VIJFDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.INDIAANSCH MEESTERSTUK.De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine boot verdwalen zal in volle zee.In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn gezicht—ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaamvan “vadermoorder” placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem—van waar eigenlijk kon hij niet zien—deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: “Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?”De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: “Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!”De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen met de hand achter zich, en antwoordde: “Daar vandaan!”“Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!”“Dien weg,” antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor zich uit.“Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!” lachte de nog altijd onzichtbare vrager. “Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder draaierij: Waar komt gij vandaan?”“Van het kasteel Castlepool,” antwoordde de man, op den toon van een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den schoolmeester.“Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?”“Op de landkaart van Schotland,” hernam de ruiter, terwijl zijn gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.“God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En waar is de reis naar toe?”“Naar Calcutta.”“Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?”“In Voor-Indië.”“Lack-a-day!Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?”“Ja, maar niet geheel en al.”“O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt waarschijnlijk een Engelschman?”“Yes.”“Wat is uw beroep?”“Lord.”“Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom,uncle(= oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meterspleen(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal.”Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel—oude, zeer lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor beiden te wezen; want terwijl de lange nog geenwoord gesproken had, vervolgde hij nu: “Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander.”“Willen wij eens wedden?” vroeg de Engelschman nu.“Wat wedden?”“Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij.”“Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?”“Denkt gij dat?Well, laat ons dan wedden om honderd dollars!”Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.“Master!” riep de kleine, “ik begin te gelooven, dat het werkelijk meenens bij u is!”“Wat zou het anders zijn?” vroeg de Engelschman verwonderd. “Wedden is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij elke gelegenheid.”“En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!”“Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?”“Wij hebben geen geld.”“Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij betalen kunt.”Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: “Ons leenen ... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?”“O ja, dat weet ik zeker.”“Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen.”“Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb.”“Uncle(= oom)!” zeide de kleinehoofdschuddendtegen den lange. “Zulk eenboyheb ik van mijn leven nog niet gezien of gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te bekijken.”Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de bultenaar: “Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!”Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, en op een korten strengen toon riep deze: “Hand weg of ik schiet!”De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.“Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!”De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.“Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd ben?” vervolgde hij. “En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u geantwoord. Maar nu verlangikte weten wie ik vóór mij heb. Hoe heet gij, en wat zijt gij?”Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: “Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco1als eerlijke jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen aan te sluiten.”“Well!En uw namen!”“Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten.”De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende antwoordde hij: “Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien.”De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: “Werkelijk een lord, lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw leven...”“Pshaw!” viel de lord hem in de rede. “Wat ik zoek? Ik wil de prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb.”“Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten.”“Volg mij dan!”Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, die men veilig met de gemeenzame benaming van “oude knollen” had kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.“Wat een venijnig kreng!” zei Humply-Bill. “Schijnt zeer ongezellig te zijn.”“O neen,” antwoordde de lord. “Maar hij weet, dat ik nog niet op een vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw paarden ook nog geen kennis maken.”“Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn.”“Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte Koerdischehoezaan(= hengst), als gij het niet kwalijk neemt.”“He! Waar ligt dat land?”“Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee naar huis genomen.”Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.“Zoo gaat het goed!” zei de Bultenaar. “In de prairie moet men geen complimenten maken.”“Die maak ik ook niet,” antwoordde hij. “Gij hebt gisteren uw vleesch geschoten; vandaag of morgen schietikwat op mijn beurt natuurlijk voor u meteen.”“Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen zijn?”“O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien dollars, of om meer, als gij wilt.”Meteen greep hij naar zijn geldtasch.“Laat uw banknoten maar rusten,” zei Humply. “Wedden doen wij niet!”“Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren.”Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog eens op met een scherpen blik, en zei toen: “Ik ben den Arkansas komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, dat echte prairie-mannen nergensbeter te vinden zouden zijn, dan in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij met mij meegaan?”“Waar naar toe?”“Naar Frisco, aan gene zijde.”“Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is.”“Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een rond jaar duurt, dat doet er niets toe.”“Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren kan?”“Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel te ondervinden.”“Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden noodig zijn, naar Frisco maken.”“Ik zal er u natuurlijk voor betalen.”“O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan te doen.”“Kunt gij schieten?” vroeg de Engelschman.Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, toen hij antwoordde: “Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult.”“Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden halen?”Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven in de lucht, en antwoordde: “Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen betwijfel ik sterk.”Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.“Schiet dan eens!” gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden van den bultenaar te ergeren.Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel als een baksteen loodrecht neer op den grond.“Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?” vroeg de kleine schutter.“Niet kwaad!” luidde het leuke antwoord.“Wat? Noemt gij dat leuk wegniet kwaad? Bedenk eens welk een hoogte, en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een meesterlijk schot genoemd hebben!”“Well, de tweede!” knikte de lord den langen jager toe, zonder op de gemelijkheid van den kleine te letten.Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de linkerhandop zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, en sprak toen op pathetischen toon: “De roofgier zweeft in hooger sfeer.—En blikt van daar op de aarde neer,—En hoopt op lekker aas alweer,—Maar....’k schiet, en ’t ondier leeft niet meer!”Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.“Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete klanken, dat wil zeggen op rijm.”“Well!” knikte de Engelschman. “Of zijn mond van honigzoetheid houdt, of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan hij schieten?”De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed eind verder af.“Hij is met geen mogelijkheid meer te raken,” zei Humply. “Vindt gij dat óók niet, uncle?”De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden uit hun graf doen verrijzen: “Door zijn vleuglen weggedragen,—Zweeft hij over berg en dal!—Ik behoef geen schot te wagen,—Daar hij toch ontkomen zal.—Wie hem nu nog wenscht te kriegen,—Dient hem achterna te vliegen!”“Onzin!” riep de lord.“Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer te raken is?”“Ja, sir!” antwoordde Humply. “Geen Old Firehand, geen Winnetou en geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen.”“Zoo!”Terwijl de lord dit woordje “zoo” meer minachtend uitstiet dan duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer zitten, greep naar den reebout, om erzich nog een stuk van af te snijden, en vroeg: “Nu, was hij te raken of niet?”Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende slakkenlijn naar beneden.“Wonderful!” riep Humply vol geestdrift uit. “Als dat geen toeval is, mylord!....”Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was toch bijna niet te gelooven.“Maar, mylord!” vervolgde de bultenaar, “kijk toch eens even om! Gij hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!”“Dat weet ik!” antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, een stuk vleesch in zijn mond stekende.“Maar gij hebt hem immers nog niet gezien.”“Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel mist nooit!”“Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?”De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: “Dat schot is raak geweest,—Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren...”“Hou nu maar op met leutren!” viel de Engelschman hem in de rede. “Al die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?”De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden toen met een bevredigend ja.“Well!En hoeveel verlangt gij?”“Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling kan bijscouts(= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen.”“All right!Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, dat wij beleven, vijftig dollars.”“Sir!” lachte Humply, “dan worden wij rijke menschen, want aan avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het niet liggen; maar voor eenvreemdeling is het raadzamer, de avonturen te ontwijken, in plaats van die op te zoeken.”“Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen thans in het Westen?”“Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, zich met een onbekende in te laten.”“Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij aantreffen, betaal ik u honderd dollars.”“Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?”“Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen daarmee?”“O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt.”Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.“Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf,” zei hij. “Ik zal aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven ieders portret en zijn naam.”“Onze portretten?” vroeg de bultenaar verwonderd.“Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij nu zit!”Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, en hun namen er bij.“Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig zal worden,” zeide hij nu. “Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk uitbetalen.”“Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!” merkte Humply aan. “Wij willen echter niet hopen, dat....Behold, uncle! kijk onze paarden eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om te zien of ik iets ontdekken kan.”“Dan ga ik met u mee!” zei de lord.“Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!”“Pshaw!Ik bederf niets.”Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen verscholen, en hunhoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als noodig was om rond te kunnen zien.“Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting,” prees Humply. “Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?”“Yes!Een Indiaan, schijnt het?”“Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken.”De lord voldeed daaraan.De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, was dat stellig slechts een vijand.De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider stemme: “Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn blanken vriend komen!”De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, zoodat hij in het golvend dal verdween.“Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te boeken hebben,” zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer neerdook.“Zullen wij een avontuur hebben?”“Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den uitkijk naar vijanden.”“Is het een hoofdman?”“Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen.”“En kent gij hem?”“Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons.”“Well, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, er hoe meer hoe liever verwacht.”“Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!”“Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?”“In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!”Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale houding,Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in zeer goed Engelsch: “Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten.”“Ook wij verheugen ons daarover,” antwoordde Humply, “daarvan kunt gij u verzekerd houden.”De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde declameerend uit:“Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!Telg des hemels op deze aarde!Groote hoofdman, wees gegroet!Zet u aan mijn zij met spoedEer uw vijand kan genaken,En .... laat u ’t restantje smakenVan een reebout, dat wij nu,Vriend een broeder, bieden u!”Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden willen zwichten.“Stil, uncle!” riep Humply, “er is nu waarlijk geen tijd voor uw gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?”“O ja,Gebonden, doch ontkomen,Heeft de eedle zonder schromenDe vlucht naar hier genomen!”was declameerende het antwoord.De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en zei tegen den Osage: “Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid van u en uw stam.”Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: “Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den tomahawk!”“Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?” vroeg Humply.“Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten loopen; maar de voeten van de ‘Goede Zon’ zijn even vlug en tegen vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt op mijn leven.”“Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?”“Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was ik reeds uit hun bereik.”“Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?”“Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden.”“Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?”“In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik worstelde mij ten minstelos; en op een oogenblik, toen de bewaker zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen.”“En uw vier kameraden?” vroeg Bill.“Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen doen om hen op te sporen?”“O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen.”“Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, en daar hulp te gaan halen.”Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: “Bijna onmogelijk! Van Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen uw kameraden afgemaakt worden!”“Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het vlugste paard!” antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. “Mijn vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp zou dus nog wel bijtijds kunnen komen.”“Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden.”“Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!” riep de Indiaan op een toon van blijde verrassing.“Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!”“Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!”“Pshaw!gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegtgijdaarvan, oude uncle?”De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:“Ik ben één van de vier!En ik zeg ’t zonder snoeven,Ik rij mee met plezierNaar het bivak der boeven;En wij halen als buit,De vier broeders er uit!”“Mooi zoo! en gij, mylord?”De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, en antwoordde: “Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?”“Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!”“Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben.”“Hum ja!” hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd aanzag. “Maar waar moeten wij dat vandaan halen—weetgijdat?”“Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem waarschijnlijk dicht op de hielen zitten.”“Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?”“Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, om onszóóte posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, geheel door ons omsingeld zullen zijn.”De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, en zei:“Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, sir!Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?”“O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders te zien krijgen, dan den rook uit de geweren.”“Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?”“Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken.”“Well!Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons eens, uncle!”De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, en antwoordde:“Ja, ja, zij worden ingesloten,En tot den laatste doodgeschoten!”“Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich gedragen.”“Dood maken niet!” opperde de lord.“Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen eigenlijkgeen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik geloof, dat wij niet langer mogen talmen.”Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn kijker meegenomen.Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de wacht hield, den luiden roep hooren: “Opgepast! ze zijn in aantocht.”“Stil!”waarschuwde de gebochelde iets minder luid.“Pshaw!”antwoordde de Engelschman. “Ze kunnen het onmogelijk hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af.”“Welken kant uit?”“Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden.”“Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!”Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: “Stop, messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!”Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: “Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!”“Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen,” klonk het van boven.“Wij zijn ook jagers!” was het antwoord. “Zijt gij een eerlijk man, laat u dan zien!”De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den kleine: “Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier hebt gij mij!”Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; maarhij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.“Zounds!” riep een hunner. “Als ik mij niet vergis, is het Humply-Bill!”“Ja, zoo word ik genoemd.”“Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn altijd bij elkander.”“Kent gij ons dan?”“Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u te schillen!”“Maar ik ken u niet!”“Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien ...Boys!die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens daar van boven naar beneden blazen!”Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.“Heigh-day, dat was goed gemikt!” jubelde de man. “Nu nog de Gun-stick-Un....”Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De lijken der tramps werden onderzocht.“Goed gewerkt!” sprak Bill. “Geen een schot heeft gemist! Ze zijn alle vijf ineens morsdood geweest!”De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: “Het geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan.”“Dat geloof ik ook,” knikte de Engelschman. “Ik heb die twee geweren extra voor de prairie besteld.”“Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd bevervellen voor.”“Het is niet te koop.”“Dan geef ik er hem honderd en vijftig.”“Dan ook nog niet.”“Voor tweehonderd ook niet?”“Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden.”“Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil.”Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord schudde zijn hoofd, en antwoordde: “Lord Castlepool ruilt nooit en verkoopt ook nooit.Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers op zijn minst even voortreffelijk als het uwe.”“Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij zich, dan ik noodig heb.”Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken onderzocht, zei Bill: “Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, die wij willen gaan bevrijden.”“Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?” vroeg de Engelschman.“Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, dat achter hen ligt.”“En deze lijken?”“Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!”Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een donkere streep, en de Osage verklaarde: “Dat is de achterzijde van het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de graven van onze omgebrachte broeders.”“Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien hoek bereikt?” vroeg de lord.“Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier gaans, om aan het bivak der tramps te komen,” verklaarde de Roodhuid.Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman steeg nu insgelijks af, doch zei: “Mij dunkt, dat wij geen oogenblik te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier met de handen in den schoot gaan zitten?”“Dat is geen goed doordachte vraag, sir!” antwoordde de bultenaar. “Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, als wij ons dood laten schieten?”“Dood laten schieten? Hoe dat?”“Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?”“Dat nu zoozeer niet.....”“Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?”“Well,” knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. “Ik had niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn.”“Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen dollar te ontvangen.”“Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?”“Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben.”“Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur.”“Ook weer voor vijftig dollars?”“Yes!” knikte de lord.“Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken,” zei Bill lachende. “Als gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult weten waar het vandaan te halen.”De lord glimlachte eens, en antwoordde: “Er zal wel genoeg zijn. Ik zal wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?”“Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij den neef van mijn uncle geen denken aan!”De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster liet zich zien.Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen der boomen.Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde hem toe: “Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten.”Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, en fluisterde: “Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen der tramps vernomen.”Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.“Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom,” zei de Osage.Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.“Wel?” vroeg Bill. “Wat nieuws brengt gij ons?”“Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer.”“Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er gesproken werd?”“Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een toespraak hield.”“Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?”“Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak.”“Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?”“Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten nadeele van de armen, zoodat menvande rijken behoort af te nemen alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken van al het geld, dat in destaatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen.”“Wat nog meer? Vertel verder!”“Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn.”“Waar is dat?”“Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, die hem bewaakte.”“Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen.”“O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem toegefluisterd, dat zij gered zullen worden.”“Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!”De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den drie blanken toe: “Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen gebonden?”“Ja,” antwoordde de bultenaar. “De toespraak, die de kerel met het roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben.”“Dat moest mijn broeder liever niet doen!” waarschuwde de hoofdman.“Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?”“Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden.”“Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!”“Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk worden, de Osagen te bevrijden!”“Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan ons niets. Hier is mijn geweer uncle!”Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en Humply-Bill hoorde hem zeggen: “Ik kan u dus een goeden buit beloven, want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?”“Ja, ja, ja!” antwoordden de anderen.“En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk of tien vrijwilligers werven?”“Neen, neen, wij doen natuurlijk mee,” zei een der drie. “Ik zie niet in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: is het geld er al?”“Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de schobberds, die hun aanvoerders zijn!”“Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?”“Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds daar is.”“Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?”“Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen zal zijn.”“Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen.”“Zijt gij bang?” vroeg de roodharige spottend.“Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer van die soort van menschen.”“Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken”? Bedenk toch, dat wij hier overde vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche familie niet in hun schulp zouden kruipen.’“Gaan die allen mee naar Butler’s boerderij?”“Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?”“Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?”“Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden.”Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de hoofdman viel hem in de rede, en zei: “Ik heb mijn blanke broeders enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij eerst dan helpen, als ik bemerkt word.”“Wat gaat hij nu doen?” vroeg de Engelschman zacht.“Een meesterstuk,” antwoordde Bill. “Wees zoo goed en ga weer liggen, en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar onze paarden te loopen.”De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste geluid of geritsel deed hooren.Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. “Is het klaar?” vroeg Bill. “Ja,” antwoordde de Roodhuid.“Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?” fluisterde de lord hem toe.“Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te gaan, waar ook dievan ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen.”“Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?” waarschuwde Bill.“Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de plaats, waar wij afgestegen zijn.Howgh!”Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens waren zij weg, als verzonken in den grond.“Wonderful!” fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde toe. “Precies zooals men dat in romans leest.”“Hum!” antwoordde de kleine “Gij zult bij ons nog menigen roman beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken.”“Moeten wij nu weg?”“Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje.”Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van Indianen kwamen—en toen een snuiven en stampen, en hinniken en dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: “De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen....”Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: “Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?”“Indianen, Indianen!” werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, waar de paarden gestaan hadden.“Te wapen! naar de paarden!” brulde de kornel. “Wij zijn overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!”Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Blz.111.Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbijhadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten sprak de kornel: “Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken.”“Waarom?” werd er gevraagd.“Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij.”“En denkt gij dat zij dat verraden zullen?”“Natuurlijk!”“Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?”“Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden.”“Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!”“Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben.”“Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door den nacht overvallen en verdwaald zijn—of zij hebben, om niet verdoold te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan.”Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.1Verkorte benaming voor San Francisco.

VIJFDE HOOFDSTUK.INDIAANSCH MEESTERSTUK.De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine boot verdwalen zal in volle zee.In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn gezicht—ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaamvan “vadermoorder” placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem—van waar eigenlijk kon hij niet zien—deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: “Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?”De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: “Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!”De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen met de hand achter zich, en antwoordde: “Daar vandaan!”“Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!”“Dien weg,” antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor zich uit.“Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!” lachte de nog altijd onzichtbare vrager. “Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder draaierij: Waar komt gij vandaan?”“Van het kasteel Castlepool,” antwoordde de man, op den toon van een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den schoolmeester.“Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?”“Op de landkaart van Schotland,” hernam de ruiter, terwijl zijn gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.“God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En waar is de reis naar toe?”“Naar Calcutta.”“Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?”“In Voor-Indië.”“Lack-a-day!Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?”“Ja, maar niet geheel en al.”“O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt waarschijnlijk een Engelschman?”“Yes.”“Wat is uw beroep?”“Lord.”“Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom,uncle(= oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meterspleen(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal.”Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel—oude, zeer lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor beiden te wezen; want terwijl de lange nog geenwoord gesproken had, vervolgde hij nu: “Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander.”“Willen wij eens wedden?” vroeg de Engelschman nu.“Wat wedden?”“Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij.”“Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?”“Denkt gij dat?Well, laat ons dan wedden om honderd dollars!”Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.“Master!” riep de kleine, “ik begin te gelooven, dat het werkelijk meenens bij u is!”“Wat zou het anders zijn?” vroeg de Engelschman verwonderd. “Wedden is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij elke gelegenheid.”“En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!”“Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?”“Wij hebben geen geld.”“Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij betalen kunt.”Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: “Ons leenen ... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?”“O ja, dat weet ik zeker.”“Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen.”“Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb.”“Uncle(= oom)!” zeide de kleinehoofdschuddendtegen den lange. “Zulk eenboyheb ik van mijn leven nog niet gezien of gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te bekijken.”Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de bultenaar: “Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!”Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, en op een korten strengen toon riep deze: “Hand weg of ik schiet!”De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.“Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!”De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.“Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd ben?” vervolgde hij. “En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u geantwoord. Maar nu verlangikte weten wie ik vóór mij heb. Hoe heet gij, en wat zijt gij?”Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: “Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco1als eerlijke jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen aan te sluiten.”“Well!En uw namen!”“Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten.”De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende antwoordde hij: “Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien.”De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: “Werkelijk een lord, lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw leven...”“Pshaw!” viel de lord hem in de rede. “Wat ik zoek? Ik wil de prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb.”“Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten.”“Volg mij dan!”Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, die men veilig met de gemeenzame benaming van “oude knollen” had kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.“Wat een venijnig kreng!” zei Humply-Bill. “Schijnt zeer ongezellig te zijn.”“O neen,” antwoordde de lord. “Maar hij weet, dat ik nog niet op een vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw paarden ook nog geen kennis maken.”“Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn.”“Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte Koerdischehoezaan(= hengst), als gij het niet kwalijk neemt.”“He! Waar ligt dat land?”“Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee naar huis genomen.”Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.“Zoo gaat het goed!” zei de Bultenaar. “In de prairie moet men geen complimenten maken.”“Die maak ik ook niet,” antwoordde hij. “Gij hebt gisteren uw vleesch geschoten; vandaag of morgen schietikwat op mijn beurt natuurlijk voor u meteen.”“Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen zijn?”“O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien dollars, of om meer, als gij wilt.”Meteen greep hij naar zijn geldtasch.“Laat uw banknoten maar rusten,” zei Humply. “Wedden doen wij niet!”“Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren.”Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog eens op met een scherpen blik, en zei toen: “Ik ben den Arkansas komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, dat echte prairie-mannen nergensbeter te vinden zouden zijn, dan in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij met mij meegaan?”“Waar naar toe?”“Naar Frisco, aan gene zijde.”“Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is.”“Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een rond jaar duurt, dat doet er niets toe.”“Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren kan?”“Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel te ondervinden.”“Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden noodig zijn, naar Frisco maken.”“Ik zal er u natuurlijk voor betalen.”“O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan te doen.”“Kunt gij schieten?” vroeg de Engelschman.Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, toen hij antwoordde: “Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult.”“Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden halen?”Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven in de lucht, en antwoordde: “Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen betwijfel ik sterk.”Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.“Schiet dan eens!” gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden van den bultenaar te ergeren.Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel als een baksteen loodrecht neer op den grond.“Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?” vroeg de kleine schutter.“Niet kwaad!” luidde het leuke antwoord.“Wat? Noemt gij dat leuk wegniet kwaad? Bedenk eens welk een hoogte, en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een meesterlijk schot genoemd hebben!”“Well, de tweede!” knikte de lord den langen jager toe, zonder op de gemelijkheid van den kleine te letten.Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de linkerhandop zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, en sprak toen op pathetischen toon: “De roofgier zweeft in hooger sfeer.—En blikt van daar op de aarde neer,—En hoopt op lekker aas alweer,—Maar....’k schiet, en ’t ondier leeft niet meer!”Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.“Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete klanken, dat wil zeggen op rijm.”“Well!” knikte de Engelschman. “Of zijn mond van honigzoetheid houdt, of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan hij schieten?”De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed eind verder af.“Hij is met geen mogelijkheid meer te raken,” zei Humply. “Vindt gij dat óók niet, uncle?”De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden uit hun graf doen verrijzen: “Door zijn vleuglen weggedragen,—Zweeft hij over berg en dal!—Ik behoef geen schot te wagen,—Daar hij toch ontkomen zal.—Wie hem nu nog wenscht te kriegen,—Dient hem achterna te vliegen!”“Onzin!” riep de lord.“Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer te raken is?”“Ja, sir!” antwoordde Humply. “Geen Old Firehand, geen Winnetou en geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen.”“Zoo!”Terwijl de lord dit woordje “zoo” meer minachtend uitstiet dan duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer zitten, greep naar den reebout, om erzich nog een stuk van af te snijden, en vroeg: “Nu, was hij te raken of niet?”Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende slakkenlijn naar beneden.“Wonderful!” riep Humply vol geestdrift uit. “Als dat geen toeval is, mylord!....”Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was toch bijna niet te gelooven.“Maar, mylord!” vervolgde de bultenaar, “kijk toch eens even om! Gij hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!”“Dat weet ik!” antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, een stuk vleesch in zijn mond stekende.“Maar gij hebt hem immers nog niet gezien.”“Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel mist nooit!”“Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?”De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: “Dat schot is raak geweest,—Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren...”“Hou nu maar op met leutren!” viel de Engelschman hem in de rede. “Al die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?”De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden toen met een bevredigend ja.“Well!En hoeveel verlangt gij?”“Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling kan bijscouts(= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen.”“All right!Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, dat wij beleven, vijftig dollars.”“Sir!” lachte Humply, “dan worden wij rijke menschen, want aan avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het niet liggen; maar voor eenvreemdeling is het raadzamer, de avonturen te ontwijken, in plaats van die op te zoeken.”“Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen thans in het Westen?”“Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, zich met een onbekende in te laten.”“Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij aantreffen, betaal ik u honderd dollars.”“Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?”“Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen daarmee?”“O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt.”Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.“Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf,” zei hij. “Ik zal aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven ieders portret en zijn naam.”“Onze portretten?” vroeg de bultenaar verwonderd.“Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij nu zit!”Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, en hun namen er bij.“Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig zal worden,” zeide hij nu. “Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk uitbetalen.”“Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!” merkte Humply aan. “Wij willen echter niet hopen, dat....Behold, uncle! kijk onze paarden eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om te zien of ik iets ontdekken kan.”“Dan ga ik met u mee!” zei de lord.“Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!”“Pshaw!Ik bederf niets.”Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen verscholen, en hunhoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als noodig was om rond te kunnen zien.“Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting,” prees Humply. “Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?”“Yes!Een Indiaan, schijnt het?”“Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken.”De lord voldeed daaraan.De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, was dat stellig slechts een vijand.De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider stemme: “Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn blanken vriend komen!”De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, zoodat hij in het golvend dal verdween.“Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te boeken hebben,” zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer neerdook.“Zullen wij een avontuur hebben?”“Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den uitkijk naar vijanden.”“Is het een hoofdman?”“Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen.”“En kent gij hem?”“Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons.”“Well, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, er hoe meer hoe liever verwacht.”“Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!”“Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?”“In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!”Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale houding,Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in zeer goed Engelsch: “Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten.”“Ook wij verheugen ons daarover,” antwoordde Humply, “daarvan kunt gij u verzekerd houden.”De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde declameerend uit:“Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!Telg des hemels op deze aarde!Groote hoofdman, wees gegroet!Zet u aan mijn zij met spoedEer uw vijand kan genaken,En .... laat u ’t restantje smakenVan een reebout, dat wij nu,Vriend een broeder, bieden u!”Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden willen zwichten.“Stil, uncle!” riep Humply, “er is nu waarlijk geen tijd voor uw gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?”“O ja,Gebonden, doch ontkomen,Heeft de eedle zonder schromenDe vlucht naar hier genomen!”was declameerende het antwoord.De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en zei tegen den Osage: “Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid van u en uw stam.”Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: “Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den tomahawk!”“Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?” vroeg Humply.“Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten loopen; maar de voeten van de ‘Goede Zon’ zijn even vlug en tegen vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt op mijn leven.”“Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?”“Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was ik reeds uit hun bereik.”“Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?”“Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden.”“Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?”“In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik worstelde mij ten minstelos; en op een oogenblik, toen de bewaker zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen.”“En uw vier kameraden?” vroeg Bill.“Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen doen om hen op te sporen?”“O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen.”“Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, en daar hulp te gaan halen.”Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: “Bijna onmogelijk! Van Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen uw kameraden afgemaakt worden!”“Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het vlugste paard!” antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. “Mijn vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp zou dus nog wel bijtijds kunnen komen.”“Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden.”“Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!” riep de Indiaan op een toon van blijde verrassing.“Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!”“Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!”“Pshaw!gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegtgijdaarvan, oude uncle?”De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:“Ik ben één van de vier!En ik zeg ’t zonder snoeven,Ik rij mee met plezierNaar het bivak der boeven;En wij halen als buit,De vier broeders er uit!”“Mooi zoo! en gij, mylord?”De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, en antwoordde: “Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?”“Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!”“Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben.”“Hum ja!” hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd aanzag. “Maar waar moeten wij dat vandaan halen—weetgijdat?”“Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem waarschijnlijk dicht op de hielen zitten.”“Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?”“Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, om onszóóte posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, geheel door ons omsingeld zullen zijn.”De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, en zei:“Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, sir!Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?”“O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders te zien krijgen, dan den rook uit de geweren.”“Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?”“Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken.”“Well!Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons eens, uncle!”De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, en antwoordde:“Ja, ja, zij worden ingesloten,En tot den laatste doodgeschoten!”“Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich gedragen.”“Dood maken niet!” opperde de lord.“Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen eigenlijkgeen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik geloof, dat wij niet langer mogen talmen.”Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn kijker meegenomen.Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de wacht hield, den luiden roep hooren: “Opgepast! ze zijn in aantocht.”“Stil!”waarschuwde de gebochelde iets minder luid.“Pshaw!”antwoordde de Engelschman. “Ze kunnen het onmogelijk hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af.”“Welken kant uit?”“Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden.”“Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!”Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: “Stop, messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!”Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: “Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!”“Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen,” klonk het van boven.“Wij zijn ook jagers!” was het antwoord. “Zijt gij een eerlijk man, laat u dan zien!”De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den kleine: “Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier hebt gij mij!”Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; maarhij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.“Zounds!” riep een hunner. “Als ik mij niet vergis, is het Humply-Bill!”“Ja, zoo word ik genoemd.”“Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn altijd bij elkander.”“Kent gij ons dan?”“Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u te schillen!”“Maar ik ken u niet!”“Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien ...Boys!die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens daar van boven naar beneden blazen!”Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.“Heigh-day, dat was goed gemikt!” jubelde de man. “Nu nog de Gun-stick-Un....”Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De lijken der tramps werden onderzocht.“Goed gewerkt!” sprak Bill. “Geen een schot heeft gemist! Ze zijn alle vijf ineens morsdood geweest!”De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: “Het geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan.”“Dat geloof ik ook,” knikte de Engelschman. “Ik heb die twee geweren extra voor de prairie besteld.”“Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd bevervellen voor.”“Het is niet te koop.”“Dan geef ik er hem honderd en vijftig.”“Dan ook nog niet.”“Voor tweehonderd ook niet?”“Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden.”“Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil.”Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord schudde zijn hoofd, en antwoordde: “Lord Castlepool ruilt nooit en verkoopt ook nooit.Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers op zijn minst even voortreffelijk als het uwe.”“Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij zich, dan ik noodig heb.”Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken onderzocht, zei Bill: “Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, die wij willen gaan bevrijden.”“Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?” vroeg de Engelschman.“Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, dat achter hen ligt.”“En deze lijken?”“Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!”Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een donkere streep, en de Osage verklaarde: “Dat is de achterzijde van het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de graven van onze omgebrachte broeders.”“Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien hoek bereikt?” vroeg de lord.“Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier gaans, om aan het bivak der tramps te komen,” verklaarde de Roodhuid.Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman steeg nu insgelijks af, doch zei: “Mij dunkt, dat wij geen oogenblik te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier met de handen in den schoot gaan zitten?”“Dat is geen goed doordachte vraag, sir!” antwoordde de bultenaar. “Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, als wij ons dood laten schieten?”“Dood laten schieten? Hoe dat?”“Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?”“Dat nu zoozeer niet.....”“Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?”“Well,” knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. “Ik had niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn.”“Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen dollar te ontvangen.”“Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?”“Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben.”“Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur.”“Ook weer voor vijftig dollars?”“Yes!” knikte de lord.“Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken,” zei Bill lachende. “Als gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult weten waar het vandaan te halen.”De lord glimlachte eens, en antwoordde: “Er zal wel genoeg zijn. Ik zal wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?”“Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij den neef van mijn uncle geen denken aan!”De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster liet zich zien.Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen der boomen.Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde hem toe: “Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten.”Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, en fluisterde: “Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen der tramps vernomen.”Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.“Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom,” zei de Osage.Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.“Wel?” vroeg Bill. “Wat nieuws brengt gij ons?”“Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer.”“Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er gesproken werd?”“Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een toespraak hield.”“Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?”“Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak.”“Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?”“Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten nadeele van de armen, zoodat menvande rijken behoort af te nemen alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken van al het geld, dat in destaatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen.”“Wat nog meer? Vertel verder!”“Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn.”“Waar is dat?”“Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, die hem bewaakte.”“Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen.”“O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem toegefluisterd, dat zij gered zullen worden.”“Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!”De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den drie blanken toe: “Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen gebonden?”“Ja,” antwoordde de bultenaar. “De toespraak, die de kerel met het roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben.”“Dat moest mijn broeder liever niet doen!” waarschuwde de hoofdman.“Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?”“Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden.”“Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!”“Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk worden, de Osagen te bevrijden!”“Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan ons niets. Hier is mijn geweer uncle!”Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en Humply-Bill hoorde hem zeggen: “Ik kan u dus een goeden buit beloven, want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?”“Ja, ja, ja!” antwoordden de anderen.“En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk of tien vrijwilligers werven?”“Neen, neen, wij doen natuurlijk mee,” zei een der drie. “Ik zie niet in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: is het geld er al?”“Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de schobberds, die hun aanvoerders zijn!”“Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?”“Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds daar is.”“Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?”“Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen zal zijn.”“Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen.”“Zijt gij bang?” vroeg de roodharige spottend.“Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer van die soort van menschen.”“Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken”? Bedenk toch, dat wij hier overde vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche familie niet in hun schulp zouden kruipen.’“Gaan die allen mee naar Butler’s boerderij?”“Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?”“Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?”“Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden.”Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de hoofdman viel hem in de rede, en zei: “Ik heb mijn blanke broeders enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij eerst dan helpen, als ik bemerkt word.”“Wat gaat hij nu doen?” vroeg de Engelschman zacht.“Een meesterstuk,” antwoordde Bill. “Wees zoo goed en ga weer liggen, en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar onze paarden te loopen.”De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste geluid of geritsel deed hooren.Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. “Is het klaar?” vroeg Bill. “Ja,” antwoordde de Roodhuid.“Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?” fluisterde de lord hem toe.“Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te gaan, waar ook dievan ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen.”“Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?” waarschuwde Bill.“Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de plaats, waar wij afgestegen zijn.Howgh!”Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens waren zij weg, als verzonken in den grond.“Wonderful!” fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde toe. “Precies zooals men dat in romans leest.”“Hum!” antwoordde de kleine “Gij zult bij ons nog menigen roman beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken.”“Moeten wij nu weg?”“Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje.”Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van Indianen kwamen—en toen een snuiven en stampen, en hinniken en dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: “De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen....”Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: “Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?”“Indianen, Indianen!” werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, waar de paarden gestaan hadden.“Te wapen! naar de paarden!” brulde de kornel. “Wij zijn overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!”Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Blz.111.Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbijhadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten sprak de kornel: “Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken.”“Waarom?” werd er gevraagd.“Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij.”“En denkt gij dat zij dat verraden zullen?”“Natuurlijk!”“Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?”“Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden.”“Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!”“Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben.”“Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door den nacht overvallen en verdwaald zijn—of zij hebben, om niet verdoold te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan.”Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.1Verkorte benaming voor San Francisco.

De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine boot verdwalen zal in volle zee.

In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.

De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn gezicht—ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaamvan “vadermoorder” placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.

Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.

Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.

De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.

Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem—van waar eigenlijk kon hij niet zien—deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: “Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?”

De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: “Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!”

De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen met de hand achter zich, en antwoordde: “Daar vandaan!”

“Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!”

“Dien weg,” antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor zich uit.

“Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!” lachte de nog altijd onzichtbare vrager. “Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder draaierij: Waar komt gij vandaan?”

“Van het kasteel Castlepool,” antwoordde de man, op den toon van een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den schoolmeester.

“Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?”

“Op de landkaart van Schotland,” hernam de ruiter, terwijl zijn gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.

“God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En waar is de reis naar toe?”

“Naar Calcutta.”

“Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?”

“In Voor-Indië.”

“Lack-a-day!Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?”

“Ja, maar niet geheel en al.”

“O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt waarschijnlijk een Engelschman?”

“Yes.”

“Wat is uw beroep?”

“Lord.”

“Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom,uncle(= oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meterspleen(= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal.”

Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel—oude, zeer lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor beiden te wezen; want terwijl de lange nog geenwoord gesproken had, vervolgde hij nu: “Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander.”

“Willen wij eens wedden?” vroeg de Engelschman nu.

“Wat wedden?”

“Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij.”

“Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?”

“Denkt gij dat?Well, laat ons dan wedden om honderd dollars!”

Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.

“Master!” riep de kleine, “ik begin te gelooven, dat het werkelijk meenens bij u is!”

“Wat zou het anders zijn?” vroeg de Engelschman verwonderd. “Wedden is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij elke gelegenheid.”

“En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!”

“Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?”

“Wij hebben geen geld.”

“Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij betalen kunt.”

Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: “Ons leenen ... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?”

“O ja, dat weet ik zeker.”

“Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen.”

“Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb.”

“Uncle(= oom)!” zeide de kleinehoofdschuddendtegen den lange. “Zulk eenboyheb ik van mijn leven nog niet gezien of gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te bekijken.”

Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de bultenaar: “Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!”

Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, en op een korten strengen toon riep deze: “Hand weg of ik schiet!”

De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.

“Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!”

De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.

“Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd ben?” vervolgde hij. “En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u geantwoord. Maar nu verlangikte weten wie ik vóór mij heb. Hoe heet gij, en wat zijt gij?”

Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: “Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco1als eerlijke jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen aan te sluiten.”

“Well!En uw namen!”

“Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten.”

De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende antwoordde hij: “Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien.”

De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: “Werkelijk een lord, lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw leven...”

“Pshaw!” viel de lord hem in de rede. “Wat ik zoek? Ik wil de prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb.”

“Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten.”

“Volg mij dan!”

Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, die men veilig met de gemeenzame benaming van “oude knollen” had kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.

“Wat een venijnig kreng!” zei Humply-Bill. “Schijnt zeer ongezellig te zijn.”

“O neen,” antwoordde de lord. “Maar hij weet, dat ik nog niet op een vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw paarden ook nog geen kennis maken.”

“Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn.”

“Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte Koerdischehoezaan(= hengst), als gij het niet kwalijk neemt.”

“He! Waar ligt dat land?”

“Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee naar huis genomen.”

Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.

“Zoo gaat het goed!” zei de Bultenaar. “In de prairie moet men geen complimenten maken.”

“Die maak ik ook niet,” antwoordde hij. “Gij hebt gisteren uw vleesch geschoten; vandaag of morgen schietikwat op mijn beurt natuurlijk voor u meteen.”

“Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen zijn?”

“O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien dollars, of om meer, als gij wilt.”

Meteen greep hij naar zijn geldtasch.

“Laat uw banknoten maar rusten,” zei Humply. “Wedden doen wij niet!”

“Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren.”

Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog eens op met een scherpen blik, en zei toen: “Ik ben den Arkansas komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, dat echte prairie-mannen nergensbeter te vinden zouden zijn, dan in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij met mij meegaan?”

“Waar naar toe?”

“Naar Frisco, aan gene zijde.”

“Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is.”

“Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een rond jaar duurt, dat doet er niets toe.”

“Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren kan?”

“Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel te ondervinden.”

“Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden noodig zijn, naar Frisco maken.”

“Ik zal er u natuurlijk voor betalen.”

“O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan te doen.”

“Kunt gij schieten?” vroeg de Engelschman.

Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, toen hij antwoordde: “Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult.”

“Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden halen?”

Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven in de lucht, en antwoordde: “Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen betwijfel ik sterk.”

Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.

“Schiet dan eens!” gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden van den bultenaar te ergeren.

Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel als een baksteen loodrecht neer op den grond.

“Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?” vroeg de kleine schutter.

“Niet kwaad!” luidde het leuke antwoord.

“Wat? Noemt gij dat leuk wegniet kwaad? Bedenk eens welk een hoogte, en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een meesterlijk schot genoemd hebben!”

“Well, de tweede!” knikte de lord den langen jager toe, zonder op de gemelijkheid van den kleine te letten.

Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de linkerhandop zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, en sprak toen op pathetischen toon: “De roofgier zweeft in hooger sfeer.—En blikt van daar op de aarde neer,—En hoopt op lekker aas alweer,—Maar....’k schiet, en ’t ondier leeft niet meer!”

Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.

“Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete klanken, dat wil zeggen op rijm.”

“Well!” knikte de Engelschman. “Of zijn mond van honigzoetheid houdt, of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan hij schieten?”

De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed eind verder af.

“Hij is met geen mogelijkheid meer te raken,” zei Humply. “Vindt gij dat óók niet, uncle?”

De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden uit hun graf doen verrijzen: “Door zijn vleuglen weggedragen,—Zweeft hij over berg en dal!—Ik behoef geen schot te wagen,—Daar hij toch ontkomen zal.—Wie hem nu nog wenscht te kriegen,—Dient hem achterna te vliegen!”

“Onzin!” riep de lord.“Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer te raken is?”

“Ja, sir!” antwoordde Humply. “Geen Old Firehand, geen Winnetou en geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen.”

“Zoo!”

Terwijl de lord dit woordje “zoo” meer minachtend uitstiet dan duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer zitten, greep naar den reebout, om erzich nog een stuk van af te snijden, en vroeg: “Nu, was hij te raken of niet?”

Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende slakkenlijn naar beneden.

“Wonderful!” riep Humply vol geestdrift uit. “Als dat geen toeval is, mylord!....”

Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was toch bijna niet te gelooven.

“Maar, mylord!” vervolgde de bultenaar, “kijk toch eens even om! Gij hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!”

“Dat weet ik!” antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, een stuk vleesch in zijn mond stekende.

“Maar gij hebt hem immers nog niet gezien.”

“Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel mist nooit!”

“Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?”

De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: “Dat schot is raak geweest,—Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren...”

“Hou nu maar op met leutren!” viel de Engelschman hem in de rede. “Al die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?”

De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden toen met een bevredigend ja.

“Well!En hoeveel verlangt gij?”

“Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling kan bijscouts(= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen.”

“All right!Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, dat wij beleven, vijftig dollars.”

“Sir!” lachte Humply, “dan worden wij rijke menschen, want aan avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het niet liggen; maar voor eenvreemdeling is het raadzamer, de avonturen te ontwijken, in plaats van die op te zoeken.”

“Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen thans in het Westen?”

“Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, zich met een onbekende in te laten.”

“Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij aantreffen, betaal ik u honderd dollars.”

“Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?”

“Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen daarmee?”

“O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt.”

Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.

“Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf,” zei hij. “Ik zal aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven ieders portret en zijn naam.”

“Onze portretten?” vroeg de bultenaar verwonderd.

“Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij nu zit!”

Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, en hun namen er bij.

“Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig zal worden,” zeide hij nu. “Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk uitbetalen.”

“Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!” merkte Humply aan. “Wij willen echter niet hopen, dat....Behold, uncle! kijk onze paarden eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om te zien of ik iets ontdekken kan.”

“Dan ga ik met u mee!” zei de lord.

“Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!”

“Pshaw!Ik bederf niets.”

Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen verscholen, en hunhoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als noodig was om rond te kunnen zien.

“Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting,” prees Humply. “Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?”

“Yes!Een Indiaan, schijnt het?”

“Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken.”

De lord voldeed daaraan.

De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, was dat stellig slechts een vijand.

De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider stemme: “Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn blanken vriend komen!”

De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, zoodat hij in het golvend dal verdween.

“Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te boeken hebben,” zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer neerdook.

“Zullen wij een avontuur hebben?”

“Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den uitkijk naar vijanden.”

“Is het een hoofdman?”

“Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen.”

“En kent gij hem?”

“Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons.”

“Well, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, er hoe meer hoe liever verwacht.”

“Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!”

“Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?”

“In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!”

Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale houding,Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.

Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.

In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in zeer goed Engelsch: “Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten.”

“Ook wij verheugen ons daarover,” antwoordde Humply, “daarvan kunt gij u verzekerd houden.”

De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde declameerend uit:

“Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!Telg des hemels op deze aarde!Groote hoofdman, wees gegroet!Zet u aan mijn zij met spoedEer uw vijand kan genaken,En .... laat u ’t restantje smakenVan een reebout, dat wij nu,Vriend een broeder, bieden u!”

“Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!Telg des hemels op deze aarde!Groote hoofdman, wees gegroet!Zet u aan mijn zij met spoedEer uw vijand kan genaken,En .... laat u ’t restantje smakenVan een reebout, dat wij nu,Vriend een broeder, bieden u!”

“Wees gegroet, gegroet, mijn waarde!

Telg des hemels op deze aarde!

Groote hoofdman, wees gegroet!

Zet u aan mijn zij met spoed

Eer uw vijand kan genaken,

En .... laat u ’t restantje smaken

Van een reebout, dat wij nu,

Vriend een broeder, bieden u!”

Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden willen zwichten.

“Stil, uncle!” riep Humply, “er is nu waarlijk geen tijd voor uw gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?”

“O ja,

Gebonden, doch ontkomen,Heeft de eedle zonder schromenDe vlucht naar hier genomen!”

Gebonden, doch ontkomen,Heeft de eedle zonder schromenDe vlucht naar hier genomen!”

Gebonden, doch ontkomen,

Heeft de eedle zonder schromen

De vlucht naar hier genomen!”

was declameerende het antwoord.

De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en zei tegen den Osage: “Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid van u en uw stam.”

Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: “Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den tomahawk!”

“Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?” vroeg Humply.

“Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten loopen; maar de voeten van de ‘Goede Zon’ zijn even vlug en tegen vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt op mijn leven.”

“Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?”

“Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was ik reeds uit hun bereik.”

“Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?”

“Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden.”

“Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?”

“In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik worstelde mij ten minstelos; en op een oogenblik, toen de bewaker zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen.”

“En uw vier kameraden?” vroeg Bill.

“Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen doen om hen op te sporen?”

“O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen.”

“Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, en daar hulp te gaan halen.”

Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: “Bijna onmogelijk! Van Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen uw kameraden afgemaakt worden!”

“Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het vlugste paard!” antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. “Mijn vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp zou dus nog wel bijtijds kunnen komen.”

“Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden.”

“Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!” riep de Indiaan op een toon van blijde verrassing.

“Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!”

“Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!”

“Pshaw!gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegtgijdaarvan, oude uncle?”

De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:

“Ik ben één van de vier!En ik zeg ’t zonder snoeven,Ik rij mee met plezierNaar het bivak der boeven;En wij halen als buit,De vier broeders er uit!”

“Ik ben één van de vier!En ik zeg ’t zonder snoeven,Ik rij mee met plezierNaar het bivak der boeven;En wij halen als buit,De vier broeders er uit!”

“Ik ben één van de vier!

En ik zeg ’t zonder snoeven,

Ik rij mee met plezier

Naar het bivak der boeven;

En wij halen als buit,

De vier broeders er uit!”

“Mooi zoo! en gij, mylord?”

De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, en antwoordde: “Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?”

“Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!”

“Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben.”

“Hum ja!” hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd aanzag. “Maar waar moeten wij dat vandaan halen—weetgijdat?”

“Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem waarschijnlijk dicht op de hielen zitten.”

“Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?”

“Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, om onszóóte posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, geheel door ons omsingeld zullen zijn.”

De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, en zei:

“Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, sir!Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?”

“O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders te zien krijgen, dan den rook uit de geweren.”

“Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?”

“Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken.”

“Well!Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons eens, uncle!”

De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, en antwoordde:

“Ja, ja, zij worden ingesloten,En tot den laatste doodgeschoten!”

“Ja, ja, zij worden ingesloten,En tot den laatste doodgeschoten!”

“Ja, ja, zij worden ingesloten,

En tot den laatste doodgeschoten!”

“Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich gedragen.”

“Dood maken niet!” opperde de lord.

“Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen eigenlijkgeen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik geloof, dat wij niet langer mogen talmen.”

Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn kijker meegenomen.

Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de wacht hield, den luiden roep hooren: “Opgepast! ze zijn in aantocht.”

“Stil!”waarschuwde de gebochelde iets minder luid.

“Pshaw!”antwoordde de Engelschman. “Ze kunnen het onmogelijk hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af.”

“Welken kant uit?”

“Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden.”

“Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!”

Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: “Stop, messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!”

Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: “Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!”

“Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen,” klonk het van boven.

“Wij zijn ook jagers!” was het antwoord. “Zijt gij een eerlijk man, laat u dan zien!”

De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den kleine: “Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier hebt gij mij!”

Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; maarhij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.

“Zounds!” riep een hunner. “Als ik mij niet vergis, is het Humply-Bill!”

“Ja, zoo word ik genoemd.”

“Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn altijd bij elkander.”

“Kent gij ons dan?”

“Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u te schillen!”

“Maar ik ken u niet!”

“Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien ...Boys!die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens daar van boven naar beneden blazen!”

Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.

“Heigh-day, dat was goed gemikt!” jubelde de man. “Nu nog de Gun-stick-Un....”

Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De lijken der tramps werden onderzocht.

“Goed gewerkt!” sprak Bill. “Geen een schot heeft gemist! Ze zijn alle vijf ineens morsdood geweest!”

De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: “Het geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan.”

“Dat geloof ik ook,” knikte de Engelschman. “Ik heb die twee geweren extra voor de prairie besteld.”

“Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd bevervellen voor.”

“Het is niet te koop.”

“Dan geef ik er hem honderd en vijftig.”

“Dan ook nog niet.”

“Voor tweehonderd ook niet?”

“Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden.”

“Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil.”

Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord schudde zijn hoofd, en antwoordde: “Lord Castlepool ruilt nooit en verkoopt ook nooit.Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers op zijn minst even voortreffelijk als het uwe.”

“Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij zich, dan ik noodig heb.”

Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken onderzocht, zei Bill: “Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, die wij willen gaan bevrijden.”

“Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?” vroeg de Engelschman.

“Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, dat achter hen ligt.”

“En deze lijken?”

“Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!”

Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.

De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een donkere streep, en de Osage verklaarde: “Dat is de achterzijde van het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de graven van onze omgebrachte broeders.”

“Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien hoek bereikt?” vroeg de lord.

“Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier gaans, om aan het bivak der tramps te komen,” verklaarde de Roodhuid.

Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman steeg nu insgelijks af, doch zei: “Mij dunkt, dat wij geen oogenblik te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier met de handen in den schoot gaan zitten?”

“Dat is geen goed doordachte vraag, sir!” antwoordde de bultenaar. “Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, als wij ons dood laten schieten?”

“Dood laten schieten? Hoe dat?”

“Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?”

“Dat nu zoozeer niet.....”

“Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?”

“Well,” knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. “Ik had niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn.”

“Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen dollar te ontvangen.”

“Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?”

“Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben.”

“Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur.”

“Ook weer voor vijftig dollars?”

“Yes!” knikte de lord.

“Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken,” zei Bill lachende. “Als gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult weten waar het vandaan te halen.”

De lord glimlachte eens, en antwoordde: “Er zal wel genoeg zijn. Ik zal wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?”

“Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij den neef van mijn uncle geen denken aan!”

De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster liet zich zien.

Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.

De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen der boomen.

Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde hem toe: “Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten.”

Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, en fluisterde: “Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen der tramps vernomen.”

Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.

“Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom,” zei de Osage.

Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.

“Wel?” vroeg Bill. “Wat nieuws brengt gij ons?”

“Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer.”

“Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er gesproken werd?”

“Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een toespraak hield.”

“Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?”

“Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak.”

“Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?”

“Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten nadeele van de armen, zoodat menvande rijken behoort af te nemen alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken van al het geld, dat in destaatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen.”

“Wat nog meer? Vertel verder!”

“Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn.”

“Waar is dat?”

“Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, die hem bewaakte.”

“Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen.”

“O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem toegefluisterd, dat zij gered zullen worden.”

“Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!”

De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den drie blanken toe: “Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen gebonden?”

“Ja,” antwoordde de bultenaar. “De toespraak, die de kerel met het roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben.”

“Dat moest mijn broeder liever niet doen!” waarschuwde de hoofdman.

“Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?”

“Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden.”

“Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!”

“Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk worden, de Osagen te bevrijden!”

“Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan ons niets. Hier is mijn geweer uncle!”

Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.

In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en Humply-Bill hoorde hem zeggen: “Ik kan u dus een goeden buit beloven, want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?”

“Ja, ja, ja!” antwoordden de anderen.

“En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk of tien vrijwilligers werven?”

“Neen, neen, wij doen natuurlijk mee,” zei een der drie. “Ik zie niet in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: is het geld er al?”

“Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de schobberds, die hun aanvoerders zijn!”

“Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?”

“Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds daar is.”

“Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?”

“Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen zal zijn.”

“Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen.”

“Zijt gij bang?” vroeg de roodharige spottend.

“Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer van die soort van menschen.”

“Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken”? Bedenk toch, dat wij hier overde vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche familie niet in hun schulp zouden kruipen.’

“Gaan die allen mee naar Butler’s boerderij?”

“Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?”

“Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?”

“Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden.”

Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de hoofdman viel hem in de rede, en zei: “Ik heb mijn blanke broeders enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij eerst dan helpen, als ik bemerkt word.”

“Wat gaat hij nu doen?” vroeg de Engelschman zacht.

“Een meesterstuk,” antwoordde Bill. “Wees zoo goed en ga weer liggen, en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar onze paarden te loopen.”

De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste geluid of geritsel deed hooren.

Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. “Is het klaar?” vroeg Bill. “Ja,” antwoordde de Roodhuid.

“Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?” fluisterde de lord hem toe.

“Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te gaan, waar ook dievan ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen.”

“Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?” waarschuwde Bill.

“Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de plaats, waar wij afgestegen zijn.Howgh!”

Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens waren zij weg, als verzonken in den grond.

“Wonderful!” fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde toe. “Precies zooals men dat in romans leest.”

“Hum!” antwoordde de kleine “Gij zult bij ons nog menigen roman beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken.”

“Moeten wij nu weg?”

“Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje.”

Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van Indianen kwamen—en toen een snuiven en stampen, en hinniken en dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.

De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: “De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen....”

Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: “Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?”

“Indianen, Indianen!” werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, waar de paarden gestaan hadden.

“Te wapen! naar de paarden!” brulde de kornel. “Wij zijn overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!”

Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.Blz.111.

Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht.

Blz.111.

Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbijhadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.

Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten sprak de kornel: “Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken.”

“Waarom?” werd er gevraagd.

“Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij.”

“En denkt gij dat zij dat verraden zullen?”

“Natuurlijk!”

“Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?”

“Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden.”

“Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!”

“Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben.”

“Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door den nacht overvallen en verdwaald zijn—of zij hebben, om niet verdoold te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan.”

Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.

1Verkorte benaming voor San Francisco.

1Verkorte benaming voor San Francisco.


Back to IndexNext