ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER.Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als de duisternistoeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk weten te vinden,alswas het klaarlichten dag geweest.“Die tramps zijn blind en doof geweest,” zei hij. “Wij konden er verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der Osagen te bedienen.”“Wilt ge u dan wreken?” vroeg Bill.“Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert.”“In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?”“Naar het Westen heen.”“Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?”“Ja.”“En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?”“De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt.”“Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij van Butler te redden.”“Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?”“Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen.”“Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen.”Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht op de streek aan, in welke Butler’s boerderij lag, die de Osage had willen bezoeken.In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, om in dieRolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, die naast hem reed, antwoordde deze: “Ja, sir! dat gij ook niet van vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger voor onmogelijk gehouden zoudt hebben.”“Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?”“Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil.”“Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?”“O neen! Zulk een Roodhuidruiktde richting en den weg, dien hij gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden halt zullen laten houden voor de poort van Butler’s boerderij.”“Zoo! He!” riep de Engelschman verheugd. “Wilt gij dat wedden? Dat is heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, ik ben dadelijk uw man!”“Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt.”“Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en vijftig voor de bevrijde Osagen.”“En er zal spoedig nog meer bijkomen.”“Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost.”“Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen te zien krijgt?”“Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?”“O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of overmorgen Old Firehand zullen aantreffen.”“Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?”“Ja; want hij wil ook naar Butler’s boerderij komen.”De vooraan rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: “Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?”“Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps.”“Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, of met hem gesproken misschien?”Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts ging, wat hij gehoord had.“Oef!” riep de hoofdman, “Dan is de boerderij gered, want het hoofd van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!”“Kent gij hem al?”“Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet (= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons spoor niet meer kunnen zien.”Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder spraakzaam.Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht te snuiven.“Oef!” zei deRoodhuidfluisterend. “Er zijn stellig menschen voor ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, en de lucht goed door den neus inademen!”Men hield halt.“Een vuur!” fluisterde de hoofdman.“Er is niets van te zien,” zei Bill.“Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt.”De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.“Hebt gij hem beet?” vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.“Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan geven,” was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.“Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te doen hebben. Of is hij u te zwaar?”“Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te lande een bochel noemen! Het zal toch niet....”“Wat?”“Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?”“Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten op de terugkomst van deze twee.”Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand—want die was het—nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.“Wat drommel!” riep Old Firehand. “Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen.”“Sapperloot!” klonk de uitroep van Droll. “Het is warendig Bill zelf, Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, dat ikubij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, zoo ver als ik dacht dat noodig was.”De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche stem: “Is het mogelijk? Tante Droll!”“De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!” antwoordde de gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. “Natuurlijk benikhet. Waarom mij niet dadelijk gezegd, datgijhet zijt?”“Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!”Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug om zich te bewegen. De druk van Firehand’s vuisten was veel sterker geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, met de oogen dicht, roerloos op den grond.“Is hij dood?” vroeg Bill.“Neen,” antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. “Hij ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, Bill!Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman van de Osagen?”“Ik ken hem reeds sedert jaren.”“Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den Hoofdman?”“Ja, vier man.”“Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?”“O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons—dien kent gij stellig wel—en dan nog een Engelsche lord.”“Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben van ons niets te vreezen, en wij niet van hen.”Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand afgelegd, of hij riep vroolijk: “Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar.”De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: “Welkom, mylord! Gij zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?”“Hoe weet gij dat, sir?” vroeg de Engelschman.“Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van denbouton d’Alep(= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, ofschoon....”Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, waarin hij het mes hield, zakken, en riep: “Old Firehand! Hebtgijmij gegrepen?”“Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen kon.”“Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil naar de boerderij van Butler?”“Ja. Hoe weet gij dat?”“Bleekgezichten zeiden dat.”“Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis de Osage-nook.”“Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?”“Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, allen tramps.”“Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen.”“Hoe weet gij dat?”“Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode broeders te bevrijden.”“Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?”“Ja.”“Bill en de Uncle bivakkeerden hier?”“Zoo is het.”“En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?”“Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?”“Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en....”“Sir!” viel Humply-Bill hem in de rede; “hoe weet gij, dat die mannen tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben.”“Een stuk papier heeft het mij verraden,” was het antwoord. “Gij hebt die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner laten zitten.”Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het schijnsel van het vuur en las: “Een verzuim, dat men voor onmogelijk zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, 40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebbenvan de rooverijen dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren toestand paal en perk worde gesteld.”De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd aan.“Is dat waar? Is dat mogelijk?” vroeg de lord.“Ik houd het voor waar,” antwoordde Old Firehand. “Of dit bericht liegt of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden.”“Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?” vroeg de hoofdman.“Omdat ik u voor tramps moest houden.”“Hoe zoo dat?”“Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij.”“Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps zijn persoonlijke vijanden?”“Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?”Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: “Gij ziet dus, sir! dat wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden.”“Neen. Dat zal ik niet doen.”“Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps aanbinden?”“Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt.”“Grooter? Hoe dat?”“Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, is het niet?”“Ja.”“En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend zullen beginnen.”“Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag.”“Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!”“Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?”.“Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?”“In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat.”“Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?”“Ja.”“Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?”“Dat ook, ja.”“Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler zullen spoeden, om hem te waarschuwen?”“Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf.”“Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de dag aanbreekt, te paard te stijgen.”“Wat wil mijn blanke broeder verder doen?” vroeg de Osage.“Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen behoorlijk te kunnen ontvangen.”“Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam.”“Niet?” vroeg Firehand verwonderd.“Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke dochter te koopen.”“Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler in Fort-Dodge denkt te blijven?”“Eenige dagen.”“En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?”“Eergisteren, in den voormiddag.”“Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!” riep Old Firehand, opspringende. “Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt brengen om ons te helpen?”“Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan de boerderij zijn.”“Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend met de Sjeyennes en de Arapahoes?”“Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven.”“Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?”De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.“Rijd er naar toe,” vervolgde Old Firehand, “en zeg aan de beide hoofdlieden,dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd man naar de boerderij van Butler te komen.”“Is dat de geheele boodschap?”“Ja.”De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.“Messieurs!” zei hij, “wij hebben geen minuut te verliezen. Onze paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het nog uithouden.Voorwaarts!”In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop zette de ruiterschaar zich in beweging.Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: “Old Firehand zal toch niet verkeerd rijden?”“O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat.”“Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?”“Die vrouw? O, die dame is een man.”“Voor wie het gelooven wil.”“Geloof het maar op mijn woord.”“En ze noemen haar Tante!”“Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee bezig te houden.”En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen deden—zoo goed en kwaad als het ging—hun best om hem bij te houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van voren roepen: “Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik der paarden.”Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was alles nog even donker.“Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?” vroeg hij aan Humply-Bill.“Aan de poort van Butler’s boerderij,” was het antwoord.“Zietgijdan iets van die boerderij?”“Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den muur voelen.”Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. “Wie belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?”“Is master Butler al terug?” vroeg de jager.“Neen.”“Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg haar, dat Old Firehand hier is.”“Old Firehand?Well, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma’am (= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, dat gij op de komst zijt.”“Wat voor menschen zijn dat hier!” dacht de lord. “De hoofdman heeft dus nog harder, veel harder gereden dan wij!”Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij ma’am te komen. Voor de anderen werd op degelijkvloers-verdiepingeen groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, dat de troep in aantocht was.De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich als vanzelf zoo geschikt, datde voornameren van het gezelschap aan een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.

ZESDE HOOFDSTUK.EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER.Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als de duisternistoeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk weten te vinden,alswas het klaarlichten dag geweest.“Die tramps zijn blind en doof geweest,” zei hij. “Wij konden er verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der Osagen te bedienen.”“Wilt ge u dan wreken?” vroeg Bill.“Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert.”“In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?”“Naar het Westen heen.”“Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?”“Ja.”“En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?”“De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt.”“Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij van Butler te redden.”“Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?”“Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen.”“Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen.”Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht op de streek aan, in welke Butler’s boerderij lag, die de Osage had willen bezoeken.In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, om in dieRolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, die naast hem reed, antwoordde deze: “Ja, sir! dat gij ook niet van vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger voor onmogelijk gehouden zoudt hebben.”“Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?”“Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil.”“Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?”“O neen! Zulk een Roodhuidruiktde richting en den weg, dien hij gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden halt zullen laten houden voor de poort van Butler’s boerderij.”“Zoo! He!” riep de Engelschman verheugd. “Wilt gij dat wedden? Dat is heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, ik ben dadelijk uw man!”“Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt.”“Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en vijftig voor de bevrijde Osagen.”“En er zal spoedig nog meer bijkomen.”“Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost.”“Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen te zien krijgt?”“Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?”“O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of overmorgen Old Firehand zullen aantreffen.”“Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?”“Ja; want hij wil ook naar Butler’s boerderij komen.”De vooraan rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: “Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?”“Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps.”“Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, of met hem gesproken misschien?”Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts ging, wat hij gehoord had.“Oef!” riep de hoofdman, “Dan is de boerderij gered, want het hoofd van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!”“Kent gij hem al?”“Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet (= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons spoor niet meer kunnen zien.”Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder spraakzaam.Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht te snuiven.“Oef!” zei deRoodhuidfluisterend. “Er zijn stellig menschen voor ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, en de lucht goed door den neus inademen!”Men hield halt.“Een vuur!” fluisterde de hoofdman.“Er is niets van te zien,” zei Bill.“Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt.”De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.“Hebt gij hem beet?” vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.“Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan geven,” was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.“Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te doen hebben. Of is hij u te zwaar?”“Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te lande een bochel noemen! Het zal toch niet....”“Wat?”“Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?”“Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten op de terugkomst van deze twee.”Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand—want die was het—nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.“Wat drommel!” riep Old Firehand. “Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen.”“Sapperloot!” klonk de uitroep van Droll. “Het is warendig Bill zelf, Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, dat ikubij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, zoo ver als ik dacht dat noodig was.”De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche stem: “Is het mogelijk? Tante Droll!”“De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!” antwoordde de gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. “Natuurlijk benikhet. Waarom mij niet dadelijk gezegd, datgijhet zijt?”“Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!”Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug om zich te bewegen. De druk van Firehand’s vuisten was veel sterker geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, met de oogen dicht, roerloos op den grond.“Is hij dood?” vroeg Bill.“Neen,” antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. “Hij ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, Bill!Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman van de Osagen?”“Ik ken hem reeds sedert jaren.”“Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den Hoofdman?”“Ja, vier man.”“Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?”“O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons—dien kent gij stellig wel—en dan nog een Engelsche lord.”“Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben van ons niets te vreezen, en wij niet van hen.”Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand afgelegd, of hij riep vroolijk: “Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar.”De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: “Welkom, mylord! Gij zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?”“Hoe weet gij dat, sir?” vroeg de Engelschman.“Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van denbouton d’Alep(= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, ofschoon....”Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, waarin hij het mes hield, zakken, en riep: “Old Firehand! Hebtgijmij gegrepen?”“Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen kon.”“Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil naar de boerderij van Butler?”“Ja. Hoe weet gij dat?”“Bleekgezichten zeiden dat.”“Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis de Osage-nook.”“Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?”“Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, allen tramps.”“Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen.”“Hoe weet gij dat?”“Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode broeders te bevrijden.”“Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?”“Ja.”“Bill en de Uncle bivakkeerden hier?”“Zoo is het.”“En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?”“Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?”“Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en....”“Sir!” viel Humply-Bill hem in de rede; “hoe weet gij, dat die mannen tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben.”“Een stuk papier heeft het mij verraden,” was het antwoord. “Gij hebt die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner laten zitten.”Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het schijnsel van het vuur en las: “Een verzuim, dat men voor onmogelijk zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, 40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebbenvan de rooverijen dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren toestand paal en perk worde gesteld.”De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd aan.“Is dat waar? Is dat mogelijk?” vroeg de lord.“Ik houd het voor waar,” antwoordde Old Firehand. “Of dit bericht liegt of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden.”“Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?” vroeg de hoofdman.“Omdat ik u voor tramps moest houden.”“Hoe zoo dat?”“Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij.”“Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps zijn persoonlijke vijanden?”“Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?”Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: “Gij ziet dus, sir! dat wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden.”“Neen. Dat zal ik niet doen.”“Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps aanbinden?”“Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt.”“Grooter? Hoe dat?”“Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, is het niet?”“Ja.”“En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend zullen beginnen.”“Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag.”“Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!”“Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?”.“Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?”“In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat.”“Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?”“Ja.”“Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?”“Dat ook, ja.”“Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler zullen spoeden, om hem te waarschuwen?”“Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf.”“Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de dag aanbreekt, te paard te stijgen.”“Wat wil mijn blanke broeder verder doen?” vroeg de Osage.“Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen behoorlijk te kunnen ontvangen.”“Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam.”“Niet?” vroeg Firehand verwonderd.“Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke dochter te koopen.”“Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler in Fort-Dodge denkt te blijven?”“Eenige dagen.”“En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?”“Eergisteren, in den voormiddag.”“Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!” riep Old Firehand, opspringende. “Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt brengen om ons te helpen?”“Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan de boerderij zijn.”“Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend met de Sjeyennes en de Arapahoes?”“Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven.”“Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?”De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.“Rijd er naar toe,” vervolgde Old Firehand, “en zeg aan de beide hoofdlieden,dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd man naar de boerderij van Butler te komen.”“Is dat de geheele boodschap?”“Ja.”De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.“Messieurs!” zei hij, “wij hebben geen minuut te verliezen. Onze paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het nog uithouden.Voorwaarts!”In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop zette de ruiterschaar zich in beweging.Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: “Old Firehand zal toch niet verkeerd rijden?”“O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat.”“Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?”“Die vrouw? O, die dame is een man.”“Voor wie het gelooven wil.”“Geloof het maar op mijn woord.”“En ze noemen haar Tante!”“Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee bezig te houden.”En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen deden—zoo goed en kwaad als het ging—hun best om hem bij te houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van voren roepen: “Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik der paarden.”Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was alles nog even donker.“Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?” vroeg hij aan Humply-Bill.“Aan de poort van Butler’s boerderij,” was het antwoord.“Zietgijdan iets van die boerderij?”“Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den muur voelen.”Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. “Wie belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?”“Is master Butler al terug?” vroeg de jager.“Neen.”“Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg haar, dat Old Firehand hier is.”“Old Firehand?Well, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma’am (= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, dat gij op de komst zijt.”“Wat voor menschen zijn dat hier!” dacht de lord. “De hoofdman heeft dus nog harder, veel harder gereden dan wij!”Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij ma’am te komen. Voor de anderen werd op degelijkvloers-verdiepingeen groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, dat de troep in aantocht was.De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich als vanzelf zoo geschikt, datde voornameren van het gezelschap aan een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.

Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als de duisternistoeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.

Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk weten te vinden,alswas het klaarlichten dag geweest.

“Die tramps zijn blind en doof geweest,” zei hij. “Wij konden er verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der Osagen te bedienen.”

“Wilt ge u dan wreken?” vroeg Bill.

“Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert.”

“In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?”

“Naar het Westen heen.”

“Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?”

“Ja.”

“En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?”

“De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt.”

“Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij van Butler te redden.”

“Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?”

“Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen.”

“Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen.”

Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht op de streek aan, in welke Butler’s boerderij lag, die de Osage had willen bezoeken.

In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, om in dieRolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, die naast hem reed, antwoordde deze: “Ja, sir! dat gij ook niet van vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger voor onmogelijk gehouden zoudt hebben.”

“Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?”

“Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil.”

“Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?”

“O neen! Zulk een Roodhuidruiktde richting en den weg, dien hij gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden halt zullen laten houden voor de poort van Butler’s boerderij.”

“Zoo! He!” riep de Engelschman verheugd. “Wilt gij dat wedden? Dat is heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, ik ben dadelijk uw man!”

“Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt.”

“Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en vijftig voor de bevrijde Osagen.”

“En er zal spoedig nog meer bijkomen.”

“Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost.”

“Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen te zien krijgt?”

“Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?”

“O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of overmorgen Old Firehand zullen aantreffen.”

“Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?”

“Ja; want hij wil ook naar Butler’s boerderij komen.”De vooraan rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: “Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?”

“Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps.”

“Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, of met hem gesproken misschien?”

Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts ging, wat hij gehoord had.

“Oef!” riep de hoofdman, “Dan is de boerderij gered, want het hoofd van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!”

“Kent gij hem al?”

“Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet (= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons spoor niet meer kunnen zien.”

Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder spraakzaam.

Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht te snuiven.

“Oef!” zei deRoodhuidfluisterend. “Er zijn stellig menschen voor ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, en de lucht goed door den neus inademen!”

Men hield halt.

“Een vuur!” fluisterde de hoofdman.

“Er is niets van te zien,” zei Bill.

“Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt.”

De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.

“Hebt gij hem beet?” vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.

“Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan geven,” was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.

“Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te doen hebben. Of is hij u te zwaar?”

“Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te lande een bochel noemen! Het zal toch niet....”

“Wat?”

“Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?”

“Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten op de terugkomst van deze twee.”

Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand—want die was het—nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.

Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.

“Wat drommel!” riep Old Firehand. “Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen.”

“Sapperloot!” klonk de uitroep van Droll. “Het is warendig Bill zelf, Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, dat ikubij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, zoo ver als ik dacht dat noodig was.”

De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche stem: “Is het mogelijk? Tante Droll!”

“De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!” antwoordde de gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. “Natuurlijk benikhet. Waarom mij niet dadelijk gezegd, datgijhet zijt?”

“Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!”

Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug om zich te bewegen. De druk van Firehand’s vuisten was veel sterker geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, met de oogen dicht, roerloos op den grond.

“Is hij dood?” vroeg Bill.

“Neen,” antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. “Hij ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, Bill!Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman van de Osagen?”

“Ik ken hem reeds sedert jaren.”

“Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den Hoofdman?”

“Ja, vier man.”

“Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?”

“O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons—dien kent gij stellig wel—en dan nog een Engelsche lord.”

“Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben van ons niets te vreezen, en wij niet van hen.”

Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand afgelegd, of hij riep vroolijk: “Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar.”

De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: “Welkom, mylord! Gij zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?”

“Hoe weet gij dat, sir?” vroeg de Engelschman.

“Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van denbouton d’Alep(= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, ofschoon....”

Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, waarin hij het mes hield, zakken, en riep: “Old Firehand! Hebtgijmij gegrepen?”

“Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen kon.”

“Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil naar de boerderij van Butler?”

“Ja. Hoe weet gij dat?”

“Bleekgezichten zeiden dat.”

“Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis de Osage-nook.”

“Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?”

“Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, allen tramps.”

“Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen.”

“Hoe weet gij dat?”

“Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode broeders te bevrijden.”

“Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?”

“Ja.”

“Bill en de Uncle bivakkeerden hier?”

“Zoo is het.”

“En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?”

“Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?”

“Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en....”

“Sir!” viel Humply-Bill hem in de rede; “hoe weet gij, dat die mannen tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben.”

“Een stuk papier heeft het mij verraden,” was het antwoord. “Gij hebt die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner laten zitten.”

Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het schijnsel van het vuur en las: “Een verzuim, dat men voor onmogelijk zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, 40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebbenvan de rooverijen dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren toestand paal en perk worde gesteld.”

De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd aan.

“Is dat waar? Is dat mogelijk?” vroeg de lord.

“Ik houd het voor waar,” antwoordde Old Firehand. “Of dit bericht liegt of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden.”

“Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?” vroeg de hoofdman.

“Omdat ik u voor tramps moest houden.”

“Hoe zoo dat?”

“Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij.”

“Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps zijn persoonlijke vijanden?”

“Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?”

Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: “Gij ziet dus, sir! dat wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden.”

“Neen. Dat zal ik niet doen.”

“Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps aanbinden?”

“Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt.”

“Grooter? Hoe dat?”

“Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, is het niet?”

“Ja.”

“En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend zullen beginnen.”

“Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag.”

“Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!”

“Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?”.

“Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?”

“In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat.”

“Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?”

“Ja.”

“Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?”

“Dat ook, ja.”

“Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler zullen spoeden, om hem te waarschuwen?”

“Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf.”

“Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de dag aanbreekt, te paard te stijgen.”

“Wat wil mijn blanke broeder verder doen?” vroeg de Osage.

“Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen behoorlijk te kunnen ontvangen.”

“Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam.”

“Niet?” vroeg Firehand verwonderd.

“Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke dochter te koopen.”

“Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler in Fort-Dodge denkt te blijven?”

“Eenige dagen.”

“En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?”

“Eergisteren, in den voormiddag.”

“Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!” riep Old Firehand, opspringende. “Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt brengen om ons te helpen?”

“Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan de boerderij zijn.”

“Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend met de Sjeyennes en de Arapahoes?”

“Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven.”

“Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?”

De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.

“Rijd er naar toe,” vervolgde Old Firehand, “en zeg aan de beide hoofdlieden,dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd man naar de boerderij van Butler te komen.”

“Is dat de geheele boodschap?”

“Ja.”

De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.

“Messieurs!” zei hij, “wij hebben geen minuut te verliezen. Onze paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het nog uithouden.Voorwaarts!”

In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop zette de ruiterschaar zich in beweging.

Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: “Old Firehand zal toch niet verkeerd rijden?”

“O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat.”

“Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?”

“Die vrouw? O, die dame is een man.”

“Voor wie het gelooven wil.”

“Geloof het maar op mijn woord.”

“En ze noemen haar Tante!”

“Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee bezig te houden.”

En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen deden—zoo goed en kwaad als het ging—hun best om hem bij te houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.

Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van voren roepen: “Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik der paarden.”

Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was alles nog even donker.

“Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?” vroeg hij aan Humply-Bill.

“Aan de poort van Butler’s boerderij,” was het antwoord.

“Zietgijdan iets van die boerderij?”

“Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den muur voelen.”

Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. “Wie belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?”

“Is master Butler al terug?” vroeg de jager.

“Neen.”

“Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg haar, dat Old Firehand hier is.”

“Old Firehand?Well, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma’am (= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, dat gij op de komst zijt.”

“Wat voor menschen zijn dat hier!” dacht de lord. “De hoofdman heeft dus nog harder, veel harder gereden dan wij!”

Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij ma’am te komen. Voor de anderen werd op degelijkvloers-verdiepingeen groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, dat de troep in aantocht was.

De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich als vanzelf zoo geschikt, datde voornameren van het gezelschap aan een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.

Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.

Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.

Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.

Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.


Back to IndexNext