ZESTIENDE HOOFDSTUK.AAN HET ZILVERMEER.Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa’s zich verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was geen droppel watertusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien bruisenden stroom.De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een nauwlettend oog, en zeide: “Hier moet het wezen, waar ik er destijds uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, dat ik mij vergis.”“En wilt gij daar ingaan?” vroeg Old Shatterhand.“Ja. En gij moet met mij mee!”“Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig ten einde loopt.”“Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis.”Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker voelende: “Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon.”“Kent gij dan deze engte?” vroeg Old Firehand verwonderd.“Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; gij weet, dat hij zich nooit vergist.”“Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan ook de streek, waar die weg naar toe loopt?’“Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt.”“Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er dan? Weet gij dat?”“De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van het Zilvermeer.”“Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?”“Ja.”“Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?”“Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien eeuwig dorren steengrond.”“Dan zaliku bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water en gras.”“Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?”“Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij zullen hier zijwaarts zwenken.”Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, regelrechte grondlijn vormde.Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor ’t meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: “Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest.”“Wij behoeven niet te graven,” antwoordde Old Firehand. “Het is immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken aanwezig is.”“Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen bezwangerd.”“Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren.”Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De anderen volgden hem in de grootste spanning.“Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting,” zei Hobble-Frank tegen Tante Droll. “Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te laten zien wat een man in bonis ik geworden ben.”“En ik,” antwoordde Droll, “koop mij een boerenplaats, met twintig paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het Altenburgsche.”“En als wij niemendal vinden?”“Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer ook zilver te vinden moet zijn.”Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: “Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen eenproef meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe Butler er over denkt.”Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: “Lieve hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier in deze rotsspleet gezeten?”“Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn.”“Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, die gedegen metaal bevatten.”“En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,” glimlachte Old Firehand.Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: “Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet.”“Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd.”“Met hoeveel percent?”“Vijf en zeventig percent zuiver zilver.”“Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?”“Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?”Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, alle ter grootte van een hazelnoot.“Nuggets, goud!” riep de ingenieur. “Ook van hier?”“Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond ik in menigte.”“Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, schatrijk man!”“Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen.”Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: “Niet te voortvarend, messieurs! Wij hebbenallereerst nog aan iets anders te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!”“Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest,” merkte de lord aan, die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen daarover verheugde.“Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons daarop voor te bereiden.”“Dat is waar,” gaf Old Firehand hem toe. “Maar ik zou toch wel willen weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus Butler! wat is uw gevoelen daarover?”Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek gaan, en zei toen: “Water hebben wij noodig; het allereerste, dat wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?”“In het Zilvermeer zelf.”“Hoe ver is dat nog van hier?”“In twee uur zijn wij daar.”“Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?”“Ja, aanmerkelijk veel hooger.”“Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?”“De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer.”“Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?”“In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch.”“Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, om de noodige drukking te krijgen.”“O, voor de spuiten?”“Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water behandeld.”“Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken.”“Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk welvoldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee dingen, die mij met bezorgdheid vervullen.”“En dat is?”“In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?”“Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden.”“Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?”“Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen besluiten, om den grond aan ons te verkoopen.”“En zal de hooge regeering dien koop erkennen?”“Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust.”“Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat ons gaan!”De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te voorschijn te brengen.De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij verslag van zijn bevinding: “Tot dusver ben ik zeer tevreden,” zei hij; “het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook voor het transportvan alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in de hand werkt.”“Hoort gij dat?” zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een por in de ribben gaf. “Mijn villa komt stellig nog terecht.”“En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!”“Nu nog niet!” zei Frank afwerend. “Nog liggen de schatten verborgen in den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw boerderij nog altijd in eensubstantieelNiet verscholen liggen. Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben....”Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: “Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!”Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid van het naburige meer wasrondom op den grond van invloed; vandaar dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen—drie gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in gebroken Engelsch: “Stil anders dood!”De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het meisje zagen aankomen.Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps het “Totem”, dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, en dat hij er toen bij gezegdhad, dat dit schrift haar beveiligen zou tegen iedere vijandelijkheid.“Zijn schaduw is mijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder”, dat was de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.“Nientropan-homosj,” zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, dat de “Jonge Beer” in zijn eigen taal zoo heette.De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:“Wie—geven—u?”“Nientropan-homosj,” antwoordde zij.“Jong opperhoofd?”“Ja,” knikte zij.“Waar?”“Op het schip.”“Groote vuurkano?”“Ja.”“Op den Arkansas?”“Ja.”“Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas geweest. Wie—mannen—daar?” Hij wees achterwaarts naar het ravijn.“Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand.”“Oef!” riep hij uit, en “Oef!” riepen ook de anderen. Hij wilde nog verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.“De groote hoofdman der Apachen!” riep hij uit. “Dit blanke meisje bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren.”De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, vroeg Winnetou hun: “Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?”“Ja.”“Wie is uw aanvoerder?”“Tsjia-nietfas.” (“Het lange oor.”) Waarschijnlijk was deze man door zijn scherp gehoor beroemd.“Waar is hij?” vroeg Winnetou verder.“Aan het meer.”“Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?”“Honderd man.”“Zijn er nog andere stammen ook hier?”“Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, om de scalps der Utahs te halen.”“Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten uitgezet?”“Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen.”“Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer aan het meer?”“Ja, en de Jonge Beer ook.”“Brengt ons bij hen!”Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond weer, en al spoedig zag men het water.“Het Zilvermeer,” zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen wendende. “Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht.”“Maar rust zullen wij hier niet vinden,” zei Old Firehand. “Wij zullen waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen.”Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts een smalle grasstrook vrij liet.Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige kano’s aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en heesters beplant.Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer alszilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache bracht zijn hand aan den mond, en riep: “Nientropan-homosj! Winnetou is aangekomen!”Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en zei: “Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest.”Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: “Mijn blanke broeder is een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!”Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: “De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?”“Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer,” antwoordde zij.Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet geheel kon verbergen.“Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?” vroeg hij.“Ja, nog al lang zelfs!” antwoordde zij.“Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal zij mij dat vergunnen?”“Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt.”Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam naar hem toe, en zei: “Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?”De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar Droll antwoordde: “Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik niet geleerd.”De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde Droll: “Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben.”“Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?”“De Utahs.”“O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen.”“Dan vergist gij u!”“Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!”“Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het Zilvermeer zijn.”“Oef!” zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond bleef staan.Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.“Is het mogelijk?” vroeg de Groote Beer. “Spreekt deze blanke tante de waarheid?”“Ja,” antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek van het Zilvermeer het best kende. “Wij zullen u alles uitvoerig vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen.”“Ik ook mee!” verzocht Hobble-Frank.“Ik ook asjeblieft!” zei Droll.“Goed,” antwoordde Winnetou. “Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daarachter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven.”Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, om hun dorst te lesschen.Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid kon hun van veel nut zijn.Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, dat in die richting den uitgang van het dal vormde.Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde noodig.Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er echter tusschen het meer en den canon eentamelijkbreede, op een dijk gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in staat om deze vraag te beantwoorden?Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk maakten. Na het derdekwartier werd de canon eensklaps breeder, dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilenrustten, welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.“Hier moeten wij stilhouden,” zei de Jonge Beer, die met de blanken voorop reed. “Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen verbergen.”“En de paarden brengen wij een eind terug,” zei Droll, “anders zouden ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden.”Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan den dag legde.“Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch bedachtzame mannen,” zei hij: “doch de Navajos zijn doof en blind geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan....”“Dan zullen wij een woordje meespreken,” viel Droll hem in de rede.“Ja, dat zullen we,” zei Frank. “Het zou mij plezier doen als ik het geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?”“Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet.”“En de Navajos?”“Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien weg gebruik te maken, want de weg is....”Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: “Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos reeds aangekomen?”“Nog niet.”“Dan zijn wij verloren!”“Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!”“De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons dicht op de hielen.”“Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?”“Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren!”“Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel hulp komen.”Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: “Als het zoo gesteld is, moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de overige Timbabatsjen te halen.”“Hoe komt het in u op!” viel Hobble-Frank hem weersprekend in de rede. “Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!”“Hoe zoo?” vroeg Droll verwonderd. “Denkt gij, dat ik geen Westman ben?”“De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullenwijzorgen.”“Bravo, Frank! gij hebt gelijk,” riep Humply-Bill.En de Gunstick-Uncle voegde er bij: “Ja, ja, zij moeten vechtend blijven—tot wij al de Utahs daar verdrijven!”“Goed gesproken!” knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die zijn plan vond. “Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!”Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou er niet één hunner in leven gebleven zijn.Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.Naast de jagers lag de “Jonge Beer”, en gebruikte zijn geweer, dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: “Wij met ons vijven blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg hun dat!”De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd werden.De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men het verder verloop van den strijd gerust afwachten.En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: “Ik heb de Navajos nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden.”“Volstrekt niet!” zei Old Shatterhand. “Zij zijn immers nog niet vernietigd?”“Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is erg te betwijfelen.”“Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?’“Ja.”“Dan verkeert gij in het grootste gevaar.”“O neen!”“Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos verwacht?”“Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij louter en alleen op mij zelf.”“Dan begrijp ik u niet.”“Ik ben voor geen duizend Utahs bang.”“Daar heb ik geen hoogte van.”“Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen verloren. In één oogenblik dood ik hen allen.”“Hum! Allen?”“Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op zulk een gedachte zou niet een der uwen komen.”Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, terwijl ereen glimlachje om zijn lippen speelde: “Maar gij, gij zelf, zijt ook niet op die gedachte gekomen.”“Niet? Wie zegt u dat?”“Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen.”“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend vijanden bang ben?”“Ja, juist.”“Zeg het dan!”“Moet ik daardoor uw geheim verraden?”“Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik.”“En ik!”“Onmogelijk! Of bewijs het mij!”“Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?”“Ja.”“Wanneer zij zich in den canon bevinden?”“Ja.”“Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander wapentuig geschieden.”“Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij niet weten.”“O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus door water?”“Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!”“Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier verandert. Heb ik het geraden?”In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote Beer op, en riep: “Heer zijt gij alwetend?”“Neen, maar ik denk na.”“Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben ik aan het geheim gekomen?”“Door erfenis.”“En hoe wordt de dam geopend?”“Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag zeer spoedig beantwoorden.”“Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom die dam daar opgeworpen is?”“Ja.”“Nu?”“Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten.”“En wat is de andere reden?”“De schat.”“De schat?” vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit deed. “Wat weet gij van een schat?”“Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk in, dat het ’t onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, stomme bewakers van dien schat zouden zijn.”“Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!” riep de Groote Beer verschrikt uit. “Laten wij niet verder over den schat, maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?”“Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang te houden!”“Welke dan? Wapenen?”“Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen gevangengenomen en meegebracht.”“Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen.”“Weet gij daartoe een geschikte plaats?”“Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen brengen.”De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van eenige Timbabatsjen in de kano’s gebracht, die aan den oever van het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, dat was alles.“Moeten de gevangenen hier blijven?” vroeg Old Shatterhand.“Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel betere plaats.”Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar geen toegang naar beneden te zien geweest.De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: “Zij kunnen voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze streek wisten zeer goed wat zij deden.”Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat verborgen liggen?Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano’s gebracht, om op den oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen en snelden naar de paarden.Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, en stak van wal, toen de anderen wegreden.Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en dun, enin een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig hulp kwam opdagen.Humply-Billvertelde wat er was voorgevallen, en Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over hetgeen hij gedaan had.De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.“Halt!” riep hij met zijn donderende stem. “Laat die menschen liggen.”“Waarom? Hun scalps komen ons toe!” antwoordde het Lange Oor.Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: “Doe één snee, en ik schiet!”Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: “Wat kunt gij daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren.”“Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, ten minste niet bij de levenden.”“Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik die nemen.”“Met welk recht?”“Ik begrijp u niet!” antwoordde de Roodhuid verbaasd. “Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!”“Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?”“Neen. Ik heb er één geraakt.”“Welken?”“Dat weet ik niet.”“Is hij dood?”“Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen.”“Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!”De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, en hoorde men hen roepen: “Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het toovergeweer!”Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: “Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die.”Een der aanvoerders antwoordde: “Gij zult op ons schieten!”“Neen.”“Spreekt gij waarheid?”“Old Shatterhand liegt nooit.”Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: “Blijft! Er zal u niets geschieden.” Zij bleven angstvallig staan; hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: “Hoeveel hoofdmannen zijn er nu bij u?”“Vier.”“Wie is de voornaamste van hen?”“Nanap varrenton(= de oude donder).”“Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het midden; wapenen brengen wij niet mee!”Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: “Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee.”“Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen.”Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die er opgesmeerd waren; doch uit hunblikken sprak de verbazing, dat zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: “Toen de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen....”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.AAN HET ZILVERMEER.Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa’s zich verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was geen droppel watertusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien bruisenden stroom.De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een nauwlettend oog, en zeide: “Hier moet het wezen, waar ik er destijds uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, dat ik mij vergis.”“En wilt gij daar ingaan?” vroeg Old Shatterhand.“Ja. En gij moet met mij mee!”“Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig ten einde loopt.”“Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis.”Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker voelende: “Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon.”“Kent gij dan deze engte?” vroeg Old Firehand verwonderd.“Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; gij weet, dat hij zich nooit vergist.”“Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan ook de streek, waar die weg naar toe loopt?’“Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt.”“Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er dan? Weet gij dat?”“De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van het Zilvermeer.”“Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?”“Ja.”“Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?”“Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien eeuwig dorren steengrond.”“Dan zaliku bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water en gras.”“Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?”“Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij zullen hier zijwaarts zwenken.”Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, regelrechte grondlijn vormde.Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor ’t meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: “Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest.”“Wij behoeven niet te graven,” antwoordde Old Firehand. “Het is immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken aanwezig is.”“Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen bezwangerd.”“Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren.”Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De anderen volgden hem in de grootste spanning.“Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting,” zei Hobble-Frank tegen Tante Droll. “Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te laten zien wat een man in bonis ik geworden ben.”“En ik,” antwoordde Droll, “koop mij een boerenplaats, met twintig paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het Altenburgsche.”“En als wij niemendal vinden?”“Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer ook zilver te vinden moet zijn.”Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: “Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen eenproef meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe Butler er over denkt.”Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: “Lieve hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier in deze rotsspleet gezeten?”“Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn.”“Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, die gedegen metaal bevatten.”“En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,” glimlachte Old Firehand.Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: “Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet.”“Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd.”“Met hoeveel percent?”“Vijf en zeventig percent zuiver zilver.”“Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?”“Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?”Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, alle ter grootte van een hazelnoot.“Nuggets, goud!” riep de ingenieur. “Ook van hier?”“Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond ik in menigte.”“Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, schatrijk man!”“Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen.”Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: “Niet te voortvarend, messieurs! Wij hebbenallereerst nog aan iets anders te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!”“Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest,” merkte de lord aan, die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen daarover verheugde.“Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons daarop voor te bereiden.”“Dat is waar,” gaf Old Firehand hem toe. “Maar ik zou toch wel willen weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus Butler! wat is uw gevoelen daarover?”Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek gaan, en zei toen: “Water hebben wij noodig; het allereerste, dat wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?”“In het Zilvermeer zelf.”“Hoe ver is dat nog van hier?”“In twee uur zijn wij daar.”“Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?”“Ja, aanmerkelijk veel hooger.”“Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?”“De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer.”“Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?”“In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch.”“Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, om de noodige drukking te krijgen.”“O, voor de spuiten?”“Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water behandeld.”“Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken.”“Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk welvoldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee dingen, die mij met bezorgdheid vervullen.”“En dat is?”“In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?”“Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden.”“Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?”“Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen besluiten, om den grond aan ons te verkoopen.”“En zal de hooge regeering dien koop erkennen?”“Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust.”“Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat ons gaan!”De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te voorschijn te brengen.De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij verslag van zijn bevinding: “Tot dusver ben ik zeer tevreden,” zei hij; “het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook voor het transportvan alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in de hand werkt.”“Hoort gij dat?” zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een por in de ribben gaf. “Mijn villa komt stellig nog terecht.”“En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!”“Nu nog niet!” zei Frank afwerend. “Nog liggen de schatten verborgen in den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw boerderij nog altijd in eensubstantieelNiet verscholen liggen. Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben....”Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: “Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!”Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid van het naburige meer wasrondom op den grond van invloed; vandaar dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen—drie gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in gebroken Engelsch: “Stil anders dood!”De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het meisje zagen aankomen.Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps het “Totem”, dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, en dat hij er toen bij gezegdhad, dat dit schrift haar beveiligen zou tegen iedere vijandelijkheid.“Zijn schaduw is mijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder”, dat was de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.“Nientropan-homosj,” zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, dat de “Jonge Beer” in zijn eigen taal zoo heette.De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:“Wie—geven—u?”“Nientropan-homosj,” antwoordde zij.“Jong opperhoofd?”“Ja,” knikte zij.“Waar?”“Op het schip.”“Groote vuurkano?”“Ja.”“Op den Arkansas?”“Ja.”“Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas geweest. Wie—mannen—daar?” Hij wees achterwaarts naar het ravijn.“Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand.”“Oef!” riep hij uit, en “Oef!” riepen ook de anderen. Hij wilde nog verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.“De groote hoofdman der Apachen!” riep hij uit. “Dit blanke meisje bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren.”De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, vroeg Winnetou hun: “Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?”“Ja.”“Wie is uw aanvoerder?”“Tsjia-nietfas.” (“Het lange oor.”) Waarschijnlijk was deze man door zijn scherp gehoor beroemd.“Waar is hij?” vroeg Winnetou verder.“Aan het meer.”“Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?”“Honderd man.”“Zijn er nog andere stammen ook hier?”“Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, om de scalps der Utahs te halen.”“Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten uitgezet?”“Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen.”“Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer aan het meer?”“Ja, en de Jonge Beer ook.”“Brengt ons bij hen!”Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond weer, en al spoedig zag men het water.“Het Zilvermeer,” zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen wendende. “Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht.”“Maar rust zullen wij hier niet vinden,” zei Old Firehand. “Wij zullen waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen.”Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts een smalle grasstrook vrij liet.Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige kano’s aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en heesters beplant.Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer alszilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache bracht zijn hand aan den mond, en riep: “Nientropan-homosj! Winnetou is aangekomen!”Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en zei: “Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest.”Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: “Mijn blanke broeder is een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!”Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: “De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?”“Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer,” antwoordde zij.Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet geheel kon verbergen.“Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?” vroeg hij.“Ja, nog al lang zelfs!” antwoordde zij.“Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal zij mij dat vergunnen?”“Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt.”Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam naar hem toe, en zei: “Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?”De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar Droll antwoordde: “Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik niet geleerd.”De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde Droll: “Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben.”“Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?”“De Utahs.”“O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen.”“Dan vergist gij u!”“Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!”“Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het Zilvermeer zijn.”“Oef!” zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond bleef staan.Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.“Is het mogelijk?” vroeg de Groote Beer. “Spreekt deze blanke tante de waarheid?”“Ja,” antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek van het Zilvermeer het best kende. “Wij zullen u alles uitvoerig vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen.”“Ik ook mee!” verzocht Hobble-Frank.“Ik ook asjeblieft!” zei Droll.“Goed,” antwoordde Winnetou. “Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daarachter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven.”Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, om hun dorst te lesschen.Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid kon hun van veel nut zijn.Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, dat in die richting den uitgang van het dal vormde.Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde noodig.Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er echter tusschen het meer en den canon eentamelijkbreede, op een dijk gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in staat om deze vraag te beantwoorden?Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk maakten. Na het derdekwartier werd de canon eensklaps breeder, dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilenrustten, welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.“Hier moeten wij stilhouden,” zei de Jonge Beer, die met de blanken voorop reed. “Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen verbergen.”“En de paarden brengen wij een eind terug,” zei Droll, “anders zouden ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden.”Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan den dag legde.“Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch bedachtzame mannen,” zei hij: “doch de Navajos zijn doof en blind geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan....”“Dan zullen wij een woordje meespreken,” viel Droll hem in de rede.“Ja, dat zullen we,” zei Frank. “Het zou mij plezier doen als ik het geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?”“Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet.”“En de Navajos?”“Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien weg gebruik te maken, want de weg is....”Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: “Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos reeds aangekomen?”“Nog niet.”“Dan zijn wij verloren!”“Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!”“De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons dicht op de hielen.”“Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?”“Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren!”“Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel hulp komen.”Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: “Als het zoo gesteld is, moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de overige Timbabatsjen te halen.”“Hoe komt het in u op!” viel Hobble-Frank hem weersprekend in de rede. “Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!”“Hoe zoo?” vroeg Droll verwonderd. “Denkt gij, dat ik geen Westman ben?”“De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullenwijzorgen.”“Bravo, Frank! gij hebt gelijk,” riep Humply-Bill.En de Gunstick-Uncle voegde er bij: “Ja, ja, zij moeten vechtend blijven—tot wij al de Utahs daar verdrijven!”“Goed gesproken!” knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die zijn plan vond. “Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!”Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou er niet één hunner in leven gebleven zijn.Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.Naast de jagers lag de “Jonge Beer”, en gebruikte zijn geweer, dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: “Wij met ons vijven blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg hun dat!”De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd werden.De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men het verder verloop van den strijd gerust afwachten.En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: “Ik heb de Navajos nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden.”“Volstrekt niet!” zei Old Shatterhand. “Zij zijn immers nog niet vernietigd?”“Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is erg te betwijfelen.”“Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?’“Ja.”“Dan verkeert gij in het grootste gevaar.”“O neen!”“Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos verwacht?”“Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij louter en alleen op mij zelf.”“Dan begrijp ik u niet.”“Ik ben voor geen duizend Utahs bang.”“Daar heb ik geen hoogte van.”“Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen verloren. In één oogenblik dood ik hen allen.”“Hum! Allen?”“Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op zulk een gedachte zou niet een der uwen komen.”Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, terwijl ereen glimlachje om zijn lippen speelde: “Maar gij, gij zelf, zijt ook niet op die gedachte gekomen.”“Niet? Wie zegt u dat?”“Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen.”“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend vijanden bang ben?”“Ja, juist.”“Zeg het dan!”“Moet ik daardoor uw geheim verraden?”“Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik.”“En ik!”“Onmogelijk! Of bewijs het mij!”“Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?”“Ja.”“Wanneer zij zich in den canon bevinden?”“Ja.”“Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander wapentuig geschieden.”“Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij niet weten.”“O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus door water?”“Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!”“Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier verandert. Heb ik het geraden?”In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote Beer op, en riep: “Heer zijt gij alwetend?”“Neen, maar ik denk na.”“Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben ik aan het geheim gekomen?”“Door erfenis.”“En hoe wordt de dam geopend?”“Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag zeer spoedig beantwoorden.”“Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom die dam daar opgeworpen is?”“Ja.”“Nu?”“Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten.”“En wat is de andere reden?”“De schat.”“De schat?” vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit deed. “Wat weet gij van een schat?”“Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk in, dat het ’t onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, stomme bewakers van dien schat zouden zijn.”“Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!” riep de Groote Beer verschrikt uit. “Laten wij niet verder over den schat, maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?”“Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang te houden!”“Welke dan? Wapenen?”“Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen gevangengenomen en meegebracht.”“Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen.”“Weet gij daartoe een geschikte plaats?”“Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen brengen.”De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van eenige Timbabatsjen in de kano’s gebracht, die aan den oever van het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, dat was alles.“Moeten de gevangenen hier blijven?” vroeg Old Shatterhand.“Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel betere plaats.”Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar geen toegang naar beneden te zien geweest.De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: “Zij kunnen voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze streek wisten zeer goed wat zij deden.”Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat verborgen liggen?Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano’s gebracht, om op den oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen en snelden naar de paarden.Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, en stak van wal, toen de anderen wegreden.Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en dun, enin een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig hulp kwam opdagen.Humply-Billvertelde wat er was voorgevallen, en Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over hetgeen hij gedaan had.De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.“Halt!” riep hij met zijn donderende stem. “Laat die menschen liggen.”“Waarom? Hun scalps komen ons toe!” antwoordde het Lange Oor.Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: “Doe één snee, en ik schiet!”Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: “Wat kunt gij daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren.”“Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, ten minste niet bij de levenden.”“Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik die nemen.”“Met welk recht?”“Ik begrijp u niet!” antwoordde de Roodhuid verbaasd. “Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!”“Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?”“Neen. Ik heb er één geraakt.”“Welken?”“Dat weet ik niet.”“Is hij dood?”“Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen.”“Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!”De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, en hoorde men hen roepen: “Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het toovergeweer!”Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: “Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die.”Een der aanvoerders antwoordde: “Gij zult op ons schieten!”“Neen.”“Spreekt gij waarheid?”“Old Shatterhand liegt nooit.”Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: “Blijft! Er zal u niets geschieden.” Zij bleven angstvallig staan; hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: “Hoeveel hoofdmannen zijn er nu bij u?”“Vier.”“Wie is de voornaamste van hen?”“Nanap varrenton(= de oude donder).”“Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het midden; wapenen brengen wij niet mee!”Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: “Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee.”“Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen.”Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die er opgesmeerd waren; doch uit hunblikken sprak de verbazing, dat zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: “Toen de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen....”
Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa’s zich verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was geen droppel watertusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.
Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien bruisenden stroom.
De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.
Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een nauwlettend oog, en zeide: “Hier moet het wezen, waar ik er destijds uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, dat ik mij vergis.”
“En wilt gij daar ingaan?” vroeg Old Shatterhand.
“Ja. En gij moet met mij mee!”
“Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig ten einde loopt.”
“Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis.”
Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker voelende: “Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon.”
“Kent gij dan deze engte?” vroeg Old Firehand verwonderd.
“Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; gij weet, dat hij zich nooit vergist.”
“Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan ook de streek, waar die weg naar toe loopt?’
“Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt.”
“Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er dan? Weet gij dat?”
“De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van het Zilvermeer.”
“Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?”
“Ja.”
“Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?”
“Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien eeuwig dorren steengrond.”
“Dan zaliku bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water en gras.”
“Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?”
“Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij zullen hier zijwaarts zwenken.”
Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, regelrechte grondlijn vormde.
Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.
Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.
Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.
De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor ’t meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: “Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest.”
“Wij behoeven niet te graven,” antwoordde Old Firehand. “Het is immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken aanwezig is.”
“Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen bezwangerd.”
“Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren.”
Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De anderen volgden hem in de grootste spanning.
“Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting,” zei Hobble-Frank tegen Tante Droll. “Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te laten zien wat een man in bonis ik geworden ben.”
“En ik,” antwoordde Droll, “koop mij een boerenplaats, met twintig paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het Altenburgsche.”
“En als wij niemendal vinden?”
“Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer ook zilver te vinden moet zijn.”
Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: “Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen eenproef meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe Butler er over denkt.”
Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: “Lieve hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier in deze rotsspleet gezeten?”
“Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn.”
“Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, die gedegen metaal bevatten.”
“En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,” glimlachte Old Firehand.
Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: “Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet.”
“Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd.”
“Met hoeveel percent?”
“Vijf en zeventig percent zuiver zilver.”
“Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?”
“Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?”
Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, alle ter grootte van een hazelnoot.
“Nuggets, goud!” riep de ingenieur. “Ook van hier?”
“Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond ik in menigte.”
“Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, schatrijk man!”
“Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen.”
Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: “Niet te voortvarend, messieurs! Wij hebbenallereerst nog aan iets anders te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!”
“Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest,” merkte de lord aan, die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen daarover verheugde.
“Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons daarop voor te bereiden.”
“Dat is waar,” gaf Old Firehand hem toe. “Maar ik zou toch wel willen weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus Butler! wat is uw gevoelen daarover?”
Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek gaan, en zei toen: “Water hebben wij noodig; het allereerste, dat wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?”
“In het Zilvermeer zelf.”
“Hoe ver is dat nog van hier?”
“In twee uur zijn wij daar.”
“Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?”
“Ja, aanmerkelijk veel hooger.”
“Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?”
“De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer.”
“Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?”
“In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch.”
“Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, om de noodige drukking te krijgen.”
“O, voor de spuiten?”
“Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water behandeld.”
“Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken.”
“Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk welvoldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee dingen, die mij met bezorgdheid vervullen.”
“En dat is?”
“In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?”
“Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden.”
“Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?”
“Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen besluiten, om den grond aan ons te verkoopen.”
“En zal de hooge regeering dien koop erkennen?”
“Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust.”
“Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat ons gaan!”
De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.
De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te voorschijn te brengen.
De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.
De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij verslag van zijn bevinding: “Tot dusver ben ik zeer tevreden,” zei hij; “het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook voor het transportvan alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in de hand werkt.”
“Hoort gij dat?” zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een por in de ribben gaf. “Mijn villa komt stellig nog terecht.”
“En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!”
“Nu nog niet!” zei Frank afwerend. “Nog liggen de schatten verborgen in den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw boerderij nog altijd in eensubstantieelNiet verscholen liggen. Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben....”
Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: “Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!”
Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid van het naburige meer wasrondom op den grond van invloed; vandaar dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen—drie gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in gebroken Engelsch: “Stil anders dood!”
De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.
Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het meisje zagen aankomen.
Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps het “Totem”, dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, en dat hij er toen bij gezegdhad, dat dit schrift haar beveiligen zou tegen iedere vijandelijkheid.“Zijn schaduw is mijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder”, dat was de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.
“Nientropan-homosj,” zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, dat de “Jonge Beer” in zijn eigen taal zoo heette.
De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:
“Wie—geven—u?”
“Nientropan-homosj,” antwoordde zij.
“Jong opperhoofd?”
“Ja,” knikte zij.
“Waar?”
“Op het schip.”
“Groote vuurkano?”
“Ja.”
“Op den Arkansas?”
“Ja.”
“Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas geweest. Wie—mannen—daar?” Hij wees achterwaarts naar het ravijn.
“Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand.”
“Oef!” riep hij uit, en “Oef!” riepen ook de anderen. Hij wilde nog verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.
“De groote hoofdman der Apachen!” riep hij uit. “Dit blanke meisje bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren.”
De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, vroeg Winnetou hun: “Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?”
“Ja.”
“Wie is uw aanvoerder?”
“Tsjia-nietfas.” (“Het lange oor.”) Waarschijnlijk was deze man door zijn scherp gehoor beroemd.
“Waar is hij?” vroeg Winnetou verder.
“Aan het meer.”
“Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?”
“Honderd man.”
“Zijn er nog andere stammen ook hier?”
“Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, om de scalps der Utahs te halen.”
“Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten uitgezet?”
“Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen.”
“Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer aan het meer?”
“Ja, en de Jonge Beer ook.”
“Brengt ons bij hen!”
Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.
Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond weer, en al spoedig zag men het water.
“Het Zilvermeer,” zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen wendende. “Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht.”
“Maar rust zullen wij hier niet vinden,” zei Old Firehand. “Wij zullen waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen.”
Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.
Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts een smalle grasstrook vrij liet.
Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige kano’s aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en heesters beplant.
Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer alszilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.
In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.
De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache bracht zijn hand aan den mond, en riep: “Nientropan-homosj! Winnetou is aangekomen!”
Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en zei: “Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest.”
Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: “Mijn blanke broeder is een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!”
Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: “De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?”
“Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer,” antwoordde zij.
Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet geheel kon verbergen.
“Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?” vroeg hij.
“Ja, nog al lang zelfs!” antwoordde zij.
“Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal zij mij dat vergunnen?”
“Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt.”
Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.
De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam naar hem toe, en zei: “Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?”
De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar Droll antwoordde: “Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik niet geleerd.”
De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde Droll: “Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben.”
“Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?”
“De Utahs.”
“O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen.”
“Dan vergist gij u!”
“Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!”
“Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het Zilvermeer zijn.”
“Oef!” zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond bleef staan.
Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.
“Is het mogelijk?” vroeg de Groote Beer. “Spreekt deze blanke tante de waarheid?”
“Ja,” antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek van het Zilvermeer het best kende. “Wij zullen u alles uitvoerig vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen.”
“Ik ook mee!” verzocht Hobble-Frank.
“Ik ook asjeblieft!” zei Droll.
“Goed,” antwoordde Winnetou. “Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daarachter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven.”
Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, om hun dorst te lesschen.
Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid kon hun van veel nut zijn.
Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, dat in die richting den uitgang van het dal vormde.
Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde noodig.
Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er echter tusschen het meer en den canon eentamelijkbreede, op een dijk gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in staat om deze vraag te beantwoorden?
Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.
Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk maakten. Na het derdekwartier werd de canon eensklaps breeder, dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilenrustten, welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.
“Hier moeten wij stilhouden,” zei de Jonge Beer, die met de blanken voorop reed. “Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen verbergen.”
“En de paarden brengen wij een eind terug,” zei Droll, “anders zouden ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden.”
Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan den dag legde.
“Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch bedachtzame mannen,” zei hij: “doch de Navajos zijn doof en blind geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan....”
“Dan zullen wij een woordje meespreken,” viel Droll hem in de rede.
“Ja, dat zullen we,” zei Frank. “Het zou mij plezier doen als ik het geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?”
“Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet.”
“En de Navajos?”
“Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien weg gebruik te maken, want de weg is....”
Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.
De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: “Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos reeds aangekomen?”
“Nog niet.”
“Dan zijn wij verloren!”
“Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!”
“De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons dicht op de hielen.”
“Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?”
“Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren!”
“Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel hulp komen.”
Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: “Als het zoo gesteld is, moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de overige Timbabatsjen te halen.”
“Hoe komt het in u op!” viel Hobble-Frank hem weersprekend in de rede. “Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!”
“Hoe zoo?” vroeg Droll verwonderd. “Denkt gij, dat ik geen Westman ben?”
“De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullenwijzorgen.”
“Bravo, Frank! gij hebt gelijk,” riep Humply-Bill.
En de Gunstick-Uncle voegde er bij: “Ja, ja, zij moeten vechtend blijven—tot wij al de Utahs daar verdrijven!”
“Goed gesproken!” knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die zijn plan vond. “Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!”
Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.
Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou er niet één hunner in leven gebleven zijn.
Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.
Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.
Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.
Naast de jagers lag de “Jonge Beer”, en gebruikte zijn geweer, dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: “Wij met ons vijven blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg hun dat!”
De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.
Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd werden.De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men het verder verloop van den strijd gerust afwachten.
En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: “Ik heb de Navajos nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden.”
“Volstrekt niet!” zei Old Shatterhand. “Zij zijn immers nog niet vernietigd?”
“Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is erg te betwijfelen.”
“Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?’
“Ja.”
“Dan verkeert gij in het grootste gevaar.”
“O neen!”
“Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos verwacht?”
“Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij louter en alleen op mij zelf.”
“Dan begrijp ik u niet.”
“Ik ben voor geen duizend Utahs bang.”
“Daar heb ik geen hoogte van.”
“Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen verloren. In één oogenblik dood ik hen allen.”
“Hum! Allen?”
“Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op zulk een gedachte zou niet een der uwen komen.”
Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, terwijl ereen glimlachje om zijn lippen speelde: “Maar gij, gij zelf, zijt ook niet op die gedachte gekomen.”
“Niet? Wie zegt u dat?”
“Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen.”
“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend vijanden bang ben?”
“Ja, juist.”
“Zeg het dan!”
“Moet ik daardoor uw geheim verraden?”
“Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik.”
“En ik!”
“Onmogelijk! Of bewijs het mij!”
“Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?”
“Ja.”
“Wanneer zij zich in den canon bevinden?”
“Ja.”
“Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander wapentuig geschieden.”
“Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij niet weten.”
“O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus door water?”
“Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!”
“Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier verandert. Heb ik het geraden?”
In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote Beer op, en riep: “Heer zijt gij alwetend?”
“Neen, maar ik denk na.”
“Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben ik aan het geheim gekomen?”
“Door erfenis.”
“En hoe wordt de dam geopend?”
“Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag zeer spoedig beantwoorden.”
“Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom die dam daar opgeworpen is?”
“Ja.”
“Nu?”
“Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten.”
“En wat is de andere reden?”
“De schat.”
“De schat?” vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit deed. “Wat weet gij van een schat?”
“Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk in, dat het ’t onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, stomme bewakers van dien schat zouden zijn.”
“Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!” riep de Groote Beer verschrikt uit. “Laten wij niet verder over den schat, maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?”
“Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang te houden!”
“Welke dan? Wapenen?”
“Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen gevangengenomen en meegebracht.”
“Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen.”
“Weet gij daartoe een geschikte plaats?”
“Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen brengen.”
De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van eenige Timbabatsjen in de kano’s gebracht, die aan den oever van het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, dat was alles.
“Moeten de gevangenen hier blijven?” vroeg Old Shatterhand.
“Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel betere plaats.”
Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar geen toegang naar beneden te zien geweest.
De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: “Zij kunnen voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze streek wisten zeer goed wat zij deden.”
Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat verborgen liggen?
Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano’s gebracht, om op den oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen en snelden naar de paarden.
Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, en stak van wal, toen de anderen wegreden.
Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en dun, enin een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.
Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig hulp kwam opdagen.Humply-Billvertelde wat er was voorgevallen, en Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over hetgeen hij gedaan had.
De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.
Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.
“Halt!” riep hij met zijn donderende stem. “Laat die menschen liggen.”
“Waarom? Hun scalps komen ons toe!” antwoordde het Lange Oor.
Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: “Doe één snee, en ik schiet!”
Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: “Wat kunt gij daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren.”
“Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, ten minste niet bij de levenden.”
“Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik die nemen.”
“Met welk recht?”
“Ik begrijp u niet!” antwoordde de Roodhuid verbaasd. “Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!”
“Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?”
“Neen. Ik heb er één geraakt.”
“Welken?”
“Dat weet ik niet.”
“Is hij dood?”
“Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen.”
“Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!”
De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, en hoorde men hen roepen: “Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het toovergeweer!”
Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: “Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die.”
Een der aanvoerders antwoordde: “Gij zult op ons schieten!”
“Neen.”
“Spreekt gij waarheid?”
“Old Shatterhand liegt nooit.”
Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.
Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: “Blijft! Er zal u niets geschieden.” Zij bleven angstvallig staan; hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: “Hoeveel hoofdmannen zijn er nu bij u?”
“Vier.”
“Wie is de voornaamste van hen?”
“Nanap varrenton(= de oude donder).”
“Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het midden; wapenen brengen wij niet mee!”
Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: “Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee.”
“Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen.”
Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die er opgesmeerd waren; doch uit hunblikken sprak de verbazing, dat zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: “Toen de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen....”