TWEEDE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.DE TRAMPS.“De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil—of juister gezegd ten gevolge—van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn.”Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid te vermelden de twistzoekendeloafersenrowdies, en dan ook de zoogenaamderunners, die het bij voorkeur op de aankomende landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen, ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars vormden, die slechts door het doortastende optreden van “Master Lynch” vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook dekukluxeskunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste landplaag ontwikkelden zich detrampsals vertegenwoordigers van het ruwste en brutaalste vagebondendom.Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden, duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen van den oogst, en werden daarom gewoonlijkharvesters(= daggelders tijdens den oogst) genoemd.De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid, en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den tuchtigenden arm der strafwet.Dietramps(= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedigop een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de “Dogfish”, zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg volstrekt niet overbodig waren.De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij, als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had gelachen, toen Tom den wonderlijken naam “Tante Droll” uitsprak. Maar nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord: “die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil; ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen.”“Waarom? Kent gij hem dan? Is ’t een man of een vrouw?” vroeg een hunner.“Een man, natuurlijk.”“Waarom dan die maskerade?”“Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel, maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime politie.”“Pshaw!Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier gelooven; maar dat hij eendetectieveis, dat geloof ik nooit!”“En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is eendetectieve, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en overleverde aan de galg—en wij waren toch over de veertig man sterk!”“Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn lijf kunnen steken!”“Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan met zijn slachtoffer, en dan opeens is het ‘kip, ik heb je!’ eer het mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!”“En kent hij u?”“Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens opgemerkt. Overigensis dat heel lang geleden, en in dien tijd ben ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let.”Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, wat eigenlijk zijn kostuum was.Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, die over zijn ooren hingen.Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, opdat hem toch niets ontgaan zou.Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders in de plaats te stellen,dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver gewapend.Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, en riep met haar schelle, dunne fluitstem: “Welkom, oude Tom! Welk een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?”Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: “Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik mijn rafters in de bosschen heb.”“Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine jongen, als het noodig is?”Deze vraag was tot den kapitein gericht.“Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij hebben wilt,” was het antwoord.“Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij kunnen hetlassoaltijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?”“Ja, wat graag!”“Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?”Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, en antwoordde: “Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp u vierkant over boord.”“Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, als gij trek hebt.”“Neen,” hernam de kapitein ontwijkend, “tegen dames moet men de wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier.”“Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, als het noodig is.”“Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor.”Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op een toon van verwondering: “Gij hadt die nuggets eens moeten zien, messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!” Dit zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter.“Die man moet een bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker is dan hij er uitziet.”Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, en hij sprak hem aan:“Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens gezien?”“Dat ik weet niet,” was het antwoord.“He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?”“Neen.”“In Fort-Sully ook niet?”“Dat ken ik niet eens.”“Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?”“Hoe zoo? Waarom?”“Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe hij heet.”“Wat dat betreft,” antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, “mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg zijn om u naar uw naam te vragen.”“He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten.”“Is dat bedoeld als een beleediging, sir?”“Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er volstrekt niet nieuwsgierig naar.”Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.“Dat iemand zoo iets durft tegen mij!” mompelde de roodbaard tandenknarsend. “En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!”“Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?” merkte een zijner volgelingen lachend op. “Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben met mijn vuist.”“En van een koude kermis thuisgekomen zijn!”“Pshaw!Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van spierkracht te verrichten.”“Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar zaak voor ons, alle opzien te vermijden.”Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, snelde toen naar hen toe, en riep uit: “Mira, el oso viejo y el oso mozo(= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!”Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.“Qué sorpresa, la tia Droll(= welk een verrassing, Tante Droll),” antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen hij nog op het vlot zat.“Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?” vroeg Droll, terwijl hij aan beiden de hand gaf.“Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben.”“Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders met hun naburen in vrede?”“Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat zij die niet weer behoeven op te graven.”“Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?”“Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid zou zijn; maar nu zal het wel langer duren.”“Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?”“Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger.”“Wie is dat?”“Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven.”“Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, en dat nog wel den Ouden Beer.”“Hij schijnt niet te weten, datikdat ben. Ik heb mijn naam genoemd in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, hem dien niet in het Engelsch te vertolken.”“Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders zijn dande naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten.”En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het hem verteld had, zei hij: “Ja, daar is het juist een jongen naar; hij is geen kind meer, maar een volwassen man.”“Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken.”“Ik heb hem eenige keeren ontmoet.”“Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande.”“De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen van ‘de zijnen’, en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel.”“Heeft hij u daarvan gesproken?”“Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man.”“Dat heb ik ook gezegd,” merkte Old Firehand aan. “Zooals ik de Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit lafhartigheid.”“Zoo?” vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd tot de voeten. “Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, dunkt mij, dan in de prairie.”“O wee, tante!” lachte Tom; “daar schiet gij een geweldigen bok. Raad eens wie deze sir is!”“Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, het mij liever te zeggen?”“Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is namelijk een van onze beroemdste Westmannen.”“Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?”“Ja.”“Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, dieevenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, bestaat er niet, voor zoover ik weet.”Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje hooren, dat als een op de klarinet geblazen, “hihihihi” klonk, en vervolgde toen: “Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?”“Ja, dat ben ik,” knikte de genoemde.“Egad?” vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. “Zijt gij inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar ... misschien is het toch maar fopperij?”“Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?” vroeg Old Firehand, en meteen pakte hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken volzinnen: “Zounds, sir! houdt gij mij voor den slinger van een klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, dat mijnsleepinggown(= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een eenvoudigetrapper(= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, dan zult gij die niet terugwijzen.”“Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij ons zoo kranig geïntroduceerd heeft.”“Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?”“Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt.”“O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer geweest ben.”“Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel degelijk opugemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen gelukken. Door hem te dooden,hebt gij in allen gevalle vele menschen het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader leeren kennen.”“Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon.”Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan gretig door hem voldaan werd.Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien kon, dat hij niet bijzonder in zijn “hummetje” was. Dit zag de kornel, die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.“Wat is er van uw verlangen, sir?” vroeg de zwarte, zoodra hij dichterbij gekomen was.“Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot densteward(= hofmeester; spreekt uit; ‘stjoerd’) wenden. Ik ben niet hier voor de passagiers.”Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.“Dat begrijp ik,” antwoordde de kornel. “Ik wilde u louter vragen, of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken.”“Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier dat naar een glas brandy gelijkt.”“Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten.”De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: “Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten.”“Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen.”“Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens ‘een ferm hapje’ van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over de brug komt met geld—damn!”“Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?”“Ja, louter op mij.”“Waarom?”“Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn dorstigheid van dag tot dag grooter wordt.”“Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te goed zult kunnen doen of niet.”“Hoe zoo dat?”“Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een dienst wilt doen?”“Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen.”“Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de rechte man wel voor wezen zult!”“Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man.”“Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden.”“Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er iets gebeurt dat niet in den haak is.”“Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen—niets anders, dan een beetje goed te luisteren.”“Waar? En bij wien?”“In het salon.”“Hum!” bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. “En dat waarom, sir?”“Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken.”—Hij schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een vertrouwelijken toon: “Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang.”“Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt.”“Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?”“Daar zit ik juist over te denken.”“Moogt gij in het salon komen?”“Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen.”“Zoek dan maar een of ander voorwendsel.”“Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, dat de moeite waard is.”“Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat langer kwansuis bezig kunt blijven?”“Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die zou ik schoon kunnen gaan maken.”“Zal dat geen argwaan geven?”“Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is.”“Maar dat is immersuwwerk niet?”“Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar die zal blij wezen als een ander het voor hem doet.”“Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?”“O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?”“Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie dollars kunt gij in elk geval rekenen.”“All right!Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, dan ga ik er dadelijk op uit.”Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: “Wij zijn arme tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn.”“Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!”“Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die gelegenheid geen partij te trekken.”“Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen.”“Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel van af hoe het dingaangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken.”“Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar niet iets op de mouw gespeld hebben.”“Pshaw!Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal.”Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.De “domme neger” scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, den Ouden en den Jongen Beer.“Wel,” vroeg de kornel met gespannen ongeduld, “hoe hebt gij het er afgebracht?”De gevraagde antwoordde mismoedig: “Ik heb mij alle moeite gegeven; maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van u zal krijgen dan de bedongen drie dollars.”“Hoe zoo dat?”“Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u schromelijk vergist, sir!”“Waarin dan?”“Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren gevraagd hebben op zijn boerderij.”“Wel nu nog mooier!” viel de kornel uit, op den toon van iemand, die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.“Het is zooals ik u zeg,” verzekerde de neger. “De reus is een beroemd jager en wil ver het gebergte in.”“Waarnaar toe?”“Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van hetgansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten.”“Wil hij alleen het gebergte in?”“Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem meegaan.”“Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren hebben?”“Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen.”“Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan de knapste ingenieur.”“Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler’s broeder, die een prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat brengen.”De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige ontdekking.“Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers,” merkte de kornel aan, op een onverschilligen toon. “Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?”“Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch heb ik het verstaan.”“Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren.”“Neen, neen, want ze zouden het niet vinden.”“Jongen het zijn zulke gewikste kerels.”“Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken.”“Weet gij dan waar?”“Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer geheimzinnig en bedekt, opdatikhet niet zien zou. Zoodra ik dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk zag alsof ik er bij zat.”“Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor staat—dat is algemeen bekend—ziet men zijn rechterzijde links en zijn linkerzijde rechts.”“Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, in het Westen een verloren man zou zijn.”“Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?”“Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas.”“O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, en draagt ook denzelfden naam.”“Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn.”“Waar zijn die dan?”“Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier—maar waar dat is, weet ik niet.”“Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel rafters zijn daar bijeen?”“Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men in de wildernis gaat reizen.”“Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk een jong meisje bij zich heeft.”“Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar besloten zijn vrouw en kind mee te nemen.”“Blokhuizen? Heeft hij dat gezegd?”“Ja.”“Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen weten wat eigenlijk hun doel daarmede is.”“Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei hem, dat hij dat later wel vernemen zou.”“Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij de plaats niet weet, waar zij naar toe willen.”“Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, naast elkander hebben.”“Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?”“Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de ingenieur;nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred.”“Wie is dat?”“De jongen, die de Tante meegebracht heeft.”“Is dat een zoon van Droll?”“Neen, voor zoover ik vermoeden kan.”“Hoe is zijn ‘van’, en wat is de reden dat hij met Droll meereist?”“Daar is geen woord over gesproken.”“Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?”“Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor u natuurlijk van geen belang.”“Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben als wij maar verlangen kunnen.”“Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er het slechts aan toe zijn, zijnwijnatuurlijk. Wij moeten, als wij ’s nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,”—hij wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen onder het dek—“nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken.”“Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de scheepskiel?” vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder belangstelde.“Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden.”“Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?”“Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te moeielijk.”“Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter.”“Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar hoe staat het nu met mijn dollars?”“Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, en dáárvoor wil ikuniet laten boeten. Hier zijn dus de drie dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons volstrekt niet gebaat heeft.”“Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen.”Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder in de schaduw van een groote baal liggen.De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten zijwaaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.“Gij kijkt mij nu aan om opheldering,” zei hij, terwijl er over zijn tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. “Negenduizend dollars aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer welkom zal zijn.”“Als wij het hebben,” zei degeen, die gewoon was voor de anderen het woord te doen.“Wij hebben het!”“Vooreerst nog in lang niet!”“Tut, tut! Alsikzeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!”“Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig worden?”“Ik zal het gaan halen.”“Uit de slaapkajuit?”“Ja.”“Gij zelf?”“Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan een ander over.”“En als gij gesnapt wordt?”“Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken.”“Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen aan het dansen.”“Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben wij de plaat gepoetst.”“Hoe dat?”“Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk.”“Moeten wij dan naar den wal zwemmen?”“Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever bijna niet zien kan.”“O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee booten? Is dat de bedoeling?”“Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk zouden maken.”“Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal ontdekt is.”“Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het scheepskiel-ruim?”“Dat kan ik niet weten.”“Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?”“Dat schijnt eengereedschapskistte zijn.”“Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en verscheideneboren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee—de boor en het scheepskiel-ruim—eens met elkaar in verband?’“Thunder-storm!Gij zult toch het schip niet lek willen boren?” riep de andere verbaasd.“Ja dat is juist wat ik van plan ben.”“En maken, dat wij allen verzuipen!”“Pshaw!Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan wal aan te leggen.”“O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?”“Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert.”“Maar als men het te laat pas ontdekt?”“Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijnwijal lang geblazen.”“Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men dient op alles bedacht te zijn.”“Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, zou alwetend zijn.’“Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren.”“Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, zonder die te betalen.”“Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?”“Allereerst naar de Blackbear-rivier!”“Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?”“Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te kunnen uitrusten.”“Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?”“Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden hebt. Van avond is er werk aanden winkel, en aan slapen valt niet te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond weer frisch en in staat om goed te marcheeren!”Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en dienochaan het lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide dames hen nog niet bedankt hadden.De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.“He—el bakh sjaj—bakh mateloe makiek(= nu zullen ze ons geld geven),” zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij hen aan zag komen.Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, en zei: “Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben.”Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: “Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; hij weten, dat ze waar zijn.”“Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij herinnert. Mag ik dat doen?”Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, met ettelijke teekens er op.“Ik u ook geven aandenken,” zeide hij. “Het is totem van Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, en gehoorzamen zijn totem.”Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en antwoordde: “Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die geschenken elkaar niet vergeten zouden.” Nu bedankte hem ook de moeder van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: “Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen aannemen? Ik verzoek hem dat.”Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als een kaars, en zeide: “De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!”Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij zei tegen Butler:“Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!”Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.“Toea enokh(= goede menschen)!” zeide de vader.“Toea-toea enokh(= zeer goede menschen)!” bevestigde de zoon. Dat waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die had hem de noodige voorlichtingverstrekt. Nu keerde hij terug naar zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: “Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?”“O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen bestaan.”“Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien.”Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.“Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?” vroeg Butler.“O ja,” knikte Old Firehand. “Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in deTonkawa-taalgeschreven, en luidt aldus:Sjakhe-i-kauvan-eelatan, hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden ‘oudere broeder’ zijn nog vereerender dan ‘broeder’. Het totem bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan het leven van verscheidene menschen afhangen.”De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te Fort Gibson tot aan den morgenstondwel wakker zou blijven. Van het dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, hoe Droll aan den zonderlingen naam “Tante” gekomen was. De gevraagde antwoordde: “Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll.”“Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?”“O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit ‘drool’), zooals ge weet. Vandaar die naam.”“En uw ware naam—is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister gehuld te willen houden?”“Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, die meer..... hoogere belangen raken.”“Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?”“Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch.”“Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag.”Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: “Ik heet.... Pampel.”“Wat, Pampel?” lachte Old Firehand. “Poëtisch klinkt het woord natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?”“Ja.”“En in de Vereenigde Staten geboren?”Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: “Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!”“Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?” riep Old Firehand. “Wie zou dàt gedacht hebben!”“Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?”“Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij.”“Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, zeg mij dan eens waar ik geboren ben?”“In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas (=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt.”“Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds zoo lang hier in het land ben.”Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen aan een fermensmoke(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old Firehand met de woorden: “Het speet mij geweldig, dat wij niet verder konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort na middernacht moeten wij weer op!”Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk niet meegerekend).Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep spreekt vanzelf.“Een verduivelde geschiedenis!” fluisterde hij tegen dengene, die naast hem lag. “Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat ons in den weg.”“Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?”.“Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort Gibson komen moeten we klaar zijn.”“Eerst haalt gij het geld natuurlijk.”“Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik wel hooren.”Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers verbranden.De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene zijde naar de andere. Eenige kleine colli’s vrachtgoed lagen ordeloos hier en daar.Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand—het blik, waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, ontving hij een fermenwaterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die eerst nog medenemen naar boven!Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.“Verduiveld!” dacht de dief: “dat is veel gemakkelijker gegaan, dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen.”Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om naar de zijnen terug tekruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; daar verbeeldde hij zich twee flauwphosphoresceerendestippen te zien, die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.“Wie is daar?” riep hij.“Ik, Nientropan-hawi!” luidde het antwoord.“O, de Indiaan! Ga toch slapen!”“Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij te gauw weg!”“Waarheen?”“Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest.”“Pshaw!Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!”“Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is.”De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.“Sir!” zeide deze, “ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt.”“Onzin!” lachte de officier.“Kom dan even hier, en overtuig u.”De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.“Hij wil geen alarm slaan,” fluisterde de kornel tegen de zijnen. “Maar kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden om aan te leggen.”Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar boven, om te zien wat er gaande was.“Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!” riep de kapitein hun toe. “Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan wal gaan.”Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis van den nacht verdwenen.Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog hield: “Waar is de plaats van deze boor, sir?”“Daar in de gereedschapskist,” antwoordde een matroos. “En van middag lag die er nog in.”“Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is.”Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: “Ik ben bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!”En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: “Ik weten, kornel heeft gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer drinken; en alles vertellen moeten.”Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.“Dat zijn Jonge Beer,” riep de Indiaan. “Ik hem achterna gestuurd kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn.”En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: “Daar wegroeien zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien naar overzijde.”Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning en een groot deel der passagiersantwoordden hen woedend. In de algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: “De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!”—Beiden hadden de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.Terwijl nu dedeckhands(= de manschap op het dek) een begin maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de lange reis was onderbroken.Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: “Er bestaat nog hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in ’s hemelsnaam met vrouw en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien.”“Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?”“Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen.”“Maar dat is immers gevaarlijk!”“Pshaw!Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor die tramps—want dat zijn ze stellig.”“En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever die som voorgoed kwijt zijn.”Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Blz.65.“Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden,en zoodra de dag aan den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?”“Ja,” antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.“O ja,” gaf ook Droll ten bescheid. “De kornel moet in onze handen vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!”

TWEEDE HOOFDSTUK.DE TRAMPS.“De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil—of juister gezegd ten gevolge—van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn.”Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid te vermelden de twistzoekendeloafersenrowdies, en dan ook de zoogenaamderunners, die het bij voorkeur op de aankomende landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen, ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars vormden, die slechts door het doortastende optreden van “Master Lynch” vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook dekukluxeskunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste landplaag ontwikkelden zich detrampsals vertegenwoordigers van het ruwste en brutaalste vagebondendom.Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden, duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen van den oogst, en werden daarom gewoonlijkharvesters(= daggelders tijdens den oogst) genoemd.De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid, en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den tuchtigenden arm der strafwet.Dietramps(= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedigop een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de “Dogfish”, zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg volstrekt niet overbodig waren.De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij, als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had gelachen, toen Tom den wonderlijken naam “Tante Droll” uitsprak. Maar nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord: “die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil; ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen.”“Waarom? Kent gij hem dan? Is ’t een man of een vrouw?” vroeg een hunner.“Een man, natuurlijk.”“Waarom dan die maskerade?”“Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel, maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime politie.”“Pshaw!Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier gelooven; maar dat hij eendetectieveis, dat geloof ik nooit!”“En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is eendetectieve, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en overleverde aan de galg—en wij waren toch over de veertig man sterk!”“Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn lijf kunnen steken!”“Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan met zijn slachtoffer, en dan opeens is het ‘kip, ik heb je!’ eer het mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!”“En kent hij u?”“Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens opgemerkt. Overigensis dat heel lang geleden, en in dien tijd ben ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let.”Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, wat eigenlijk zijn kostuum was.Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, die over zijn ooren hingen.Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, opdat hem toch niets ontgaan zou.Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders in de plaats te stellen,dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver gewapend.Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, en riep met haar schelle, dunne fluitstem: “Welkom, oude Tom! Welk een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?”Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: “Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik mijn rafters in de bosschen heb.”“Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine jongen, als het noodig is?”Deze vraag was tot den kapitein gericht.“Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij hebben wilt,” was het antwoord.“Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij kunnen hetlassoaltijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?”“Ja, wat graag!”“Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?”Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, en antwoordde: “Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp u vierkant over boord.”“Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, als gij trek hebt.”“Neen,” hernam de kapitein ontwijkend, “tegen dames moet men de wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier.”“Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, als het noodig is.”“Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor.”Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op een toon van verwondering: “Gij hadt die nuggets eens moeten zien, messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!” Dit zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter.“Die man moet een bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker is dan hij er uitziet.”Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, en hij sprak hem aan:“Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens gezien?”“Dat ik weet niet,” was het antwoord.“He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?”“Neen.”“In Fort-Sully ook niet?”“Dat ken ik niet eens.”“Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?”“Hoe zoo? Waarom?”“Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe hij heet.”“Wat dat betreft,” antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, “mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg zijn om u naar uw naam te vragen.”“He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten.”“Is dat bedoeld als een beleediging, sir?”“Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er volstrekt niet nieuwsgierig naar.”Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.“Dat iemand zoo iets durft tegen mij!” mompelde de roodbaard tandenknarsend. “En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!”“Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?” merkte een zijner volgelingen lachend op. “Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben met mijn vuist.”“En van een koude kermis thuisgekomen zijn!”“Pshaw!Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van spierkracht te verrichten.”“Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar zaak voor ons, alle opzien te vermijden.”Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, snelde toen naar hen toe, en riep uit: “Mira, el oso viejo y el oso mozo(= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!”Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.“Qué sorpresa, la tia Droll(= welk een verrassing, Tante Droll),” antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen hij nog op het vlot zat.“Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?” vroeg Droll, terwijl hij aan beiden de hand gaf.“Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben.”“Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders met hun naburen in vrede?”“Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat zij die niet weer behoeven op te graven.”“Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?”“Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid zou zijn; maar nu zal het wel langer duren.”“Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?”“Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger.”“Wie is dat?”“Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven.”“Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, en dat nog wel den Ouden Beer.”“Hij schijnt niet te weten, datikdat ben. Ik heb mijn naam genoemd in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, hem dien niet in het Engelsch te vertolken.”“Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders zijn dande naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten.”En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het hem verteld had, zei hij: “Ja, daar is het juist een jongen naar; hij is geen kind meer, maar een volwassen man.”“Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken.”“Ik heb hem eenige keeren ontmoet.”“Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande.”“De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen van ‘de zijnen’, en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel.”“Heeft hij u daarvan gesproken?”“Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man.”“Dat heb ik ook gezegd,” merkte Old Firehand aan. “Zooals ik de Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit lafhartigheid.”“Zoo?” vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd tot de voeten. “Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, dunkt mij, dan in de prairie.”“O wee, tante!” lachte Tom; “daar schiet gij een geweldigen bok. Raad eens wie deze sir is!”“Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, het mij liever te zeggen?”“Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is namelijk een van onze beroemdste Westmannen.”“Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?”“Ja.”“Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, dieevenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, bestaat er niet, voor zoover ik weet.”Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje hooren, dat als een op de klarinet geblazen, “hihihihi” klonk, en vervolgde toen: “Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?”“Ja, dat ben ik,” knikte de genoemde.“Egad?” vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. “Zijt gij inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar ... misschien is het toch maar fopperij?”“Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?” vroeg Old Firehand, en meteen pakte hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken volzinnen: “Zounds, sir! houdt gij mij voor den slinger van een klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, dat mijnsleepinggown(= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een eenvoudigetrapper(= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, dan zult gij die niet terugwijzen.”“Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij ons zoo kranig geïntroduceerd heeft.”“Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?”“Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt.”“O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer geweest ben.”“Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel degelijk opugemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen gelukken. Door hem te dooden,hebt gij in allen gevalle vele menschen het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader leeren kennen.”“Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon.”Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan gretig door hem voldaan werd.Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien kon, dat hij niet bijzonder in zijn “hummetje” was. Dit zag de kornel, die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.“Wat is er van uw verlangen, sir?” vroeg de zwarte, zoodra hij dichterbij gekomen was.“Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot densteward(= hofmeester; spreekt uit; ‘stjoerd’) wenden. Ik ben niet hier voor de passagiers.”Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.“Dat begrijp ik,” antwoordde de kornel. “Ik wilde u louter vragen, of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken.”“Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier dat naar een glas brandy gelijkt.”“Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten.”De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: “Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten.”“Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen.”“Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens ‘een ferm hapje’ van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over de brug komt met geld—damn!”“Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?”“Ja, louter op mij.”“Waarom?”“Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn dorstigheid van dag tot dag grooter wordt.”“Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te goed zult kunnen doen of niet.”“Hoe zoo dat?”“Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een dienst wilt doen?”“Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen.”“Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de rechte man wel voor wezen zult!”“Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man.”“Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden.”“Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er iets gebeurt dat niet in den haak is.”“Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen—niets anders, dan een beetje goed te luisteren.”“Waar? En bij wien?”“In het salon.”“Hum!” bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. “En dat waarom, sir?”“Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken.”—Hij schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een vertrouwelijken toon: “Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang.”“Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt.”“Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?”“Daar zit ik juist over te denken.”“Moogt gij in het salon komen?”“Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen.”“Zoek dan maar een of ander voorwendsel.”“Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, dat de moeite waard is.”“Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat langer kwansuis bezig kunt blijven?”“Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die zou ik schoon kunnen gaan maken.”“Zal dat geen argwaan geven?”“Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is.”“Maar dat is immersuwwerk niet?”“Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar die zal blij wezen als een ander het voor hem doet.”“Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?”“O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?”“Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie dollars kunt gij in elk geval rekenen.”“All right!Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, dan ga ik er dadelijk op uit.”Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: “Wij zijn arme tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn.”“Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!”“Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die gelegenheid geen partij te trekken.”“Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen.”“Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel van af hoe het dingaangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken.”“Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar niet iets op de mouw gespeld hebben.”“Pshaw!Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal.”Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.De “domme neger” scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, den Ouden en den Jongen Beer.“Wel,” vroeg de kornel met gespannen ongeduld, “hoe hebt gij het er afgebracht?”De gevraagde antwoordde mismoedig: “Ik heb mij alle moeite gegeven; maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van u zal krijgen dan de bedongen drie dollars.”“Hoe zoo dat?”“Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u schromelijk vergist, sir!”“Waarin dan?”“Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren gevraagd hebben op zijn boerderij.”“Wel nu nog mooier!” viel de kornel uit, op den toon van iemand, die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.“Het is zooals ik u zeg,” verzekerde de neger. “De reus is een beroemd jager en wil ver het gebergte in.”“Waarnaar toe?”“Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van hetgansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten.”“Wil hij alleen het gebergte in?”“Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem meegaan.”“Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren hebben?”“Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen.”“Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan de knapste ingenieur.”“Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler’s broeder, die een prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat brengen.”De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige ontdekking.“Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers,” merkte de kornel aan, op een onverschilligen toon. “Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?”“Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch heb ik het verstaan.”“Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren.”“Neen, neen, want ze zouden het niet vinden.”“Jongen het zijn zulke gewikste kerels.”“Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken.”“Weet gij dan waar?”“Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer geheimzinnig en bedekt, opdatikhet niet zien zou. Zoodra ik dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk zag alsof ik er bij zat.”“Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor staat—dat is algemeen bekend—ziet men zijn rechterzijde links en zijn linkerzijde rechts.”“Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, in het Westen een verloren man zou zijn.”“Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?”“Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas.”“O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, en draagt ook denzelfden naam.”“Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn.”“Waar zijn die dan?”“Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier—maar waar dat is, weet ik niet.”“Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel rafters zijn daar bijeen?”“Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men in de wildernis gaat reizen.”“Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk een jong meisje bij zich heeft.”“Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar besloten zijn vrouw en kind mee te nemen.”“Blokhuizen? Heeft hij dat gezegd?”“Ja.”“Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen weten wat eigenlijk hun doel daarmede is.”“Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei hem, dat hij dat later wel vernemen zou.”“Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij de plaats niet weet, waar zij naar toe willen.”“Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, naast elkander hebben.”“Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?”“Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de ingenieur;nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred.”“Wie is dat?”“De jongen, die de Tante meegebracht heeft.”“Is dat een zoon van Droll?”“Neen, voor zoover ik vermoeden kan.”“Hoe is zijn ‘van’, en wat is de reden dat hij met Droll meereist?”“Daar is geen woord over gesproken.”“Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?”“Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor u natuurlijk van geen belang.”“Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben als wij maar verlangen kunnen.”“Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er het slechts aan toe zijn, zijnwijnatuurlijk. Wij moeten, als wij ’s nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,”—hij wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen onder het dek—“nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken.”“Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de scheepskiel?” vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder belangstelde.“Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden.”“Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?”“Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te moeielijk.”“Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter.”“Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar hoe staat het nu met mijn dollars?”“Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, en dáárvoor wil ikuniet laten boeten. Hier zijn dus de drie dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons volstrekt niet gebaat heeft.”“Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen.”Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder in de schaduw van een groote baal liggen.De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten zijwaaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.“Gij kijkt mij nu aan om opheldering,” zei hij, terwijl er over zijn tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. “Negenduizend dollars aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer welkom zal zijn.”“Als wij het hebben,” zei degeen, die gewoon was voor de anderen het woord te doen.“Wij hebben het!”“Vooreerst nog in lang niet!”“Tut, tut! Alsikzeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!”“Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig worden?”“Ik zal het gaan halen.”“Uit de slaapkajuit?”“Ja.”“Gij zelf?”“Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan een ander over.”“En als gij gesnapt wordt?”“Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken.”“Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen aan het dansen.”“Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben wij de plaat gepoetst.”“Hoe dat?”“Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk.”“Moeten wij dan naar den wal zwemmen?”“Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever bijna niet zien kan.”“O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee booten? Is dat de bedoeling?”“Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk zouden maken.”“Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal ontdekt is.”“Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het scheepskiel-ruim?”“Dat kan ik niet weten.”“Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?”“Dat schijnt eengereedschapskistte zijn.”“Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en verscheideneboren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee—de boor en het scheepskiel-ruim—eens met elkaar in verband?’“Thunder-storm!Gij zult toch het schip niet lek willen boren?” riep de andere verbaasd.“Ja dat is juist wat ik van plan ben.”“En maken, dat wij allen verzuipen!”“Pshaw!Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan wal aan te leggen.”“O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?”“Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert.”“Maar als men het te laat pas ontdekt?”“Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijnwijal lang geblazen.”“Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men dient op alles bedacht te zijn.”“Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, zou alwetend zijn.’“Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren.”“Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, zonder die te betalen.”“Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?”“Allereerst naar de Blackbear-rivier!”“Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?”“Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te kunnen uitrusten.”“Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?”“Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden hebt. Van avond is er werk aanden winkel, en aan slapen valt niet te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond weer frisch en in staat om goed te marcheeren!”Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en dienochaan het lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide dames hen nog niet bedankt hadden.De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.“He—el bakh sjaj—bakh mateloe makiek(= nu zullen ze ons geld geven),” zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij hen aan zag komen.Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, en zei: “Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben.”Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: “Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; hij weten, dat ze waar zijn.”“Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij herinnert. Mag ik dat doen?”Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, met ettelijke teekens er op.“Ik u ook geven aandenken,” zeide hij. “Het is totem van Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, en gehoorzamen zijn totem.”Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en antwoordde: “Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die geschenken elkaar niet vergeten zouden.” Nu bedankte hem ook de moeder van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: “Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen aannemen? Ik verzoek hem dat.”Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als een kaars, en zeide: “De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!”Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij zei tegen Butler:“Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!”Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.“Toea enokh(= goede menschen)!” zeide de vader.“Toea-toea enokh(= zeer goede menschen)!” bevestigde de zoon. Dat waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die had hem de noodige voorlichtingverstrekt. Nu keerde hij terug naar zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: “Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?”“O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen bestaan.”“Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien.”Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.“Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?” vroeg Butler.“O ja,” knikte Old Firehand. “Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in deTonkawa-taalgeschreven, en luidt aldus:Sjakhe-i-kauvan-eelatan, hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden ‘oudere broeder’ zijn nog vereerender dan ‘broeder’. Het totem bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan het leven van verscheidene menschen afhangen.”De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te Fort Gibson tot aan den morgenstondwel wakker zou blijven. Van het dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, hoe Droll aan den zonderlingen naam “Tante” gekomen was. De gevraagde antwoordde: “Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll.”“Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?”“O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit ‘drool’), zooals ge weet. Vandaar die naam.”“En uw ware naam—is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister gehuld te willen houden?”“Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, die meer..... hoogere belangen raken.”“Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?”“Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch.”“Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag.”Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: “Ik heet.... Pampel.”“Wat, Pampel?” lachte Old Firehand. “Poëtisch klinkt het woord natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?”“Ja.”“En in de Vereenigde Staten geboren?”Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: “Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!”“Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?” riep Old Firehand. “Wie zou dàt gedacht hebben!”“Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?”“Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij.”“Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, zeg mij dan eens waar ik geboren ben?”“In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas (=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt.”“Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds zoo lang hier in het land ben.”Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen aan een fermensmoke(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old Firehand met de woorden: “Het speet mij geweldig, dat wij niet verder konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort na middernacht moeten wij weer op!”Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk niet meegerekend).Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep spreekt vanzelf.“Een verduivelde geschiedenis!” fluisterde hij tegen dengene, die naast hem lag. “Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat ons in den weg.”“Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?”.“Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort Gibson komen moeten we klaar zijn.”“Eerst haalt gij het geld natuurlijk.”“Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik wel hooren.”Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers verbranden.De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene zijde naar de andere. Eenige kleine colli’s vrachtgoed lagen ordeloos hier en daar.Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand—het blik, waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, ontving hij een fermenwaterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die eerst nog medenemen naar boven!Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.“Verduiveld!” dacht de dief: “dat is veel gemakkelijker gegaan, dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen.”Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om naar de zijnen terug tekruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; daar verbeeldde hij zich twee flauwphosphoresceerendestippen te zien, die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.“Wie is daar?” riep hij.“Ik, Nientropan-hawi!” luidde het antwoord.“O, de Indiaan! Ga toch slapen!”“Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij te gauw weg!”“Waarheen?”“Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest.”“Pshaw!Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!”“Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is.”De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.“Sir!” zeide deze, “ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt.”“Onzin!” lachte de officier.“Kom dan even hier, en overtuig u.”De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.“Hij wil geen alarm slaan,” fluisterde de kornel tegen de zijnen. “Maar kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden om aan te leggen.”Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar boven, om te zien wat er gaande was.“Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!” riep de kapitein hun toe. “Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan wal gaan.”Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis van den nacht verdwenen.Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog hield: “Waar is de plaats van deze boor, sir?”“Daar in de gereedschapskist,” antwoordde een matroos. “En van middag lag die er nog in.”“Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is.”Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: “Ik ben bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!”En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: “Ik weten, kornel heeft gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer drinken; en alles vertellen moeten.”Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.“Dat zijn Jonge Beer,” riep de Indiaan. “Ik hem achterna gestuurd kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn.”En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: “Daar wegroeien zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien naar overzijde.”Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning en een groot deel der passagiersantwoordden hen woedend. In de algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: “De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!”—Beiden hadden de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.Terwijl nu dedeckhands(= de manschap op het dek) een begin maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de lange reis was onderbroken.Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: “Er bestaat nog hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in ’s hemelsnaam met vrouw en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien.”“Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?”“Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen.”“Maar dat is immers gevaarlijk!”“Pshaw!Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor die tramps—want dat zijn ze stellig.”“En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever die som voorgoed kwijt zijn.”Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Blz.65.“Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden,en zoodra de dag aan den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?”“Ja,” antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.“O ja,” gaf ook Droll ten bescheid. “De kornel moet in onze handen vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!”

“De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil—of juister gezegd ten gevolge—van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn.”

Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid te vermelden de twistzoekendeloafersenrowdies, en dan ook de zoogenaamderunners, die het bij voorkeur op de aankomende landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen, ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars vormden, die slechts door het doortastende optreden van “Master Lynch” vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook dekukluxeskunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste landplaag ontwikkelden zich detrampsals vertegenwoordigers van het ruwste en brutaalste vagebondendom.

Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden, duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen van den oogst, en werden daarom gewoonlijkharvesters(= daggelders tijdens den oogst) genoemd.

De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid, en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den tuchtigenden arm der strafwet.

Dietramps(= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedigop een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.

Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de “Dogfish”, zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg volstrekt niet overbodig waren.

De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij, als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had gelachen, toen Tom den wonderlijken naam “Tante Droll” uitsprak. Maar nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord: “die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil; ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen.”

“Waarom? Kent gij hem dan? Is ’t een man of een vrouw?” vroeg een hunner.

“Een man, natuurlijk.”

“Waarom dan die maskerade?”

“Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel, maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime politie.”

“Pshaw!Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier gelooven; maar dat hij eendetectieveis, dat geloof ik nooit!”

“En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is eendetectieve, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en overleverde aan de galg—en wij waren toch over de veertig man sterk!”

“Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn lijf kunnen steken!”

“Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan met zijn slachtoffer, en dan opeens is het ‘kip, ik heb je!’ eer het mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!”

“En kent hij u?”

“Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens opgemerkt. Overigensis dat heel lang geleden, en in dien tijd ben ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let.”

Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, wat eigenlijk zijn kostuum was.

Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, die over zijn ooren hingen.

Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.

De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, opdat hem toch niets ontgaan zou.

Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders in de plaats te stellen,dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.

In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.

De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver gewapend.

Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, en riep met haar schelle, dunne fluitstem: “Welkom, oude Tom! Welk een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?”

Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: “Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik mijn rafters in de bosschen heb.”

“Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine jongen, als het noodig is?”

Deze vraag was tot den kapitein gericht.

“Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij hebben wilt,” was het antwoord.

“Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij kunnen hetlassoaltijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?”

“Ja, wat graag!”

“Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?”

Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, en antwoordde: “Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp u vierkant over boord.”

“Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, als gij trek hebt.”

“Neen,” hernam de kapitein ontwijkend, “tegen dames moet men de wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier.”

“Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, als het noodig is.”

“Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor.”

Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op een toon van verwondering: “Gij hadt die nuggets eens moeten zien, messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!” Dit zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter.“Die man moet een bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker is dan hij er uitziet.”

Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, en hij sprak hem aan:

“Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens gezien?”

“Dat ik weet niet,” was het antwoord.

“He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?”

“Neen.”

“In Fort-Sully ook niet?”

“Dat ken ik niet eens.”

“Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?”

“Hoe zoo? Waarom?”

“Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe hij heet.”

“Wat dat betreft,” antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, “mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg zijn om u naar uw naam te vragen.”

“He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten.”

“Is dat bedoeld als een beleediging, sir?”

“Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er volstrekt niet nieuwsgierig naar.”

Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.

“Dat iemand zoo iets durft tegen mij!” mompelde de roodbaard tandenknarsend. “En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!”

“Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?” merkte een zijner volgelingen lachend op. “Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben met mijn vuist.”

“En van een koude kermis thuisgekomen zijn!”

“Pshaw!Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van spierkracht te verrichten.”

“Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar zaak voor ons, alle opzien te vermijden.”

Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, snelde toen naar hen toe, en riep uit: “Mira, el oso viejo y el oso mozo(= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!”

Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.

“Qué sorpresa, la tia Droll(= welk een verrassing, Tante Droll),” antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen hij nog op het vlot zat.

“Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?” vroeg Droll, terwijl hij aan beiden de hand gaf.

“Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben.”

“Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders met hun naburen in vrede?”

“Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat zij die niet weer behoeven op te graven.”

“Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?”

“Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid zou zijn; maar nu zal het wel langer duren.”

“Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?”

“Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger.”

“Wie is dat?”

“Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven.”

“Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, en dat nog wel den Ouden Beer.”

“Hij schijnt niet te weten, datikdat ben. Ik heb mijn naam genoemd in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, hem dien niet in het Engelsch te vertolken.”

“Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders zijn dande naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten.”

En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het hem verteld had, zei hij: “Ja, daar is het juist een jongen naar; hij is geen kind meer, maar een volwassen man.”

“Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken.”

“Ik heb hem eenige keeren ontmoet.”

“Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande.”

“De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen van ‘de zijnen’, en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel.”

“Heeft hij u daarvan gesproken?”

“Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man.”

“Dat heb ik ook gezegd,” merkte Old Firehand aan. “Zooals ik de Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit lafhartigheid.”

“Zoo?” vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd tot de voeten. “Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, dunkt mij, dan in de prairie.”

“O wee, tante!” lachte Tom; “daar schiet gij een geweldigen bok. Raad eens wie deze sir is!”

“Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, het mij liever te zeggen?”

“Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is namelijk een van onze beroemdste Westmannen.”

“Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?”

“Ja.”

“Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, dieevenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, bestaat er niet, voor zoover ik weet.”

Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje hooren, dat als een op de klarinet geblazen, “hihihihi” klonk, en vervolgde toen: “Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?”

“Ja, dat ben ik,” knikte de genoemde.

“Egad?” vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. “Zijt gij inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar ... misschien is het toch maar fopperij?”

“Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?” vroeg Old Firehand, en meteen pakte hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.

Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken volzinnen: “Zounds, sir! houdt gij mij voor den slinger van een klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, dat mijnsleepinggown(= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een eenvoudigetrapper(= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, dan zult gij die niet terugwijzen.”

“Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij ons zoo kranig geïntroduceerd heeft.”

“Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?”

“Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt.”

“O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer geweest ben.”

“Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel degelijk opugemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen gelukken. Door hem te dooden,hebt gij in allen gevalle vele menschen het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader leeren kennen.”

“Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon.”

Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan gretig door hem voldaan werd.

Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien kon, dat hij niet bijzonder in zijn “hummetje” was. Dit zag de kornel, die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.

“Wat is er van uw verlangen, sir?” vroeg de zwarte, zoodra hij dichterbij gekomen was.“Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot densteward(= hofmeester; spreekt uit; ‘stjoerd’) wenden. Ik ben niet hier voor de passagiers.”

Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.

“Dat begrijp ik,” antwoordde de kornel. “Ik wilde u louter vragen, of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken.”

“Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier dat naar een glas brandy gelijkt.”

“Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten.”

De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: “Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten.”

“Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen.”

“Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens ‘een ferm hapje’ van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over de brug komt met geld—damn!”

“Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?”

“Ja, louter op mij.”

“Waarom?”

“Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn dorstigheid van dag tot dag grooter wordt.”

“Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te goed zult kunnen doen of niet.”

“Hoe zoo dat?”

“Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een dienst wilt doen?”

“Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen.”

“Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de rechte man wel voor wezen zult!”

“Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man.”

“Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden.”

“Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er iets gebeurt dat niet in den haak is.”

“Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen—niets anders, dan een beetje goed te luisteren.”

“Waar? En bij wien?”

“In het salon.”

“Hum!” bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. “En dat waarom, sir?”

“Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken.”—Hij schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een vertrouwelijken toon: “Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang.”

“Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt.”

“Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?”

“Daar zit ik juist over te denken.”

“Moogt gij in het salon komen?”

“Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen.”

“Zoek dan maar een of ander voorwendsel.”

“Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, dat de moeite waard is.”

“Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat langer kwansuis bezig kunt blijven?”

“Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die zou ik schoon kunnen gaan maken.”

“Zal dat geen argwaan geven?”

“Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is.”

“Maar dat is immersuwwerk niet?”

“Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar die zal blij wezen als een ander het voor hem doet.”

“Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?”

“O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?”

“Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie dollars kunt gij in elk geval rekenen.”

“All right!Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, dan ga ik er dadelijk op uit.”

Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: “Wij zijn arme tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn.”

“Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!”

“Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die gelegenheid geen partij te trekken.”

“Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen.”

“Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel van af hoe het dingaangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken.”

“Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar niet iets op de mouw gespeld hebben.”

“Pshaw!Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal.”

Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.

De “domme neger” scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, den Ouden en den Jongen Beer.

“Wel,” vroeg de kornel met gespannen ongeduld, “hoe hebt gij het er afgebracht?”

De gevraagde antwoordde mismoedig: “Ik heb mij alle moeite gegeven; maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van u zal krijgen dan de bedongen drie dollars.”

“Hoe zoo dat?”

“Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u schromelijk vergist, sir!”

“Waarin dan?”

“Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren gevraagd hebben op zijn boerderij.”

“Wel nu nog mooier!” viel de kornel uit, op den toon van iemand, die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.

“Het is zooals ik u zeg,” verzekerde de neger. “De reus is een beroemd jager en wil ver het gebergte in.”

“Waarnaar toe?”

“Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van hetgansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten.”

“Wil hij alleen het gebergte in?”

“Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem meegaan.”

“Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren hebben?”

“Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen.”

“Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan de knapste ingenieur.”

“Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler’s broeder, die een prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat brengen.”

De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige ontdekking.

“Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers,” merkte de kornel aan, op een onverschilligen toon. “Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?”

“Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch heb ik het verstaan.”

“Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren.”

“Neen, neen, want ze zouden het niet vinden.”

“Jongen het zijn zulke gewikste kerels.”

“Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken.”

“Weet gij dan waar?”

“Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer geheimzinnig en bedekt, opdatikhet niet zien zou. Zoodra ik dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk zag alsof ik er bij zat.”

“Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor staat—dat is algemeen bekend—ziet men zijn rechterzijde links en zijn linkerzijde rechts.”

“Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, in het Westen een verloren man zou zijn.”

“Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?”

“Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas.”

“O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, en draagt ook denzelfden naam.”

“Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn.”

“Waar zijn die dan?”

“Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier—maar waar dat is, weet ik niet.”

“Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel rafters zijn daar bijeen?”

“Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men in de wildernis gaat reizen.”

“Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk een jong meisje bij zich heeft.”

“Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar besloten zijn vrouw en kind mee te nemen.”

“Blokhuizen? Heeft hij dat gezegd?”

“Ja.”

“Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen weten wat eigenlijk hun doel daarmede is.”

“Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei hem, dat hij dat later wel vernemen zou.”

“Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij de plaats niet weet, waar zij naar toe willen.”

“Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, naast elkander hebben.”

“Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?”

“Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de ingenieur;nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred.”

“Wie is dat?”

“De jongen, die de Tante meegebracht heeft.”

“Is dat een zoon van Droll?”

“Neen, voor zoover ik vermoeden kan.”

“Hoe is zijn ‘van’, en wat is de reden dat hij met Droll meereist?”

“Daar is geen woord over gesproken.”

“Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?”

“Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor u natuurlijk van geen belang.”

“Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben als wij maar verlangen kunnen.”

“Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er het slechts aan toe zijn, zijnwijnatuurlijk. Wij moeten, als wij ’s nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,”—hij wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen onder het dek—“nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken.”

“Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de scheepskiel?” vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder belangstelde.

“Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden.”

“Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?”

“Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te moeielijk.”

“Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter.”

“Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar hoe staat het nu met mijn dollars?”

“Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, en dáárvoor wil ikuniet laten boeten. Hier zijn dus de drie dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons volstrekt niet gebaat heeft.”

“Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen.”

Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder in de schaduw van een groote baal liggen.

De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten zijwaaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.

“Gij kijkt mij nu aan om opheldering,” zei hij, terwijl er over zijn tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. “Negenduizend dollars aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer welkom zal zijn.”

“Als wij het hebben,” zei degeen, die gewoon was voor de anderen het woord te doen.

“Wij hebben het!”

“Vooreerst nog in lang niet!”

“Tut, tut! Alsikzeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!”

“Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig worden?”

“Ik zal het gaan halen.”

“Uit de slaapkajuit?”

“Ja.”

“Gij zelf?”

“Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan een ander over.”

“En als gij gesnapt wordt?”

“Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken.”

“Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen aan het dansen.”

“Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben wij de plaat gepoetst.”

“Hoe dat?”

“Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk.”

“Moeten wij dan naar den wal zwemmen?”

“Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever bijna niet zien kan.”

“O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee booten? Is dat de bedoeling?”

“Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk zouden maken.”

“Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal ontdekt is.”

“Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het scheepskiel-ruim?”

“Dat kan ik niet weten.”

“Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?”

“Dat schijnt eengereedschapskistte zijn.”

“Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en verscheideneboren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee—de boor en het scheepskiel-ruim—eens met elkaar in verband?’

“Thunder-storm!Gij zult toch het schip niet lek willen boren?” riep de andere verbaasd.

“Ja dat is juist wat ik van plan ben.”

“En maken, dat wij allen verzuipen!”

“Pshaw!Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan wal aan te leggen.”

“O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?”

“Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert.”

“Maar als men het te laat pas ontdekt?”

“Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijnwijal lang geblazen.”

“Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men dient op alles bedacht te zijn.”

“Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, zou alwetend zijn.’

“Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren.”

“Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, zonder die te betalen.”

“Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?”

“Allereerst naar de Blackbear-rivier!”

“Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?”

“Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te kunnen uitrusten.”

“Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?”

“Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden hebt. Van avond is er werk aanden winkel, en aan slapen valt niet te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond weer frisch en in staat om goed te marcheeren!”

Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en dienochaan het lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.

Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide dames hen nog niet bedankt hadden.

De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.

“He—el bakh sjaj—bakh mateloe makiek(= nu zullen ze ons geld geven),” zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij hen aan zag komen.

Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, en zei: “Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben.”

Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: “Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; hij weten, dat ze waar zijn.”

“Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij herinnert. Mag ik dat doen?”

Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, met ettelijke teekens er op.

“Ik u ook geven aandenken,” zeide hij. “Het is totem van Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, en gehoorzamen zijn totem.”

Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en antwoordde: “Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die geschenken elkaar niet vergeten zouden.” Nu bedankte hem ook de moeder van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: “Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen aannemen? Ik verzoek hem dat.”

Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als een kaars, en zeide: “De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!”

Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij zei tegen Butler:

“Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!”

Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.

“Toea enokh(= goede menschen)!” zeide de vader.

“Toea-toea enokh(= zeer goede menschen)!” bevestigde de zoon. Dat waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.

Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die had hem de noodige voorlichtingverstrekt. Nu keerde hij terug naar zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: “Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?”

“O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen bestaan.”

“Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien.”

Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.

“Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?” vroeg Butler.

“O ja,” knikte Old Firehand. “Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in deTonkawa-taalgeschreven, en luidt aldus:Sjakhe-i-kauvan-eelatan, hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden ‘oudere broeder’ zijn nog vereerender dan ‘broeder’. Het totem bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan het leven van verscheidene menschen afhangen.”

De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te Fort Gibson tot aan den morgenstondwel wakker zou blijven. Van het dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, hoe Droll aan den zonderlingen naam “Tante” gekomen was. De gevraagde antwoordde: “Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll.”

“Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?”

“O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit ‘drool’), zooals ge weet. Vandaar die naam.”

“En uw ware naam—is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister gehuld te willen houden?”

“Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, die meer..... hoogere belangen raken.”

“Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?”

“Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch.”

“Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag.”

Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: “Ik heet.... Pampel.”

“Wat, Pampel?” lachte Old Firehand. “Poëtisch klinkt het woord natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?”

“Ja.”

“En in de Vereenigde Staten geboren?”

Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: “Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!”

“Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?” riep Old Firehand. “Wie zou dàt gedacht hebben!”

“Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?”

“Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij.”

“Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, zeg mij dan eens waar ik geboren ben?”

“In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas (=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt.”

“Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds zoo lang hier in het land ben.”

Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen aan een fermensmoke(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old Firehand met de woorden: “Het speet mij geweldig, dat wij niet verder konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort na middernacht moeten wij weer op!”

Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk niet meegerekend).

Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep spreekt vanzelf.

“Een verduivelde geschiedenis!” fluisterde hij tegen dengene, die naast hem lag. “Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat ons in den weg.”

“Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?”.

“Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort Gibson komen moeten we klaar zijn.”

“Eerst haalt gij het geld natuurlijk.”

“Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik wel hooren.”

Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers verbranden.

De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene zijde naar de andere. Eenige kleine colli’s vrachtgoed lagen ordeloos hier en daar.

Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand—het blik, waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, ontving hij een fermenwaterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die eerst nog medenemen naar boven!

Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.

Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.

Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?

Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.

Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.

“Verduiveld!” dacht de dief: “dat is veel gemakkelijker gegaan, dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen.”

Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om naar de zijnen terug tekruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; daar verbeeldde hij zich twee flauwphosphoresceerendestippen te zien, die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.

“Wie is daar?” riep hij.

“Ik, Nientropan-hawi!” luidde het antwoord.

“O, de Indiaan! Ga toch slapen!”

“Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij te gauw weg!”

“Waarheen?”

“Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest.”

“Pshaw!Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!”

“Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is.”

De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.

Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.

“Sir!” zeide deze, “ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt.”

“Onzin!” lachte de officier.

“Kom dan even hier, en overtuig u.”

De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.

“Hij wil geen alarm slaan,” fluisterde de kornel tegen de zijnen. “Maar kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden om aan te leggen.”

Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar boven, om te zien wat er gaande was.

“Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!” riep de kapitein hun toe. “Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan wal gaan.”

Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis van den nacht verdwenen.

Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog hield: “Waar is de plaats van deze boor, sir?”

“Daar in de gereedschapskist,” antwoordde een matroos. “En van middag lag die er nog in.”

“Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is.”

Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: “Ik ben bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!”

En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: “Ik weten, kornel heeft gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer drinken; en alles vertellen moeten.”

Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.

“Dat zijn Jonge Beer,” riep de Indiaan. “Ik hem achterna gestuurd kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn.”

En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: “Daar wegroeien zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien naar overzijde.”

Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning en een groot deel der passagiersantwoordden hen woedend. In de algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: “De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!”—Beiden hadden de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.

Terwijl nu dedeckhands(= de manschap op het dek) een begin maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.

Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de lange reis was onderbroken.

Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: “Er bestaat nog hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in ’s hemelsnaam met vrouw en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien.”

“Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?”

“Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen.”

“Maar dat is immers gevaarlijk!”

“Pshaw!Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor die tramps—want dat zijn ze stellig.”

“En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever die som voorgoed kwijt zijn.”

Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.Blz.65.

Hij deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.

Blz.65.

“Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden,en zoodra de dag aan den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?”

“Ja,” antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.

“O ja,” gaf ook Droll ten bescheid. “De kornel moet in onze handen vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!”


Back to IndexNext