ELFDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.IN DE KLEM.Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder de aandacht trekken van ieder, die hen zag.Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die “berendooders” genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijnbroeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één been een weinig kreupel liep.Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal jaren geleden een lichtgrijze “cylinder” was geweest. Misschien had die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen beleefd hadden.De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet anders bekend, dan onder de namen “Lange Davy” en “Dikke Gemmy”. Die twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen en likken elkander te liefkoozen.Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: “Dus zullen wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog hier vandaan?”“Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen,” antwoordde de gevraagde.“Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt gij dat ook niet?”“Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden.”“O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, ga ik bepaald dood!”“Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen.”“Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?”“Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, en rijd met de anderen maar langzaam door.”“Zoo?” zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. “Hebtgijal iets in het oog?Ikzie nog niemendal.”Hij nam de teugels van Old Shatterhand’s paard, en reed met Davy en Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende stem genoemd worden.Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, namelijk, om dichterbij te komen.Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, en zei op een toon van bezorgdheid: “Heerejéminie! Wat zal ons nu overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!”“Belladonna, wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.“Zwijg!” gebood de kleine. “Belladonna beduidt niemendal. Het heet Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!”Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: “Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan zal ik u vriendelijk bedanken, sir!”“Waarom dat?”“Zulk spul lust ik niet.”“Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?”“Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen.”“Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?”“Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!” antwoordde Frank terwijl bij met zijn tong smakte; “òf ik dat gegeten heb! Dat’s een vleeschje voor koningen en prinsen!”“Zoo, vindt gij dat?” vroeg Old Shatterhand glimlachende.“Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen tweede bestaat.”“En duizenden trekken er den neus voor op!”“Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- en feestdagen gebraden sikjes.”“Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt.”“Lapijn? Wat is dat voor een ding?”“Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De eigenlijke naam is konijn.”“O, karniekl!A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!”“En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden zeggen.”“Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet.”“Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker als uw karniekl.”“Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!”“Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?”Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: het waren soldaten.Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een somberen blik, en vroeg: “Waar komt gijlieden vandaan, boys?”“Wel heb ik ooit!” prevelde Hobble-Frank. “Zullen wij ons nu met het woordboys(= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien dat wij tot den goeden stand behooren.”“Wat fluistert gij daar?” riep de luitenant op strengen toon. “Ik wil weten waar gij vandaan komt.”Frank, Jemmy en Davy keken naar OldShatterhand, wat die doen of zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: “Uit Leadville.”“En waar wilt gij naar toe?”“Naar de Elk Mountains.”“Dat is een leugen!”Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd op denzelfden bedaarden toon:“Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?”“Ja.”“Welke reden dan?”“Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort.”“Daarin vergist gij u.”“Ik vergis mij niet. Ik ken u.”“Zoo? Wie zijn wij dan?”“De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen.”“Ei! En als wij het nu eens niet doen?”“Dan neem ik u mee!”“En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?”“Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!”“Meent gij dat?” vroeg Old Shatterhand met een glimlachje.“Probeer dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!”Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur te geven.“Wat....” riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen naar zijn gordel grijpende. “Ik....”“Halt!” viel Old Shatterhand’s geweldige stem hem in de rede. “Hand weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!”In oogenblikken als dit—indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen hier het geval niet was—komt het er maar op aan, wie het eerst zijn wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in de hoogte.Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand’s doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: “Zoo! Wat denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?”“Schiet maar toe!” antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht was. “Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft.”“Pshaw!Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, metboyaanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: wij zijn geenboys, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten.”Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: “Hoe hebt gij het hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen?Weet gij wel, dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?”“De macht?” vroeg Old Shatterhand lachende. “Den lust, ja, dat begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog belachelijker zoudt maken dan daareven.”“Wacht! nu zal ik u wel.....”Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, nogmaals lachende, uitriep: “Spreek verder, sir: U wilde nog iets zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!”Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.“Wat ... (alweer met een vloek)!” schreeuwde de officier; doch hij waagde het niet een vinger te verroeren: “Wat begint gij nu? Laat mij los.”“Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te verbeelden. Voor zooveelman, als gij hier bij u hebt, zijn wij volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal.”Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: “Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?”“Neen!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. “Ik ken zoo min den persoon als zijn naam,” bromde de officier.“Dus niet?” zei de jager. “En toch ben ik overtuigd, dat gij ons kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak vóór u.”“Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel eens gehoord?”“Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?”“Juist!”“Pshaw!Dat geloof ik niet.”“Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan bewijzen dat het waar is.”“Old Shat.....!” riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in de keel blijven steken.Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één “O!” van verbazing dat over hun lippen kwam.“Ja, Old Shatterhand!” zei deze. “Kent gij dien naam?”“Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt gij.....gij die man zijn, sir?”Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op volgen: “Behold!Is dat niet een Henry-karabijn sir?’“Natuurlijk!” zei Old Shatterhand met een bevestigend hoofdknikje. “Kent gij die soort van geweren?”“Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit.”“Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen.”“Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag doodslaat?”“Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn vuist. Wilt gij er van gediend zijn?”Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere sprong schielijk achteruit, en riep: “Dank u sir! dank u. Ik wil u veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn.”“Waar naar toe?”“Wij moeten naar Fort Mormon.”“Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen.”“Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat sir?”“Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van daar gaan wij naar de Book Mountains.”“Dan moet ik u waarschuwen sir!” zei de officier die nu een toon aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber van zijn korps stond.“Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?”“Voor de Roodhuiden.”“Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen opwekken.”“Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden.”“Zoo? Daarvan weten wij nog niets.”“Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand bij deRoodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen.”“Waarom dat?”“Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor ieder paard een ander, voor deandereverloren voorwerpen ineens een som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden en een geweer.”“Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?”“Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt.”“En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?”“Alles wat zij buitmaken.”Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde zijn hoofd, en zei: “Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!”“Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet dezelfde zijn.”“Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke beschaving, maar van haar verlangt, dat zij ineen ommezien tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn.Good b’ye, Sir!”Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is “Broeder Jonathan” aan het verstand te willen brengen dat hij geen grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder ergens medelijden te hebben gevonden.Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: “Daar ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, dan zullen wij er in vijf minuten zijn.”De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn metgezellen hem te volgen.Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, verloren geweest zijn.Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: “Hier is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben wij ook, zooals gij ziet.”Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij hier veilig waren.Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer in het midden.Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen overrompeling te vreezen had.Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand nam er een stuk van.“Hum!” bromde Hobble-Frank. “Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren.”“Maar ’t is geen hond!” zei Jemmy. “Gij hebt immers gehoord, dat dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een keffende stem heeft.”“Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien.”Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, en zei kauwende: “Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees dat er van die twee honden niet veel over zal blijven.”“Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren,” antwoordde Jemmy. “Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten.”“Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, ben ik voorshands alweer tevreden.”“Morpheus heet hij,” verbeterde Jemmy.“Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, en eet uw prairie-hond liever zonderpraatjesmakerij, die met een man van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, dan word ik allicht een beetje kitteloorig!”Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.“Wat denkt gij van dit spoor, Knox?” vroeg een der twee. “Zouden wij misschien Roodhuiden voor ons hebben?”“Neen,” antwoordde de andere zeer bepaald.“Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?”“De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander.”“En met hun hoeveel zijn zij?”“Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!”“Behalve wanneer het soldaten zijn.”“Pshaw!Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?”“Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen.”“Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust meer te maken.”“Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren.”“Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan als vanzelf.”“En waarin bestaat dat middel?”“Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons kunnenaansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt hebben om hun oorlogstuig op te graven.”“En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?”“Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen.”Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den roodharigen kornel.Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal aanhangers te werven. Dat warennatuurlijk allen menschen zonder middel van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder hen bevonden zich ook Knox en Hilton,de twee, die nu op het bosch aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La Veta over de RockyMountainsgaan, en de andere helft zou de richting naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, en de twee aanvoerders, Knox en Hilton,waren de eenigen, die het geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.“Dus, jagers, begrepen?” fluisterde Knox tegen Hilton.“Ja,” antwoordde deze. “Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan komen!”“Dan laat gij mij maar antwoorden.”Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het hoofd tot de voeten.“Good day, messieurs!” groette Knox. “Is het ons vergund, hier bij u een weinig uit te rusten?”“Ieder eerlijk man is ons welkom,” antwoordde Old Shatterhand, terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen hun paarden opnam.“Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt,” zei Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, goed doorstond.“Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb leeren kennen.”“Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven.”De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, werd dus zwijgend doorgebracht.De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door zijn waarschuwendehandbeweging tot de grootste stilte aanmaande, moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: “Er is hier een bleekgezicht geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken.”De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.“Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen,” sprak hij tot hen. “Dat zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven hier om de vastgebonden paarden te bewaken.Howgh!”Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde beteekenis als onze woorden: “Het zij zoo” of “basta” of “daarmee afgepraat!” Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte van de Indianen, was dat mogelijk.De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: “Nu hebben wij gegeten en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken.”“Ja,” merkte Jemmy aan. “Maar vóór alles dienen wij toch elkander te leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen.”“Juist!” zeide Knox, met een vriendelijkhoofdknikje. “Als ik vragen mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?”“Wij rijden naar de Elk-bergen.”“Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis gezamenlijk doen.”Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als hij den tijd daartoe gekomen achtte.“Dat vind ik niet kwaad,” antwoordde de dikke. “En waar wilt gij dan verder heen?”“Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers te zoeken.”“Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, beverjagers?”“Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton.”“Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik.”“Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er nietstegen, dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?”“Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden.”“Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?”“Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman rechts...”“Stellig den langen Davy?” viel Knox hem schielijk in de rede.“Juist! Dat hebt gij goed geraden.”“Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En die kleine master hier aan uw linkerhand?”“Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig genoeg blijken zal.”Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, en deze vervolgde: “En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken.”“Old Shatterhand?” riep Knox, met alle kenteekenen van aangename verrassing. “Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?”“Waarom zou dat niet waar zijn?” antwoordde de genoemde.“Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen doet, kennis met u te maken.”Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: “Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen.”Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet zag, en antwoordde ijskoud: “Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen.”“Waarom niet, sir?”“Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen genoegen kan doen kennis te maken.”“Hoe bedoelt ge dat?” vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door zulk een onverbloemd antwoord. “Ik houd het er voor, dat gij schertst, sir!”“Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers.”“Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen laten welgevallen?”“Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?”“Kent gij ons dan?”“Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn.”“Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?”“Waarom zou ik dat niet kunnen?”“Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?”“Pshaw!Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in ’s hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer is dat geweest?”“Vier dagen geleden.”“Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?”“Ja.”“Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen.”“Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien hebben.”“Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En nu verder: Waar hebt gij uw zadels?”“Die hebben ze ook gestolen.”“En het paardetuig?”“Dat ook.”“Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!” riep OldShatterhand, vol minachting lachende. “Dus gij hebt zadels en paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?”“Die hebben wij van een Roodhuid gekocht.”“En de paarden ook misschien?”“Neen,” antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen zou kunnen staande houden—die zou al te groot, al te onbeschaamd geweest zijn.“Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?”“Die hebben wij gekocht van Fort Dodge.”“Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet beslagen zijn?”“Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons verkocht heeft.”“Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!”“Wat dan?”“Gestolen!”“Sir?” riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte met de hand naar zijn gordel.“Laat de messen maar zitten, of ik slaubeiden neer als een paar kegelpoppen,” dreigde Old Shatterhand. “Of denkt gij, dat ik niet gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?”“Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel te vellen.”“Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft.”Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.“Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch gehouden,” zei hij. “Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, zullen wij opbreken.”Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: “Gij blijft hier!”“Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?”“Natuurlijk!”“Hebt gij dan iets over ons te zeggen?”“Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen.”“Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche dressuur!”Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en menkon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, als hij moeite deed om te schijnen.“Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur,” antwoordde de jager, “Dat uw paarden aan de Utah’s toebehoord hebben, blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?”Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht trok. Zij hieldennamelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.“Ja, wat kan dàt zijn?” riep ook Jemmy. “Er zijn Roodhuiden in de nabijheid.”Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: “Wij zijn omsingeld, stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen.”“Wat dan?” vroeg Davy. “Moeten wij ons verweren?”“Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!”Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.“Nu gauw de rots op!” gebood Old Shatterhand; “dààr zijn wij gedekt, hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten.” De kolossale steenmassa’s waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.Nu deed “de Groote Wolf” aan zich zelf de vraag, wat hij, in de gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, om met hen te beraadslagen.De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom staande, riep: “De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, en kunnen naar beneden komen.”Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: “Als de blanke mannen niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!” Daarop gaf Old Shatterhand nu ten antwoord: “Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?”“Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden geroofd hebben.”“Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen.”“Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!”“Neen.”“Ik geloof u niet.”“Wie zijt gij? Hoe is uw naam?”“Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs.”“Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen doen boeten.”“Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?”“Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe (= de doodende hand) genoemd.”De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de stem vanden Grooten Wolf zich weer hooren: “Het bleekgezicht wil ons wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt.”“Hoe dat zoo?” vroeg de jager.“Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed benomen, om u aan ons te vertoonen.”

ELFDE HOOFDSTUK.IN DE KLEM.Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder de aandacht trekken van ieder, die hen zag.Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die “berendooders” genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijnbroeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één been een weinig kreupel liep.Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal jaren geleden een lichtgrijze “cylinder” was geweest. Misschien had die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen beleefd hadden.De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet anders bekend, dan onder de namen “Lange Davy” en “Dikke Gemmy”. Die twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen en likken elkander te liefkoozen.Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: “Dus zullen wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog hier vandaan?”“Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen,” antwoordde de gevraagde.“Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt gij dat ook niet?”“Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden.”“O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, ga ik bepaald dood!”“Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen.”“Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?”“Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, en rijd met de anderen maar langzaam door.”“Zoo?” zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. “Hebtgijal iets in het oog?Ikzie nog niemendal.”Hij nam de teugels van Old Shatterhand’s paard, en reed met Davy en Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende stem genoemd worden.Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, namelijk, om dichterbij te komen.Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, en zei op een toon van bezorgdheid: “Heerejéminie! Wat zal ons nu overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!”“Belladonna, wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.“Zwijg!” gebood de kleine. “Belladonna beduidt niemendal. Het heet Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!”Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: “Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan zal ik u vriendelijk bedanken, sir!”“Waarom dat?”“Zulk spul lust ik niet.”“Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?”“Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen.”“Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?”“Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!” antwoordde Frank terwijl bij met zijn tong smakte; “òf ik dat gegeten heb! Dat’s een vleeschje voor koningen en prinsen!”“Zoo, vindt gij dat?” vroeg Old Shatterhand glimlachende.“Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen tweede bestaat.”“En duizenden trekken er den neus voor op!”“Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- en feestdagen gebraden sikjes.”“Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt.”“Lapijn? Wat is dat voor een ding?”“Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De eigenlijke naam is konijn.”“O, karniekl!A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!”“En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden zeggen.”“Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet.”“Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker als uw karniekl.”“Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!”“Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?”Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: het waren soldaten.Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een somberen blik, en vroeg: “Waar komt gijlieden vandaan, boys?”“Wel heb ik ooit!” prevelde Hobble-Frank. “Zullen wij ons nu met het woordboys(= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien dat wij tot den goeden stand behooren.”“Wat fluistert gij daar?” riep de luitenant op strengen toon. “Ik wil weten waar gij vandaan komt.”Frank, Jemmy en Davy keken naar OldShatterhand, wat die doen of zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: “Uit Leadville.”“En waar wilt gij naar toe?”“Naar de Elk Mountains.”“Dat is een leugen!”Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd op denzelfden bedaarden toon:“Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?”“Ja.”“Welke reden dan?”“Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort.”“Daarin vergist gij u.”“Ik vergis mij niet. Ik ken u.”“Zoo? Wie zijn wij dan?”“De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen.”“Ei! En als wij het nu eens niet doen?”“Dan neem ik u mee!”“En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?”“Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!”“Meent gij dat?” vroeg Old Shatterhand met een glimlachje.“Probeer dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!”Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur te geven.“Wat....” riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen naar zijn gordel grijpende. “Ik....”“Halt!” viel Old Shatterhand’s geweldige stem hem in de rede. “Hand weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!”In oogenblikken als dit—indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen hier het geval niet was—komt het er maar op aan, wie het eerst zijn wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in de hoogte.Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand’s doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: “Zoo! Wat denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?”“Schiet maar toe!” antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht was. “Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft.”“Pshaw!Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, metboyaanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: wij zijn geenboys, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten.”Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: “Hoe hebt gij het hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen?Weet gij wel, dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?”“De macht?” vroeg Old Shatterhand lachende. “Den lust, ja, dat begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog belachelijker zoudt maken dan daareven.”“Wacht! nu zal ik u wel.....”Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, nogmaals lachende, uitriep: “Spreek verder, sir: U wilde nog iets zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!”Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.“Wat ... (alweer met een vloek)!” schreeuwde de officier; doch hij waagde het niet een vinger te verroeren: “Wat begint gij nu? Laat mij los.”“Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te verbeelden. Voor zooveelman, als gij hier bij u hebt, zijn wij volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal.”Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: “Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?”“Neen!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. “Ik ken zoo min den persoon als zijn naam,” bromde de officier.“Dus niet?” zei de jager. “En toch ben ik overtuigd, dat gij ons kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak vóór u.”“Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel eens gehoord?”“Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?”“Juist!”“Pshaw!Dat geloof ik niet.”“Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan bewijzen dat het waar is.”“Old Shat.....!” riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in de keel blijven steken.Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één “O!” van verbazing dat over hun lippen kwam.“Ja, Old Shatterhand!” zei deze. “Kent gij dien naam?”“Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt gij.....gij die man zijn, sir?”Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op volgen: “Behold!Is dat niet een Henry-karabijn sir?’“Natuurlijk!” zei Old Shatterhand met een bevestigend hoofdknikje. “Kent gij die soort van geweren?”“Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit.”“Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen.”“Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag doodslaat?”“Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn vuist. Wilt gij er van gediend zijn?”Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere sprong schielijk achteruit, en riep: “Dank u sir! dank u. Ik wil u veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn.”“Waar naar toe?”“Wij moeten naar Fort Mormon.”“Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen.”“Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat sir?”“Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van daar gaan wij naar de Book Mountains.”“Dan moet ik u waarschuwen sir!” zei de officier die nu een toon aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber van zijn korps stond.“Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?”“Voor de Roodhuiden.”“Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen opwekken.”“Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden.”“Zoo? Daarvan weten wij nog niets.”“Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand bij deRoodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen.”“Waarom dat?”“Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor ieder paard een ander, voor deandereverloren voorwerpen ineens een som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden en een geweer.”“Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?”“Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt.”“En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?”“Alles wat zij buitmaken.”Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde zijn hoofd, en zei: “Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!”“Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet dezelfde zijn.”“Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke beschaving, maar van haar verlangt, dat zij ineen ommezien tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn.Good b’ye, Sir!”Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is “Broeder Jonathan” aan het verstand te willen brengen dat hij geen grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder ergens medelijden te hebben gevonden.Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: “Daar ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, dan zullen wij er in vijf minuten zijn.”De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn metgezellen hem te volgen.Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, verloren geweest zijn.Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: “Hier is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben wij ook, zooals gij ziet.”Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij hier veilig waren.Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer in het midden.Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen overrompeling te vreezen had.Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand nam er een stuk van.“Hum!” bromde Hobble-Frank. “Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren.”“Maar ’t is geen hond!” zei Jemmy. “Gij hebt immers gehoord, dat dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een keffende stem heeft.”“Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien.”Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, en zei kauwende: “Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees dat er van die twee honden niet veel over zal blijven.”“Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren,” antwoordde Jemmy. “Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten.”“Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, ben ik voorshands alweer tevreden.”“Morpheus heet hij,” verbeterde Jemmy.“Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, en eet uw prairie-hond liever zonderpraatjesmakerij, die met een man van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, dan word ik allicht een beetje kitteloorig!”Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.“Wat denkt gij van dit spoor, Knox?” vroeg een der twee. “Zouden wij misschien Roodhuiden voor ons hebben?”“Neen,” antwoordde de andere zeer bepaald.“Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?”“De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander.”“En met hun hoeveel zijn zij?”“Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!”“Behalve wanneer het soldaten zijn.”“Pshaw!Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?”“Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen.”“Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust meer te maken.”“Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren.”“Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan als vanzelf.”“En waarin bestaat dat middel?”“Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons kunnenaansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt hebben om hun oorlogstuig op te graven.”“En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?”“Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen.”Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den roodharigen kornel.Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal aanhangers te werven. Dat warennatuurlijk allen menschen zonder middel van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder hen bevonden zich ook Knox en Hilton,de twee, die nu op het bosch aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La Veta over de RockyMountainsgaan, en de andere helft zou de richting naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, en de twee aanvoerders, Knox en Hilton,waren de eenigen, die het geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.“Dus, jagers, begrepen?” fluisterde Knox tegen Hilton.“Ja,” antwoordde deze. “Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan komen!”“Dan laat gij mij maar antwoorden.”Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het hoofd tot de voeten.“Good day, messieurs!” groette Knox. “Is het ons vergund, hier bij u een weinig uit te rusten?”“Ieder eerlijk man is ons welkom,” antwoordde Old Shatterhand, terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen hun paarden opnam.“Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt,” zei Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, goed doorstond.“Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb leeren kennen.”“Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven.”De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, werd dus zwijgend doorgebracht.De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door zijn waarschuwendehandbeweging tot de grootste stilte aanmaande, moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: “Er is hier een bleekgezicht geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken.”De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.“Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen,” sprak hij tot hen. “Dat zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven hier om de vastgebonden paarden te bewaken.Howgh!”Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde beteekenis als onze woorden: “Het zij zoo” of “basta” of “daarmee afgepraat!” Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte van de Indianen, was dat mogelijk.De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: “Nu hebben wij gegeten en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken.”“Ja,” merkte Jemmy aan. “Maar vóór alles dienen wij toch elkander te leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen.”“Juist!” zeide Knox, met een vriendelijkhoofdknikje. “Als ik vragen mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?”“Wij rijden naar de Elk-bergen.”“Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis gezamenlijk doen.”Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als hij den tijd daartoe gekomen achtte.“Dat vind ik niet kwaad,” antwoordde de dikke. “En waar wilt gij dan verder heen?”“Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers te zoeken.”“Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, beverjagers?”“Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton.”“Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik.”“Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er nietstegen, dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?”“Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden.”“Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?”“Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman rechts...”“Stellig den langen Davy?” viel Knox hem schielijk in de rede.“Juist! Dat hebt gij goed geraden.”“Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En die kleine master hier aan uw linkerhand?”“Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig genoeg blijken zal.”Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, en deze vervolgde: “En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken.”“Old Shatterhand?” riep Knox, met alle kenteekenen van aangename verrassing. “Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?”“Waarom zou dat niet waar zijn?” antwoordde de genoemde.“Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen doet, kennis met u te maken.”Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: “Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen.”Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet zag, en antwoordde ijskoud: “Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen.”“Waarom niet, sir?”“Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen genoegen kan doen kennis te maken.”“Hoe bedoelt ge dat?” vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door zulk een onverbloemd antwoord. “Ik houd het er voor, dat gij schertst, sir!”“Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers.”“Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen laten welgevallen?”“Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?”“Kent gij ons dan?”“Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn.”“Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?”“Waarom zou ik dat niet kunnen?”“Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?”“Pshaw!Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in ’s hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer is dat geweest?”“Vier dagen geleden.”“Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?”“Ja.”“Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen.”“Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien hebben.”“Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En nu verder: Waar hebt gij uw zadels?”“Die hebben ze ook gestolen.”“En het paardetuig?”“Dat ook.”“Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!” riep OldShatterhand, vol minachting lachende. “Dus gij hebt zadels en paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?”“Die hebben wij van een Roodhuid gekocht.”“En de paarden ook misschien?”“Neen,” antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen zou kunnen staande houden—die zou al te groot, al te onbeschaamd geweest zijn.“Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?”“Die hebben wij gekocht van Fort Dodge.”“Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet beslagen zijn?”“Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons verkocht heeft.”“Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!”“Wat dan?”“Gestolen!”“Sir?” riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte met de hand naar zijn gordel.“Laat de messen maar zitten, of ik slaubeiden neer als een paar kegelpoppen,” dreigde Old Shatterhand. “Of denkt gij, dat ik niet gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?”“Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel te vellen.”“Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft.”Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.“Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch gehouden,” zei hij. “Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, zullen wij opbreken.”Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: “Gij blijft hier!”“Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?”“Natuurlijk!”“Hebt gij dan iets over ons te zeggen?”“Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen.”“Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche dressuur!”Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en menkon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, als hij moeite deed om te schijnen.“Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur,” antwoordde de jager, “Dat uw paarden aan de Utah’s toebehoord hebben, blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?”Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht trok. Zij hieldennamelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.“Ja, wat kan dàt zijn?” riep ook Jemmy. “Er zijn Roodhuiden in de nabijheid.”Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: “Wij zijn omsingeld, stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen.”“Wat dan?” vroeg Davy. “Moeten wij ons verweren?”“Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!”Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.“Nu gauw de rots op!” gebood Old Shatterhand; “dààr zijn wij gedekt, hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten.” De kolossale steenmassa’s waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.Nu deed “de Groote Wolf” aan zich zelf de vraag, wat hij, in de gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, om met hen te beraadslagen.De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom staande, riep: “De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, en kunnen naar beneden komen.”Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: “Als de blanke mannen niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!” Daarop gaf Old Shatterhand nu ten antwoord: “Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?”“Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden geroofd hebben.”“Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen.”“Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!”“Neen.”“Ik geloof u niet.”“Wie zijt gij? Hoe is uw naam?”“Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs.”“Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen doen boeten.”“Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?”“Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe (= de doodende hand) genoemd.”De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de stem vanden Grooten Wolf zich weer hooren: “Het bleekgezicht wil ons wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt.”“Hoe dat zoo?” vroeg de jager.“Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed benomen, om u aan ons te vertoonen.”

Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder de aandacht trekken van ieder, die hen zag.

Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die “berendooders” genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.

Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijnbroeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één been een weinig kreupel liep.

Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal jaren geleden een lichtgrijze “cylinder” was geweest. Misschien had die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen beleefd hadden.

De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.

Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet anders bekend, dan onder de namen “Lange Davy” en “Dikke Gemmy”. Die twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen en likken elkander te liefkoozen.

Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: “Dus zullen wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog hier vandaan?”

“Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen,” antwoordde de gevraagde.

“Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt gij dat ook niet?”

“Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden.”

“O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, ga ik bepaald dood!”

“Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen.”

“Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?”

“Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, en rijd met de anderen maar langzaam door.”

“Zoo?” zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. “Hebtgijal iets in het oog?Ikzie nog niemendal.”

Hij nam de teugels van Old Shatterhand’s paard, en reed met Davy en Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende stem genoemd worden.Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, namelijk, om dichterbij te komen.

Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, en zei op een toon van bezorgdheid: “Heerejéminie! Wat zal ons nu overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!”

“Belladonna, wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.

“Zwijg!” gebood de kleine. “Belladonna beduidt niemendal. Het heet Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!”

Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: “Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan zal ik u vriendelijk bedanken, sir!”

“Waarom dat?”

“Zulk spul lust ik niet.”

“Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?”

“Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen.”

“Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?”

“Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!” antwoordde Frank terwijl bij met zijn tong smakte; “òf ik dat gegeten heb! Dat’s een vleeschje voor koningen en prinsen!”

“Zoo, vindt gij dat?” vroeg Old Shatterhand glimlachende.

“Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen tweede bestaat.”

“En duizenden trekken er den neus voor op!”

“Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- en feestdagen gebraden sikjes.”

“Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt.”

“Lapijn? Wat is dat voor een ding?”

“Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De eigenlijke naam is konijn.”

“O, karniekl!A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!”

“En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden zeggen.”

“Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet.”

“Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker als uw karniekl.”

“Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!”

“Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?”

Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: het waren soldaten.

Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een somberen blik, en vroeg: “Waar komt gijlieden vandaan, boys?”

“Wel heb ik ooit!” prevelde Hobble-Frank. “Zullen wij ons nu met het woordboys(= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien dat wij tot den goeden stand behooren.”

“Wat fluistert gij daar?” riep de luitenant op strengen toon. “Ik wil weten waar gij vandaan komt.”

Frank, Jemmy en Davy keken naar OldShatterhand, wat die doen of zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: “Uit Leadville.”

“En waar wilt gij naar toe?”

“Naar de Elk Mountains.”

“Dat is een leugen!”

Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd op denzelfden bedaarden toon:

“Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?”

“Ja.”

“Welke reden dan?”

“Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort.”

“Daarin vergist gij u.”

“Ik vergis mij niet. Ik ken u.”

“Zoo? Wie zijn wij dan?”

“De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen.”

“Ei! En als wij het nu eens niet doen?”

“Dan neem ik u mee!”

“En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?”

“Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!”

“Meent gij dat?” vroeg Old Shatterhand met een glimlachje.“Probeer dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!”

Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur te geven.

“Wat....” riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen naar zijn gordel grijpende. “Ik....”

“Halt!” viel Old Shatterhand’s geweldige stem hem in de rede. “Hand weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!”

In oogenblikken als dit—indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen hier het geval niet was—komt het er maar op aan, wie het eerst zijn wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in de hoogte.

Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand’s doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: “Zoo! Wat denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?”

“Schiet maar toe!” antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht was. “Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft.”

“Pshaw!Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, metboyaanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: wij zijn geenboys, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten.”

Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: “Hoe hebt gij het hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen?Weet gij wel, dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?”

“De macht?” vroeg Old Shatterhand lachende. “Den lust, ja, dat begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog belachelijker zoudt maken dan daareven.”

“Wacht! nu zal ik u wel.....”

Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, nogmaals lachende, uitriep: “Spreek verder, sir: U wilde nog iets zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!”

Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.

“Wat ... (alweer met een vloek)!” schreeuwde de officier; doch hij waagde het niet een vinger te verroeren: “Wat begint gij nu? Laat mij los.”

“Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te verbeelden. Voor zooveelman, als gij hier bij u hebt, zijn wij volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal.”

Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: “Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?”

“Neen!” antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. “Ik ken zoo min den persoon als zijn naam,” bromde de officier.

“Dus niet?” zei de jager. “En toch ben ik overtuigd, dat gij ons kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak vóór u.”

“Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel eens gehoord?”

“Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?”

“Juist!”

“Pshaw!Dat geloof ik niet.”

“Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan bewijzen dat het waar is.”

“Old Shat.....!” riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in de keel blijven steken.

Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één “O!” van verbazing dat over hun lippen kwam.

“Ja, Old Shatterhand!” zei deze. “Kent gij dien naam?”

“Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt gij.....gij die man zijn, sir?”

Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op volgen: “Behold!Is dat niet een Henry-karabijn sir?’

“Natuurlijk!” zei Old Shatterhand met een bevestigend hoofdknikje. “Kent gij die soort van geweren?”

“Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit.”

“Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen.”

“Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag doodslaat?”

“Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn vuist. Wilt gij er van gediend zijn?”

Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere sprong schielijk achteruit, en riep: “Dank u sir! dank u. Ik wil u veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn.”

“Waar naar toe?”

“Wij moeten naar Fort Mormon.”

“Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen.”

“Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat sir?”

“Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van daar gaan wij naar de Book Mountains.”

“Dan moet ik u waarschuwen sir!” zei de officier die nu een toon aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber van zijn korps stond.

“Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?”

“Voor de Roodhuiden.”

“Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen opwekken.”

“Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden.”

“Zoo? Daarvan weten wij nog niets.”

“Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand bij deRoodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen.”

“Waarom dat?”

“Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor ieder paard een ander, voor deandereverloren voorwerpen ineens een som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden en een geweer.”

“Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?”

“Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt.”

“En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?”

“Alles wat zij buitmaken.”

Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde zijn hoofd, en zei: “Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!”

“Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet dezelfde zijn.”

“Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke beschaving, maar van haar verlangt, dat zij ineen ommezien tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn.Good b’ye, Sir!”

Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is “Broeder Jonathan” aan het verstand te willen brengen dat hij geen grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder ergens medelijden te hebben gevonden.

Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: “Daar ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, dan zullen wij er in vijf minuten zijn.”

De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn metgezellen hem te volgen.

Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, verloren geweest zijn.

Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: “Hier is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben wij ook, zooals gij ziet.”

Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij hier veilig waren.

Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer in het midden.

Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen overrompeling te vreezen had.

Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand nam er een stuk van.

“Hum!” bromde Hobble-Frank. “Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren.”

“Maar ’t is geen hond!” zei Jemmy. “Gij hebt immers gehoord, dat dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een keffende stem heeft.”

“Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien.”

Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, en zei kauwende: “Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees dat er van die twee honden niet veel over zal blijven.”

“Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren,” antwoordde Jemmy. “Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten.”

“Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, ben ik voorshands alweer tevreden.”

“Morpheus heet hij,” verbeterde Jemmy.

“Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, en eet uw prairie-hond liever zonderpraatjesmakerij, die met een man van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, dan word ik allicht een beetje kitteloorig!”

Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.

Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.

De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.

“Wat denkt gij van dit spoor, Knox?” vroeg een der twee. “Zouden wij misschien Roodhuiden voor ons hebben?”

“Neen,” antwoordde de andere zeer bepaald.

“Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?”

“De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander.”

“En met hun hoeveel zijn zij?”

“Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!”

“Behalve wanneer het soldaten zijn.”

“Pshaw!Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?”

“Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen.”

“Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust meer te maken.”

“Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren.”

“Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan als vanzelf.”

“En waarin bestaat dat middel?”

“Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons kunnenaansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt hebben om hun oorlogstuig op te graven.”

“En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?”

“Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen.”

Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den roodharigen kornel.

Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal aanhangers te werven. Dat warennatuurlijk allen menschen zonder middel van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder hen bevonden zich ook Knox en Hilton,de twee, die nu op het bosch aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La Veta over de RockyMountainsgaan, en de andere helft zou de richting naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, en de twee aanvoerders, Knox en Hilton,waren de eenigen, die het geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.

Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.

Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.

“Dus, jagers, begrepen?” fluisterde Knox tegen Hilton.

“Ja,” antwoordde deze. “Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan komen!”

“Dan laat gij mij maar antwoorden.”

Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het hoofd tot de voeten.

“Good day, messieurs!” groette Knox. “Is het ons vergund, hier bij u een weinig uit te rusten?”

“Ieder eerlijk man is ons welkom,” antwoordde Old Shatterhand, terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen hun paarden opnam.

“Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt,” zei Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, goed doorstond.

“Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb leeren kennen.”

“Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven.”

De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, werd dus zwijgend doorgebracht.

De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.

De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door zijn waarschuwendehandbeweging tot de grootste stilte aanmaande, moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: “Er is hier een bleekgezicht geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken.”

De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.

“Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen,” sprak hij tot hen. “Dat zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven hier om de vastgebonden paarden te bewaken.Howgh!”

Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde beteekenis als onze woorden: “Het zij zoo” of “basta” of “daarmee afgepraat!” Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.

Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte van de Indianen, was dat mogelijk.

De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: “Nu hebben wij gegeten en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken.”

“Ja,” merkte Jemmy aan. “Maar vóór alles dienen wij toch elkander te leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen.”

“Juist!” zeide Knox, met een vriendelijkhoofdknikje. “Als ik vragen mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?”

“Wij rijden naar de Elk-bergen.”

“Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis gezamenlijk doen.”

Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als hij den tijd daartoe gekomen achtte.

“Dat vind ik niet kwaad,” antwoordde de dikke. “En waar wilt gij dan verder heen?”

“Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers te zoeken.”

“Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, beverjagers?”

“Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton.”

“Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik.”

“Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er nietstegen, dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?”

“Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden.”

“Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?”

“Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman rechts...”

“Stellig den langen Davy?” viel Knox hem schielijk in de rede.

“Juist! Dat hebt gij goed geraden.”

“Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En die kleine master hier aan uw linkerhand?”

“Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig genoeg blijken zal.”

Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, en deze vervolgde: “En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken.”

“Old Shatterhand?” riep Knox, met alle kenteekenen van aangename verrassing. “Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?”

“Waarom zou dat niet waar zijn?” antwoordde de genoemde.

“Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen doet, kennis met u te maken.”

Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: “Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen.”

Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet zag, en antwoordde ijskoud: “Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen.”

“Waarom niet, sir?”

“Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen genoegen kan doen kennis te maken.”

“Hoe bedoelt ge dat?” vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door zulk een onverbloemd antwoord. “Ik houd het er voor, dat gij schertst, sir!”

“Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers.”

“Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen laten welgevallen?”

“Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?”

“Kent gij ons dan?”

“Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn.”

“Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?”

“Waarom zou ik dat niet kunnen?”

“Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?”

“Pshaw!Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in ’s hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer is dat geweest?”

“Vier dagen geleden.”

“Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?”

“Ja.”

“Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen.”

“Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien hebben.”

“Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En nu verder: Waar hebt gij uw zadels?”

“Die hebben ze ook gestolen.”

“En het paardetuig?”

“Dat ook.”

“Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!” riep OldShatterhand, vol minachting lachende. “Dus gij hebt zadels en paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?”

“Die hebben wij van een Roodhuid gekocht.”

“En de paarden ook misschien?”

“Neen,” antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen zou kunnen staande houden—die zou al te groot, al te onbeschaamd geweest zijn.

“Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?”

“Die hebben wij gekocht van Fort Dodge.”

“Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet beslagen zijn?”

“Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons verkocht heeft.”

“Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!”

“Wat dan?”

“Gestolen!”

“Sir?” riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte met de hand naar zijn gordel.

“Laat de messen maar zitten, of ik slaubeiden neer als een paar kegelpoppen,” dreigde Old Shatterhand. “Of denkt gij, dat ik niet gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?”

“Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel te vellen.”

“Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft.”

Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.

“Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch gehouden,” zei hij. “Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, zullen wij opbreken.”

Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: “Gij blijft hier!”

“Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?”

“Natuurlijk!”

“Hebt gij dan iets over ons te zeggen?”

“Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen.”

“Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche dressuur!”

Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en menkon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, als hij moeite deed om te schijnen.

“Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur,” antwoordde de jager, “Dat uw paarden aan de Utah’s toebehoord hebben, blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?”

Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht trok. Zij hieldennamelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.

“Ja, wat kan dàt zijn?” riep ook Jemmy. “Er zijn Roodhuiden in de nabijheid.”

Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: “Wij zijn omsingeld, stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen.”

“Wat dan?” vroeg Davy. “Moeten wij ons verweren?”

“Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!”

Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.

“Nu gauw de rots op!” gebood Old Shatterhand; “dààr zijn wij gedekt, hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten.” De kolossale steenmassa’s waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.

Nu deed “de Groote Wolf” aan zich zelf de vraag, wat hij, in de gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, om met hen te beraadslagen.

De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom staande, riep: “De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, en kunnen naar beneden komen.”

Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: “Als de blanke mannen niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!” Daarop gaf Old Shatterhand nu ten antwoord: “Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?”

“Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden geroofd hebben.”

“Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen.”

“Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!”

“Neen.”

“Ik geloof u niet.”

“Wie zijt gij? Hoe is uw naam?”

“Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs.”

“Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen doen boeten.”

“Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?”

“Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe (= de doodende hand) genoemd.”

De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de stem vanden Grooten Wolf zich weer hooren: “Het bleekgezicht wil ons wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt.”

“Hoe dat zoo?” vroeg de jager.

“Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed benomen, om u aan ons te vertoonen.”


Back to IndexNext