dat zeggen kan,” antwoordde de gevraagde, “dien ik precies te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt.”“Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar het Teywipah.”“En dan?”“Hooger op naar het Zilvermeer.”“En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden dooden.”“Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij.”“Is dat waar?”“Ja.”“Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?”“Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de anderen.”“Neem dan uw calumet en steek die aan.”“Neem liever de uwe.”“Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de uwe slechts wolken van onwaarheid?”“Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de pijp der roode mannen is niet te vertrouwen.”Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn oogen van woede vlammen schoten: “Was ik niet geboeid, dan zou ik u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid te betichten?”“Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen.”“Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen.”“Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen.”Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, stopte die, en stak die aan.Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid kon geven om er hun voordeel mee te doen.De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.GEVANGEN EN BEVRIJD.Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar de rotsspleet in de laagte, en zei: “Zij zullen ons denkelijk wel in het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren.”“Doen wij dat dan niet?” vroeg een zijner onderhebbenden, die zich waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.“Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?” voer de Groote Wolf tegen hem uit. “Wraak moeten wij hebben, wraak moeten wij nemen op dat blanke ontuig.”“En het zijn nu onze vrienden en broeders?”“Neen.”“Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?”“Van wien was die pijp?”“Van Old Shatterhand.”“Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waaromis hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt gij dat niet?”“De Groote Wolf heeft altijd gelijk,” antwoordde de man, die het met de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.“Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen,” vervolgde de hoofdman.“Wilt gij hen overrompelen?”“Ja.”“Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken.”“Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger op in het P’a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts.”Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op een goed onderhouden straatweg.Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde en tot steen verschroeide vlakte.Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P’a mow, het Woud van het Water, waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam “Nanap neaw” toe. Die twee woorden beteekenden “oude hoofdman”. Daarmede was stellig de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: “De boom werpt in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?”Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend verwijt in.“Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen,” antwoordde de Groote Wolf.“Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer dragen mag?”“Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de handen van honderd andere blanke mannen.”“Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand.”“Die is het!”“Oef!” ontsnapte het aan de lippen van den oude, en “oef!” klonk het ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: “Dus heeft de Groote Wolf dien beroemden blanke gezien?”“Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen.”De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen schok aanhun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.“De Groote Wolf kan vertellen!” zei hij.Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: “En wat wil de Groote Wolf nu doen?”“Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog eer de dag van morgen aanbreekt.”De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.“Nog eer de dag van morgen aanbreekt?” vroeg hij. “Zijn dat woorden van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die woorden van den Grooten Wolf?”“De blanken moeten aan den martelpaal!” antwoordde een der hoofdmannen.“Wij moeten hen levend vangen!” sprak de tweede.“Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!” was het oordeel van den derde.“Mijn broeders hebben goed gesproken,” prees de oude. “Wij zullen die honden levend grijpen.”“De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn,” waarschuwde de Groote Wolf. “Old Shatterhand duwt den kop van een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is een groot krijgsman....”“Maar een Apache,” viel de oude hem driftig in de rede. “Behooren de Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen.”“Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?”“Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te vorengedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen.”Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: “Hier is een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden.”De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de Roodhuiden was.Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in het geheel niet tot een gevecht kon komen.Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drieEngelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het raadzaam voorzichtiger te zijn.Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem van den canon doordrong.Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, en kropen aan den anderen kant verder—een niet zeer gevaarlijke tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, om nu den grooten slag te gaan slaan.De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, ook zijn manschappen hetwater te laten oversteken. Dit geschiedde inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.“Voorwaarts!” klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, eer zij nog goed wakker waren geworden.En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst werd.Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling gelukt was.Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de steken enschoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.“Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!” zei de hoofdman grimmig. “Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren.”“Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?” vroeg er een. “Dat gaat vanzelf af, endoodthem, die het aanraakt, en nog vele anderen bovendien.”“Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?”Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; maar de karabijn zag men nergens.De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op zijn gemak was: “Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt.”Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen uur verstreken.“Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen!” had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, en zij haddenelkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst volstrekt niet ontbrak aan stof.Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.“Luister!” fluisterde Frank zijn neef (?) toe. “Hebt gij óók iets gehoord?”“Ja, ik heb óók iets gehoord,” antwoordde de Tante zacht. “Wat kan dat geweest zijn?”“Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn.”“Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen op de been zijn—naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, op zijn minst wel een paar honderd....”Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en hoorde men hun stemmen.“Verduiveld, er wordt gevochten!” vervolgde Hobble-Frank. “Ik geloof warendig dat wij overrompeld zijn.”“Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker,” antwoordde Droll; “dat moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is.”Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen weergalmde de oorlogskreet der Indianen.“God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!” riep Frank. “Er op los, er op los! Gauw, gauw!”Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:“Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en voorwaarts kruipen.”Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der rotsspleet was de baan vrij.“Gauw achter mij en het water over!” fluisterde Droll.Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. “Old Shatterhand’s Henry-karabijn!” Dat was zijn eerste gedachte. En hij nam het geweer mee.Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den rotswand en het water zoo smal, datDroll aanried: “Wij moeten weer het water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn.”Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen, of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: “Blijf toch eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt ge dan geen ambitie meer in je lijf?”“Ambitie?” antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten adem van het loopen. “Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd.”“Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!”“Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?”“Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden.”“Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd zoudt hebben.”“Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten wurgen en doodsteken.”“Hihihihi! Wurgen en doodsteken,” lachte Droll met zijn onnavolgbaar eigenaardig lachje. “Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden hebben.”“Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of doodgeslagen?”“Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet ik zeker.”“Dat zou mij gerust kunnen stellen.”“Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?”“Ja.”“En wie hebben dan geschoten? De Indianen?”“Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten.”“Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt; zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden laten nemen.”“Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen, dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk kapot van!”“Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou, Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen, maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten het dus maar bedaard afwachten.”“Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest zijn?”“Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd; maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben.”“De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?”“Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen kunnen.”“En dan?”“Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten, wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!”Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.“Wat?” vroeg hij. “Hebt gij twee geweren?”“Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn.”“O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar kunt gij er wel mee schieten?”“Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen, als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld.”“Of gekregen,” antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.“Zwijg!” zei deze. “Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor Moreau allebei zijn beenen—de twee eenige, die hij had; aan de Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maaraanraden, het bij mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen, morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zondos à dosmet het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet op het bloedige slagveld!”Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde, als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later, tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links, liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan, zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: “Halt! Hier moeten wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links.”“Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken,” antwoordde Frank. “Wij moeten het zijdal in.”“Waarom?”“Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt ge dat óók niet?”“Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen.”“Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in onze imponderabele positie de hoofdzaak is.”Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden, dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan, toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud, zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk eendicht loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun legerkamp hadden opgeslagen.De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar hetZuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten diepe wegen had ingevreten.“Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!” zei Frank. “Beter konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats, zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat óók niet?”“Neen!” antwoordde Tante Droll. “Dit woud komt mij verdacht voor, of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet.”“Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?”“Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even gevaarlijk zijn.”“Wat voor creaturen dan?”“Indianen.”“Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel.”“Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk.”“Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch te expliceeren?”Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: “Wie zal wel beter weten, dat hier een woud is, wij of de Roodhuiden?”“De Indianen natuurlijk.”“Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud het best verschuilen kan?”“Natuurlijk.”“Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen moeten zijn?”“Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald.”“Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon, of in het gemakkelijke woud?”“In het woud natuurlijk.”“Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn.”“Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?”“Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?”“Neen, hoegenaamd niets.”“Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd, of er leven in de kist is. Vooruit maar!”In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht in, en vroeg zacht: “Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En jij niet?”“Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half zweempje van een kwartspoor van rook.”“Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er naar toe sluipen.”Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen, des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend: “Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet comprimeeren kan?”“Een gevaar is het zeer zeker,” antwoordde Droll; “maar wij moeten het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden.”“Hier?”“Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij regelrecht hierheen komen.”“Dat zou een buitenkansje wezen!”“Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven kosten.”“Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al niet meer aan terugkeeren.”“Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!”Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen spoedig nog meer vuren.“Een groot, zeer groot bivak,” fluisterde Droll. “Dat zullen de Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen.”“Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet....”Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit honderden kelen—geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.“O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht,” sprak Droll. “De Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen.”Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand, die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het vuur der hoofdmannen brandde.“Een vijver of een meer,” fluisterde Droll. “Dat heb ik wel gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer naar links.”Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten, die nu gebracht werden.“Nu is goed oppassen de boodschap,” zei Droll. “Kunt gij in een boom klimmen, neef?”“Als een eekhoorn.”“Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden.”Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte, zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken; maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het eerst het woord te nemen.De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.“Wie zijt gij?” vroeg hij hem. “Hebt gij een naam, en hoe heet de schurftige hond, dien gij uw vader noemt?”Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: “Wie mij niet kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen.”“Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode rat!” voegde de oude hem hoonend toe. “Al deze bleekgezichten zullen een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften.”“Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien, en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der Apachen is bereid,om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen laat hij zich door een Utah niet.”“Wat wilt gij mij maken?” lachte de oude hardop. “Uw armen zijn geboeid!”“Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben.”“Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken, waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt gij. De stank, dien gij....”Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen, dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar de plaats waar hij gestaan had.Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd, toen deze riep: “Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen.”De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende, en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede; maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn, te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij gebood: “Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!”“Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!” riep Old Shatterhand hem toe.“Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen, die ik nog te leven heb?”“Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben.”“Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan zal ik ze laten uitsteken!”“Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid heeft gesproken?”“Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een.”“De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden, en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet, omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb, eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?”“De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden van een bleekgezicht.”“Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd, als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult gij sterven!”“Wanneer?” grijnsde de Wolf.“Morgen.”“Door wiens hand?”“Door de mijne.”“Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!”“Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is, maar dat hij ook weet te straffen.”“Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld, en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige dagen zullen duren, totdat gij sterft.”De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen, om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans een volslagen onmogelijkheid te zijn.Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen verstaan. Nu kwamhet er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante Droll als een groote geruststelling beschouwde.Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.“Weet gij wat dat is?” vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.“Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, geloof ik.”“Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog ’t lijk ijskoud is geworden.’“Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen bepaald opzoeken.”“Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij hen toch niet.”“Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen en ontwijken.”“Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer voorwaarts! Ik kruip voorop.”“Waarom gij?”“Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen beter afgericht ben dan gij.”“Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek laten zal ik u niet!”De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, om een uur te slapen.Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: “Het oogenblik schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?”“Ja, hij is hier vlak bij, de eerste.”“Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij óók geboeid zijt.”“En gij?”“Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou.”“Dat is gevaarlijk.”“Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!”Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar zijn buurmantoe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam vastgebonden waren.“Frank, gij?” vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op een toon van verwondering. “Waar is Droll?”“Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou.”“God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt bij mij hebt kunnen komen.”“Wist ge dan, dat wij komen zouden?”“Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, dat je niet onder de gevangenen was.”“Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij gepakt konden worden!”“Pshaw!De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen.”“Dat is kras! Dat is veel gedurfd!”“Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!”“Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en verplichtingen niet punktueel nagekomen?”“Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!”“Ja, zonder ons was u happa geweest.”“Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten helpen. Zie maar eens hier!”Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.“Deze hand heb ik reeds losgemaakt,” vervolgde de jager; “de andere zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, die daarginds bij de hoofdmannen liggen ...”“Weet gij dat óók?”“Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?”“Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij.”“Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?”“Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het dag was, hetspoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij voor u konden doen.”“O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch gevonden hebt?”“Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen.”“Gij wordt ironiek.”“Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen heen met u te assimileeren.”“Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken.”“En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink.”“Neen, dat niet; wij blijven hier!”“Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij dat redding?”“Ja.”“Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!”“Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen.”“Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden te verstaan heb.”“De hoofdmannen.”“O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!”“Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen.”Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in omloop. Daarop ging Old Shatterhand’s bevel zacht van mond tot mond, dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur uitgebluscht had.“Het vuur uitgebluscht?” bromde Frank. “Hoe wilt gij dat klaren?”“Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten.”Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten der bevrijden op zich aanstormen—eenige seconden later waren zij op den grond geworpen, ontwapend en geboeid.Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al de anderen deed aansnellen.Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de harten der hoofdmannen doorboren.“Blijft daar!” riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. “Ik zal met de bleekgezichten spreken.”“Met u hebben wij niets te maken,” voegde Old Shatterhand hem toe. “De anderen kunnen spreken.”“Waaromikniet?”“Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens.”“Ik zal waarheid spreken.”“Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar gij zijt de mijne; en nu gebiediku precies hetzelfde. Als gij spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes door uw hart.—Hoe is uw naam?”Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: “Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met u spreken.”“Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van u verlangen.”“Wat verlangt gij dan? De vrijheid?”“Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!”“Wat moeten die?”“Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen hun geduld te verliezen.”“Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal.”Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand’s bevel te voldoen. In de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol ontzetting riep hij uit: “Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!”“Het toovergeweer, het toovergeweer!” hoorde men de stemmen der verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.“Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren.”“Oef! Dat is te veel van ons gevergd,” antwoordde Vuurhart. “Dat kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan.”“Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen geweest, entoch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren.”“Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; en nu zijnwijde geknevelden, en gij schrijft aanonsde wet voor!”“Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!”Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: “Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar toe te rijden?”“Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken,” antwoordde Old Shatterhand. “Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!”Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, bijna fluisterende stem hooren: “Mai iwe!”Die twee woorden beteekenen: “Kijk hierheen!” Ze waren niet toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds doorhen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin nog knapper was dan zij.Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: “De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?”“Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg.”“Nu, wat hebben zij gezegd?”“De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de Sampietsje-Utahs,wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden.”“Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen.”“Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is.”“Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode broeder daarvan?”“Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één groot gebrek.”“En dat is?”“Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij wat ons te doen staat.”“Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn een omweg van minstens een dagreis of vier te maken.”“Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet in handen van de Utahs vallen.”“Is dat mogelijk?”“Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan de keus wel niet twijfelachtig zijn.”“Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?”“Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter den rug hebben.”“Maar den Grooten Wolf?” vroeg Old Shatterhand. “Zullen wij dien óók weer vrijlaten?”“Wilt gij hem dooden?” vroeg Winnetou.“Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor alle andere Roodhuiden.”“Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande nog niet te verklaren.”Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan Vuurhart: “De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?”“Eer ik dat zeggen kan,” antwoordde de gevraagde, “dien ik precies te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt.”“Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar het Teywipah.”“En dan?”“Hooger op naar het Zilvermeer.”“En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden dooden.”“Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij.”“Is dat waar?”“Ja.”“Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?”“Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de anderen.”“Neem dan uw calumet en steek die aan.”“Neem liever de uwe.”“Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de uwe slechts wolken van onwaarheid?”“Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de pijp der roode mannen is niet te vertrouwen.”Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn oogen van woede vlammen schoten: “Was ik niet geboeid, dan zou ik u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid te betichten?”“Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen.”“Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen.”“Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen.”Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, stopte die, en stak die aan.Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid kon geven om er hun voordeel mee te doen.De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar de rotsspleet in de laagte, en zei: “Zij zullen ons denkelijk wel in het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren.”
“Doen wij dat dan niet?” vroeg een zijner onderhebbenden, die zich waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.
“Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?” voer de Groote Wolf tegen hem uit. “Wraak moeten wij hebben, wraak moeten wij nemen op dat blanke ontuig.”
“En het zijn nu onze vrienden en broeders?”
“Neen.”
“Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?”
“Van wien was die pijp?”
“Van Old Shatterhand.”
“Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waaromis hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt gij dat niet?”
“De Groote Wolf heeft altijd gelijk,” antwoordde de man, die het met de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.
“Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen,” vervolgde de hoofdman.
“Wilt gij hen overrompelen?”
“Ja.”
“Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken.”
“Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger op in het P’a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts.”
Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op een goed onderhouden straatweg.
Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde en tot steen verschroeide vlakte.
Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P’a mow, het Woud van het Water, waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.
Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.
Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam “Nanap neaw” toe. Die twee woorden beteekenden “oude hoofdman”. Daarmede was stellig de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: “De boom werpt in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?”
Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend verwijt in.
“Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen,” antwoordde de Groote Wolf.
“Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer dragen mag?”
“Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de handen van honderd andere blanke mannen.”
“Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand.”
“Die is het!”
“Oef!” ontsnapte het aan de lippen van den oude, en “oef!” klonk het ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: “Dus heeft de Groote Wolf dien beroemden blanke gezien?”
“Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen.”
De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen schok aanhun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.
“De Groote Wolf kan vertellen!” zei hij.
Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: “En wat wil de Groote Wolf nu doen?”
“Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog eer de dag van morgen aanbreekt.”
De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.
“Nog eer de dag van morgen aanbreekt?” vroeg hij. “Zijn dat woorden van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die woorden van den Grooten Wolf?”
“De blanken moeten aan den martelpaal!” antwoordde een der hoofdmannen.
“Wij moeten hen levend vangen!” sprak de tweede.
“Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!” was het oordeel van den derde.
“Mijn broeders hebben goed gesproken,” prees de oude. “Wij zullen die honden levend grijpen.”
“De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn,” waarschuwde de Groote Wolf. “Old Shatterhand duwt den kop van een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is een groot krijgsman....”
“Maar een Apache,” viel de oude hem driftig in de rede. “Behooren de Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen.”
“Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?”
“Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te vorengedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen.”
Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.
Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: “Hier is een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden.”
De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de Roodhuiden was.
Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in het geheel niet tot een gevecht kon komen.
Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drieEngelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het raadzaam voorzichtiger te zijn.
Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.
Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem van den canon doordrong.
Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, en kropen aan den anderen kant verder—een niet zeer gevaarlijke tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, om nu den grooten slag te gaan slaan.
De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, ook zijn manschappen hetwater te laten oversteken. Dit geschiedde inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.
“Voorwaarts!” klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.
Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, eer zij nog goed wakker waren geworden.
En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst werd.
Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling gelukt was.
Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de steken enschoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.
“Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!” zei de hoofdman grimmig. “Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren.”
“Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?” vroeg er een. “Dat gaat vanzelf af, endoodthem, die het aanraakt, en nog vele anderen bovendien.”
“Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?”
Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; maar de karabijn zag men nergens.
De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op zijn gemak was: “Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt.”
Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen uur verstreken.
“Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen!” had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, en zij haddenelkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst volstrekt niet ontbrak aan stof.
Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.
“Luister!” fluisterde Frank zijn neef (?) toe. “Hebt gij óók iets gehoord?”
“Ja, ik heb óók iets gehoord,” antwoordde de Tante zacht. “Wat kan dat geweest zijn?”
“Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn.”
“Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen op de been zijn—naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, op zijn minst wel een paar honderd....”
Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en hoorde men hun stemmen.
“Verduiveld, er wordt gevochten!” vervolgde Hobble-Frank. “Ik geloof warendig dat wij overrompeld zijn.”
“Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker,” antwoordde Droll; “dat moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is.”
Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen weergalmde de oorlogskreet der Indianen.
“God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!” riep Frank. “Er op los, er op los! Gauw, gauw!”
Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:
“Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en voorwaarts kruipen.”
Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der rotsspleet was de baan vrij.
“Gauw achter mij en het water over!” fluisterde Droll.
Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. “Old Shatterhand’s Henry-karabijn!” Dat was zijn eerste gedachte. En hij nam het geweer mee.
Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den rotswand en het water zoo smal, datDroll aanried: “Wij moeten weer het water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn.”
Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen, of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: “Blijf toch eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt ge dan geen ambitie meer in je lijf?”
“Ambitie?” antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten adem van het loopen. “Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd.”
“Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!”
“Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?”
“Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden.”
“Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd zoudt hebben.”
“Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten wurgen en doodsteken.”
“Hihihihi! Wurgen en doodsteken,” lachte Droll met zijn onnavolgbaar eigenaardig lachje. “Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden hebben.”
“Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of doodgeslagen?”
“Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet ik zeker.”
“Dat zou mij gerust kunnen stellen.”
“Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?”
“Ja.”
“En wie hebben dan geschoten? De Indianen?”
“Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten.”
“Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt; zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden laten nemen.”
“Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen, dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk kapot van!”
“Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou, Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen, maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten het dus maar bedaard afwachten.”
“Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest zijn?”
“Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd; maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben.”
“De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?”
“Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen kunnen.”
“En dan?”
“Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten, wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!”
Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.
“Wat?” vroeg hij. “Hebt gij twee geweren?”
“Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn.”
“O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar kunt gij er wel mee schieten?”
“Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen, als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld.”
“Of gekregen,” antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.
“Zwijg!” zei deze. “Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor Moreau allebei zijn beenen—de twee eenige, die hij had; aan de Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maaraanraden, het bij mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen, morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zondos à dosmet het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet op het bloedige slagveld!”
Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde, als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.
En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later, tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links, liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan, zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: “Halt! Hier moeten wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links.”
“Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken,” antwoordde Frank. “Wij moeten het zijdal in.”
“Waarom?”
“Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt ge dat óók niet?”
“Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen.”
“Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in onze imponderabele positie de hoofdzaak is.”
Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden, dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan, toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud, zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk eendicht loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun legerkamp hadden opgeslagen.
De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar hetZuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten diepe wegen had ingevreten.
“Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!” zei Frank. “Beter konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats, zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat óók niet?”
“Neen!” antwoordde Tante Droll. “Dit woud komt mij verdacht voor, of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet.”
“Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?”
“Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even gevaarlijk zijn.”
“Wat voor creaturen dan?”
“Indianen.”
“Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel.”
“Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk.”
“Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch te expliceeren?”
Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: “Wie zal wel beter weten, dat hier een woud is, wij of de Roodhuiden?”
“De Indianen natuurlijk.”
“Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud het best verschuilen kan?”
“Natuurlijk.”
“Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen moeten zijn?”
“Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald.”
“Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon, of in het gemakkelijke woud?”
“In het woud natuurlijk.”
“Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn.”
“Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?”
“Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?”
“Neen, hoegenaamd niets.”
“Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd, of er leven in de kist is. Vooruit maar!”
In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht in, en vroeg zacht: “Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En jij niet?”
“Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half zweempje van een kwartspoor van rook.”
“Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er naar toe sluipen.”
Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen, des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend: “Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet comprimeeren kan?”
“Een gevaar is het zeer zeker,” antwoordde Droll; “maar wij moeten het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden.”
“Hier?”
“Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij regelrecht hierheen komen.”
“Dat zou een buitenkansje wezen!”
“Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven kosten.”
“Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al niet meer aan terugkeeren.”
“Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!”
Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen spoedig nog meer vuren.
“Een groot, zeer groot bivak,” fluisterde Droll. “Dat zullen de Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen.”
“Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet....”
Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit honderden kelen—geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.
“O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht,” sprak Droll. “De Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen.”
Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand, die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het vuur der hoofdmannen brandde.
“Een vijver of een meer,” fluisterde Droll. “Dat heb ik wel gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer naar links.”
Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten, die nu gebracht werden.
“Nu is goed oppassen de boodschap,” zei Droll. “Kunt gij in een boom klimmen, neef?”
“Als een eekhoorn.”
“Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden.”
Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte, zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.
De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken; maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het eerst het woord te nemen.
De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.
“Wie zijt gij?” vroeg hij hem. “Hebt gij een naam, en hoe heet de schurftige hond, dien gij uw vader noemt?”
Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: “Wie mij niet kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen.”
“Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode rat!” voegde de oude hem hoonend toe. “Al deze bleekgezichten zullen een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften.”
“Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien, en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der Apachen is bereid,om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen laat hij zich door een Utah niet.”
“Wat wilt gij mij maken?” lachte de oude hardop. “Uw armen zijn geboeid!”
“Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben.”
“Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken, waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt gij. De stank, dien gij....”
Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen, dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar de plaats waar hij gestaan had.
Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd, toen deze riep: “Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen.”
De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende, en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede; maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn, te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij gebood: “Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!”
“Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!” riep Old Shatterhand hem toe.
“Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen, die ik nog te leven heb?”
“Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben.”
“Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan zal ik ze laten uitsteken!”
“Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid heeft gesproken?”
“Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een.”
“De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden, en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet, omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb, eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?”
“De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden van een bleekgezicht.”
“Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd, als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult gij sterven!”
“Wanneer?” grijnsde de Wolf.
“Morgen.”
“Door wiens hand?”
“Door de mijne.”
“Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!”
“Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is, maar dat hij ook weet te straffen.”
“Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld, en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige dagen zullen duren, totdat gij sterft.”
De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen, om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans een volslagen onmogelijkheid te zijn.
Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen verstaan. Nu kwamhet er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.
Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante Droll als een groote geruststelling beschouwde.
Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.
“Weet gij wat dat is?” vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.
“Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, geloof ik.”
“Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog ’t lijk ijskoud is geworden.’
“Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen bepaald opzoeken.”
“Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij hen toch niet.”
“Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen en ontwijken.”
“Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer voorwaarts! Ik kruip voorop.”
“Waarom gij?”
“Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen beter afgericht ben dan gij.”
“Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek laten zal ik u niet!”
De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.
Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, om een uur te slapen.
Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: “Het oogenblik schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?”
“Ja, hij is hier vlak bij, de eerste.”
“Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij óók geboeid zijt.”
“En gij?”
“Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou.”
“Dat is gevaarlijk.”
“Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!”
Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.
Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar zijn buurmantoe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam vastgebonden waren.
“Frank, gij?” vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op een toon van verwondering. “Waar is Droll?”
“Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou.”
“God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt bij mij hebt kunnen komen.”
“Wist ge dan, dat wij komen zouden?”
“Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, dat je niet onder de gevangenen was.”
“Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij gepakt konden worden!”
“Pshaw!De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen.”
“Dat is kras! Dat is veel gedurfd!”
“Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!”
“Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en verplichtingen niet punktueel nagekomen?”
“Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!”
“Ja, zonder ons was u happa geweest.”
“Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten helpen. Zie maar eens hier!”
Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.
“Deze hand heb ik reeds losgemaakt,” vervolgde de jager; “de andere zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, die daarginds bij de hoofdmannen liggen ...”
“Weet gij dat óók?”
“Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?”
“Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij.”
“Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?”
“Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het dag was, hetspoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij voor u konden doen.”
“O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch gevonden hebt?”
“Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen.”
“Gij wordt ironiek.”
“Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen heen met u te assimileeren.”
“Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken.”
“En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink.”
“Neen, dat niet; wij blijven hier!”
“Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij dat redding?”
“Ja.”
“Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!”
“Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen.”
“Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden te verstaan heb.”
“De hoofdmannen.”
“O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!”
“Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen.”
Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in omloop. Daarop ging Old Shatterhand’s bevel zacht van mond tot mond, dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur uitgebluscht had.
“Het vuur uitgebluscht?” bromde Frank. “Hoe wilt gij dat klaren?”
“Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten.”
Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.
De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten der bevrijden op zich aanstormen—eenige seconden later waren zij op den grond geworpen, ontwapend en geboeid.
Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al de anderen deed aansnellen.
Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.
Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de harten der hoofdmannen doorboren.
“Blijft daar!” riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. “Ik zal met de bleekgezichten spreken.”
“Met u hebben wij niets te maken,” voegde Old Shatterhand hem toe. “De anderen kunnen spreken.”
“Waaromikniet?”
“Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens.”
“Ik zal waarheid spreken.”
“Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar gij zijt de mijne; en nu gebiediku precies hetzelfde. Als gij spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes door uw hart.—Hoe is uw naam?”
Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: “Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met u spreken.”
“Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van u verlangen.”
“Wat verlangt gij dan? De vrijheid?”
“Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!”
“Wat moeten die?”
“Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen hun geduld te verliezen.”
“Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal.”
Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand’s bevel te voldoen. In de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol ontzetting riep hij uit: “Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!”
“Het toovergeweer, het toovergeweer!” hoorde men de stemmen der verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.
Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.
“Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren.”
“Oef! Dat is te veel van ons gevergd,” antwoordde Vuurhart. “Dat kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan.”
“Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen geweest, entoch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren.”
“Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; en nu zijnwijde geknevelden, en gij schrijft aanonsde wet voor!”
“Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!”
Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: “Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar toe te rijden?”
“Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken,” antwoordde Old Shatterhand. “Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!”
Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, bijna fluisterende stem hooren: “Mai iwe!”
Die twee woorden beteekenen: “Kijk hierheen!” Ze waren niet toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds doorhen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.
De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.
Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.
Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin nog knapper was dan zij.
Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: “De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?”
“Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg.”
“Nu, wat hebben zij gezegd?”
“De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de Sampietsje-Utahs,wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden.”
“Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen.”
“Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is.”
“Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode broeder daarvan?”
“Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één groot gebrek.”
“En dat is?”
“Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij wat ons te doen staat.”
“Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn een omweg van minstens een dagreis of vier te maken.”
“Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet in handen van de Utahs vallen.”
“Is dat mogelijk?”
“Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan de keus wel niet twijfelachtig zijn.”
“Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?”
“Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter den rug hebben.”
“Maar den Grooten Wolf?” vroeg Old Shatterhand. “Zullen wij dien óók weer vrijlaten?”
“Wilt gij hem dooden?” vroeg Winnetou.
“Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor alle andere Roodhuiden.”
“Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande nog niet te verklaren.”
Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan Vuurhart: “De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?”
“Eer ik dat zeggen kan,” antwoordde de gevraagde, “dien ik precies te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt.”
“Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar het Teywipah.”
“En dan?”
“Hooger op naar het Zilvermeer.”
“En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden dooden.”
“Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij.”
“Is dat waar?”
“Ja.”
“Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?”
“Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de anderen.”
“Neem dan uw calumet en steek die aan.”
“Neem liever de uwe.”
“Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de uwe slechts wolken van onwaarheid?”
“Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de pijp der roode mannen is niet te vertrouwen.”
Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn oogen van woede vlammen schoten: “Was ik niet geboeid, dan zou ik u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid te betichten?”
“Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen.”
“Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen.”
“Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen.”
Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, stopte die, en stak die aan.
Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.
Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid kon geven om er hun voordeel mee te doen.
De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over aangaande de gevoelens, die hen bezielden.