VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.EEN INDIANEN-GEVECHT.Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en zei: “Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?”“O ja!” knikte Frank. “Het is een streek van genie geweest, zoo mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de voornaamste matadors daarbij geweest zijn?”“Nu?”“Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever.”“Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als Winnetou,Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog.”“Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten.”Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters besloten den trein.Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide Winnetou zich om en zei: “Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken.”Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als met het oog op Ellen’s draagstoel en de hitten, die hem droegen, doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de zonnestralen zoo brandendheet uit de lucht kwamen, dat zij mensch en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, welke plek glooiend afliep.“Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen,” zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, zoodat de dorstige paardenweldra konden drinken. En, opmerkelijk, deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras bijna verschroeide.Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de hand. “Die beek,” zei hij, “moeten wij volgen naar boven; die loopt naar het Hertendal.”“Maar hoe komen wij er overheen?” vroeg Butler, die natuurlijk allereerst om zijn dochter dacht. “De rivier heeft wel geen sterke strooming, maar schijnt nog al diep te zijn.”“Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen mij volgen!”Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.“Wat is het?” vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. “Heeft het stroombed zich verlegd?”“Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden.”Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich nog niet geheel weder opgericht.“Dat is opmerkelijk!” zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was gekomen. “Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de anderen in het water te blijven.”Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.“Het zijn bleekgezichten geweest,” zei Winnetou.“Ja,” bevestigde Old Shatterhand. “Indianen zouden achter elkander gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op dertig à veertig personen.“Ik ook,” zei Old Firehand. “Maar blanken, hier, onder de tegenwoordigeomstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan.”“Hum!” bromde Old Shatterhand. “Ik geloof dat ik het wel raden kan welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben.”“Nu, wie dan?”“Den roodharigen kornel met zijn bende.”“Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton vernomen hebt. Wij moeten het spoor....”Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: “Mijn broeders kunnen hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest.”Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.“Eer die ruiters er over gegaan zijn,” verklaarde de Apache, “is één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen mijn broeders mij zeggen.”“Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft,” antwoordde Old Firehand.“Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen kornel.”“Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn.”“Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn,” zei Old Shatterhand; “en dat betwijfel ik.”Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Blz.356.“Op grond waarvan?’“In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren.”“Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij rijden dus de Utahs regelrecht in den mond.”“Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets daaraan veranderen.”“Oho!” riep Old Firehand. “Wijmoetenhet veranderen.”“Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?”“Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen.”“Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen te waarschuwen?”“Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te hakken.”“Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!”Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei toen op een toon van teleurstelling:“Jammer! Het is reeds vijf uur geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier naar het Hertendal?”“Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid bereiken.”“Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt.”“Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan,” verklaarde Winnetou. “Te voet is de weg veel korter, daar een mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen.”“Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?”“Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide blanke broeders verstaan de kunst, omeen spoor onleesbaar te maken,Hobble-Franken Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn.”Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek heen en stegen weer in den zadel.De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: “Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?”“Ruiters,” antwoordde de gevraagde kort.“Waar zijn die naar toe?”“Dat weet ik niet.”“Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?”“Om uw krijgslieden.”“Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?”“Zij zullen het niet zien.”“Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters.”“Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen.”“Geloof dat maar niet.”“Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig.”“Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de hielen zitten?”“Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal kampeeren.”Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij herstelde zich dadelijk, en zei: “Mijn blanke broeder heeft dat waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt.”“Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens evengoedverstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet bedrogen hebt.”“Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest.”“Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!”De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, door hun bewakers heen te breken.De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, hield hij halt, en zei: “Hier hebben wij een uitmuntende plaats om te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders kunnen afstijgen en de antilopen braden.”“Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid inhalen!” merkte Old Firehand aan.“Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken.”“Maar wat een tijd verliezen wij hier!”“Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb.”De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om avonturente zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds schuldig was.“Willen wij eens wedden?” vroeg hij aan Humply-Bill.“Waarover?”“Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?”“Neen, ik wed niet.”“Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben.”“Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven.”“Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de grap gaat al aan den gang, zie ik!”De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal schreden ver af.Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet op de ruiters.De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.“Zie zoo!” zei Old Shatterhand. “Die weten nu ten minste dat wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen besluipen. Dus, voorwaarts!”In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te zullen komen.Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband gestootenof door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: “Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paardenzoolang aan andere handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, dat wij een zijweg ingeslagen zijn.”Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield halt, wees met de hand naar voren, en zei: “Nog vijf honderd passen verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik zal hem u wijzen.”Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem een voor een.Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden, dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich zonder vrees daarop wagen kon.In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen, want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam, des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps de neerwaartscheglooiingophield,de grond effen en gelijk werd, en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: “Wij zijn bijna in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet kunnen schreeuwen.”De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer, en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht, natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet door de toppen der boomen kon doordringen.De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam berichtte hij: “Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts, branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij ons doodstil houden.”Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden en waar een uitweg te vinden was.De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid, dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een alleenstaande bespiederzeer licht in het geheel niet terugkeerde, en dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met hem meegaan.Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende, konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de zware steenmassa’s die, boomen verpletterende, neergestort waren en zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun hoofden getooid waren.Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met schel-gele verf besmeerd. “T’ab-wahgare (= de gele zon),” fluisterde Winnetou. “Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en wat een breede borst!”De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.“Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels),” verklaarde Old Shatterhand. “Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren met vier pijlschoten gedood heeft.”Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter bij den rotswand.“Ha!” zei Old Shatterhand. “Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?”“Levend en wel?”“Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den eerste, en ik den tweede!”De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op—twee duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.“Goed zoo!” fluisterde Old Firehand. “Die twee hebben wij. Nu gauw naar onze schuilplaats met hen!”Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde, voordat zij terugkeerden.Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker; dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet voldoende waren, moesten de handen helpenom opden tast verder te komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt “Oef!” hooren. De andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht: “Is er onraad?”“Neen, maar toch een mensch!” antwoordde de Apache.“Waar?”“Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand.”“Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!”“Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!”“Hebt gij hem gewurgd?”“Hij was al dood; hij hangt aan den paal!”“Wat? Misschien wel aan den martelpaal?”“Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed.”“Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de martelplaats. Laat ons even zoeken!”Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen en boomen vastgebonden.“Ontzettend!” zuchtte Old Shatterhand. “Ik dacht, dat ik die menschen nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het.”“Het jammerste is,” merkte Old Firehand aan, “dat die teekening nu verloren is.”“Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?”“Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is.”“Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed, waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels.”“Zoo, waarom dan?”“Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg stellig; enkomen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar ons uitzenden.”“De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet,” zei Winnetou als zijn gevoelen.“Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd, eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar komen zij!”Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden, deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.“Wij moeten maken dat wij wegkomen,” zei Old Firehand. “Maar waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen.”“In de boomen!” antwoordde Old Shatterhand. “In het dichte gebladerte zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins tot bedaren is gekomen.”“Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven.”Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa’s wilden maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd, allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef een raadsel.Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.Toen de Yampa’s hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel afgrijselijk was. De Yampa’s erkenden, dat dit niet de lijken waren van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde dit tooneel niet lang; er werd een einde aangemaakt op een wijze, die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren, om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van een mensch.“Oef!” riep een der onder de boomen staande hoofdmannen verschrikt. “Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels daarginder.”Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk daarop knalden verscheiden schoten.“De Navajos, de Navajos!” schreeuwde de hoofdman. “Winnetou, Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!”Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand te bieden.Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen, maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat men dan—althans bij de toestanden daar te lande—het diepst in slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was, had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel: wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem, om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen ertwee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht, en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven, en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand te vervolgen.Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun schuilplaats te komen.Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.“Nu maken dat wij wegkomen,” zei Winnetou. “Later zullen er vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn.”“Nemen wij dien hoofdman mee?” vroeg Old Shatterhand.“Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik zal....”Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht, een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer, en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch duidelijk verstaanbare woorden: “Wat Old Shatterhand en Old Firehand kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook.”“Dat is Hobble-Frank!” zei Old Shatterhand verwonderd.“Ja dat is Frank!” bevestigde Old Firehand. “Dat ventje is gek. Wij moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken méér doet.”“Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje, dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten, en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook de onze.”Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór hen een schot.“Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen ....” wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond hoorden zij de lachende stem: “Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!”Een geluid als van een zwaren slag—toen was alles stil. De drie drongen vooruit, en stieten op den kleine.“Terug!” gebood hij. “Hier wordt geschoten en gestoken!”“Halt, schiet niet!” waarschuwde Old Shatterhand. “Wat hebt gij toch hier te zoeken?”“Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken, want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef, kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is, om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!”In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus zonder gevaar de vraag doen: “Maar wie heeft u permissie gegeven om de schuilplaats te verlaten?”“Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild; ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom, als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar; daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij, en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de kolf vanmijngeweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch ijselijk veel malheur in deze wereld!”“Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat eer gekomen, dan was je verloren geweest!”“Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer, of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet er numet die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel om hen te versjouwen.”“Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug zullen komen.”De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil aangeheven—treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen, oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden gehouden.Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden, daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er besloten zou worden.Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden, moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op de gedachte, dat degevangenen toch vervoerd moesten worden, drie hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem, daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel, en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was zóóveel te vertellen, aan te hooren, en—te luisteren. Hobble-Frank was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest, en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had, was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift, maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde van den kleine, en vroeg hem: “Frank! willen wij eens wedden?”“Ik wed nooit,” gaf deze ten antwoord.“Waarom niet?’“Ik heb geen geld om te wedden.”“Dan zal ik het u leenen.”“Borgen baart zorgen,” zeggen wij Saksen. “Overigens is het niet zeer christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen, om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al heb ik het niet.”“Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de winner werdt.”“Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van mijn stuk laat brengen.”“Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw heldendaad.”“Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap,maar rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn persoonlijkheid niet anders ingevoerd.”“Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk aanbood?”“Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden, zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn gemoed te zullen componeeren tot een wanklank.”“Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen.”Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar Frank schoof het naar hem terug, en zei: “Hoor eens, mylord! Alle gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte; maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen, dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf.”“Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst.”“Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?”“Ja,” antwoordde de Engelschman.“En het aan mij vereeren alsbona immobilia?”“Zoo is het!”“Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang, gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even, dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus, of een interimistische omhelzing?”“Een handdruk is voldoende.”“Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking, voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle hoogachting beschoren heeft?”“Ja,” antwoordde de Altenburger. “Als je een ander was zou ik u benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit grond van mijn hart. Ik feliciteer u!”“Dank u, van ’s gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaagaf aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand, druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te halen—ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee—sang fassong, zegt de Franschman.”Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn, werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden, welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename verblijfplaats te zijn.Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen, en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is, wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan te moeten doorbrengen.Dat de paarden drinken en gras eten mochten, om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen, en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot Old Shatterhand: “Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?”“Weet gij wie wij zijn?’ vroeg de jager hem op zijn beurt.“Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand zich bij hem bevinden.”“Ik ben Shatterhand, enmijnarm heeft u op den grond geslagen.”“Waarom?”“Om u onschadelijk te maken.”“Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?”“Ja.”“Dat is onwaar.”“Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de vredespijp gerookt hebben. De Yampa’s hebben u gisteren boodschappers gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt.”De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen had, het woord: “De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs.”“Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons, wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden.”“De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de bleekgezichten te helpen?”“Ja, dat weet ik.”“De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk, Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?”“Bedoelt gij daarmee u zelf?”“Ja. Ik ben een Navajo.”“Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?”“Om mij te kunnen wreken.”“En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken waren?”“Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers reeds gewekenwaren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah, maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd, om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden.”“Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn.”Nu riep de Gele Zon driftig: “Hij is een Utah, een van mijn onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te redden.”“Zwijg,” gebood Old Shatterhand. “Als hij werkelijk een der uwen was, zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman; maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!”“Beleedig mij niet!” bulderde de andere uit, “Ik heb de macht, om u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u vergiffenis schenken. Maar als gij datnietdoet, zullen duizend onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen.”“Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt inonzemacht, en wij zullen met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt, des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen.”Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit, en verzocht toen: “Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij u bedriegen.”“Gij hebt met hen niets te maken,” antwoordde Old Shatterhand. “Gij zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt, hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden.”“Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?” vroeg de roodhuid minachtend. “Die honden zijn tot niets nut!”“Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil.”Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er stellig geen oplettenderen onvermoeider bewaker te vinden kon zijn, dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen, van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.“Dat is jammer!”zei Old Firehand. “Hadden wij maar wat eer kunnen komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!”“Pshaw!” antwoordde de oude Blenter. “Hebt gij inderdaad nog meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen, en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem gesproken hebben.”“Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet, ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En die is nu weg; stellig reddeloos verloren!”“Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren, die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken.”“Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet, die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft, is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen.”“Gij vergeet,” merkte Watson, de voormalige opzichter over de baanwerkers te Sheridan, aan, “dat die hoofdman een zoon had, en een kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus, hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe te brengen zijn, het aan ons mee te deelen.”“Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden.”“De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind.”“De twee Beren?” vroeg Old Firehand. “Heetten zij zoo?”“Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer.”“Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa’s die met ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj—de Groote Beer en de Jonge Beer—juist, zoo heetten zij!”“Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer,” bevestigde Winnetou. “Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de bleekgezichten altijd zeer genegen geweest.”“Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans, dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen.”“Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij; want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken, zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar kunnen zijn.”“Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst te komen.”

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.EEN INDIANEN-GEVECHT.Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en zei: “Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?”“O ja!” knikte Frank. “Het is een streek van genie geweest, zoo mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de voornaamste matadors daarbij geweest zijn?”“Nu?”“Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever.”“Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als Winnetou,Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog.”“Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten.”Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters besloten den trein.Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide Winnetou zich om en zei: “Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken.”Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als met het oog op Ellen’s draagstoel en de hitten, die hem droegen, doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de zonnestralen zoo brandendheet uit de lucht kwamen, dat zij mensch en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, welke plek glooiend afliep.“Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen,” zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, zoodat de dorstige paardenweldra konden drinken. En, opmerkelijk, deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras bijna verschroeide.Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de hand. “Die beek,” zei hij, “moeten wij volgen naar boven; die loopt naar het Hertendal.”“Maar hoe komen wij er overheen?” vroeg Butler, die natuurlijk allereerst om zijn dochter dacht. “De rivier heeft wel geen sterke strooming, maar schijnt nog al diep te zijn.”“Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen mij volgen!”Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.“Wat is het?” vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. “Heeft het stroombed zich verlegd?”“Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden.”Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich nog niet geheel weder opgericht.“Dat is opmerkelijk!” zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was gekomen. “Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de anderen in het water te blijven.”Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.“Het zijn bleekgezichten geweest,” zei Winnetou.“Ja,” bevestigde Old Shatterhand. “Indianen zouden achter elkander gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op dertig à veertig personen.“Ik ook,” zei Old Firehand. “Maar blanken, hier, onder de tegenwoordigeomstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan.”“Hum!” bromde Old Shatterhand. “Ik geloof dat ik het wel raden kan welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben.”“Nu, wie dan?”“Den roodharigen kornel met zijn bende.”“Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton vernomen hebt. Wij moeten het spoor....”Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: “Mijn broeders kunnen hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest.”Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.“Eer die ruiters er over gegaan zijn,” verklaarde de Apache, “is één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen mijn broeders mij zeggen.”“Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft,” antwoordde Old Firehand.“Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen kornel.”“Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn.”“Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn,” zei Old Shatterhand; “en dat betwijfel ik.”Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Blz.356.“Op grond waarvan?’“In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren.”“Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij rijden dus de Utahs regelrecht in den mond.”“Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets daaraan veranderen.”“Oho!” riep Old Firehand. “Wijmoetenhet veranderen.”“Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?”“Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen.”“Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen te waarschuwen?”“Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te hakken.”“Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!”Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei toen op een toon van teleurstelling:“Jammer! Het is reeds vijf uur geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier naar het Hertendal?”“Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid bereiken.”“Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt.”“Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan,” verklaarde Winnetou. “Te voet is de weg veel korter, daar een mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen.”“Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?”“Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide blanke broeders verstaan de kunst, omeen spoor onleesbaar te maken,Hobble-Franken Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn.”Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek heen en stegen weer in den zadel.De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: “Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?”“Ruiters,” antwoordde de gevraagde kort.“Waar zijn die naar toe?”“Dat weet ik niet.”“Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?”“Om uw krijgslieden.”“Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?”“Zij zullen het niet zien.”“Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters.”“Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen.”“Geloof dat maar niet.”“Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig.”“Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de hielen zitten?”“Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal kampeeren.”Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij herstelde zich dadelijk, en zei: “Mijn blanke broeder heeft dat waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt.”“Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens evengoedverstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet bedrogen hebt.”“Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest.”“Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!”De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, door hun bewakers heen te breken.De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, hield hij halt, en zei: “Hier hebben wij een uitmuntende plaats om te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders kunnen afstijgen en de antilopen braden.”“Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid inhalen!” merkte Old Firehand aan.“Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken.”“Maar wat een tijd verliezen wij hier!”“Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb.”De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om avonturente zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds schuldig was.“Willen wij eens wedden?” vroeg hij aan Humply-Bill.“Waarover?”“Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?”“Neen, ik wed niet.”“Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben.”“Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven.”“Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de grap gaat al aan den gang, zie ik!”De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal schreden ver af.Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet op de ruiters.De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.“Zie zoo!” zei Old Shatterhand. “Die weten nu ten minste dat wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen besluipen. Dus, voorwaarts!”In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te zullen komen.Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband gestootenof door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: “Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paardenzoolang aan andere handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, dat wij een zijweg ingeslagen zijn.”Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield halt, wees met de hand naar voren, en zei: “Nog vijf honderd passen verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik zal hem u wijzen.”Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem een voor een.Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden, dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich zonder vrees daarop wagen kon.In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen, want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam, des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps de neerwaartscheglooiingophield,de grond effen en gelijk werd, en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: “Wij zijn bijna in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet kunnen schreeuwen.”De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer, en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht, natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet door de toppen der boomen kon doordringen.De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam berichtte hij: “Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts, branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij ons doodstil houden.”Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden en waar een uitweg te vinden was.De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid, dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een alleenstaande bespiederzeer licht in het geheel niet terugkeerde, en dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met hem meegaan.Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende, konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de zware steenmassa’s die, boomen verpletterende, neergestort waren en zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun hoofden getooid waren.Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met schel-gele verf besmeerd. “T’ab-wahgare (= de gele zon),” fluisterde Winnetou. “Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en wat een breede borst!”De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.“Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels),” verklaarde Old Shatterhand. “Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren met vier pijlschoten gedood heeft.”Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter bij den rotswand.“Ha!” zei Old Shatterhand. “Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?”“Levend en wel?”“Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den eerste, en ik den tweede!”De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op—twee duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.“Goed zoo!” fluisterde Old Firehand. “Die twee hebben wij. Nu gauw naar onze schuilplaats met hen!”Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde, voordat zij terugkeerden.Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker; dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet voldoende waren, moesten de handen helpenom opden tast verder te komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt “Oef!” hooren. De andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht: “Is er onraad?”“Neen, maar toch een mensch!” antwoordde de Apache.“Waar?”“Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand.”“Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!”“Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!”“Hebt gij hem gewurgd?”“Hij was al dood; hij hangt aan den paal!”“Wat? Misschien wel aan den martelpaal?”“Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed.”“Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de martelplaats. Laat ons even zoeken!”Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen en boomen vastgebonden.“Ontzettend!” zuchtte Old Shatterhand. “Ik dacht, dat ik die menschen nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het.”“Het jammerste is,” merkte Old Firehand aan, “dat die teekening nu verloren is.”“Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?”“Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is.”“Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed, waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels.”“Zoo, waarom dan?”“Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg stellig; enkomen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar ons uitzenden.”“De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet,” zei Winnetou als zijn gevoelen.“Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd, eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar komen zij!”Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden, deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.“Wij moeten maken dat wij wegkomen,” zei Old Firehand. “Maar waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen.”“In de boomen!” antwoordde Old Shatterhand. “In het dichte gebladerte zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins tot bedaren is gekomen.”“Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven.”Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa’s wilden maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd, allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef een raadsel.Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.Toen de Yampa’s hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel afgrijselijk was. De Yampa’s erkenden, dat dit niet de lijken waren van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde dit tooneel niet lang; er werd een einde aangemaakt op een wijze, die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren, om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van een mensch.“Oef!” riep een der onder de boomen staande hoofdmannen verschrikt. “Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels daarginder.”Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk daarop knalden verscheiden schoten.“De Navajos, de Navajos!” schreeuwde de hoofdman. “Winnetou, Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!”Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand te bieden.Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen, maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat men dan—althans bij de toestanden daar te lande—het diepst in slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was, had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel: wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem, om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen ertwee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht, en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven, en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand te vervolgen.Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun schuilplaats te komen.Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.“Nu maken dat wij wegkomen,” zei Winnetou. “Later zullen er vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn.”“Nemen wij dien hoofdman mee?” vroeg Old Shatterhand.“Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik zal....”Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht, een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer, en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch duidelijk verstaanbare woorden: “Wat Old Shatterhand en Old Firehand kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook.”“Dat is Hobble-Frank!” zei Old Shatterhand verwonderd.“Ja dat is Frank!” bevestigde Old Firehand. “Dat ventje is gek. Wij moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken méér doet.”“Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje, dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten, en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook de onze.”Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór hen een schot.“Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen ....” wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond hoorden zij de lachende stem: “Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!”Een geluid als van een zwaren slag—toen was alles stil. De drie drongen vooruit, en stieten op den kleine.“Terug!” gebood hij. “Hier wordt geschoten en gestoken!”“Halt, schiet niet!” waarschuwde Old Shatterhand. “Wat hebt gij toch hier te zoeken?”“Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken, want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef, kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is, om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!”In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus zonder gevaar de vraag doen: “Maar wie heeft u permissie gegeven om de schuilplaats te verlaten?”“Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild; ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom, als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar; daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij, en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de kolf vanmijngeweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch ijselijk veel malheur in deze wereld!”“Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat eer gekomen, dan was je verloren geweest!”“Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer, of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet er numet die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel om hen te versjouwen.”“Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug zullen komen.”De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil aangeheven—treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen, oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden gehouden.Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden, daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er besloten zou worden.Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden, moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op de gedachte, dat degevangenen toch vervoerd moesten worden, drie hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem, daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel, en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was zóóveel te vertellen, aan te hooren, en—te luisteren. Hobble-Frank was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest, en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had, was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift, maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde van den kleine, en vroeg hem: “Frank! willen wij eens wedden?”“Ik wed nooit,” gaf deze ten antwoord.“Waarom niet?’“Ik heb geen geld om te wedden.”“Dan zal ik het u leenen.”“Borgen baart zorgen,” zeggen wij Saksen. “Overigens is het niet zeer christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen, om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al heb ik het niet.”“Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de winner werdt.”“Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van mijn stuk laat brengen.”“Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw heldendaad.”“Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap,maar rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn persoonlijkheid niet anders ingevoerd.”“Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk aanbood?”“Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden, zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn gemoed te zullen componeeren tot een wanklank.”“Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen.”Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar Frank schoof het naar hem terug, en zei: “Hoor eens, mylord! Alle gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte; maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen, dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf.”“Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst.”“Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?”“Ja,” antwoordde de Engelschman.“En het aan mij vereeren alsbona immobilia?”“Zoo is het!”“Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang, gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even, dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus, of een interimistische omhelzing?”“Een handdruk is voldoende.”“Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking, voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle hoogachting beschoren heeft?”“Ja,” antwoordde de Altenburger. “Als je een ander was zou ik u benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit grond van mijn hart. Ik feliciteer u!”“Dank u, van ’s gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaagaf aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand, druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te halen—ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee—sang fassong, zegt de Franschman.”Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn, werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden, welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename verblijfplaats te zijn.Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen, en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is, wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan te moeten doorbrengen.Dat de paarden drinken en gras eten mochten, om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen, en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot Old Shatterhand: “Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?”“Weet gij wie wij zijn?’ vroeg de jager hem op zijn beurt.“Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand zich bij hem bevinden.”“Ik ben Shatterhand, enmijnarm heeft u op den grond geslagen.”“Waarom?”“Om u onschadelijk te maken.”“Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?”“Ja.”“Dat is onwaar.”“Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de vredespijp gerookt hebben. De Yampa’s hebben u gisteren boodschappers gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt.”De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen had, het woord: “De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs.”“Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons, wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden.”“De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de bleekgezichten te helpen?”“Ja, dat weet ik.”“De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk, Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?”“Bedoelt gij daarmee u zelf?”“Ja. Ik ben een Navajo.”“Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?”“Om mij te kunnen wreken.”“En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken waren?”“Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers reeds gewekenwaren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah, maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd, om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden.”“Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn.”Nu riep de Gele Zon driftig: “Hij is een Utah, een van mijn onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te redden.”“Zwijg,” gebood Old Shatterhand. “Als hij werkelijk een der uwen was, zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman; maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!”“Beleedig mij niet!” bulderde de andere uit, “Ik heb de macht, om u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u vergiffenis schenken. Maar als gij datnietdoet, zullen duizend onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen.”“Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt inonzemacht, en wij zullen met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt, des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen.”Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit, en verzocht toen: “Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij u bedriegen.”“Gij hebt met hen niets te maken,” antwoordde Old Shatterhand. “Gij zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt, hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden.”“Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?” vroeg de roodhuid minachtend. “Die honden zijn tot niets nut!”“Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil.”Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er stellig geen oplettenderen onvermoeider bewaker te vinden kon zijn, dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen, van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.“Dat is jammer!”zei Old Firehand. “Hadden wij maar wat eer kunnen komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!”“Pshaw!” antwoordde de oude Blenter. “Hebt gij inderdaad nog meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen, en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem gesproken hebben.”“Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet, ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En die is nu weg; stellig reddeloos verloren!”“Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren, die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken.”“Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet, die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft, is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen.”“Gij vergeet,” merkte Watson, de voormalige opzichter over de baanwerkers te Sheridan, aan, “dat die hoofdman een zoon had, en een kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus, hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe te brengen zijn, het aan ons mee te deelen.”“Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden.”“De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind.”“De twee Beren?” vroeg Old Firehand. “Heetten zij zoo?”“Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer.”“Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa’s die met ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj—de Groote Beer en de Jonge Beer—juist, zoo heetten zij!”“Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer,” bevestigde Winnetou. “Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de bleekgezichten altijd zeer genegen geweest.”“Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans, dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen.”“Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij; want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken, zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar kunnen zijn.”“Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst te komen.”

Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en zei: “Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?”

“O ja!” knikte Frank. “Het is een streek van genie geweest, zoo mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de voornaamste matadors daarbij geweest zijn?”

“Nu?”

“Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever.”

“Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als Winnetou,Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog.”

“Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten.”

Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters besloten den trein.

Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!

De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide Winnetou zich om en zei: “Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken.”

Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als met het oog op Ellen’s draagstoel en de hitten, die hem droegen, doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.

De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de zonnestralen zoo brandendheet uit de lucht kwamen, dat zij mensch en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, welke plek glooiend afliep.

“Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen,” zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, zoodat de dorstige paardenweldra konden drinken. En, opmerkelijk, deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.

Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras bijna verschroeide.

Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de hand. “Die beek,” zei hij, “moeten wij volgen naar boven; die loopt naar het Hertendal.”

“Maar hoe komen wij er overheen?” vroeg Butler, die natuurlijk allereerst om zijn dochter dacht. “De rivier heeft wel geen sterke strooming, maar schijnt nog al diep te zijn.”

“Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen mij volgen!”

Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.

“Wat is het?” vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. “Heeft het stroombed zich verlegd?”

“Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden.”

Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich nog niet geheel weder opgericht.

“Dat is opmerkelijk!” zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was gekomen. “Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de anderen in het water te blijven.”

Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.

“Het zijn bleekgezichten geweest,” zei Winnetou.

“Ja,” bevestigde Old Shatterhand. “Indianen zouden achter elkander gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op dertig à veertig personen.

“Ik ook,” zei Old Firehand. “Maar blanken, hier, onder de tegenwoordigeomstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan.”

“Hum!” bromde Old Shatterhand. “Ik geloof dat ik het wel raden kan welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben.”

“Nu, wie dan?”

“Den roodharigen kornel met zijn bende.”

“Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton vernomen hebt. Wij moeten het spoor....”

Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: “Mijn broeders kunnen hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest.”

Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.

“Eer die ruiters er over gegaan zijn,” verklaarde de Apache, “is één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen mijn broeders mij zeggen.”

“Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft,” antwoordde Old Firehand.

“Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen kornel.”

“Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn.”

“Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn,” zei Old Shatterhand; “en dat betwijfel ik.”

Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.Blz.356.

Zij namen het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.

Blz.356.

“Op grond waarvan?’

“In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren.”

“Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij rijden dus de Utahs regelrecht in den mond.”

“Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets daaraan veranderen.”

“Oho!” riep Old Firehand. “Wijmoetenhet veranderen.”

“Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?”

“Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen.”

“Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen te waarschuwen?”

“Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te hakken.”

“Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!”

Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei toen op een toon van teleurstelling:“Jammer! Het is reeds vijf uur geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier naar het Hertendal?”

“Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid bereiken.”

“Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt.”

“Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan,” verklaarde Winnetou. “Te voet is de weg veel korter, daar een mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen.”

“Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?”

“Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide blanke broeders verstaan de kunst, omeen spoor onleesbaar te maken,Hobble-Franken Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn.”

Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek heen en stegen weer in den zadel.

De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: “Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?”

“Ruiters,” antwoordde de gevraagde kort.

“Waar zijn die naar toe?”

“Dat weet ik niet.”

“Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?”

“Om uw krijgslieden.”

“Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?”

“Zij zullen het niet zien.”

“Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters.”

“Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen.”

“Geloof dat maar niet.”

“Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig.”

“Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de hielen zitten?”

“Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal kampeeren.”

Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij herstelde zich dadelijk, en zei: “Mijn blanke broeder heeft dat waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt.”

“Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens evengoedverstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet bedrogen hebt.”

“Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest.”

“Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!”

De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, door hun bewakers heen te breken.

De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, hield hij halt, en zei: “Hier hebben wij een uitmuntende plaats om te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders kunnen afstijgen en de antilopen braden.”

“Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid inhalen!” merkte Old Firehand aan.

“Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken.”

“Maar wat een tijd verliezen wij hier!”

“Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb.”

De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.

Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om avonturente zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds schuldig was.

“Willen wij eens wedden?” vroeg hij aan Humply-Bill.

“Waarover?”

“Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?”

“Neen, ik wed niet.”

“Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben.”

“Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven.”

“Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de grap gaat al aan den gang, zie ik!”

De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal schreden ver af.

Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet op de ruiters.

De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.

“Zie zoo!” zei Old Shatterhand. “Die weten nu ten minste dat wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen besluipen. Dus, voorwaarts!”

In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te zullen komen.

Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.

Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband gestootenof door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: “Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paardenzoolang aan andere handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, dat wij een zijweg ingeslagen zijn.”

Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.

Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield halt, wees met de hand naar voren, en zei: “Nog vijf honderd passen verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik zal hem u wijzen.”

Hij ging tot dicht aan den rand van het plateau. Daar lagen rotsblokken, als een schutsmuur naast elkander opgestapeld, opdat men niet in de ijzingwekkende diepte zou kunnen neerstorten. Hij verdween tusschen twee zulke brokstukken, en de anderen volgden hem een voor een.

Zonderling! Men vond daar een weg. Reeds gaapte de diepte, waarin men ieder oogenblik vreezen moest neer te tuimelen; naar links liep die weg het hart van de rotsketen in, en wel zoo steil naar beneden, dat men het raadzaam achtte af te stijgen en de paarden bij den toom vast te houden. In de ontzaglijke, mijlen lange en breede rotsgevaarten was een scheur gekomen, die met verschillende bochten van boven naar beneden liep. Afgebrokkelde stukken steen hadden die scheur weer zoo gevuld, dat daarin een zoo vaste bodem was ontstaan, dat men zich zonder vrees daarop wagen kon.

In weerwil dat de weg zoo steil was konden de paarden niet vallen, want hij bestond niet uit gladde steenen, maar uit een tamelijk stevig rotspuin, waar uitglijden bijna onmogelijk was. Hoe dieper men kwam, des te donkerder werd het. Old Firehand had Ellen Butler op zijn paard gezet, en liep daarnaast, haar stuttende en vasthoudende. Het was alsof men uren achtereen in de diepte afgedaald was, toen eensklaps de neerwaartscheglooiingophield,de grond effen en gelijk werd, en de rotsspleet zoo breed, dat die een groote zaal, maar zonder plafond, geleek. Hier hield Winnetou halt, en zei: “Wij zijn bijna in het dal. Hier zullen wij blijven, tot de duisternis ons toelaat om de Utahs voorbij te komen. Brengt de paarden achteruit, waar zij kunnen drinken, en knevelt de gevangenen weer, en maakt dat zij niet kunnen schreeuwen.”

De Roodhuiden namelijk hadden ook zijwaarts moeten klimmen; daarom waren de boeien van hun beenen afgenomen. Nu bond men hen weer, en stopte ieder hunner een prop in den mond, zoodat zij niet konden roepen. Er heerschte een donker schemerduister in deze ruimte; maar die mannen, die geoefend waren om des nachts bijna evengoed als katten te kunnen zien, vonden gemakkelijk den weg. In het achterste gedeelte van die ruimte verzamelde zich de vochtigheid van de rots in een kleine kolk, waaruit een watertje stroomde; waarheen, dat zag men nog niet.

Winnetou nam eenigen der jagers mee, om hun de plaatselijke gesteldheid te laten zien; en wat zij zagen bracht hen niet weinig in verwondering. Geheel vooraan, waar de zaal weer enger werd, was een uitgang, zoo smal, dat er bezwaarlijk twee personen naast elkander konden loopen. Deze gang liep ook weer naar de laagte, maar niet zeer ver. Na eenige krommingen stonden de mannen voor een dicht, natuurlijk voorhangsel van slingerplanten, waaronder het watertje verdween. Winnetou schoof dat gordijn een weinig op zij, en toen zagen zij vóór zich een bosch, boom aan boom, hoog en krachtvol opgegroeid en met een zoo dicht loofdak, dat het laatste licht van den dag niet door de toppen der boomen kon doordringen.

De Apache trad naar buiten om te verkennen. Toen hij weer binnenkwam berichtte hij: “Rechts van ons, in het noorden, dus dal-opwaarts, branden verscheiden vuren onder de boomen: daar kampeeren dus de Utahs. Benedenwaarts in het dal is het donker. Daar moeten wij dus heen. Misschien staan daar geen Roodhuiden. Hoogstens zullen zij daar twee of drie man aan den uitgang van het Hertendal op post gezet hebben; die zijn licht onschadelijk te maken, en wij zouden dus het dal zonder veel gevaar kunnen verlaten, indien de roodharige kornel zich niet daarin bevond. Wij moeten met zekerheid te weten zien te komen wat er te verwachten is van hem. Daarom zal ik, zoodra het nog wat donkerder geworden is, naar de vuren sluipen om te luisteren. Voordat ik dat gedaan heb, kunnen wij niet weg; en tot zoolang moeten wij ons doodstil houden.”

Hij bracht de mannen weer terug, om na hen ook aan de anderen de plaatselijke gesteldheid te laten zien. Dat was noodig, daar allen in geval van nood en gevaar dienden te weten waar zij zich bevonden en waar een uitweg te vinden was.

De gevangenen waren zeer goed geboeid, maar toch werd er bij ieder afzonderlijk een bewaker gezet. Hadden de blanken gisteren en ook reeds vroeger hun banden weten te verbreken, zoo was het geen onmogelijkheid, dat zulks ook aan de Roodhuiden gelukte.

Winnetou was van plan geweest om geheel alleen op verkenning uit te gaan, maar zoowel Old Shatterhand als Old Firehand verklaarde zich daartegen. Die onderneming was hier zóó gevaarlijk, dat een alleenstaande bespiederzeer licht in het geheel niet terugkeerde, en dan zou men niet weten wat er van hem geworden was en op welke wijze men hem hulp zou kunnen brengen. Daarom wilden de twee genoemden met hem meegaan.

Na bijna twee uur wachtens brak het drietal op. Zij slopen naar buiten het bosch in, en bleven daar aanvankelijk staan om te luisteren, of er wellicht iemand in hun nabijheid was. Hoe meer zij de vuren naderden des te gemakkelijker werd hun taak, want tegen de vlammen inkijkende, konden zij ieder voorwerp onderscheiden, dat vóór hen stond of lag.

Zij bewogen zich aan den linkerrand van het dal. De vuren lagen meer naar het midden. Misschien hadden de Roodhuiden den rotswand niet vertrouwd. Dat daar zeer licht een stuk kon afbrokkelen, bewezen de zware steenmassa’s die, boomen verpletterende, neergestort waren en zich diep in den grond hadden gewoeld. De drie mannen kwamen snel vooruit. Zij bevonden zich reeds parallel met de voorste vuren. Links van deze, en nog meer naar achteren, brandde een hoog en helder vlammend vuur, van al de overige afgezonderd. Daaraan zaten vijf hoofdmannen, zooals men zien kon aan de adelaarsveeren waarmee hun hoofden getooid waren.

Juist stond een hunner op. Hij had den krijgsmantel afgeworpen. Zijn naakte bovenlijf was, evenals zijn gelaat en zijn armen, dik met schel-gele verf besmeerd. “T’ab-wahgare (= de gele zon),” fluisterde Winnetou. “Hij is de hoofdman der Capote-Utahs, en is even sterk als een beer. Zie zijn lijf maar eens! Welke dikke, stevige spieren en wat een breede borst!”

De Utah wenkte een anderen hoofdman, die insgelijks opstond. Deze was langer dan de eerste en stellig niet minder sterk.

“Dat is Tsoe-ien-Koets (= de vier Buffels),” verklaarde Old Shatterhand. “Hij draagt dien naam, omdat hij eens vier buffelstieren met vier pijlschoten gedood heeft.”

Die twee hoofdmannen wisselden eenige woorden met elkander en verwijderden zich toen van het vuur. Misschien wilden zij wachtposten inspecteeren. Zij meden de andere vuren, en kwamen daardoor dichter bij den rotswand.

“Ha!” zei Old Shatterhand. “Zij komen dicht hier voorbij. Wat denkt gij, Firehand? Willen wij hen inrekenen?”

“Levend en wel?”

“Dat zou een meesterlijke vangst zijn! Gauw op den grond, gij den eerste, en ik den tweede!”

De beide hoofdmannen kwamen dichterbij. Zij liepen achter elkander. Daar doken eensklaps twee gestalten achter hen op—twee duchtige vuistslagen, en de getroffenen lagen op den grond.

“Goed zoo!” fluisterde Old Firehand. “Die twee hebben wij. Nu gauw naar onze schuilplaats met hen!”

Ieder nam den zijnen op. Winnetou ontving de opdracht, om te blijven wachten, en toen spoedden die twee zich naar die verborgen zaalruimte in de rots. Daar leverden zij de nieuwe gevangenen af, lieten die binden en hun een prop in den mond steken, en keerden toen naar Winnetou terug, doch niet zonder eerst bevel te geven, dat niemand uit deze schuilplaats mocht komen, er gebeurde wat er gebeurde, voordat zij terugkeerden.

Winnetou stond nog op dezelfde plaats. Het was nu minder noodig de drie andere hoofdmannen te beluisteren; maar wel was het dringend noodzakelijk, uit te visschen waar de roodharige kornel zich met zijn kornuiten bevond. Om dat te ontdekken, moest men de gansche legerplaats omsluipen. De drie onverschrokken mannen gingen dus langs den rotswand gestadig verder, al de vuren aan hun linkerhand latende liggen.

Naar dien kant konden zij goed zien; naar voren was het donker; dáár was het dus zaak, voorzichtig te wezen. Waar de oogen niet voldoende waren, moesten de handen helpenom opden tast verder te komen. Winnetou sloop, als gewoonlijk, voorop. Eensklaps bleef hij stilstaan, en liet een half onderdrukt, verschrikt “Oef!” hooren. De andere twee hielden insgelijks halt, en luisterden in de grootste spanning. Toen alles rustig bleef, vroeg Old Shatterhand zacht: “Is er onraad?”

“Neen, maar toch een mensch!” antwoordde de Apache.

“Waar?”

“Hier bij mij, vlak voor mij, in mijn hand.”

“Houd hem goed vast! Laat hij niet schreeuwen!”

“Neen, hij kan niet schreeuwen; hij is dood!”

“Hebt gij hem gewurgd?”

“Hij was al dood; hij hangt aan den paal!”

“Wat? Misschien wel aan den martelpaal?”

“Ja. Zijn scalp is hij kwijt, en zijn lichaam is vol wonden. Hij is al koud, en mijn handen zijn nat van het bloed.”

“Dan zijn de blanken al dood, en misschien is hier de martelplaats. Laat ons even zoeken!”

Zij tastten om zich heen, en in minder dan tien minuten tijds vonden zij een twintigtal lijken, allen afgrijselijk verminkt en aan palen en boomen vastgebonden.

“Ontzettend!” zuchtte Old Shatterhand. “Ik dacht, dat ik die menschen nog zou hebben kunnen redden, althans van zulk een barbaarschen dood! Gewoonlijk wachten de roodhuiden tot den volgenden dag; maar hier hebben zij zich den tijd niet gegund, schijnt het.”

“Het jammerste is,” merkte Old Firehand aan, “dat die teekening nu verloren is.”

“Nog niet. Wij hebben die twee hoofdmannen als gevangenen. Misschien kunnen wij die voor de teekening uitwisselen?”

“Als het papier nog bestaat, en niet reeds verscheurd is.”

“Verscheurd? Neen, daar ben ik niet bang voor. De Roodhuiden hebben de belangrijkheid van zulke papieren leeren inzien. Een Indiaan vernietigt tegenwoordig liever alles, dan zulk een papier, dat hij bij een blanke vindt, vooral wanneer er in plaats van drukletters schrijfletters op staan. Maak u dus nog niet ongerust. Overigens begrijp ik zeer goed, waarom zij zich zoo gehaast hebben met het afmaken van deze kerels.”

“Zoo, waarom dan?”

“Om plaats te krijgen voor ons. Onze komst is hun bericht. Wij zijn er nog niet, bijgevolg verwachten zij ons tegen morgenochtend vroeg stellig; enkomen wij dan nog niet, dan zullen zij verspieders naar ons uitzenden.”

“De boodschappers, die afgezonden zijn om onze komst te melden, zullen er zijn, maar de Yampa-Utahs nog niet,” zei Winnetou als zijn gevoelen.

“Neen, die zijn er nog niet. Het heeft stellig wel eenige uren geduurd, eer zij het gewaagd hebben onze rustplaats over te steken, en de rots-engte binnen te dringen. Misschien komen zij pas morgenochtend vroeg; want het laatste gedeelte van den weg is zóó slecht, dat het in den nacht niet.... Hé, hoort gij dat? Daar zijn zij waarlijk! Daar komen zij!”

Een eind weegs bovenwaarts verder van de plaats, waar de drie stonden, deed zich eensklaps een luid jubelgeschreeuw hooren, dat van de benedenzijde terstond beantwoord werd. De Yampa-Utahs kwamen in weerwil van de duisternis en van den slechten weg, dien zij stellig zeer goed moesten kennen. Het was een gebrul en gehuil, dat den blanken hooren en zien er van verging. Er werden stukken brandend hout uit de vuren getrokken, waarmede de reeds hier kampeerenden de nieuw aankomenden te gemoet togen. Het bosch werd helder licht en vol beweging, zoodat het drietal in het grootste gevaar verkeerde, opgemerkt te zullen worden.

“Wij moeten maken dat wij wegkomen,” zei Old Firehand. “Maar waarheen? Voor en achter ons is alles vol menschen.”

“In de boomen!” antwoordde Old Shatterhand. “In het dichte gebladerte zijn wij veilig, en kunnen er wachten tot de opgewondenheid eenigszins tot bedaren is gekomen.”

“Goed, dan maar een boom in! O, Winnetou is reeds boven.”

Ja, de Apache had geen tijd verloren met eerst te vragen. Hij klom een boom in, en verschool zich in den dichten bladerdos. De twee anderen volgden zijn voorbeeld, en klommen ieder in een dichtbij staanden boom.

Nu zag men bij het schijnsel der vuren en fakkels, de Yampa-Utahs en hun volgelingen komen. Zij stegen van de paarden af, die weggebracht werden, en vroegen, of Winnetou en de blanken aangekomen en gevat waren. Die vraag verwekte groote verwondering. De Yampa’s wilden maar niet gelooven, dat de genoemden niet aangekomen waren, want zij waren immers hun spoor gevolgd. Er werd links en rechts gevraagd, allerlei vermoedens werden geopperd, maar het ware van de zaak bleef een raadsel.

Het was voor de andere Utahs een hoogst gewichtige tijding, dat Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou zich in de nabijheid bevonden. Uit de verschillende uitroepen, uit de opgewondenheid die deze mededeeling bij hen teweegbracht, konden die drie mannen ontwaren in welk een roep zij bij deze Roodhuiden stonden.

Toen de Yampa’s hoorden, dat er ruim twintig blanken doodgemarteld waren, dachten zij, dat het de gezochten waren, en verlangden zij de lijken te zien. Men kwam met brandende fakkels, om aan hun verlangen te voldoen. En nu vertoonde zich aan de drie in de boomen zittenden een tooneel, dat, bij de ongestadige, flikkerende verlichting, dubbel afgrijselijk was. De Yampa’s erkenden, dat dit niet de lijken waren van hen, die zij zochten, en koelden hun woede op die doode lichamen op een manier, die voor geen beschrijving vatbaar is. Gelukkig duurde dit tooneel niet lang; er werd een einde aangemaakt op een wijze, die niet een der Utahs voor mogelijk had gehouden.

Uit het benedeneinde van het dal, namelijk, klonk een langgerekte gil, een gillende kreet, dien men slechts ééns behoeft te hooren, om hem nimmer weer te vergeten; met andere woorden de doodskreet van een mensch.

“Oef!” riep een der onder de boomen staande hoofdmannen verschrikt. “Wat was dat? De Gele Zon is met de Vier Buffels daarginder.”

Een tweede gegil, gelijk aan het eerste, weergalmde; en dadelijk daarop knalden verscheiden schoten.

“De Navajos, de Navajos!” schreeuwde de hoofdman. “Winnetou, Shatterhand en Firehand hebben hen hier gehaald, om zich te wreken. Te wapen, mannen, te wapen! Werpt u op de honden! Vernietigt hen! Laat de paarden achter, en vecht te voet achter de boomen!”

Eenige oogenblikken lang holde alles door elkander. Men haalde de wapenen; men wierp hout op het vuur, om het noodige licht voor het gevecht te bekomen. Men schreeuwde en brulde; het bosch weergalmde van het krijgsgehuil. Er knalden aanhoudend schoten, telkens dichter en dichter bij. Vreemde, donkere gedaanten snelden van den eenen boom naar den anderen, en lieten hun geweren glinsteren.

De Utahs antwoordden, aanvankelijk slechts met een enkel schot hier en daar, maar weldra in groepen vereenigd, die in staat waren weerstand te bieden.

Ja, het waren de Navajos; zij hadden de Utahs willen overrompelen, maar het was hun niet gelukt de aan den uitgang van het dal geposteerde schildwachten onschadelijk te maken zonder dat die schreeuwden. De doodskreten van die schildwachten hadden alarm gemaakt, en nu gold het, man tegen man te vechten, en de beslissing over te laten niet aan overrompeling, maar aan dapperheid en meerdere getalssterkte.

De Roodhuid grijpt den vijand liefst in den ochtendstond aan, omdat men dan—althans bij de toestanden daar te lande—het diepst in slaap ligt. Waarom de Navajos van dien regel afweken, was moeilijk te verklaren. Misschien hadden zij gedacht, dat zij het dal onopgemerkt konden binnendringen, en dat zij dan bij het schijnsel der vuren hun vijanden gemakkelijk konden doodschieten. Nu dat niet gelukt was, had hun dapperheid hun niet toegelaten terug te trekken. Zij waren dus toch voorwaarts gerukt, en vochten nu met groot verlies.

Het bleek dat de Utahs het talrijkst waren; bovendien kenden zij het terrein beter dan de vijand, en zoo werden dezen, hoewel zij bij uitstek dapper vochten, langzamerhand teruggedrongen. Men vocht ver en nabij met vuurwapens en messen of met den tomahawk. Het was voor de de drie toeschouwers een ongemeen belangwekkend schouwspel: wilden tegen wilden op de wildst denkbare manier! Hier vochten er twee die beiden om het hardst wildebeesten-geluiden aanhieven; daar was een groepje bezig elkander af te maken zonder een kik te laten hooren. Overal waar er een viel zat de overwinnaar dadelijk op hem, om hem van zijn scalp te berooven, misschien om een oogenblik daarna van zijn eigen schedelhuid beroofd te worden.

Van de drie hoofdmannen, die nog aan het vuur gezeten hadden, namen ertwee persoonlijk deel aan het gevecht, om door hun voorbeeld de hunnen aan te vuren. De derde leunde in de nabijheid van het vuur tegen een boom aan, volgde met scherpe aandacht den loop van het gevecht, en gaf naar links en naar rechts zijn uitgebreide bevelen. Hij was de veldoverste, die al de draden der verdediging in handen hield. Zelfs toen de Navajos verder en verder teruggedrongen werden, bleef hij staan zonder mee te avanceeren. Hij wilde fier op zijn post blijven, en liet aan de twee andere hoofdmannen de leiding over om den vijand te vervolgen.

Het gevecht verwijderde zich meer en meer. Nu werd het voor de drie onvrijwillige getuigen tijd, om zich in veiligheid te brengen. De weg naar hun asyl was vrij. Later, als het gevecht misschien een tegenrichting aannam, of wanneer de Utahs als overwinnaars terugkeerden, zou het onmogelijk wezen, onopgemerkt naar hun schuilplaats te komen.

Winnetou kwam uit zijn boom. De twee anderen zagen dat, in weerwil van de duisternis, en volgden zijn voorbeeld. De hoofdman stond nog altijd op zijn post. Het oorlogsrumoer kwam nu verreweg uit de verte.

“Nu maken dat wij wegkomen,” zei Winnetou. “Later zullen er vreugde-vuren aangelegd worden, en dan zal het voor ons te laat zijn.”

“Nemen wij dien hoofdman mee?” vroeg Old Shatterhand.

“Ja. Wij zullen hem gemakkelijk inrekenen, want hij is alleen. Ik zal....”

Eensklaps zweeg hij. En wat hij zag was ook wel geschikt om hem te verbazen, en te maken dat de woorden hem in zijn keel bleven steken. Er sprong namelijk uit de duisternis, snel als een weerlicht, een klein, nietig, kreupel kereltje; het zwaaide met een geweer, en sloeg met een goed gemikten kolfslag den hoofdman ter aarde. Toen pakte hij den Roodhuid bij den nek, en sleepte hem schielijk weg in de duisternis. Daarbij hoorde men de bijna gefluisterde, maar toch duidelijk verstaanbare woorden: “Wat Old Shatterhand en Old Firehand kunnen, dat kunnen wij Saksen meerendeels ook.”

“Dat is Hobble-Frank!” zei Old Shatterhand verwonderd.

“Ja dat is Frank!” bevestigde Old Firehand. “Dat ventje is gek. Wij moeten hem gauw achterna, om te zorgen dat hij geen domme streken méér doet.”

“Gek is hij niet, dat verzeker ik u. Het is een koddig kereltje, dat is waar; maar zijn hart zit precies, waar het behoort te zitten, en lichtzinnig is hij in het geheel niet. Hij is bij mij in de leer geweest, en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik pleizier aan hem beleefd heb. Maar wij zullen hem achternagaan, want zijn weg is ook de onze.”

Zij spoedden den kleine achterna, de duisternis in. En zij waren reeds bijna aan den ingang van hun schuilplaats, toen knalde er vlak vóór hen een schot.

“Hij is stellig geraakt door een Roodhuid. Wij moeten hem bijspringen ....” wilde Old Shatterhand zeggen, maar hij zweeg, want terstond hoorden zij de lachende stem: “Domkop! kijk toch uit uw oogen wat gij doet! Als gij mij raken wilt, schiet dan niet op de maan. Ziedaar! Daar hebt gij uw competente portie, en nu wensch ik u goedennacht!”

Een geluid als van een zwaren slag—toen was alles stil. De drie drongen vooruit, en stieten op den kleine.

“Terug!” gebood hij. “Hier wordt geschoten en gestoken!”

“Halt, schiet niet!” waarschuwde Old Shatterhand. “Wat hebt gij toch hier te zoeken?”

“Te zoeken? Niets, hoegenaamd niemendal. Ik behoef niet te zoeken, want ik heb al tweemaal zonder zoeken iets gevonden. Gij moogt van geluk spreken, dat gij uw mond opengedaan hebt! Als ik u niet aan uw conglomerate stem herkend had, had ik u, zoo waar als ik leef, kort en klein geschoten. Ik heb twee kogels op mijn geweer, hetgeen bij mijn tegenwoordigheid van geest en consubstantie geen ding is, om er den gek mee te steken. Ik waarschuw u in allen ernst, dat gij u niet weer zoo blindelings eerstens in het gevaar en ten tweede op mij aan stort, want anders in de derde plaats, zult gij onverwachts verzameld worden bij uw vaderen en aartsvaderen!”

In weerwil van den ernst van het oogenblik moesten de twee blanke jagers lachen om de boetpredikatie van den kleine. Er was voor het oogenblik geen vijand in de nabijheid, en Old Shatterhand kon dus zonder gevaar de vraag doen: “Maar wie heeft u permissie gegeven om de schuilplaats te verlaten?”

“Promissie? Mij heeft geen mensch iets te perimetteeren. Ik ben mijn eigen heer en fidei-commisbezitter. Louter uit bezorgdheid voor u heb ik de wapenen aangegord. Nauwelijks was u weg, of er ging een gehuil aan den gang, alsof de Cimbren midden in de Teutonen waren gedrongen. Dat zou nog om uit te houden geweest zijn, want mijn zenuwen zijn ingesmeerd met teer en levertraan. Maar een poos later begon het schieten, en toen werd het mij allerijselijkst bang om mijn hart. Mijn kinderlijk gemoed hangt met vaderlijke gehechtheid aan uw zalige levens-existentie, en ik kan het met geen mogelijkheid lijdelijk aanzien dat de Roodhuiden hen, die mij dierbaar zijn, om kroosjes denken te helpen. Daarom heb ik mijn geweer opgevat en heb ik verlof genomen, zonder dat de anderen dat in de Egyptische duisternis konden zien. Links werd geschoten, naar rechts hadt gijlieden gewild; ik ging dus naar rechts. Daar stond me die hoofdman aan den boom, als een gemarineerde olie-mummie. Dat ergerde mij, en ik gaf hem een verticalen opstopper, waardoor hij horizontaal op den grond kwam te liggen. Ik wilde hem natuurlijk met den gezwinden pas in successieve veiligheid brengen, en trok hem weg; maar hij was mij toch te zwaar; daarom ging ik een poosje op zijn corpus juris zitten, om een beetje uit te rusten. Daar kwam zulk een roode vrijbuiter aansluipen, en zag mij tegen het licht. Hij legde zijn geweer aan; ik sloeg het op zij, en zijn kogel kwam in den Melkweg terecht; maar met de hulp van de kolf vanmijngeweer, kwam ik met hem zoo na in confectie, dat hij naast den hoofdman op den grond kwam te liggen. Nu liggen die twee slampampers daar, zonder van toeten of blazen te weten. Er is toch ijselijk veel malheur in deze wereld!”

“Wees maar blij, dat er geen grooter ongeluk gebeurd is! Was je wat eer gekomen, dan was je verloren geweest!”

“Maak u voor mij maar niet ongerust! Hobble-Frank komt nooit eer, of hij moet de overwinning in allebei zijn handen hebben. Wat moet er numet die twee prulkerels gebeuren? Ik alleen ben niet coupabel om hen te versjouwen.”

“Wij zullen u helpen. Nu maar gauw naar binnen. Daarbeneden heeft het schieten opgehouden, en het is te verwachten, dat de Utahs nu terug zullen komen.”

De twee in bewusteloozen toestand liggende Indianen werden in de schuilplaats gebracht, en evenals de anderen gebonden en hen een prop in den mond gestoken. Daarop vatte Winnetou met Old Firehand post aan het voorhangsel, om gade te slaan wat daarbuiten voorviel.

Ja, de Utahs keerden terug, en wel als overwinnaars. Er werd een dubbel getal vuren aangelegd, en brandende stukken hout daaruit genomen, om in het bosch naar dooden en gekwetsten te zoeken. De Navajos hadden de hunnen medegenomen, zooals dat bij de Indianen gebruikelijk is.

Bij iederen doode, dien men vond, werd een vervaarlijk gehuil aangeheven—treurtonen en uitbarstingen van woede dooreen. De lijken werden bijeengedragen, om eervol begraven te worden. Er werden verscheiden personen vermist, die gevangengenomen moesten zijn, dachten zij. Datzelfde moest ook het lot zijn geweest van de drie hoofdmannen, oordeelden zij; want die waren verdwenen, zonder dat men ergens een spoor van hen ontwaren kon. Bij deze ontdekking deden de verwoede krijgslieden het bosch weer weergalmen van hun gebrul. De twee nog aanwezige hoofdmannen riepen de voornaamste krijgslieden bijeen tot een beraadslaging, bij welke luide en dreigende redevoeringen werden gehouden.

Daardoor kwam Winnetou op de gedachte, om de schuilplaats uit te sluipen, om misschien te weten te komen wat de Utahs zouden besluiten. Dit viel hem volstrekt niet moeilijk. De Roodhuiden hielden zich overtuigd, dat zij geheel alleen waren, en beschouwden dus alle voorzichtigheid als noodeloos. De afgeslagen Navajos zouden stellig niet terugkomen; en gesteld zij deden dat wel, dan waren er beneden aan het uiteinde van het dal schildwachten uitgezet. Dat zich midden in het dal nog veel gevaarlijker vijanden dan de Navajos bevonden, daarvan vermoedden zij niets. Winnetou kon dus alles hooren wat er besloten zou worden.

Men wilde nog in den nacht de dooden begraven; de treurzangen konden uitgesteld worden tot later. Het allereerst noodige was nu, de gevangen hoofdmannen te bevrijden. Dit was nog noodiger zelfs, dan morgen de aankomst van Winnetou en zijn beroemde blanke metgezellen af te wachten. Daar die het hooggebergte in en naar het Zilvermeer wilden, moesten zij op alle manieren ontwijfelbaar in handen van de Utahs vallen. In het belang der hoofdmannen diende men dus zoo spoedig doenlijk op te breken. En daarom zouden dien nacht alle noodige toebereidselen worden getroffen, om den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, den vervolgingsrit te kunnen aanvaarden.

Nu kroop Winnetou langzaam en voorzichtig terug. In de nabijheid van de schuilplaats aangekomen, zag hij daar eenige paarden staan. Die dieren waren tijdens het gevecht schichtig geworden, en hadden zich van de anderen afgezonderd; er waren er vijf. Nu kwam de Apache op de gedachte, dat degevangenen toch vervoerd moesten worden, drie hoofdmannen en een krijgsman. Daartoe waren vier paarden noodig. Geen mensch bevond zich in de nabijheid. De dieren waren niet bang voor hem, daar hij een Indiaan was. Hij nam er een bij den halster en bracht het in de schuilplaats. Daar zat Old Firehand achter het voorhangsel, en die nam het paard in ontvangst. Op die manier werden er nog drie andere naar binnen geloodst; zij snoven wel een weinig, doch werden door Winnetou gemakkelijk tot bedaren gebracht.

Binnen in de schuilplaats viel de tijd aan niemand te lang. Er was zóóveel te vertellen, aan te hooren, en—te luisteren. Hobble-Frank was, natuurlijk in de duisternis, naast zijn vriend en neef komen liggen. Vroeger was hij niet van den dikken Jemmy af te slaan geweest, en, in weerwil van alle aanhoudend gekibbel, met hem één hart en één ziel gebleven, maar sedert hij den Altenburger gevonden had, was dat anders geworden. Droll wilde niet geleerd zijn, en liet den kleine praten, zonder ooit iets van den onzin, dien hij nu en dan uitkraamde, te verbeteren; dat trok Hobble-Frank met dubbele kracht aan. Overigens had Droll, de ervaren westman, allesbehalve een geringen dunk van den kleine; integendeel, hij wist zijn goede hoedanigheden naar waarde op prijs te stellen, en verheugde zich ook nu oprecht over zijn heldendaad. Want dat Frank eerst den hoofdman en toen den anderen Indiaan neergeslagen had, dat was geen werk van dolle drift, maar van bedaard overleg en tegenwoordigheid van geest. Die daad werd algemeen geroemd, en allen hadden daaraan den welverdienden lof toegezwaaid, allen, op een enkele na, namelijk den lord. Maar nu haalde die hetgeen hij verzuimd had in. Hij zat aan de andere zijde van den kleine, en vroeg hem: “Frank! willen wij eens wedden?”

“Ik wed nooit,” gaf deze ten antwoord.

“Waarom niet?’

“Ik heb geen geld om te wedden.”

“Dan zal ik het u leenen.”

“Borgen baart zorgen,” zeggen wij Saksen. “Overigens is het niet zeer christelijk en contributair-sociaal een armen drommel geld te leenen, om het hem door een weddenschap weer af te winnen. Dan zijt gij bij mij aan het verkeerde kantoor, mylord! Ik houd mijn geld, zelfs al heb ik het niet.”

“Maar het was zeer wel mogelijk dat ik verloor, en dat gij dus de winner werdt.”

“Ik heb er volstrekt geen puf op. Door wedden wil ik niet rijk worden; op zulk geld rust geen zegen. Ik heb mijn principiëele grondbeginselenen overtuigingen, waarin ik mij door geen mensch van mijn stuk laat brengen.”

“Dat is jammer. Ik had dezen keer eens met alle geweld willen verliezen, als een soort van welverdiende belooning voor uw heldendaad.”

“Iemand, die een heldendaad verricht, vindt zijn loon reeds in zijn eigen gemoed. Men draagt de accusatieve erkentenis in zijn eigen en heiligste localiteiten van het hart met zich om. Hij die iets goeds verricht, doet eigenlijk maar een staaltje van zijn plicht. Overigens is het toch wel een minstens gemultipliceerd gebruik, vorsten en helden, door een weddenschap te beloonen. Wie geven wil, die kan toch geven, en niet indirect door een oneerlijke weddenschap,maar rechtstreeks van hand tot hand. Dat is in alle beschaafdere landen zoo het gebruik, en daarom wordt het ook in den omtrek van mijn persoonlijkheid niet anders ingevoerd.”

“Dus zoudt gij het mij niet kwalijk nemen als ik u een geschenk aanbood?”

“Dat zou ik zeer kwalijk nemen. Van geschenken wil Hobble-Frank niets weten; daartoe heeft hij een veel te majestueuze ambitie; maar een aandenken, zoo iets wat een Franschman, die karakter bezit, een souvenier en een cataplasme noemt, zoo iets kan men mij aanbieden, zonder dat men behoeft te vreezen, de snaren van de lier van mijn gemoed te zullen componeeren tot een wanklank.”

“Welnu, hier hebt gij dan een aandenken van mij! Ik hoop dat, dat u genoegen zal doen. Ik heb er twee, en kan dus het eene wel missen.”

Hij schoof hem een van zijn prachtgeweren in zijn handen. Maar Frank schoof het naar hem terug, en zei: “Hoor eens, mylord! Alle gekheid op een stokje! Pak mij niet aan op het eenige punt, waar ik juist ben als de hielen van Hagilles. Ik lach graag en van harte; maar ik kan ook gezichten trekken als iemand, die een flesch azijn uitgedronken heeft. Een kleine scherts is goed, en ook voor de gezondheid gemakkelijk te verduwen; maar bij mijn neus nemen, neen, dat kan ik niet best verdragen, en dat verdraag ik ook niet; daartoe heb ik veel te hooge en diagonale gedachten van mij zelf.”

“Maar ik scherts volstrekt niet: het is mij wel degelijk ernst.”

“Wat! Zoudt gij dat geweer werkelijk uit uw bezit willen verwijderen?”

“Ja,” antwoordde de Engelschman.

“En het aan mij vereeren alsbona immobilia?”

“Zoo is het!”

“Geef dan maar hier, geef dan maar gauw hier, eer gij berouw krijgt. De waan is kort, gelijk Jemmy, maar het berouw is lang, gelijk Davy, zingt Freiligrath. Dat geweer mijn eigendom! mijn onomstootelijk en geconcentreerd eigendom. Het is mij te moede juist alsof het Kerstmis is, en dat ik het mooiste procent heb gekregen. Ik ken mijzelf niet meer van blijdschap. Ik ben letterlijk geconflexioneerd en overstelpt! Mylord, als gij ooit een goed vriend noodig hebt, die voor u door dik en dun gaat, fluit mij dan maar even, dan zal ik dadelijk prozent zijn! Hoe zal ik u mijn dankerkentenis betuigen? Wilt gij een vriendelijken handdruk, of een lucratieven kus, of een interimistische omhelzing?”

“Een handdruk is voldoende.”

“Goed! De kogel is door de kerk, hoor! Hier is mijn hand! Druk die nu maar goed! druk die maar zoolang als het u pleizier en genoegen doet. Van nu af aan stel ik die hand elken dag ter uwer beschikking, voor zoover ik die niet zelf noodig heb; want dankbaarheid, die schoone deugd, huist in mij, sinds mijn prilste jeugd. Droll! Neef uit Altenburg! hebt gij gehoord wat een geluk mij dezen dag in alle hoogachting beschoren heeft?”

“Ja,” antwoordde de Altenburger. “Als je een ander was zou ik u benijden; maar sinds gij mijn vriend en neef zijt, gun ik het u uit grond van mijn hart. Ik feliciteer u!”

“Dank u, van ’s gelijken! Sapperdemallemosterdpot! Dat zal van vandaagaf aan een schieterij geven! Met dit geweer verdedig ik mij zonder advocaat tegen alle scherpschutters, die in de laatste negen eeuwen furore gemaakt hebben. Hier, Mylord! hier is nogmaals mijn hand, druk die, druk die zoo hard als gij maar wilt; ik zal het mij met pleizier laten welgevallen. Gij, Engelschen! gij zijt toch altijd potente kerels! Dat constiteer ik, en dat wil ik, als het verlangd wordt, met mijn eigenhandige handteekening bekrachtigen. Tel mij van vandaag af aan onder uw intiemste huis- en familievrienden. Zoodra ik eens te Londen kom, hoop ik u een bezoek te brengen. Gij behoeft volstrekt geen complimenten met mij te maken of voor mij uit te halen—ik eet eenvoudig uit den alledaagschen pot mee—sang fassong, zegt de Franschman.”

Hij was over het geschenk in de wolken, en bleef altoos nog maar doorslaan als een blinde vink, om op zijn eigenaardige manier uiting te geven aan zijn geluk, tot niet weinig vermaak van allen, die hem aanhoorden. Het was goed, dat het zoo donker was, want nu kon hij de lachende gezichten van zijn vrienden niet zien.

Daar het morgen weer een dag van groote inspanning beloofde te zijn, werden de schildwachten afgelost, en toen beproefde men of men den slaap zou kunnen vatten, hetgeen echter vooreerst niet wilde gelukken. Eerst lang na middernacht viel men eindelijk in slaap, en toen de ochtendschemering aanbrak was men alweer op de been, doordat de aftocht der Indianen plaats had onder een oorverdoovend spektakel.

Toen het eindelijk daarbuiten rustig was geworden, sloop de Apache uit de schuilplaats, om te zien of men die zou kunnen verlaten. Weldra keerde hij terug met een bevredigend antwoord. Er was geen enkele Utah meer in het dal. Men behoefde zich dus niet langer schuil te houden, welke tijding te welkomer was, daar de schuilplaats, ofschoon ruim genoeg, door de aanwezigheid der paarden had opgehouden een aangename verblijfplaats te zijn.

Allereerst werden er, veiligheidshalve, schildwachten uitgezet aan den ingang en den uitgang van het dal, en toen het dal zelf nog eens nauwkeurig doorzocht. Men vond een kolossale grafplaats, eenvoudig bestaande uit een grooten hoop opeengestapelde steenen boven de lijken van al de gesneuvelden. Ook lagen er eenige doode paarden, die door verkeerd gemikte kogels waren getroffen. De Roodhuiden hadden die ongebruikt laten liggen; de blanken waren verstandiger. De weg naar het Zilvermeer liep, als men de Utahs ontwijken wilde, door woeste streken, waar alle plantengroei en bijgevolg ook alle dierlijk leven ontbrak. Er was daar dus weinig kans om voldoende voedsel te bekomen, en waren die gedoode paarden dus een goede vondst. De westman is niet kieschkeurig; hij eet zijn genoegen ook aan paardenvleesch als hij niets beter bekomen kan. Als hij bij de Indianen te gast is, wordt hem wel als feestmaal een gebraden hond voorgezet! Men nam dus de beste stukken, verdeelde die, en stak eenige vuren aan, waaraan ieder zijn aandeel braden kon, om het goed te houden.

Dit was geen tijdverlies; want men moest de Roodhuiden niet zoo op den voet volgen. Ook was het beter, nu voor gereed zijnde proviand te zorgen, dan later de inmiddels kostbaar geworden tijd daaraan te moeten doorbrengen.Dat de paarden drinken en gras eten mochten, om zich voor den ophanden zijnden rit te sterken, spreekt wel vanzelf.

Na den aftocht van de Utahs had men de gevangenen de proppen uit den mond genomen. Zij konden dus weer vrij ademhalen en spreken. De Gele Zon was de eerste, die van het laatste gebruik maakte. Hij had lang stilgelegen, al het doen en drijven der blanken gadegeslagen, en ieder hunner met sombere blikken opgenomen. Nu wendde hij zich tot Old Shatterhand: “Wie van u heeft mij neergeslagen? Hoe hebt gij ons durven gevangennemen en binden, daar wij u niets gedaan hadden?”

“Weet gij wie wij zijn?’ vroeg de jager hem op zijn beurt.

“Ik ken Winnetou den Apache; en ik weet dat Old Shatterhand en Firehand zich bij hem bevinden.”

“Ik ben Shatterhand, enmijnarm heeft u op den grond geslagen.”

“Waarom?”

“Om u onschadelijk te maken.”

“Wilt gij daarmee zeggen, dat ik plan had om u te schaden?”

“Ja.”

“Dat is onwaar.”

“Geef u maar geen moeite om mij te misleiden! Ik weet alles. Wij moesten hier gedood worden, in weerwil dat wij met de Utahs de vredespijp gerookt hebben. De Yampa’s hebben u gisteren boodschappers gezonden, en zijn daarna zelf gekomen. Elke onwaarheid, die gij verzint, zal tevergeefs gesproken zijn. Wij weten precies waaraan wij ons te houden hebben, en gelooven geen woord van alles wat gij zegt.”

De hoofdman wendde zijn gelaat ter zijde en zweeg. In zijn plaats nam nu de krijgsman, dien Hobble-Frank bij de schuilplaats neergeslagen had, het woord: “De bleekgezichten zijn thans vijanden van de Utahs.”

“Wij zijn vrienden van alle roode mannen, maar wij verweren ons, wanneer wij door hen als vijanden behandeld worden.”

“De Utahs hebben de strijdbijlen tegen de bleekgezichten opgegraven. Gijlieden zijt beroemde krijgshelden, en gij zijt niet bang voor hen. Maar weet gij wel dat de Navajos opgerukt zijn, om de bleekgezichten te helpen?”

“Ja, dat weet ik.”

“De Navajos zijn Apachen, en de beroemdste hoofdman van dat volk, Winnetou, is uw vriend en metgezel, hij bevindt zich bij u. Ik zie hem daar bij zijn paard staan. Waarom slaat gij dan een krijgsman van de Navajos op den grond neer, en bindt gij hem armen en beenen?”

“Bedoelt gij daarmee u zelf?”

“Ja. Ik ben een Navajo.”

“Waarom hebt gij u dan niet beschilderd met de kleuren van uw stam?”

“Om mij te kunnen wreken.”

“En waarom bevondt gij u dan nog hier, toen de uwen reeds geweken waren?”

“Juist om mij te kunnen wreken. Mijn broeder had gestreden aan mijn zijde, en was door een hoofdman van die honden gedood. Ik bracht zijn lijk in veiligheid, en keerde toen, in weerwil dat mijn krijgsmakkers reeds gewekenwaren, terug, om zijn dood te wreken. Een hoofdman had mijn broeder gedood; daarvoor moest ik van een hoofdman den scalp hebben. Ik wist, dat er een in het dal achtergebleven was, en hem wilde ik zoeken. Daar zag ik twee mannen op mijn weg, een dooden en een levenden. De laatste zag mij ook; ik was verraden, en wilde hem doodschieten; maar hij was mij te gauw af, en sloeg mij neer. Toen ik tot bezinning kwam, lag ik in volslagen duisternis, en was een gevangen man. Roep Winnetou maar! Hij kent mij niet persoonlijk; maar als ik met hem mag spreken, zal ik kunnen bewijzen, dat ik geen Utah, maar een Navajo ben. Toen ik mijn broeders lijk aan mijn krijgsmakkers overgegeven had, heb ik de oorlogskleuren van mijn gelaat verwijderd, om door de Utahs niet dadelijk als vijand herkend te worden.”

“Ik geloof u; gij zijt een Navajo, en gij zult vrij zijn.”

Nu riep de Gele Zon driftig: “Hij is een Utah, een van mijn onderhebbenden, een lafaard, die zich door een leugen tracht te redden.”

“Zwijg,” gebood Old Shatterhand. “Als hij werkelijk een der uwen was, zoudt gij hem niet verraden. Dat gij hem verderven wilt, bewijst voldoende, dat hij waarheid gesproken heeft. Gij zijt een hoofdman; maar uw ziel is die van een gemeenen lafaard, die men verachten moet!”

“Beleedig mij niet!” bulderde de andere uit, “Ik heb de macht, om u allen te verdelgen. Bevrijd ons van de boeien, dan zullen wij u vergiffenis schenken. Maar als gij datnietdoet, zullen duizend onbeschrijfelijke folteringen u doodmartelen.”

“Ik lach om uw bedreigingen; gij zijt inonzemacht, en wij zullen met u doen wat ons goeddunkt. Hoe bedaarder gij u in uw lot schikt, des te draaglijker zal het zijn. Wij zijn christenen, en scheppen er geen behagen in, onze vijanden pijnen aan te doen.”

Terwijl hij dit zei, bevrijdde hij den Navajo, die nog een jonge man was van zijn boeien. Deze sprong op, rekte zijn ledematen goed uit, en verzocht toen: “Geef deze honden in mijn hand, opdat ik hun scalp kan nemen! Hoe zachter gij hen behandelt, des te meer zullen zij u bedriegen.”

“Gij hebt met hen niets te maken,” antwoordde Old Shatterhand. “Gij zult misschien met ons mee willen gaan; maar als gij het hart hebt, hen met een vinger aan te raken, zal ik u met mijn eigen handen dooden. Wanneer wij hen laten leven, kunnen zij ons waarschijnlijk nog van nut zijn; maar hun dood zou ons schaden.”

“Wat zouden zij u van nut kunnen wezen?” vroeg de roodhuid minachtend. “Die honden zijn tot niets nut!”

“Daarover heb ik geen opheldering te geven. Wilt gij ongedeerd tot de uwen terugkeeren, dan hebt gij u te schikken naar onzen wil.”

Men zag aan het gezicht van den Navajo, dat hij slechts noode van de vervulling van zijn wensch afzag; maar hij begreep, dat hij niet anders kon. Om hem eenigszins ter wille te zijn, stelde Old Shatterhand hem aan ter bewaking van de gevangen Utahs, en beloofde hem den scalp van hem, die een poging mocht wagen tot ontvluchten. Dit stelde den man tevreden, en was tevens een zeer verstandige maatregel, daar er stellig geen oplettenderen onvermoeider bewaker te vinden kon zijn, dan die man, die zoo begeerig was naar de schedelhuid der gevangenen.

Nu was het in de allereerste plaats nog zaak, de vermoorde blanken in oogenschouw te nemen. Die boden een aanblik, waarvan het maar het best is geen beschrijving te geven. Zij waren onder groote martelingen gestorven. De mannen, die thans bij de lijken stonden, hadden reeds veel gezien en ondervonden; maar er ging hun een ijskoude rilling van afgrijzen over het gansche lijf, toen zij de op ontelbare plaatsen doorstoken lichamen en afschuwelijk verminkte ledematen van de dooden aanschouwden. De tramps hadden gemaaid, wat zij gezaaid hadden. Het ergst was het den kornel gegaan. Hij hing ten onderste boven aan den martelpaal, met zijn hoofd naar beneden. Hij was, evenals al de zijnen, van alle kleederen ontbloot; de Roodhuiden hadden die onder elkander verdeeld, en er was niet het kleinste stukje meer van te zien.

“Dat is jammer!”zei Old Firehand. “Hadden wij maar wat eer kunnen komen, om het vermoorden van die lieden te beletten!”

“Pshaw!” antwoordde de oude Blenter. “Hebt gij inderdaad nog meelijden met die schobberds? En al waren wij tijdig genoeg gekomen, en al was het u gelukt hen het leven te redden, de kornel zou toch hebben moeten sterven. Mijn mes zou in elk geval een woordje met hem gesproken hebben.”

“Zoo was het niet gemeend, want hun dood betreur ik volstrekt niet, ofschoon ik wel gewenscht had, dat men hen een minder gruwzamen dood had doen sterven. Maar dat papier, die teekening, die de kornel bij zich had! Die teekening wilde ik hebben, die hadden wij noodig! En die is nu weg; stellig reddeloos verloren!”

“Misschien vinden wij het papier nog. Wij komen stellig nog wel weer in aanraking met de Utahs; en dan zal het wellicht op de een of andere manier mogelijk wezen, om in het bezit te komen van de kleeren, die de kornel aanhad; en die kunnen wij dan onderzoeken.”

“Ik heb er een zwaar hoofd over. Wij kennen immers de kleeren niet, die hij het laatst gedragen heeft; die zijn waarschijnlijk niet eens bij elkander gebleven, maar onder verscheiden Roodhuiden verdeeld. Hoe zou men die weer bijeen kunnen krijgen? De teekening is verloren, en de oude hoofdman Ikhatsjitabli, van wien Engel die ontvangen heeft, is dood. Een tweede exemplaar is dus niet meer te bekomen.”

“Gij vergeet,” merkte Watson, de voormalige opzichter over de baanwerkers te Sheridan, aan, “dat die hoofdman een zoon had, en een kleinzoon, die toen wel niet daar waren, maar die toch eigenlijk bij hem aan het Zilvermeer woonden. Dat die twee het geheim wel zullen kennen, spreekt, dunkt mij, vanzelf, en die zullen er dus, hetzij goedschiks hetzij kwaadschiks, dat doet er niet toe, wel toe te brengen zijn, het aan ons mee te deelen.”

“Een indiaan laat zich tot zoo iets niet dwingen, vooral wanneer er goud of zilver bij in het spel is; hij sterft liever, dan een gehaten blanke behulpzaam te wezen om rijk te worden.”

“De vraag is, of hij ons wel tot de gehate blanken zal mederekenen. De twee Beren zijn misschien jegens de blanken vriendschappelijk gezind.”

“De twee Beren?” vroeg Old Firehand. “Heetten zij zoo?”

“Natuurlijk: de Groote Beer en de Jonge Beer.”

“Verduiveld ja. Hoe is het mogelijk, dat ik zoo ver nog niet gedacht heb. Maar nu herinner ik het mij zeer goed: de twee Tonkawa’s die met ons op de stoomboot waren! Nientropan-Hawi en Nientropan-Homosj—de Groote Beer en de Jonge Beer—juist, zoo heetten zij!”

“Die twee, vader en zoon, wonen boven aan het Zilvermeer,” bevestigde Winnetou. “Ik ken hen; het zijn vrienden van mij, en zij zijn de bleekgezichten altijd zeer genegen geweest.”

“Inderdaad? Dat is goed, zeer goed; dan bestaat er misschien nog kans, dat wij van hen de noodige inlichtingen bekomen. Ongelukkig is er op dit oogenblik oorlog daarboven, en de Utahs bevinden zich tusschen ons en het Meer. Wij zullen er vermoedelijk niet doorheen komen.”

“Wij behoeven er niet doorheen, wij behoeven de Utahs niet voorbij; want ik ken een weg, dien nog géén blanke, of Utah, ooit betreden heeft. Hij is wel uiterst moeilijk; maar als wij spoedig opbreken, zullen wij nog vóór de Utahs, en zelfs reeds vóór de Navajos daar kunnen zijn.”

“Dan zullen wij spoed maken. Wij hebben hier niets meer te doen, dan deze blanken te begraven, die wij toch niet kunnen laten hangen. Doch dat is spoedig gedaan, als wij hen naast elkander leggen en met steenen bedekken. Dan gaan wij dadelijk op weg. Ik hoop het beste, vooral daar wij zooveel gijzelaars hebben, zoodat wij de Utahs waarschijnlijk zullen kunnen dwingen, om in der minne met ons tot een overeenkomst te komen.”


Back to IndexNext